• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Gecontroleerde drro- en afleveringen

    > 2.4 Gecontroleerde afleveringen doorlaten

    2.4.1 Vragen naar aanleiding van de beslispunten

    Door de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden
    werd gecontroleerde aflevering gedefinieerd als het met medeweten
    en onder toezicht van politie en justitie laten leveren van
    verdachte zendingen aan een criminele organisatie, waarna de
    verdachte zending in beslag wordt genomen. Doorlaten is volgens de
    parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden het met
    medeweten en onder toezicht van de politie doorlaten van verdachte
    zendingen zonder dat de zendingen in beslag worden genomen;
    daardoor komen de verdachte zendingen in het criminele milieu en
    bij consumenten terecht. De commissie heeft bij deze beide
    opsporingsmethoden dezelfde onderzoeksvragen als bij de voorgaande
    paragrafen:

    a.Welke formele regels en richtlijnen hanteert de praktijk van
    de
    opsporing bij de inzet van deze methoden?
    b.Hoe en onder welke voorwaarden worden deze methoden in de
    praktijk van de opsporing gehanteerd?
    c.Wie beslist in de praktijk van de opsporing over de inzet van
    deze
    methoden?
    d.Welke controle is er in de praktijk van de opsporing op de inzet
    van
    deze opsporingsmethoden?

    2.4.2 Regelgeving

    De opsporingsmethoden gecontroleerde aflevering en doorlaten
    worden in het interregnum geregeld door de Voorlopige
    uitgangspunten en de Concept-richtlijn doorlaten en gecontroleerde
    aflevering. Ook wordt in de Concept-procedure toetsingsen
    registratiezaken van de CTC aandacht besteed aan gecontroleerde
    aflevering en doorlaten. Overigens wordt in de Richtlijn
    overgangsregeling bijzondere opsporingsbevoegdheden niet gesproken
    over gecontroleerde aflevering en doorlaten. Deze richtlijn is
    vastgesteld aan de hand van het wetsvoorstel BOB, waarin
    aanvankelijk geen regeling was getroffen ten aanzien van doorlaten
    en gecontroleerde aflevering. Deze opsporingsmethoden zijn in het
    wetsvoorstel opgenomen naar aanleiding van de motie-Kalsbeek c.s.
    (zie verder). In de Voorlopige uitgangspunten wordt over
    gecontroleerde aflevering geen nadere regeling gegeven. Over
    doorlaten wordt vermeld dat het doorlaten van goederen die
    schadelijk kunnen zijn voor de veiligheid of de volksgezondheid
    verboden is. In zeer bijzondere gevallen kan ontheffing verkregen
    worden van dit verbod.

    « Vast zal moeten staan, dat het beoogde resultaat niet op
    andere wijze kan worden bereikt. Voorts zal duidelijk moeten zijn
    welke volgende stap in het onderzoeks als rechtstreeks gevolg van
    het afzien van inbeslagneming zal kunnen worden gezet Tevens zal de
    aard en de hoeveelheid van door te laten goederen in een
    aanvaardbare verhouding moeten staan tot de doelstelling van het
    onderzoek. Ontheffing van het verbod op doorlaten van schadelijke
    of gevaarlijke goederen kan slechts worden overwogen wanneer het
    betreft een enkele proefzending (de zogenaamde
    »lijntester«). Buiten dat geval zal geen ontheffing van
    het verbod worden gegeven. De beslissing tot ontheffing van het
    verbod op het doorlaten van gevaarlijke of schadelijke stoffen
    wordt genomen door het College van procureurs- generaal. De
    beslissing wordt voorbereid door de CTC. Alvorens aan de ontheffing
    uitvoering te geven, wordt de beslissing van het College ter kennis
    gebracht aan de minister van Justitie. De minister kan een
    ontheffing ongedaan maken door het geven van een
    aanwijzing.»

    De Voorlopige uitgangspunten maken verder expliciet melding van
    de mogelijkheid om niet-schadelijke of niet-gevaarlijke goederen
    door te laten. Hiervoor geldt alleen een CTC-registratie. Op 17
    februari 1998 is de Concept-richtlijn doorlaten en gecontroleerde
    aflevering door het College van procureurs-generaal vastgesteld.
    Deze concept-richtlijn is gemaakt door de CTC op verzoek van het
    College. De concept-richtlijn is aangemeld ter bespreking in de
    daarop volgende overlegvergadering tussen het ministerie van
    Justitie en het College van procureurs- generaal. De
    Concept-richtlijn is, in aanwezigheid van de (toenmalige) minister
    van Justitie, ongeveer zes keer aan bod geweest in deze
    vergadering, in een tijdsbestek van ruim een jaar. Naar het oordeel
    van de (toenmalige) minister heeft er geen goed inhoudelijk debat
    over plaatsgevonden. Vanwege een meningsverschil tussen minister en
    departement enerzijds en College anderzijds, is er geen
    overeenstemming bereikt over de inhoud van de Concept-richtlijn.
    Het debat is uiteindelijk verdaagd wegens de behandeling in de
    Tweede Kamer van het wetsvoorstel BOB. De Concept-richtlijn is
    nimmer geformaliseerd. De in de Concept- richtlijn neergelegde
    noties zijn echter wel degelijk leidend voor beslissingen van de
    CTC. In de concept-richtlijn wordt onderscheid gemaakt tussen
    actief en passief doorlaten (in de wandelgang ook aangeduid als het
    verschil tussen respectievelijk doorleveren en doorlaten) en
    gecontroleerde aflevering.

    Actief doorlaten wordt omschreven als: «het onder gezag
    van het openbaar ministerie en onder regie van de politie door
    criminelen op de markt en/of in het (criminele) milieu brengen van
    goederen, voor zover het betreft goederen ten aanzien waarvan
    strafbare feiten zijn of worden begaan, terwijl bewust wordt
    afgezien van de mogelijkheid om in te grijpen, teneinde een hoger
    achterliggend strafvorderlijk belang te kunnen realiseren.»
    Passiefdoorlaten wordt omschreven als: «het toelaten dat
    goederen op de markt en/of in het (criminele) milieu worden
    gebracht, voor zover het betreft goederen ten aanzien waarvan
    strafbare feiten zijn of worden begaan, terwijl bewust wordt
    afgezien van de mogelijkheid om in te grijpen, teneinde een hoger
    achterliggend strafvorderlijk belang te kunnen realiseren».
    In een voetnoot wordt nog toegevoegd. «Het gaat niet om
    goederen ten aanzien waarvan het OM de mogelijkheid heeft om in te
    grijpen en dat onder normale omstandigheden volgens gebruikelijk
    beleid ook niet zou doen. Voorbeeld hiervan is de richtlijn voor
    het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake strafbare feiten
    van de Opiumwet (geringe hoeveelheden bestemd voor eigen
    gebruik)».

    Het belang van het onderscheid tussen actief en passief
    doorlaten blijkt voornamelijk voor spoedeisende gevallen. Voor
    passief doorlaten geldt dan dat de hoofdofficier van justitie
    beslissingsbevoegdheid krijgt en hij achteraf verantwoording moet
    afleggen; de minister wordt in kennis gesteld als daarvoor enige
    aanleiding bestaat naar het oordeel van het College. Ten aanzien
    van het actief doorlaten wordt de beslissingsbevoegdheid slechts
    mogelijk geacht voor het hoogst uitzonderlijke geval van een
    onvoorziene situatie. «De minister van Justitie wordt van
    alle gevallen, waarin de actieve doorlating van schadelijke en/of
    gevaarlijke goederen achteraf aan het College is voorgelegd, zo
    spoedig mogelijk in kennis gesteld». Van dezelfde datum als
    de Concept-richtlijn is de Regeling procedures in toetsings- en
    registratiezaken van de CTC, waarin als te registreren
    opsporingsmethode onder meer wordt aangeduid: «passieve
    doorlating van ethisch niet-indifferente (bijvoorbeeld organen) en
    actieve en passieve doorlating van ethisch indifferente
    (bijvoorbeeld illegale cd’s, gestolen motorvoertuigen)
    goederen». Met dit onderscheid wordt voortgebouwd op het in
    de Voorlopige uitgangspunten gehanteerde onderscheid tussen
    schadelijke of gevaarlijke goederen enerzijds en onschadelijke of
    ongevaarlijke goederen anderzijds.

    De heer Dittrich: Ik hoorde u in uw vorige antwoord een
    onderscheid maken tussen actief doorlaten en passief doorlaten. Wat
    is daar het verschil tussen?
    De heer Zwerwer (lid CTC en advocaat-generaal, ressortsparket
    Leeuwarden): De betekenis is niet zo geweldig groot. Bij het actief
    doorlaten heb je zelf mogelijkheden om in te grijpen, maar dan doe
    je dat niet. Bij passief doorlaten weetje dat er wat gebeurt, maar
    heb je niet de mogelijkheden om in te grijpen. Er is zo pas
    gesproken over de telefoontap. U moet zich realiseren dat niet alle
    telefoontaps 24 uur per dag worden uitgeluisterd. Dat zou wel
    aardig zijn, maar dan hebben wij überhaupt te weinig
    politiemensen.
    De heer Dittrich: Met uitluisteren bedoelt u dat er echt live
    mensen luisteren naar wat wordt gezegd.
    De heer Zwerwer: Ja. Dat kan bijna nooit. Het gebeurt meestal op
    het moment dat er echt iets verwacht wordt, maar vaak gebeurt het
    pas een paar dagen later. Dan is het spul weg, dan is het
    doorgelaten. Er zullen dus heel veel goederen worden doorgelaten
    zonder dat wij dat weten. Ook dingen die wij vermoeden, kunnen wij
    niet altijd pakken.
    De heer Dittrich: Het is dan als het ware achteraf, als de band is
    nageluisterd, dat men hoort., toen en toen kwamen er drugs. Dat
    noemt u dan passief doorlaten.
    De heer Zwerwer: Het kan ook om goederen gaan die niet zo geweldig
    relevant zijn voor de toetsing, maar die toch een beeld kunnen
    geven van de organisatie. Dan zeggen de opsporingsinstanties: laat
    maar. (Verslag Rondetafelgesprek, 21 mei 1999)

    Het politieke uitgangspunt over doorlaten en de uitwerking
    daarvan

    In het wetsvoorstel is uiteindelijk een verbod op doorlaten
    opgenomen, dat tegelijkertijd kan worden opgevat als een regeling
    voor gecontroleerd afleveren. De parlementaire
    enquêtecommissie opsporingsmethoden heeft het essentiële
    onderscheid gemaakt tussen gecontroleerde aflevering en doorlating
    in dier voege dat bij gecontroleerde aflevering de inbeslagneming
    wordt uitgesteld, terwijl bij doorlating geen inbeslagneming wordt
    beoogd. Het kabinet heeft vervolgens herhaaldelijk zijn visie op de
    problematiek van de doorlating gewijzigd. In een eerste reactie op
    het eindrapport van de enquêtecommissie is het kabinet van
    oordeel dat de strategie van doorlaten niet enkel moet worden
    afgewezen omdat de toepassing ervan uit de hand is gelopen in het
    kader van het Delta-onderzoek (Kamerstuk 24 072 26, 25 maart 1996).
    Een maand later wijst het kabinet het doorlaten van goederen die
    schadelijk of gevaarlijk zijn voor de veiligheid en de
    volksgezondheid af. Echter, het kabinet is van mening dat, wanneer
    de situatie zich zou voordoen dat op korte termijn een grote slag
    kan worden toegebracht aan de georganiseerde criminaliteit, in
    uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid zou moeten bestaan om
    dergelijke goederen door te laten. Het zou in deze gevallen aan de
    minister van Justitie zijn om de afweging te maken (Kamerstuk 24
    072 36, 27 april 1996). In het debat met de Tweede Kamer over het
    eindrapport van de parlementaire enquêtecommissie
    opsporingsmethoden geeft toenmalig minister van Justitie Sorgdrager
    aan dat het kabinet geen lijst wil vaststellen van de goederen
    waarvoor een verbod op doorlaten geldt. Zij definieert deze
    goederen als «stoffen die schadelijk zijn voor de
    volksgezondheid of gevaarlijk zijn», en die niet
    «normaal in het vrije verkeer zijn» (Handelingen
    1995-1996, 28, 9 mei 1996).  Uiteindelijk is het verbod op
    doorlaten bij amendement in het wetsontwerp gekomen naar aanleiding
    van de aangenomen motie-Kalsbeek c.s. (ter wijziging van beslispunt
    57):

    «Ten aanzien van het doorlaten van personen en goederen
    die schadelijk of gevaarlijk zijn voor de veiligheid of
    volksgezondheid geldt een algemeen verbod. Ten aanzien van genoemde
    goederen bestaat de mogelijkheid tot ontheffing van het verbod door
    het College van procureurs-generaal, dat de beslissing tot
    ontheffing onmiddellijk ter kennis brengt aan de minister van
    Justitie. Voor deze beslissing worden geen criteria geformuleerd
    opdat zich geen beleidsinstrument ontwikkelt en elke beslissing aan
    de hand van het concrete voorliggende geval kan worden beoordeeld.
    De Kamer wordt periodiek gerapporteerd over eventuele doorlating.
    » (Handelingen 1995-1996, 33, 13 juni 1996)

    Het kabinet formuleerde zijn standpunt opnieuw in maart 1998 en
    week daarin af van de tekst van de motie (Kamerstuk 24 072 97, 3
    maart 1998). In het kabinetsstandpunt wordt niet gesproken over het
    doorlaten van mensen; de minister van Justitie moet vooraf de
    beslissing tot doorlaten krijgen voorgelegd in plaats van achteraf
    daarover in kennis te worden gesteld; er wordt niet gesproken over
    het niet formuleren van criteria om te voorkomen dat zich een
    beleidsinstrument ontwikkelt; en er wordt niet gesproken over een
    actieve periodieke rapportage aan de kamer. In de richtlijnen wordt
    taalgebruik gebezigd dat in de politieke discussie nooit een rol
    heeft gespeeld c.q. expliciet is afgewezen. Zo worden er begrippen
    als actief en passief doorlaten en ethisch indifferente en ethisch
    niet-indifferente goederen gebezigd, maar ook nog steeds het door
    de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden en Kamer
    afgewezen begrip doorleveren. De praktijk van de opsporing vult
    deze begrippen vervolgens op eigen wijze in.

    De heer Dittrich: Ik begrijp uit de beslissingen van de Centrale
    toetsingscommissie dat u een onderscheid maakt tussen ethisch
    indifferente goederen en differente goederen. Hoe bent u tot die
    onderverdeling gekomen? Ik herinner mij dat in de Tweede Kamer en
    in de discussies met de parlementaire enquêtecommissie zo’n
    onderscheid niet echt is gemaakt.
    De heer Zwerwer (lid CTC en advocaat-generaal, ressortsparket
    Leeuwarden): Voorzover mij bekend is de discussie hierover in het
    College gevoerd en is het een beslissing van het College geweest.
    Voorzover ik weet is het niet in de CTC bedacht, maar dat maakt ook
    niet zoveel uit. het openbaar ministerie heeft zich daaraan
    gecommitteerd. De gedachte was dat goederen ethisch van belang of
    niet van belang waren. Het werd mogelijk geacht dat er een groot
    belang werd gehecht aan de handel in organen. Daar moest je iets
    mee kunnen. Daarom is het begrip ethisch different of indifferent
    bedacht, maar voorzover mij bekend is dat facet nog niet opgedoken
    in de toetsingsprocedure van de commissie. (Verslag
    Rondetafelgesprek, 21 mei 1999)

    De praktijk heeft van deze voortdurende discussie vooral
    overgehouden dat er niets of vrijwel niets meer mag als het om
    doorlaten gaat. Het begrip «onder regie» zoals dat in
    het gewijzigde beslispunt was opgenomen, wordt derhalve zeer ruim
    geïnterpreteerd. In het wetsvoorstel BOB is artikel 126ff nu
    als volgt vormgegeven:

    1.De opsporingsambtenaar die handelt ter uitvoering van een
    bevel als omschreven in de titels IVa tot en met V is verplicht van
    de hem in de wet verleende inbeslagnemingsbevoegdheden gebruik te
    maken, indien hij door de uitvoering van het bevel de vindplaats
    weet van voorwerpen waarvan het aanwezig hebben of voorhanden
    hebben ingevolge de wet verboden is vanwege hun schadelijkheid voor
    de volksgezondheid of hun gevaar voor de veiligheid. De
    inbeslagneming mag slechts in het belang van het onderzoek worden
    uitgesteld met het oogmerk op een later tijdstip daartoe over te
    gaan.
    2. De verplichting tot inbeslagneming, bedoeld als in het eerste
    lid, geldt niet in het geval de officier van justitie op grond van
    een zwaarwegend opsporingsbelang anders beveelt.
    3. Een bevel als omschreven in het tweede lid is schriftelijk en
    vermeldt. a. de voorwerpen waar het betrekking op heeft; b. het
    zwaarwegend opsporingsbelang en c. het tijdstip waarop of de
    periode gedurende welke de verplichting tot inbeslagneming niet
    geldt.

    In de rechtspraak lijkt voor de vraag of van doorlaten sprake
    is, van groot gewicht of daadwerkelijk is vastgesteld dat de
    illegale goederen op de aangegeven plaats aanwezig waren of dat een
    persoon de goederen bij zich draagt. Dat er een verdenking bestaat
    dat er goederen op een bepaalde plaats zijn, waarna niet wordt
    opgetreden, maakt dat optreden nog niet tot doorlaten. Het
    Amsterdamse Hof overwoog: Moewel in het algemeen
    opsporingsambtenaren niet verplicht zijn gebruik te maken van hun
    strafvorderlijke bevoegdheden, bestaat er geen volledige vrijheid
    tot achterwege laten van het in beslag nemen van voor de
    volksgezondheid gevaarlijke stoffen (..) Nagegaan dient te worden
    of (..) sprake is geweest van een welbewust toelaten dat verdovende
    middelen in circulatie komen dan wel van het welbewust aanvaarden
    van de geenszins denkbeeldige kans daarop». (..) Een en ander
    veronderstelt eerst en vooral dat de politie met redelijke mate van
    zekerheid ervan op de hoogte is dat verdovende middelen aanwezig
    zijn en voorts dat inbeslagneming van deze verdovende middelen in
    de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mogelijk zou zijn. (Hof
    Amsterdam 21 december 1998, Nieuwsbrief strafrecht 29/1/1999;
    Rechtbank Amsterdam, 21 april 1998, 13/129.529-97)

    Zelfs indien een doorlating onrechtmatig wordt geacht, is het de
    vraag welke consequenties zulks heeft voor eventueel als gevolg van
    – althans na – die doorlating vastgestelde strafbare feiten.
    Instructief is een zaak waarin ten eerste een invoer van 250 kilo
    cocaïne en ten tweede een invoer van bijna 500 kilo
    cocaïne waren ten laste gelegd. De 250 kilo waren doorgelaten.
    Het Haagse hof vond de gekozen methode buiten proportie:
    «Justitie is als medeplichtige te beschouwen aan de invoer
    van omvangrijke partijen harddrugs en daarmee als schuldige aan een
    ernstig misdrijf » Het openbaar ministerie werd voor het
    eerste ten laste gelegde feit niet ontvankelijk verklaard. Over het
    tweede feit werd evenwel overwogen: «Een eerder smet van
    overheidswege samenhangende met eerdere wilsbesluiten (van de
    verdachte) impliceert niet dat dezelfde smet ook doorwerkt bij het
    nieuwe wilsbesluit». Veroordeling voor de invoer van 490 kilo
    volgde. De Hoge Raad zag hierin geen onjuiste rechtsopvatting. (HR
    30 september 1997, nr. 105.363) Dit arrest toont aan dat een
    organisatie onder omstandigheden niet kan worden vervolgd voor de
    invoer van goederen waarbij de overheid heeft doorgelaten, maar dat
    de doorlating daarmee nog niet in de weg staat aan veroordeling ten
    aanzien van een vergelijkbare, andere invoer.

    Doorlaten van mensen

    In de praktijk is er veel onduidelijkheid met betrekking tot het
    doorlaten van mensen. De motie-Rouvoet c.s. maakt de aanpak van
    mensensmokkel moeilijk volgens betrokkenen. Recent hebben de CTC en
    in navolging daarvan het College van procureurs-generaal en de
    minister besloten wel een aantal mensen «door te laten»
    teneinde een organisatie in mensensmokkel op te kunnen rollen. De
    minister heeft zijn inzicht ter zake en de wijze waarop hij dus de
    motie-Rouvoet c.s. interpreteert in een brief aan de Kamer
    uiteengezet. (Kamerstuk 25 403, nr. 35, 1998-1999)

    De motivering van de motie-Rouvoet c.s. is het voorkomen van
    mensonwaardige situaties. Echter, bij mensensmokkel zijn situaties
    aan de orde waarbij personen er zelf voor hebben gekozen om tegen
    betaling via smokkelroutes een nieuwe bestemming te zoeken. Zij
    zullen als gevolg daarvan doorgaans niet terecht komen in
    mensonwaardige situaties. Als zodanig is het belang dat wordt
    beschermd met het verbod op mensensmokkel een andere dan dat beoogd
    met de motie. «Het belang dat gediend is met het niet
    overgaan tot aanhouding – namelijk het blootleggen van de
    organisatie en het identificeren van de verdachten – kan naar [de
    mening van de minister] in bepaalde gevallen zwaarder wegen dan het
    belang dat gediend wordt met de aanhouding». Indien zich
    gevallen var) mensensmokkel voordoen waarin er (redelijkerwijs)
    geen sprake is van mensonwaardige situaties ten aanzien van het
    vervoer en/of de opvang in het land zou het tot de mogelijkheden
    moeten behoren om niet tot aanhouding van personen over te
    gaan.

    Geen van de fracties had behoefte met de minister over deze
    brief van gedachten te wisselen. Aangenomen moet derhalve worden
    dat de Kamer met de handelwijze van de minister heeft
    ingestemd.

    De heer Dittrich: Dat was een zijsprong, want ik wil het nu gaan
    hebben over het al dan niet doorlaten van mensen. Hebt u bemoeienis
    gehad bij een zaak waar het misschien niet over doorlaten, maar
    over het gecontroleerd afleveren van mensen ging?
    De heer Oldekamp (CID-officier van justitie, parket Haarlem): Dat
    is een zaak waarin ik maar heel beperkt ben opgetreden, omdat er
    een officier nodig was voor huiszoekingen. Dat is anderhalf, twee
    jaar geleden beginnen te draaien. Er is ooit een vliegtuig op
    Schiphol geland dat helemaal vol zat met asielzoekers. Die hadden
    zo ongeveer hun paspoort opgegeten. Dat was de start van het
    onderzoek. Dit strekte zich uiteindelijk uit tot het zuiden van het
    land. Wat bleek in de loop van de tijd? In het zuiden, in
    Maastricht en Sittard, werden mensen, afkomstig uit het Verre
    Oosten, op de een of andere manier binnengebracht. Ik kan overigens
    niet verklaren dat wij er direct zicht op hadden waar zij vandaan
    kwamen. Ze kwamen in ieder geval uit de bronlanden. Zij werden
    vervolgens vanuit het zuiden vervoerd naar Duitsland, België
    of nog verder. Haarlem is als gevolg van de enquête-Van Traa
    echter bijzonder voorzichtig. In dat geval is het inderdaad
    gecontroleerd afleveren geweest. Daar zijn wij voor naar de CTC
    geweest, hoewel het geen doorlaten was. Je kunt je afvragen of je
    dan verplicht bent om naar de Centrale toetsingscommissie te gaan,
    maar wij hebben dat wel gedaan, ook omdat het een redelijk gevoelig
    onderzoek was. Je praat over mensen en over een vliegtuig dat ooit
    is geland en waar mensen in hebben gezeten. Wij hebben toen van de
    CTC toestemming gekregen om mensen gecontroleerd af te laten
    leveren. (Verslag Rondetafelgesprek, 21 mei 1999)

    2.4.3 Praktijk

    Gecontroleerde afleveringen

    Bij de gebruikelijke gecontroleerde aflevering wordt getracht om
    kort na of tegelijk met de vaststelling wie de betrokken personen
    zijn, tot arrestatie over te gaan en de gevolgde zendingen in
    beslag te nemen. In sommige gevallen wordt echter besloten niet de
    eerste ontvanger te arresteren, maar na diens identificatie te
    bezien aan wie hij de zending «doorlevert». De
    inbeslagneming kan ook (al dan niet in combinatie met een
    arrestatie) in de tweede of derde hand geschieden. In een aantal
    gevallen zullen dan personen die bij de eerste aflevering betrokken
    waren niet (meer) kunnen worden gearresteerd. Voor de situatie
    waarin wel in beslag genomen wordt, maar geen arrestaties
    plaatsvinden, wordt de term «vegen» gehanteerd.
    (Eindrapport parlementaire enquêtecommissie
    opsporingsmethoden, Kamerstuk 24 072, nr. 14, 1995-1996)
    Wat betreft het gecontroleerd afleveren rijst de vraag of en in
    hoeverre het nodig is om aangetroffen harddrugs te verwijderen uit
    verzonden postpakketten. Daar is geen eenduidig beleid voor
    ontwikkeld. Zo is onduidelijk op welke grond is besloten om acht
    kilo heroïne te laten zitten, hetgeen gebeurde in een ter
    registratie bij de CTC aangeboden zaak. Overigens zijn er ook
    diverse voorbeelden dat op Schiphol bij werkelijk grote
    hoeveelheden de harddrugs grotendeels worden verwijderd. Maar 13000
    kilo hennep en 150 liter hasjolie – welke hoeveelheid miljoenen
    waard is – werden gewoon gecontroleerd afgeleverd zonder
    gedeeltelijke verwijdering. Bij sommige politie-ambtenaren heeft HR
    17 maart 1998, NJ 1998, 515 de indruk gewekt dat het tot vrijspraak
    leidt wanneer drugs uit een toegezonden pakket worden gehaald. Deze
    indruk beruste op een misverstand. De inzet in die zaak was dat men
    niet medeplichtig kan zijn door hulpverlening ná het feit.
    In de tenlastelegging had de officier de hulpverlening na
    binnenkomst niet geformuleerd als een afspraak vóóraf
    over hulpverlening na binnenkomst. Die afspraak opnemen in de
    tenlastelegging was genoeg geweest om de medeplichtige te
    veroordelen, ook al was de hulp pas daadwerkelijk verleend na de
    verwijdering van de drugs uit het pakket. Dat het verwijderen van
    verdovende middelen ter voorkoming van «doorlating»
    vergt echter wel grote alertheid van het openbaar ministerie vergt,
    blijkt uit de uitspraak van de Hoge Raad van 15 december 1998. (HR
    15 december 1998, NJ 1999, 207) Daarin deed zich een soortgelijk
    probleem voor en werd een veroordelend arrest gecasseerd omdat het
    bewijs van verder vervoeren van cocaïne – die inmiddels buiten
    weten van de verdachte was verwijderd – onbegrijpelijk werd geacht.
    In de Voorlopige uitgangspunten wordt het onderscheid gehanteerd
    tussen enerzijds gecontroleerd afleveren en anderzijds het
    doorlaten van schadelijke of gevaarlijke goederen – waarvoor een
    verbod geldt – en het doorlaten van niet schadelijke goederen
    waarvoor CTC-registratie voldoende was. Ontheffing van het verbod
    is mogelijk als door niet in beslag te nemen de organisatie later
    een grote slag kan worden toegebracht en in het geval van een
    lijntester. De beslissing daartoe kan alleen worden genomen door
    het College van procureurs-generaal (na advies CTC) en na in
    kennisstelling van de minister van Justitie. Met een aanwijzing kan
    de minister de ontheffing dus nog ongedaan maken. De Concept
    procedure in toetsings- en registratiezaken en de Conceptrichtlijn
    doorlaten en gecontroleerd aflevering maken echter niet alleen een
    nader onderscheid in «ethisch (niet) indifferente
    goederen» maar ook in het «actief» of
    «passief doorlaten» daarvan. Onder «actief
    doorlaten» wordt verstaan het onder gezag van het openbaar
    ministerie en onder regie van de politie door criminelen op de
    markt en/of in het milieu brengen van goederen, voor zover het
    betreft goederen ten aanzien waarvan strafbare feiten zijn of
    worden begaan., terwijl bewust wordt afgezien van de mogelijkheid
    om in te grijpen, teneinde een hoger achterliggende strafvorderlijk
    belang te kunnen realiseren. Wanneer het gaat om een toelaten dat
    dergelijke goederen op de markt en/of in het milieu worden gebracht
    dan moest worden gesproken van «passief» doorlaten. Bij
    de CTC moesten op grond van die regeling ter toetsing worden
    aangeboden vormen van actief en passief doorlaten, waarbij het gaat
    om gevaarlijke en l of schadelijke goederen en/of goederen die
    ethisch niet indifferent zijn (bijvoorbeeld organen). Even verder
    staat evenwel dat bij passieve doorlating van ethisch niet
    indifferente goederen (zoals organen) en actieve en passieve
    doorlating van ethisch indifferente goederen (zoals illegale CD’s
    en gestolen motorvoertuigen) CTC-registratie voldoende wordt
    geacht.

    Doorlaten

    In de onderzochte periode van 1996 tot heden zijn bij de CTC
    zo’n vijf zaken in verband met het doorlaten van goederen
    voorgelegd. In het merendeel van de gevallen betrof het een verzoek
    om bij wijze van een proefzending een aantal kilo’s (soft)drugs te
    mogen doorlaten. Eén zaak heeft betrekking op het doorlaten
    van vogeleieren in verband met de wetgeving voor de bedreigde
    uitheemse diersoorten. Het College meende dat het in dat geval om
    «ethisch indifferente goederen» ging die ingevolge de
    Concept-richtlijn «Niet ingrijpen» (oktober 1997; De
    concept-richtlijn niet ingrijpen is voor de eerste maal tijdens de
    vergadering van het College van procureurs-generaal van 1 oktober
    1997 behandeld) niet bij de CTC ter toetsing maar ter registratie
    moesten worden aangemeld door de hoofdofficier van justitie. Uit
    deze zaak zou kunnen worden afgeleid dat de CTC en het College van
    procureurs- generaal wel degelijk toetsen aan de eigen
    concept-richtlijnen, ook al hebben die het veld nog niet bereikt en
    heeft de minister geen goedkeuring gegeven aan dat concept. In een
    aantal voorgelegde «doorlatings»-zaken neemt ofwel het
    verzoekende buitenland het rechtshulpverzoek ofwel de hoofdofficier
    de zaak terug voordat deze is af geprocedeerd via de CTC bij het
    College. In één zaak wordt toestemming gevraagd voor
    het doorlaten van een geringe hoeveelheid grondstof voor
    XTC-pillen. De informatie over deze proefzending was over de tap
    gekomen en vermoedelijk zou er spoedig daarna een veel grotere
    zending binnenkomen (ongeveer 1000 kilo). Het College was, met de
    CTC, van oordeel dat op basis van de verstrekte informatie geen
    oordeel mogelijk was voor een goede afweging van de
    proportionaliteit en subsidiariteit. De zaak is daarom stukgemaakt.
    In het evaluatie formulier merkt de officier op dat niet
    uitgesloten kan worden dat de grote partij alsnog is verscheept
    nadat betrokkene in vrijheid was gesteld; «voor zo’n geringe
    hoeveelheid kon de vrijheidsberoving tenslotte maar heel beperkt
    zijn! » Doorlatingen komen volgens nagenoeg alle betrokken
    niet meer voor. Wel is de vaststelling of er sprake is van
    doorlaten voor velen een lastig probleem. In alle onderzochte
    organisaties rust een absoluut verbod op het doorlaten van voor de
    volksgezondheid gevaarlijke goederen. De commissie heeft de
    stellige indruk dat dit verbod ook nageleefd wordt. Toch worstelt
    de politie vrijwel dagelijks met het verbod op doorlaten, ook omdat
    het de vraag is wanneer daarvan sprake is.

    In een lopend onderzoek hoorde het onderzoeksteam over de tap
    een dame zeggen: «Ik heb pillen van je nodig. Ik moet het nu
    hebben en in één keer». Daarop reageerde haar
    gesprekspartner verontwaardigd. «Idioot, dit moetje niet
    zeggen over de lijn».
    Zij: «Maar ik noem toch geen namen?»
    Hij: «Maar ik bedoel het! ». Het team is toen in
    overleg getreden met de zaaksofficier van justitie. Deze maakte
    duidelijk dat het team de drugs in beslag móest nemen. Dat
    zou door middel van een afschermings-proces-verbaal gebeuren. De
    ervaring had geleerd dat de rechter dat tot nu toe accepteerde.

    Een aantal respondenten is van mening dat dit verbod in ernstige
    mate het onderzoek naar criminele groeperingen die betrokken zijn
    bij de smokkel en verspreiding van (hard- en soft) drugs
    bemoeilijkt. De reden daarvoor is dat in zaken waarin telefoons
    worden afgeluisterd, politie en justitie regelmatig worden
    geconfronteerd met vermoedens omtrent leveringen en transporten van
    drugs. Dit levert onvermijdelijk problemen op voor het
    hoofdonderzoek. In hoeverre de hiervoor aangehaalde benadering van
    het Amsterdamse hof – dat een redelijke mate van zekerheid en het
    redelijkerwijs mogelijk zijn van inbeslagneming eiste -afdoende is,
    kon nog niet worden vernomen.

    De heer Geraedts (onderzoeksleider Regionale recherche,
    regiopolitie Limburg- Noord): Ik wil graag een probleem aan de orde
    stellen, namelijk datje in een lopend onderzoek achteraf tot de
    ontdekking komt dat er een partij harddrugs is doorgegaan, en de
    wijze waarop wij daarmee omgaan.
    De heer Dittrich: Bedoelt u dan, wat wij al eerder bespraken, dat
    als je later de band afluistert van gesprekken die zijn opgenomen,
    je te weten komt dat er harddrugs zijn doorgelaten?
    De heer Geraedts: Ja. In de praktijk komt het voor datje aan de
    hand van cryptische omschrijvingen en coderingen in combinatie met
    observatie, gaat rechercheren. Je bevindt je dan in een pril
    stadium, namelijk de aanvang van de eerste week van het onderzoek.
    Er is dan een bepaalde doelstelling ten opzichte van een criminele
    organisatie. Het is de opzet om daarnaar te rechercheren.
    Vervolgens zie je de tweede dag de bewegingen en krijg je er al
    grip op. Uiteindelijk kom je dan met het observatieteam voor de
    situatie te staan datje je afvraagt. zitten wij goed, weten wij een
    vindplaats? Je ziet betrokkenen elkaar ontmoeten en vervolgens weer
    weggaan, op een heimelijke manier Achteraf, evaluerend met de
    sectiechef van de observatie- eenheid, in combinatie met de
    gegevens op de tap, kun je dan zeggen: hier heeft wat
    plaatsgevonden, hier is een kilo harddrugs, cocaïne, over
    tafel gegaan. Dat kan later natuurlijk, zeer zeker vandaag de dag,
    door verweren van de advocatuur op de zitting aangehaald worden.
    Dan is de vraag hoe wij daar vervolgens, na die ontdekking en na
    die conclusie, in het prille begin van het onderzoek op reageren en
    mee omgaan.
    De heer Dittrich: Hoe reageert u daarop? U stelt dit aan de orde.
    Hoe stelt u zich voor dat erop gereageerd zou moeten worden?
    De heer Geraedts: Ik denk datje het achteraf moet laten toetsen,
    zodat duidelijk is datje op enig moment gedurende het onderzoek,
    gezamenlijk met de zaaksofficier tot de conclusie bent gekomen dat
    er een behoorlijke partij harddrugs – waarvan wij eigenlijk niet
    wilden dat die doorgevoerd werd – over tafel is gegaan. (Verslag
    Rondetafelgesprek, 21 mei 1999)

    Bij het uitluisteren van de tap voor bijvoorbeeld een
    cocaïnezaak hoort de politie vaak over de leveringen van
    partijtjes hasj. Voor de politie vormen deze berichten een
    dilemma.

    De heer Dittrich: Mijnheer Reineker, u werkt als chef bij de CID
    te Amsterdam. Als er drugs in uw regio aanwezig zijn en u de
    vindplaats daarvan kent, of als u weet hebt van een drugstransport
    door een georganiseerde bende binnen uw regio, gaat u dan altijd
    meteen over tot inbeslagname, of zijn er ook omstandigheden waarin
    u dat niet doet?
    De heer Reineker (teamleider IRT/CID-chef, regiopolitie
    Amsterdam-Amstelland): Het moment van inbeslagname kan wringen,
    vooral in het begin van een onderzoek. Als er nog onvoldoende
    bewijs tegen de verdachten is verzameld, dan kan het voorkomen dat
    een partij niet direct in beslag wordt genomen. Het streven van de
    opsporing is wel gericht op inbeslagname van verdovende middelen,
    maar het tijdstip waarop dat gebeurt, is afhankelijk van de
    bewijsvoering.
    De heer Dittrich: Een dergelijke situatie beschouwt u als een
    gecontroleerde aflevering?
    De heer Reineker: In een dergelijke situatie proberen wij de partij
    verdovende middelen 24 uur per dag onder controle te houden, hetzij
    door fysieke observatie, hetzij met behulp van technische
    ondersteuning.
    De heer Dittrich: Ik wil terugkeren naar de heer Reineker Stel dat
    u in een onderzoek de telefoon afluistert en u hoort dat ergens
    drugs zullen worden neergezet. U weet de vindplaats van die drugs.
    Worden die dan altijd in beslag genomen?
    De heer Reineker. In principe worden die verdovende middelen altijd
    in beslag genomen.
    De heer Dittrich: U zegt «in principe». Ik ben
    natuurlijk heel erg geïnteresseerd in de situaties waarin dat
    niet lukt of niet kan. Kunt u dat duidelijk maken, aan de hand van
    een praktijkvoorbeeld wellicht? De heer Reineker: Ik wil het wel
    aan de hand van een voorbeeld duidelijk maken. Het lijkt mij niet
    handig om een praktijkvoorbeeld te nemen.
    (…)
    De heer Reineker: Stel dat je door het afluisteren van telefoons of
    door observatie beelden, waarnemingen of anderszins krijgt van
    partijen verdovende middelen. En stel dat je in een opslagruimte op
    een industrieterrein terechtkomt. Het observatieteam ziet dat er 25
    dozen naar binnen worden gebracht met behulp van een
    vrachtautootje. Vervolgens ga je daar naar binnen toe om tot
    inbeslagneming over te gaan. En dan blijkt dat er maar
    één kilo marihuana wordt aangetroffen. Het zou heel
    vervelend zijn om voor één kilo marihuana het gvo te
    moeten openen. (Verslag Rondetafelgesprek, 21 mei 1999)

    Een aantal respondenten is van mening dat het mogelijk zou
    moeten zijn deze (kleine) partijen te laten gaan. Op basis van de
    huidige weten regelgeving is dat echter niet mogelijk, omdat
    doorlaten immers verboden is.

    De heer Reineker (teamleider IRT/CID-chef,
    Amsterdam-Amstelland)Dan kan in
    overleg met de zaaksofficier, justitie, besloten worden om die kilo
    daar te laten liggen. U kunt zich voorstellen dat een kilo
    marihuana het op zichzelf niet rechtvaardigt om daar 24 uur per dag
    een observatieteam neer te zetten.
    De heer Dittrich: Dus je overlegt met de zaaksofficier en die geeft
    toestemming om niet tot inbeslagneming over te gaan?
    De heer Reineker: Ja.
    De heer Dittrich: U noemt het voorbeeld van één kilo.
    Is er een soort lijst? Bij hoeveel kilo’s wordt wel daartoe
    overgegaan? Hoe wordt daarmee omgegaan in de praktijk?
    De heer Reineker: Als het om harddrugs gaat, cocaïne of andere
    harddrugs, is die
    mogelijkheid sowieso geblokkeerd. Ik vind dat op zichzelf een heel
    goede regeling. De overheid zou er niet aan moeten meewerken dat
    cocaïne of andere harddrugs in de samenleving
    terechtkomen.
    De heer Dittrich: Dus als u zegt «die mogelijkheid is sowieso
    geblokkeerd» bedoelt u: dan moet er altijd in beslag genomen
    worden?
    De heer Reineker: Dan wordt er in beslag genomen.
    De heer Gerands (onderzoeksleider Regionale recherche, regiopolitie
    Limburg- Noord): Ja. Tussen de één en vijf kilo: de
    zaaksofficier de CID-officieren de plaatsvervangend hoofdofficier
    die toen nog niet maar thans wel is geformaliseerd als
    rechercheofficier. Thans is de situatie uitdrukkelijk. de
    recherchechef en de rechercheofficier overleggen deze zaken. Boven
    de vijf kilo was er sprake van dat de hoofdofficier de beslissing
    zou nemen.
    De heer Dittrich: Als ik het goed begrijp, kunnen er in gevallen
    waarin het om minder dan vijf kilo harddrugs gaat beslissingen
    worden genomen om die drugs niet in beslag te nemen.
    De heer Gerands: Ja, maar die situaties hebben zich gelukkig niet
    voorgedaan.
    De heer Dittrich: Maar is dit dan een soort vuistregel die in
    Limburg-Noord gehanteerd wordt?
    De heer Gerands: Wás. Dat is het niet meer, zeer zeker niet
    na de laatste stand van zaken. Na het rapport van de commissie-Van
    de Beek zijn enkele indicatoren geformuleerd waarop je kunt afgaan.
    Je weet dan: hier hebben wij nog enige ruimte en daar niet meer.
    Het betekent wel dat wij er natuurlijk met z’n allen voor moeten
    zorgen, zeer zeker in het bilaterale overleg met de zaaksofficier,
    dat het gat, de ruimte niet te groot wordt. Anders weetje niet
    waardje naar toe gaat.
    De heer Dittrich: Uit welkjaar dateert die vuistregel?
    De heer Gerands: Ik participeerde als onderzoeksleider in 1997.
    (Verslag Rondetafelgesprek, 21 mei 1999)

    Een tijdelijke oplossing is het wegtippen van de informatie (zie
    daarvoor paragraaf 2.5.4). Trucs als het vertraagd uitluisteren van
    taps, of het tolkenprobleem («we verstonden niet wat er over
    de tap gezegd werd») achten de meesten fnuikend voor de
    geloofwaardigheid bij de rechter. Ook het toevallig geen
    OT-capaciteit hebben, of de mislukte gecontroleerde aflevering zijn
    argumenten waar niemand van wil stellen dat ze zouden mogen worden
    gebruikt om een doorlating te maskeren.

    De heer Hielckert (rechercheur kernteam, regiopolitie
    Rotterdam): ( .. ) Wij hebben ongeveer anderhalfjaar geleden een
    onderzoek gedaan waarbij wij tegen een organisatie aanliepen die
    vanuit Turkije heroïne in Nederland invoerde en distribueerde.
    Dat betrof grote hoeveelheden, minimaal honderd kilo per zending.
    Tussen die grote partijen door werden ook kleine partijen in deze
    richting gestuurd. Kort na de start van het onderzoek kregen wij al
    gelijk zicht op zo’n kleine partij die onderweg was van Turkije
    naar Nederland. Door het afluisteren van telefoongesprekken kregen
    wij op een zondagavond het bericht binnen dat er een indicatie was
    dat er maandagochtend mogelijk een koerier met een geprepareerde
    personenauto naar Nederland onderweg was. Die indicatie was zo
    sterk dat er haast wel heroïne in die auto moest zitten. Het
    was onmogelijk om die auto door te laten gaan. Zicht op de
    organisatie die erachter lag, hadden we wel, maar nog niet zodanig
    dat we de zaak met voldoende bewijs ter zitting konden brengen.
    Toen hebben we, uiteraard in overleg met de officier van justitie,
    besloten om die partij in beslag te nemen, maar daarbij, indien
    mogelijk, geen verdachten aan te houden. De partij moest in ieder
    geval in beslag genomen worden en de verdachten zouden op een later
    tijdstip aangehouden worden.
    De heer Dittrich: Waarom was het zo belangrijk om die verdachten
    niet meteen aan te houden?
    De heer Hielckert: Wij wilden het onderzoek niet frustreren. Op het
    moment dat er verdachten worden aangehouden, worden ze voor de
    rechtbank gebracht. Het GVO dat tegen de organisatie liep, zou dan
    bekend worden.
    De heer Dittrich: Het GVO is het gerechtelijk vooronderzoek.
    De heer Hielckert: Nadat wij dat zo doorgesproken hadden, hebben
    wij die auto in beslag genomen zonder dat er iemand bij was met
    erin vijftien kilo heroïne. Wij hebben het zodanig gedaan dat
    het voor de omgeving duidelijk was dat de politie de inbeslagname
    had gedaan. Uit het onderzoek was al duidelijk geworden dat de
    afstraffing heel pijnlijk zou zijn indien mensen van de organisatie
    partijen heroïne achterover zouden drukken. Daarom hebben wij
    bij de inbeslagneming een herkenbare politiewagen betrokken.
    De heer Dittrich: Dat hebt u gedaan om sommige mensen van die groep
    te beschermen.
    De heer Hielckert: Ja.
    De heer Dittrich: Tegen een afrekening vanuit de groep?
    De heer Hielckert: Inderdaad, maar dat is helaas mislukt. We hebben
    vervolgens groot in de krant gepubliceerd dat de politie die auto
    in beslag had genomen. Dat was helaas een Nederlandse krant. De
    mensen die hierbij betrokken waren, waren echter van Turkse afkomst
    en die lezen die Nederlandse krant niet. De voorzitter: Het is dus
    mislukt. De auto is wel in beslag genomen, maar het was de
    verdachten niet opgevallen dat de politie dat gedaan had.
    De heer Hielckert: Exact.’

    De rechtbank heeft deze inbeslagname geaccepteerd. Zij was van
    oordeel dat er geen reden was om aan de integriteit van de
    beslissing te twijfelen.

    Doorlaten: meerdere strafbare feiten door één
    criminele groep

    Respondenten geven aan dat het met betrekking tot het verbod op
    doorlaten «handig» is als een verdachte tegelijkertijd
    in verschillende goederen illegaal handelt. Dit komt bijvoorbeeld
    voor wanneer een verdachte zowel illegaal spijkerbroeken invoert
    als in drugs handelt. Wanneer het tactische team informatie krijgt
    over verhandelde goederen, kan zij aannemelijk maken dat zij geen
    zekerheid heeft over de aard van de goederen. Deze voorgestelde
    gegronde onzekerheid ontslaat het team vervolgens van de
    verplichting ofwel de goederen in beslag te nemen ofwel – bij
    grensoverschrijding ~ een rechtshulpverzoek in te dienen naar
    aanleiding van een voorgenomen gecontroleerde aflevering c.q.
    doorlating. In het laatste geval zou voor de gecontroleerde
    aflevering eerst toestemming aan de CTC moeten worden gevraagd.
    Wanneer aannemelijk is dat er geen zekerheid is over de aard van de
    goederen, is het mogelijk om in zo’n geval bijvoorbeeld een Duitse
    politieambtenaar informeel te vragen een verkeerscontrole uit te
    voeren waarbij de wagen in kwestie kan worden doorzocht.

    In een onderzoek bleek heel snel dat er verschillende
    groeperingen betrokken waren bij de smokkel van cocaïne. Deze
    groeperingen hielden zich bezig met verschillende activiteiten:
    verdovende middelen, vuurwapens, mensenhandel, edelstenen, alcohol
    (o.a. wodka). De officier van justitie heeft toen in overleg met de
    driehoek besloten dat het team zich moest beperken tot verdovende
    middelen. Hiermee wordt de mogelijkheid geboden om door te laten,
    zolang het team kan volhouden dat het niet met voldoende zekerheid
    heeft vastgesteld wat de inhoud van een transport is. Doordat de
    groeperingen met zoveel producten bezig waren, was het moeilijk om
    te weten wanneer zij zich met verdovende middelen bezig hielden.
    (Verslag Rondetafelgesprek, 21 mei 1999)

    Knelpunten gecontroleerd afleveren en doorlaten

    In het kader van de inventarisatie van de consequenties van het
    wetsvoorstel BOB in de praktijk (werkgroep-Van de Beek, april 1999)
    is in het bijzonder gekeken naar de gevolgen van het verbod op
    doorlaten. Over de reikwijdte van het verbod op doorlaten stelt het
    rapport (samengevat) dat het verbod in de volgende situaties niet
    geldt:
    a. de vindplaats is niet door de toepassing van bijzondere
    opsporingsbevoegdheden bekend;
    b. de vindplaats is onvoldoende bekend (verwezen wordt naar de
    uitspraak van het hof Amsterdam, 21 december 1998 met betrekking
    tot het begrip «weten»);
    c. bij voldoende mate van zekerheid over de vindplaats is, in die
    gevallen waarin op grond van de hoeveelheid geen direct ingrijpen
    geboden is, een afweging mogelijk tussen de verplichting tot
    inbeslagneming en het opsporingsbelang. Het is mogelijk dat wordt
    gekozen voor uitstel met het oogmerk om op een later tijdstip tot
    in beslagneming over te gaan;
    d. in exceptionele gevallen kan voor afstel worden gekozen op basis
    van het zwaarwegend opsporingsbelang en met inachtneming van de
    procedure (schriftelijke toestemming na overleg met de minister)
    en
    e. in alle andere gevallen dient tot inbeslagneming te worden
    overgegaan, tenzij daardoor personen in gevaar komen.

    In reactie hierop wil de commissie op deze plaats nadere
    invulling geven aan genoemd artikel. Het verbod op doorlaten is
    naar de tekst van artikel 126ff wetsvoorstel BOB gekoppeld aan de
    uitoefening van bevoegdheden van de titels IVa tot en met V. In de
    uitvoering van de bevelen tot observatie, infiltratie, pseudokoop,
    stelselmatig inwinnen van informatie, inkijkoperatie, opnemen
    vertrouwelijke communicatie en onderzoek van telecommunicatie
    (onder andere telefoon- en faxtap en printen) kan een
    opsporingsambtenaar bekend raken met de vindplaats van goederen in
    de zin van het artikel, hetgeen noopt tot ingrijpen. De informatie
    van de burgerinformant, -infiltrant of de burgerpseudokoper (titel
    Va) kan echter ook de wetenschap van de vindplaats in de zin van
    artikel 126ff wetsvoorstel BOB opleveren. Uit de debatten in de
    Kamer kan niet worden afgeleid dat deze titel bewust zou zijn
    uitgesloten; kennelijk is sprake van een omissie en dient titel Va
    onder het bereik van artikel 126ff te worden gebracht. De eerder
    aangehaalde uitspraak van het Hof Amsterdam (21 december 1998)
    biedt nadere invulling aan het begrip weten in de zin «dat de
    politie met redelijke mate van zekerheid ervan op de hoogte is dat
    verdovende middelen aanwezig zijn en voorts dat inbeslagneming van
    deze verdovende middelen in de gegeven omstandigheden
    redelijkerwijs mogelijk zou zijn». Een gebrek aan capaciteit
    bij het observatieteam en het arrestatieteam of andere
    onderzoeksprioriteiten zullen in beginsel onvoldoende reden
    opleveren om niet tot actie over te gaan. In sommige gevallen zal
    de informatie noodzaken tot nader onderzoek (bijvoorbeeld een
    observatieactie) ter vaststelling van de vindplaats, in andere
    gevallen kan terstond tot inbeslagneming en aanhouding worden
    overgegaan. Van belang zijn daarbij onder meer de onderstaande
    overwegingen en de aard van de aanwijzingen of vermoedens. Het ligt
    in de bedoeling van het artikel besloten een belangenafweging
    mogelijk te maken tussen de verplichting tot inbeslagneming en het
    opsporingsbelang. Daarbij kan de hoeveelheid van het goed (drugs)
    een rol spelen. In het rapport van de werkgroep- Van de Beek wordt
    aangegeven dat direct moet worden ingegrepen in het geval grote
    hoeveelheden als 100 kilogram cocaïne, 30 machinegeweren of 30
    kilo semtex. Uit diverse debatten in de Kamer blijkt dat zulke
    grote hoeveelheden en ook heel veel kleinere niet voor doorlaten in
    aanmerking komen. Een kleine hoeveelheid kan alleen worden
    doorgelaten als duidelijk is wat de volgende stop in het onderzoek
    zal zijn (bijvoorbeeld het in beslag nemen van een veel grotere
    partij die reeds is aangekondigd). Het artikel laat blijkens de
    toelichting het softdrugsbeleid onverlet. Maar tussen enerzijds
    enkele grammen softdrugs of grondstoffen voor XTC en anderzijds
    enkele grammen semtex zit zeker een verschil in gevaarzettend
    karakter. Zeker in laatstgenoemde gevallen (en bij twijfel) dient
    een spoedprocedure bij het College, in de zin van 24-uur
    bereikbaarheid van een procureur-generaal met piketdienst, tot de
    mogelijkheden te behoren. Bij genoemde afweging kan ook de
    veiligheid van personen een rol spelen. In het rapport van de
    werkgroep wordt in dit verband allereerst gewezen op
    opsporingsambtenaren (politiële infiltranten). Daarnaast
    spreekt het rapport meer in het algemeen van de situatie dat
    inbeslag neming niet mogelijk is met het oog op de afscherming en
    veiligheid van de informant of infiltrant in het algemeen. Dit is
    een nieuw element, waarover bij de behandeling van het wetsvoorstel
    BOB niet is gesproken. Hoewel de commissie niet wil uitsluiten dat
    dit element een rol kan spelen wil zij wel wijzen op het gevaar
    daarvan. De Delta-methode heeft immers aangetoond dat door deze
    vorm van afscherming de overheid in een chantabele positie kan
    komen te verkeren.

    Doorlaten van mensen

    Het kernteam Noord-Oost Nederland wijst erop dat mensen die
    gesmokkeld worden niet altijd in mensonwaardige omstandigheden
    verkeren. Naar hun mening is de gedachte achter de motie-Rouvoet
    c.s. dat voorkomen moet worden dat mensen in dergelijke
    omstandigheden komen te verkeren, terwijl in sommige gevallen daar
    geen sprake van is. Daarnaast is het in de praktijk van de
    opsporing van mensensmokkel door de Unit mensensmokkel gebleken dat
    het soms moeilijk, zo niet onmogelijk is om zicht te krijgen op de
    criminele organisatie en op de routes die voor de smokkel worden
    gebruikt. De motie-Rouvoet c.s. verplicht de Unit mensensmokkel om
    onmiddellijk tot aanhouding van de personen over te gaan zodra men
    weet wanneer en waar mensen zich door criminelen laten
    transporteren naar een nieuwe bestemming. De Unit mensensmokkel zag
    zich zo in een onderzoek genoodzaakt om «transporten»
    twee weken lang consequent weg te tippen. Dit heeft ertoe geleid
    dat zij geen mogelijkheid meer had om zicht te krijgen op de
    criminele organisatie die deze transporten organiseerde.

    Op grond van informatie verkregen uit eerdere onderzoeken wordt
    sinds begin 1996 door het kernteam Noord-Oost Nederland onderzoek
    gedaan naar mensenhandel, vervalsingen en overige hieraan
    gerelateerde strafbare gedragingen. Het aanknopingspunt was een
    stroom van naar schatting 4000 tot 5000 (vooral economische)
    vluchtelingen uit Irak en Iran in de periode 1993-1996. Deze
    vluchtelingen gebruikten Nederland als transito-land en zochten
    uiteindelijk hun welzijn in andere landen, waaronder Canada.
    Aanvankelijk werden de transporten met bestemming Canada consequent
    weggetipt aan andere diensten wanneer zij bekend werden. Echter
    daarna raakte men het zicht op de transporten kwijt. Daarom is
    toestemming aan de CTC gevraagd om te kunnen doorlaten. Daarbij is
    ook aandacht gevraagd voor de eventuele diplomatieke consequenties.
    Vanwege de gevoeligheid van de materie is advies gevraagd van een
    wetgevingsjurist van het ministerie van Justitie en is overleg met
    het ministerie van Buitenlandse Zaken gevoerd. Omdat de schade als
    gevolg van het doorlaten van mensen in dit geval beperkt werd
    geacht, werd geen reden gezien de toestemming te onthouden. Daarbij
    werd nadrukkelijk in acht genomen dat er via Buitenlandse Zaken
    afstemming was geweest met Canada. Ook werd in acht genomen dat er
    voldaan werd aan het welzijnscriterium, dat wil zeggen dat noch de
    wijze van transport, noch de wijze van opvang in strijd zou zijn
    met humanitaire eisen. Transporten van mensen via containers of
    transporten die leiden tot «opvang» in een bordeel zijn
    immers niet toelaatbaar. Nadien zijn sommige personen uit deze
    «doelgroep» met vervalste reisdocumenten wel
    tegengehouden op Schiphol. Anderen zijn bewust doorgelaten ondanks
    vaststelling van het feit dat ze met valse documenten reisden.

    vorige   volgende    inhoud