• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Eindrapport – 9.5 Korpsbeheerders

    9.5 Korpsbeheerders

    Ook korpsbeheerders dragen verantwoordelijkheid voor de sturing
    en controle van opsporingsmethoden.

    9.5.1 Bevindingen

    De korpsbeheerder voert evenals voor andere onderdelen van de
    politie het beheer over de CID.

    De heer Rouvoet :
    Het onderwerp komt straks ongetwijfeld nog terug als wij
    over het beraad zelf spreken. Nu zou ik u eerst iets willen vragen
    over uw eigen korps. Hoe goed kent u uw korps? Ik doel met name op
    de recherche en de
    CID.
    De heer d’Hondt:
    Beperkt, denk ik. Ik ken mijn korps goed als het gaat om de
    structuur, de middelen die daarmee gepaard gaan en de afspraken
    over het hanteren van methoden, en beperkt als het gaat om de
    inhoud, om de vraag welke onderzoeken er worden gedaan, hoe ze
    verlopen enz. Dergelijke zaken komen heel weinig aan de orde.

    Noot

    De korpsbeheerder is tevens verantwoordelijk voor het beheer van de
    politieregisters, zo ook voor het beheer van de CID-registers. Ten
    aanzien van de CID heeft de korpsbeheerder namelijk de plicht een
    registerbeheerder aan te wijzen. Noot

    De heer Koekkoek:
    Als korpsbeheerder was u ook verantwoordelijk voor
    de
    politieregisters. Kun je die verantwoordelijkheid
    waarmaken?
    Mevrouw Schmitz:
    Je bent verantwoordelijk voor het beheer, voor de
    veiligheid, voor het feit dat daar de juist informatie in komt en
    dat er correct mee wordt omgegaan. Dat beheer delegeer je aan de
    korpschef. Ik vind dat wel een lastige verantwoordelijkheid, want
    die echt invullen, doe je als
    korpsbeheerder eigenlijk
    niet.
    De heer Koekkoek:
    Hoe zou het beter geregeld kunnen zijn? Je kunt die
    verantwoordelijkheid eigenlijk niet waarmaken. Dat begrijp ik van
    u.
    Mevrouw Schmitz:
    Ik denk dat het heel lastig is. Je zegt niet ieder half
    jaar: laat mij die
    politieregisters eens zien. Zo werkt dat
    niet.
    De voorzitter:
    Heeft u ooit een politieregister gezien?
    Mevrouw Schmitz:
    Nee.
    De voorzitter:
    Heeft u ooit gevraagd: wat zit daar nou in,
    jongens?
    Mevrouw Schmitz:
    Nee. Ik meen dat je die verantwoordelijkheid misschien
    rechtstreeks kunt laten bij de korpschefs of bij justitie/OM.
    Inhoudelijk heb je er geen bemoeienis mee. Dat zou ook kunnen. Er
    zijn wel meer dingen waarvoor je verantwoordelijk bent en waarop je
    aanspreekbaar bent. Maar hoe maak je dat in de veelheid van zaken
    waar? Dat is waar.
    Noot
    De heer Rouvoet:
    Heeft u wel eens in de CID-registers gekeken?
    De heer d’Hondt:
    Ik heb er nooit in gekeken.
    De heer Rouvoet:
    U mag het wel.
    De heer d’Hondt:
    Ik ben beheerder van die registers, dus ik kan erin kijken,
    maar het is niet nodig in verband met de professionaliteit en mijn
    verantwoordelijkheid, dus waarom zou ik het doen? Ik moet ze
    beheren.
    De voorzitter:
    Maar mag u er nu in kijken? U bent beheerder, maar u moet
    toch alleen een registerbeheerder aanwijzen?
    De heer d’Hondt:
    Ik moet een beheerder aanwijzen en ik draag de
    verantwoordelijkheid voor het beheer van de registers. U weet dat
    de CID-regeling geen wettelijke, maar een ministerile regeling is.
    Als er in verband met een goed beheer van de registers aanleiding
    is om erin te kijken, dan is er in principe geen belemmering voor,
    denk ik.
    Noot Korpsbeheerders denken verschillend
    over hun verantwoordelijkheid voor de aanpak van de
    georganiseerde

    criminaliteit.

    De heer Koekkoek:
    Wij hadden het over de driehoek die de prioriteiten bepaalt.
    Dus dan moeten wij denken aan de korpschef, de officier van
    justitie die zich met zware criminaliteit bezighoudt en de

    korpsbeheerder, de burgemeester. Het lijkt mij dat die nogal een
    eind bij u vandaan zitten.
    De heer Van Amerongen:
    Het is even iets anders. Het lijkt wel of wij overal anders
    in zijn als regio. Als afdeling hebben wij een eigen driehoek: twee
    burgemeesters uit de regio en de zwacri-officier, samen met de
    afdelingschef. Dat is de driehoek die ook het bevoegde gezag
    vormt.
    De heer Koekkoek:
    Dat zijn twee burgemeesters die zich namens het regionale
    college met de zware criminaliteit bezighouden. (…)

    Noot De betrokkenheid van korpsbeheerders bij de
    toepassing van (bijzondere) opsporingsmethoden is gelegen in

    zijn verantwoordelijkheid voor de personele en financile aspecten
    alsmede de corruptiegevoeligheid van het gebruik van dergelijke
    methoden. Noot

    De heer Koekkoek:
    Vindt u dat een korpsbeheerder verantwoordelijk is
    voor ongeoorloofd politie-optreden?
    Mevrouw Schmitz:
    Je bent als korpsbeheerder verantwoordelijk voor de
    wijze waarop politiemensen worden ingezet. En dan bedoel ik ook hun
    persoonlijke situatie en hun veiligheid. Voor de gezagslijn van
    justitie heb je het openbaar ministerie, maar als beheerder ben je
    een heel eind verantwoordelijk. Als men buiten het eigen gebied
    optreedt en als men acties onderneemt die te ver gaan, en in mijn
    ogen zeer vergaand te ver gaan, ja, dan heb je een
    verantwoordelijkheid. Overigens sta ook ik wel voor de intentie
    waarmee de mensen gewerkt hebben.
    De heer Koekkoek:
    De korpsbeheerder is medeverantwoordelijk voor
    riskante operaties?
    Mevrouw Schmitz:
    Je bent zeker medeverantwoordelijk.
    De voorzitter:
    U neemt die verantwoordelijkheid nu ook?
    Mevrouw Schmitz:
    Bestuurders delegeren natuurlijk veel aan de korpsleiding,
    dat is duidelijk. Maar waar een korpsleiding verantwoordelijk is,
    is uiteraard daarmee ook de beheerder verantwoordelijk, dus ik vind
    dat ik daar medeverantwoordelijk voor ben.
    Noot
    De heer Rouvoet:
    Welke afspraken hebt u gemaakt of maakt u over het hanteren
    van methoden?
    De heer d’Hondt:
    Omdat het niet strak geregeld is, hebben wij de afspraak dat
    wij in de gezagsdriehoek, maar ook in de beheersdriehoek de
    methoden aan de orde laten komen die bijzonder van aard zijn en die
    niet bij de
    Centrale toetsingscommissie aan de orde komen.
    En wij hebben de afspraak dat wij dat doen als de korpschef, de
    hoofdofficier van justitie of de gebiedsofficier van justitie er
    behoefte aan heeft, omdat men met bepaalde aspecten van een methode
    in z’n maag zit. Soms heeft het te maken met het aantal mensen dat
    beschikbaar gesteld moet worden, soms ligt het aan het geld of de
    middelen die gefourneerd moeten worden, soms ook is het een kwestie
    van de veiligheid van degenen die eraan meewerken en soms gaat het
    om algemeen bestuursrechtelijke aspecten.
    Noot
    De heer Rabbae:
    Vindt u dat de korpsbeheerder in principe een veto
    kan uitspreken over de inzet van een methode?
    De heer d’Hondt:
    Jazeker.
    De heer Rabbae:
    In welke gevallen?
    De heer d’Hondt:
    Als het gaat om de veiligheid van het personeel of om de
    hoeveelheid personeel die wordt ingezet. Dat zijn de belangrijkste
    redenen, denk ik. Soms zit het ook in de arbeidsvoorwaarden.

    Noot

    De meeste korpsbeheerders stellen zich in de praktijk terughoudend
    op als het gaat om opsporingsmethoden. Zij hanteren daarbij de
    opvatting dat er een afbakening van verantwoordelijkheden is tussen
    het OM als gezagdrager over de opsporingstaken van de politie en de
    korpsbeheerder als beheerder van de politie.

    De heer d’Hondt:
    (…) Kijk, in het algemeen zijn korpsbeheerders er
    uitermate terughoudend mee om zich bezig te houden met de
    opsporingsmethoden. Men vindt toch eigenlijk dat die onder de
    verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie vallen. Ik
    formuleer het opzettelijk zo: het is een
    gezagsverantwoordelijkheid, maar gezagsverantwoordelijkheid zonder
    verantwoordelijkheid voor het beheer kan natuurlijk niet. Er staat
    in de Politiewet dat het beheer ondergeschikt is aan het gezag,
    maar er wordt verder geen onderscheid gemaakt. Dus waar de grenzen
    precies getrokken moeten worden, kun je niet ontlenen aan de
    definities die de wet geeft. Dat moet in de praktijk worden
    opgebouwd en dat is op zichzelf ook geen probleem, want aan de ene
    kant heb je de structuur van de wet, die ingewikkeld is, en aan de
    andere kant heb je de verantwoordelijkheden voor het dagelijkse
    politiewerk, wat betekent dat de grenzen verkend worden en dat er
    afspraken gemaakt worden als de betrokkenen elkaars grenzen
    overschrijden.
    Noot

    Bij de besluitvorming over opsporingsmethoden staat het gezag van
    het OM over de politie centraal. Dit neemt niet weg dat de
    verantwoordelijkheid van de korpsbeheerders ook betrekking heeft op
    wezenlijke aspecten van de opsporingspraktijk zoals de integriteit
    en de veiligheid van politieambtenaren. In de praktijk leidt het
    beheer in al zijn facetten er niet toe dat korpsbeheerders zich
    vergewissen van het gebruik van allerlei opsporingsmethoden door de
    politie.

    De heer Rouvoet:
    Ik neem aan dat er een gelaagdheid is. Er is een
    criminele inlichtingendienst met een eigen chef in de lijn naar
    de korpschef en daarboven de
    korpsbeheerder. Is het in uw
    korps bekend in welke gevallen u iets wilt weten, via de korpschef
    of anderszins?
    De heer d’Hondt:
    Wat de CID betreft is dat alleen bekend via de
    algemene afspraak dat men het moet melden als er sprake is van
    afwijkende methoden, andere dan gebruikelijke methoden, als er
    sprake is van onveiligheid in een situatie die naar het oordeel van
    de korpschef niet tot de normale, gebruikelijke gang van zaken
    behoort. Die afspraak is ook met de officier en de hoofdofficier
    van justitie gemaakt.
    Noot

    Korpsbeheerders stellen niet alles te willen weten van
    opsporingsmethoden. Zij hielden, in elk geval tot voor kort, er een
    strikte beheersopvatting op na. In een enkel geval bleek het
    onvermijdelijk dat de korpsbeheerder ook buiten dat strikte kader
    op de hoogte werd gebracht van een opsporingsmethode.

    De voorzitter:
    Wist uw korpsbeheerder van het uitgeven van
    paspoorten ten behoeve van de
    valse identiteit?
    De heer Straver:
    Ja, dat heb ik met haar besproken. Wij hadden haar
    medewerking nodig omdat wij medewerking nodig hadden van de
    afdeling burgerzaken van de gemeente.
    Noot

    De casustiek waarbinnen de methoden daadwerkelijk toegepast worden,
    rekenen de korpsbeheerders tot de verantwoordelijkheid van het OM.
    Zij verschaften zichzelf daarmee tot voor kort de legitimatie hun
    verantwoordelijkheid te beperken tot beheersaspecten sec.

    De voorzitter:
    Heeft u ook gevraagd, op welke grondslag er werd ingekeken?
    Of vond u dat een aangelegenheid van het openbaar
    ministerie?
    De heer d’Hondt:
    Het is natuurlijk primair toch de verantwoordelijkheid van
    het openbaar ministerie. Ik heb wel gezegd dat ik genteresseerd ben
    in de grenzen van het hanteren van de methode, als het bij ons een
    keer voorkomt. Maar wij hebben daar tot nu toe geen discussie over
    gehad.
    De voorzitter:
    U heeft afgesproken dat dat soort opsporingsmethoden –
    inkijken, het gebruik van actieve
    informanten of
    infiltranten – vooraf met u worden doorgenomen?
    De heer d’Hondt:
    Die worden getoetst, ja. Noot De
    (hoofd)officier van justitie en de korpschef behoren de
    korpsbeheerder in te lichten over methoden die consequenties hebben
    voor de organisatie, de financin en andere beheersaspecten van de
    politie. De
    hoofdofficier moet de korpsbeheerder daar af en toe over
    terugmelden. In de praktijk wordt er weinig gevraagd en weinig
    teruggemeld. De randvoorwaarden betreffen onderwijl tevens de
    veiligheid van politiemensen en uitgaven die buiten het ter
    beschikking staande budget vallen. Het komt echter in de meeste
    regio’s nooit voor dat vooraf in het beheersoverleg over bijzondere
    opsporingsmethoden is gesproken. In dat overleg zijn evenmin vaste
    afspraken gemaakt over opsporingsmethoden waarbij technische
    apparatuur wordt ingezet. Alle verantwoordelijkheden van de
    korpschef voor het personeel zijn een afgeleide van de
    beheersverantwoordelijkheid van de korpbeheerder.
    De heer Koekkoek:
    Mijnheer d’Hondt, hebben de korpsbeheerders het
    gevoel dat sommige korpschefs – een aantal van hen is hier
    opgetreden – te sterk op de voorgrond treden?
    De heer d’Hondt:
    Er zijn zeker korpsbeheerders die dat gevoel
    hebben.
    Korpsbeheerders vinden natuurlijk dat korpschefs in
    het algemeen hun geluid moeten kunnen laten horen voorzover het met
    de professionaliteit van de politie te maken heeft. Daar heeft de
    samenleving ook behoefte aan; men wil weten wat politiechefs van
    bepaalde dingen vinden. Maar als het gaat om het functioneren in
    ondergeschiktheid aan het gezag – en dat is de kern van ons bestel
    – moet er natuurlijk niet te veel aan de hand zijn met de
    verhouding tussen korpschefs en
    korpsbeheerders.
    De heer Koekkoek:
    Vindt u dat sommige korpschefs in dit opzicht te ver zijn
    gegaan?
    De heer d’Hondt:
    Op grond van de ervaring kun je dat wel zeggen, ja.
    De heer Koekkoek:
    En hoe wilt u dit als korpsbeheerder verder
    voorkomen?
    De heer d’Hondt:
    Nogmaals, primair door te zorgen voor goede verhoudingen,
    want met goede verhoudingen ontstaan dit soort dingen niet. Dat
    betekent dat er niet te veel nadruk moet worden gelegd op de
    onderlinge competentiegeschillen, maar vooral op professionaliteit
    en verantwoordelijkheid. En voor het overige denk ik dat de formele
    situatie strikt gehandhaafd moet worden.
    Noot

    De verantwoordelijkheid van de korpsbeheerders voor de opsporing
    staat op dit moment ter discussie binnen het korpsbeheerdersberaad.
    De nog niet afgeronde discussie tendeert naar een conclusie van de
    korpsbeheerders dat hun beheerstaak samengaat met een zekere
    verantwoordelijkheid voor het gebruik van opsporingsmethoden. Om
    die verantwoordelijkheid te kunnen uitoefenen dienen zij op de
    hoogte te zijn van de te gebruiken en gebruikte opsporingsmethoden.
    Noot

    9.5.2 Beoordeling

    De commissie is van oordeel dat de korpsbeheerders een
    eigenstandige verantwoordelijkheid hebben ten opzichte van het
    gebruik van opsporingsmethoden. Het beheer van een politiekorps
    impliceert tevens inzicht in en controle op de te gebruiken
    methoden voorzover het de zorg voor het personeel betreft. De
    commissie constateert dat de korpsbeheerders tot nu toe een
    afstandelijke positie hebben ingenomen ten aanzien van de
    opsporingsmethoden. De commissie acht het wenselijk dat de
    korpsbeheerders, in goed overleg met de hoofdofficieren van
    justitie, de eigen verantwoordelijkheid voor het gebruik van
    opsporingsmethoden meer inhoud geven. Daarbij hoort een eigen
    verantwoordelijkheid voor de registers van de politie, in het
    bijzonder van de CID. Van dit laatste zijn de meeste
    korpsbeheerders zich niet bewust.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken