• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Internationale samenwerking

    3.10 Internationale samenwerking

    De parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden heeft
    zijdelings aandacht besteed aan verschillende aspecten van
    internationale samenwerking met betrekking tot bijzondere
    opsporingsmethoden. De commissie werd in haar evaluatie-onderzoek
    vele malen geconfronteerd met het belang van internationale
    samenwerking op dit gebied. Ten aanzien van de internationale
    samenwerking constateert de commissie de volgende problemen. In de
    eerste plaats is het onduidelijk welk recht geldt bij de opsporing
    in Nederland door buitenlandse opsporingsorganisaties. In de tweede
    plaats doen zich vele problemen voor rond de praktische
    samenwerking tussen de regio’s en het buitenland. Tenslotte blijkt
    de organisatie van de rechtshulpverlening niet goed te
    functioneren.

    3.10.1 Rechten regels internationale samenwerking

    Bij grensoverschrijdend optreden van opsporingsambtenaren zijn
    van toepassing regels van het volkenrecht, het nationale recht van
    de zend-staat en het nationale recht van de gast-staat. Dat geldt
    zowel voor optreden van buitenlandse opsporingsambtenaren in
    Nederland, als bij optreden van Nederlandse opsporingsambtenaren in
    het buitenland. De eindverantwoordelijkheid voor beide
    strafrechtelijke internationale betrekkingen heeft de minister van
    justitie. Met de uitvoering van een rechtshulpverzoek aan Nederland
    is echter de officier van justitie belast in het arrondissement
    waarin de gevraagde handeling moet worden verricht, of waar het
    verzoek is ontvangen (art. 552i Wetboek van Strafvordering). De
    verantwoordelijkheid voor het optreden in het buitenland van
    Nederlandse opsporingsambtenaren is qua organisatie niet anders
    geregeld dan die voor enig ander optreden van dezelfde Nederlandse
    opsporingsambtenaren. Wel gelden in zekere mate Nederlandse op het
    (preventieve) toezicht gerichte vormvoorschriften, als aan het
    buitenland om rechtshulp wordt gevraagd: voor een huiszoeking in
    Antwerpen is de opening van een gerechtelijk vooronderzoek (en
    daarmee de betrokkenheid van de rechter-commissaris) in Nederland
    nodig. Hoewel de inzet van bijzondere opsporingsmethoden met een
    internationale dimensie niet de instemming van de minister of het
    departement behoeft – daargelaten die waarbij zulks ook bij
    toepassing in Nederland is voorgeschreven -wordt het uit het
    oogpunt van een zorgvuldige behandeling van internationale zaken
    noodzakelijk geacht dat er afstemming tussen openbaar ministerie en
    departement plaatsvindt. Het Bureau internationale rechtshulp in
    strafzaken (BIRS) zou daarbij een sleutelrol moeten hebben.

    Illustratief is de samenwerking met Turkije in de 4M-zaak (Hans
    Nelen, Els Barendse, Jaqueline van der Schaaf, Mondiaal met man en
    macht, WODC juli 1998). De rechtshulpverzoeken werden door de
    rechercheurs geconcipieerd. Het openbaar ministerie en de
    rechter-commissaris leidden deze veelal via de persoonlijke
    contacten rechtstreeks door naar Turkije. De afdeling IR,
    voorganger van het Bureau internationale rechtshulp in strafzaken
    (BIRS) was dan ook zeker niet van alle rechtshulpverzoeken op de
    hoogte. BIRS zou volgens de betrokkenen bij het 4M onderzoek een
    centraal informatie-knooppunt moeten worden, maar volgens
    diezelfden is BIRS nu nog te passief en te ver van de praktijk af
    om zijn helpdeskfunctie goed te kunnen vervullen.

    De opvattingen over internationale samenwerking na de
    parlementaire enquête opsporingsmethoden lopen uiteen. In de
    praktijk hebben vooral het LRT, de kernteams, de infiltratieteams
    en de observatieteams alsmede uiteraard de FIOD in douanezaken er
    meer dan gemiddeld mee te maken. Dikwijls wordt gesteld dat de
    regelgeving in het buitenland soepeler is dan in Nederland, maar de
    waarderingen daaromtrent verschillen. Sommigen noemen nauwelijks
    knelpunten. Anderen doen dat wel. Zij benadrukken dat in het
    buitenland misverstanden bestaan over de mogelijkheden van de
    Nederlandse politie en over de verplichting van de Nederlandse
    politie om overal toestemming voor te vragen. Juist in regio’s waar
    men grote kennis van de buitenlandse opvattingen verwacht zijn
    dergelijke geluiden echter nauwelijks te horen. Wel blijkt ook daar
    dat internationale samenwerking bemoeilijkt wordt door onderlinge
    verschillen in strafrecht en strafvordering. Een door velen genoemd
    concreet knelpunt is het Nederlandse verbod om met criminele
    burgerinfiltranten te werken.

    3.10.2 Nederlandse bijdragen aan buitenlandse
    opsporingsonderzoeken

    Het belang van de nationale soevereiniteit bij
    politie-samenwerking is in de praktijk onmiskenbaar.

    Een voorbeeld biedt een zaak waarin de Haagse rechtbank een
    uitlevering aan Duitsland in kort geding heeft verboden, omdat in
    de strafzaak die ten grondslag lag aan het Duitse verzoek tot
    uitlevering, gebruik was gemaakt van informatie vergaard door een
    Duitse vertrouwenspersoon die had opgetreden op Nederlands
    grondgebied zonder dat daarvoor door de Nederlandse autoriteiten
    toestemming was verleend (Rechtbank Den Haag 4 december 1996,
    96/1244). Bij brief van 22 september 1997 is namens de minister van
    justitie aan de Bundesminister der Justiz deze zaak met nog enkele
    andere beschreven; daarbij wordt benadrukt dat «bij elke
    nieuwe actie (of vervolgactie~, die wordt ondernomen door die
    infiltranten, informanten en/of vertrouwenspersonen op Nederlands
    grondgebied, opnieuw toestemming gevraagd dient te worden. Slechts
    onder zeer bijzondere omstandigheden kan van deze regel worden
    afgeweken». Indien een Duitse infiltrant, informant en/of
    vertrouwenspersoon op eigen initiatief in Nederland optreedt moet
    de Duitse justitie bij kennisneming van die informatie en de
    gebruikmaking ervan in een Duitse strafzaak bij wijze van
    rechtshulp alsnog instemming vragen aan het Nederlandse openbaar
    ministerie. Op 26 november 1998 is de Bundesminister opnieuw
    aangeschreven, ditmaal omdat was gebleken dat over langere perioden
    op Nederlands grondgebied direct is afgeluisterd door Duitse
    autoriteiten. Hiervoor was geen toestemming gevraagd en deze was
    ook niet gegeven, waar deze bij de in 1997 en 1998 geldende stand
    van het Nederlandse recht ook niet gegeven had kunnen worden. De
    Nederlandse minister wijst er op dat ook in de toekomst direct
    afluisteren voorbehouden zal zijn aan Nederlandse
    opsporingsambtenaren en dat direct afluisteren door buitenlandse
    opsporingsambtenaren op Nederlands grondgebied ook dan in strijd
    zal zijn met de Nederlandse wet. Overigens speelt de
    soevereiniteitsproblematiek niet alleen in relatie tot Duitsland:
    er zijn ook geruchten van vergaand optreden van Britse en
    Amerikaanse opsporingsambtenaren in ons land.

    Het grensoverschrijdend optreden van de buitenlandse
    opsporingsambtenaar kan in een aantal gevallen zijn gebaseerd op de
    Schengen uitvoeringsovereenkomst. Voor grensoverschrijdende
    observatie in dat kader moet het Landelijk informatie punt
    observatie (LIPO) worden benaderd. Dat is met de coördinatie
    van dergelijke observatiewerkzaamheden belast. Dergelijke
    observaties worden zo spoedig mogelijk overgenomen door een van de
    vijf Schengenteams. Het team in de regio Midden- en West-Brabant
    heeft in 1998 in dit kader 59 inzetten gepleegd; daarmee werd
    ongeveer 20% van de tijd besteed aan dergelijke
    rechtshulpverzoeken.

    Liaison-officers

    Liaison-officers zijn buitenlandse (opsporings)ambtenaren die
    zijn geplaatst of geaccrediteerd bij de ambassade van de zendstaat
    in Nederland met als doel de politiële en justitiële
    samenwerking tussen zendstaat en Nederland te bevorderen. In
    Nederland zijn thans 34 liaison-officers gestationeerd uit dertien
    landen. Zij zijn in Nederland gestationeerd op basis van bilaterale
    rechtshulpverdragen, dan wel op basis van artikel 47 van de
    Schengen Uitvoeringsovereenkomst. De liaison-officer werkt in
    Nederland volgens de «Richtlijn met betrekking tot de
    stationering van liaison-officers in Nederland, d.d. 21 maart
    1994». In deze richtlijn worden een aantal aanwijzingen
    gegeven waarvan Nederland het wenselijk acht dat de liaison-officer
    die bij zijn werkzaamheden in acht zal nemen. Het doel van de
    stationering van liaison-officers in Nederland is om de wederzijdse
    samenwerking tussen Nederland en betrokken zendstaten te bevorderen
    en te bespoedigen. Daartoe wordt bijstand verleent bij de
    uitwisseling van informatie ten behoeve van de voorkoming en
    bestrijding van de criminaliteit in het algemeen en meer in het
    bijzonder bij de uitwisseling van informatie met Nederlandse
    bijzondere opsporingsdiensten voor zover het gemeenschappelijke
    activiteiten op het terrein van de voorkoming en bestrijding van
    criminaliteit betreft. Daarnaast wordt bijstand verleent bij de
    uitvoering van verzoeken om rechtshulp in strafzaken en bij de
    uitwisseling van informatie ten behoeve van het voorkomen of
    tegengaan van verstoringen van de openbare orde. Het is
    liaison-officers niet toegestaan zelfstandig onderzoeks- en
    opsporingshandelingen te verrichten. Indien als gevolg van een
    rechtshulpverzoek daadwerkelijke opsporing van strafbare feiten in
    Nederland is vereist, vindt dat plaats door Nederlandse
    opsporingsambtenaren onder het gezag van het Nederlandse Openbaar
    Ministerie. Volgens de genoemde richtlijn dient de divisie CRI een
    toezichthoudende rol te vervullen met betrekking tot de
    werkzaamheden van de liaison officer, alsmede inkomende en
    uitgaande informatie te coördineren. Het belang van de
    tussenkomst van de CRI is tweeledig. Enerzijds dient de CRI
    toezicht uitte oefenen over de activiteiten van de
    liaison-officers. Dit toezicht kan alleen worden verwezenlijkt
    indien de CRI het totaaloverzicht heeft over alle activiteiten van
    de betreffende liaison-officer. Anderzijds heeft de CRI een
    coördinerende taak met betrekking tot de informatiestroom van
    en naar het buitenland. Daarom dient de CRI op de hoogte te zijn
    van de informatie die door de liaison-officer met de regio’s wordt
    uitgewisseld. De parlementaire enquêtecommissie
    opsporingsmethoden concludeerde met betrekking tot liaison-officers
    in Nederland dat het, gelet op genoemde richtlijn, twijfelachtig is
    of de CRI zijn toezichthoudende functie op de liaison-officers
    daadwerkelijk kan uitoefenen.

    De minister van Justitie heeft vervolgens een
    werkgroep-«Liaisons» ingesteld met als taakopdracht een
    onderzoek in te stellen naar de noodzakelijkheid en mogelijkheid
    voor aanscherping van de bestaande richtlijn voor de buitenlandse
    liaison-officers in Nederland. In de werkgroep participeren
    vertegenwoordigers van het ministerie van Justitie, het openbaar
    ministerie en de divisie CRI. De werkgroep heeft nadat zij een
    aantal knelpunten heeft beschreven een reeks van aanbevelingen
    gedaan. Kort samengevat luiden de belangrijkste knelpunten en
    aanbevelingen:
    a. Er zou algemeen beleid ten aanzien van de uitgangspunten van
    liaison-officers ontwikkeld moeten worden; dat is er nu niet.
    Daarbij dient aandacht te worden geschonken aan de wenselijkheid
    van de stationering, de bevoegdheden, de wijze van begeleiding en
    mogelijk de opheffing van de diplomatieke onschendbaarheid;
    b. Nederland stemt altijd in met een verzoek tot stationeren van
    een liaison zonder dat er afspraken worden gemaakt en voorwaarden
    worden geformuleerd met betrekking tot de stationering van een
    buitenlandse liaison in Nederland. Voordat een buitenlandse liaison
    in Nederland wordt geplaatst dient er met de zendstaat een
    bilateraal overleg plaats te vinden;
    c. De huidige richtlijn spreekt in termen van
    «wenselijkheid», hetgeen betekent dat de in de
    richtlijn neergelegde regels niet afdwingbaar zijn en er geen
    mogelijkheid bestaat de regels ervan te sanctioneren. Er dient een
    nieuwe richtlijn te worden opgesteld waarin dwingend wordt
    geformuleerd dat men dient te handelen conform de richtlijn;
    d. In de nieuw op te stellen richtlijnen dient expliciet te worden
    bepaald dat de CRI verantwoordelijk is voor het toezicht op en de
    coördinatie van de werkzaamheden van de liaisons in
    Nederland;
    e. In de nieuw op te stellen richtlijnen dienen duidelijke regels
    te worden opgenomen over de procedure die de liaison-officer dient
    te volgen wanneer hij contacten wil leggen met de regionale
    politiekorpsen of kernteams. Noodzakelijke voorwaarde is daarbij
    dat de CRI steeds op de hoogte is van de informatie die wordt
    uitgewisseld;
    f. Expliciet dient in de nieuwe richtlijn omschreven te worden wie
    verantwoordelijkheid draagt voor de activiteiten en de aangeleverde
    informatie van de liaison-officer; De geldende regelgeving inzake
    het optreden van buitenlandse liaison-officers dient nadrukkelijk
    onder de aandacht te worden gebracht van de politie en het Openbaar
    Ministerie.

    Infiltratie door buitenlandse opsporingsambtenaren

    Infiltratie door buitenlandse opsporingsambtenaren is ex artikel
    126h, lid 4 van het wetsvoorstel Bijzondere opsporingsbevoegdheden
    mogelijk. Volgens het concept Samenwerkingsbesluit infiltratie (25
    januari 1999) zullen de buitenlandse ambtenaren in eigen land over
    opsporingsbevoegdheid moeten beschikken en een voldoende niveau van
    kennis en vaardigheden moeten bezitten om het betreffende bevel
    goed tot uitvoering te kunnen brengen. Ze moeten zich houden aan de
    Nederlandse wet- en regelgeving en ook moeten de Nederlandse
    autoriteiten in staat zijn hen aanwijzingen te geven. De
    buitenlandse opsporingsambtenaar mag alleen worden belast met de
    uitvoering van een bevel tot infiltratie in een Nederlands
    opsporingsonderzoek, als de infiltrant zal getuigen in de strafzaak
    die daaruit voortvloeit. Bij het optreden op grond van een
    buitenlands rechtshulpverzoek ten behoeve van een buitenlands
    opsporingsonderzoek wordt deze eis niet gesteld, omdat de
    berechting dan in den vreemde zal plaatsvinden. In bijvoorbeeld
    Engeland levert de eis problemen op, omdat het Verenigd Koninkrijk
    met zijn zogenoemde disclosure procedure wettelijke voorschriften
    kent die zich kunnen verzetten tegen het door een
    opsporingsambtenaar openbaren van bepaalde informatie. Het is
    overigens wel voorgekomen dat Britse ambtenaren een
    getuigenverklaring voor de rechter hebben afgelegd. Gevolg van de
    complicaties is evenwel dat ambtenaren uit dergelijke landen in
    beginsel niet in aanmerking komen voor infiltratie ten behoeve van
    Nederlandse onderzoeken.

    De procureurs-generaal gingen niet akkoord met de door de CTC
    gesuggereerde oplossing in een geval waarin zich dit probleem
    voordeed om een andere infiltrant te introduceren die bereid zou
    zijn wel te getuigen in de Nederlandse strafzaak, zij zagen hierin
    een soort U-bocht en meenden dat aan de buitenlandse autoriteiten
    een proces-verbaal gevraagd zou moeten worden dat vergelijkbaar is
    met een Nederlands CID-proces-verbaal.

    Buitenlandse criminele burgerinfiltranten

    De inzet van criminele burgerinfiltranten levert veel vragen op
    in het kader van de internationale samenwerking. Met name door
    landen als Duitsland (Vertrauens Personen) en Engeland en Amerika
    (Participating lnformants) worden regelmatig assistentie-aanvragen
    gedaan waarbij dit speelt. Volgens de Nederlandse interpretatie
    gaat het daarbij om in min of meerdere mate criminele
    burgerinfiltranten, hetgeen reden is om in dergelijke gevallen mee
    te delen dat deze operaties naar Nederlands recht niet meer zijn
    toegestaan.

    De heer Rabbae: Dan kom ik op het laatste onderdeel. Mijnheer
    Geraedts, na Van Traa mag ik constateren dat wij op dit gebied nu
    een andere praktijk en wetgeving hebben dan menig ander land, met
    name als het gaat om het inzetten van de criminele burgerinfiltrant
    Komt het voor dat een ander land in Nederland een criminele
    infiltrant inzet in het kader van een buitenlands onderzoek?
    De heer Geraedts (onderzoeksleider Regionale recherche,
    regiopolitie Limburg-Noord): Dat weten wij niet altijd, want dat is
    afhankelijk van de insteek die wij kiezen. Het is op dit moment
    onduidelijk of de Nederlandse overheid de competentie heeft om het
    voortraject, voortvloeiend uit een strafrechtelijk onderzoek in een
    ander land, te toetsen naar Nederlandse normen. Als je naar de
    internationale verdragen kijkt, met name over het
    vertrouwensbeginsel, dan is het duidelijk dat dit niet het geval
    is. In de casuïstiek van de Hugo-zaak – die is ook behandeld
    door de commissie-Van Traa – heeft de Hoge Raad in november 1993
    geoordeeld dat de opvatting dat een in het buitenland in dit geval
    Duitsland, opgestarte pseudo-koopactie aan de Nederlandse regels
    moet voldoen, in zijn algemeenheid onjuist is. Dat betekent dat
    wij, gelet op het vertrouwensbeginsel en de uitspraken van de Hoge
    Raad, in beginsel niet hoeven te toetsen welke burgers in dat
    opsporingsonderzoek in het buitenland zijn ingezet. Ik zie mij al
    naar het buitenland gaan en aan mijn collega’s vragen stellen: Is
    er uitgelokt? Hoe ben je aan die man gekomen? Wat voor strafblad
    heeft hij?
    De heer Rabbae: Leidt dit ertoe dat, hoewel wij in Nederland de
    criminele burgerinfiltrant categorisch hebben afgewezen, een
    buitenlandse infiltrant in Nederland strafbare feiten mag
    plegen?
    De heer Geraedts: Als wij, zoals de laatste keer, een
    pseudo-koopactie hebben, als het om een aankoop gaat, in dit geval
    van een partij verdovende middelen van een grotere hoeveelheid, dan
    is dat een eenmalige actie, kortlopend. Vervolgens keert men terug
    naar het buitenland. De vraag is of de buitenlandse autoriteiten
    toestaan dat je zover gaat Als zij dat antwoord niet geven, dan is
    het aan het OM om het al dan niet toe te staan. Je weet het echter
    nooit zeker, tenzij het OM zegt, al dan niet op basis van een
    verdrag, vastgelegd per protocol: indien jullie infiltratie- en
    pseudo-koopacties willen, dan stellen wij op voorhand de volgende
    toetsingsvragen. Is er voldaan aan het Tallon-criterium? Is het
    proportioneel subsidiair en zorgvuldig, gelet op onze belangrijkste
    beginselen?’ (Verslag Rondetafelgesprek, 21 mei 1999.)

    Met name deze materie levert bij politie en justitie als het
    gaat om internationale samenwerking enige onrust op. Vooral wanneer
    de zaak toch ook gedeeltelijk voor de Nederlandse rechter komt, is
    er steeds weer twijfel of de officier van justitie de
    verantwoordelijkheid zal durven nemen voor optreden waarbij
    buitenlanders betrokken waren. Ook het openbaar ministerie worstelt
    met deze materie.
    Zo was er in een van de CTC zaken uit 1998 sprake van een
    buitenlands rechtshulpverzoek waarbij een buitenlandse burger in
    zijn rol als tussenpersoon bij drugstransporten op Nederlands
    grondgebied die enkele buitenlandse politiële infiltranten zou
    introduceren bij Nederlandse verdachten. Daarbij zou mogelijk een
    gecontroleerde aflevering plaatsvinden van een tiental kilo hard
    drugs. In het jaar voorafgaand aan dit verzoek was deze informant
    nog in het buitenland aangehouden wegens overtreding van de
    Opiumwet. Na vrijlating was hij voor deze zaak benaderd. De CTC
    meende dat door eenmalig en kortstondig contact de informant niet
    de status criminele burgerinfiltrant kon krijgen; het positieve
    advies aan het college van procureurs-generaal wordt daar
    overgenomen, maar de minister onthoudt zijn instemming. In een
    ander geval werd echter wel toestemming door het ministerie van
    Justitie gegeven, zonder dat de minister op de hoogte was, voor een
    actie waarbij gebruik werd gemaakt van een criminele
    burgerinfiltrant die tijdens zijn verblijf in Nederland werd
    gedetineerd en alleen tijdens de ontmoeting met de Nederlandse
    verdachte tijdelijk in vrijheid word gesteld. De minister ad
    interim is niet geraadpleegd omdat men op het departement van
    mening was dat het niet aangaat louter politieke dekking te zoeken.
    Het gesprek tijdens de ontmoeting is met medeweten van de criminele
    burgerinfiltrant afgeluisterd.
    Soms is de achtergrond van een door de buitenlandse
    opsporingsdiensten geïntroduceerde persoon onduidelijk. Vooral
    op Schiphol komt het voor dat verdovende middelen met een koerier
    worden afgeleverd in het buitenland. Buitenlandse politiediensten
    vragen dan soms Nederlandse medewerking al was het maar voor de
    transit.
    In 1998 werd aldus 30 keer een succesvol gecontroleerde aflevering
    in het buitenland gerealiseerd en 37 keer in Nederland. Wanneer de
    aflevering betrekking heeft op passagiers die op doorreis zijn en
    op Schiphol een tussenlanding maken wordt gesproken van
    «uitgestelde aanhouding en inbeslagneming buiten
    Nederland». Bij deze «specialis» van de
    gecontroleerde aflevering wordt niet expliciet de eis gesteld van
    voortdurende observatie door het ontvangende land, hetgeen wel het
    gevel is bij gewone gecontroleerde afleveringen waarom door het
    buitenland wordt verzocht.
    In een geval waarin de buitenlandse autoriteiten verzochten om de
    koffer van de koerier op Schiphol van een zendertje te mogen
    voorzien, rees de vraag of er nu eigenlijk sprake was van een
    buitenlandse criminele burgerinfiltrant. Men ging – er eigenlijk
    tegen beter weten in – vanuit dat zulks niet het geval was en ook
    een schriftelijke overeenkomst met deze passant bleef achterwege.
    Als de betrokkene was aangehouden en de goederen in beslag waren
    genomen, had deze met recht en rede kunnen stellen in opdracht en
    naar de aanwijzingen te handelen van buitenlandse politie- of
    justitie-autoriteiten. Door de CRI is gesteld dat het risico
    bestaat, dat bij streng vasthouden aan de normen naar de huidige
    interpretatie in dergelijke gevallen conflicten met buitenlandse
    opsporingsinstanties ontstaan die vanwege het belang van goede
    samenwerking worden «opgelost» door meewerking te
    verlenen aan allerlei U-bochtconstructies. Vermelding verdient dat
    bij de afweging of een infiltratie doorgang moet vinden het gegeven
    dat de verdachte tegen wie het middel wordt ingezet zelf een
    Nederlander is, kennelijk nauwelijks een rol speelt. Wel werd in
    een zaak uit 1997 waarbij een Belgische politie-infiltratie speelde
    de eis gesteld dat in geval van arrestatie van de Nederlandse
    verdachte in België uitlevering aan Nederland zou moeten
    volgen. Met het oog op het verbod van verkapte uitlevering is de
    laatste eis, goed te begrijpen.
    Verkapte uitlevering is de uitzetting van een persoon met het doel
    deze in handen te spelen van de buitenlandse justitiële
    autoriteiten waarbij de betrokkene de rechten die hem krachtens
    uitleveringsverdragen en de Uitleveringswet toekomen worden
    onthouden. Waarnemen dat iemand de grens overgaat terwijl men weet
    dat deze persoon 6 kg cocaïne met zich voert en hij aan de
    andere zijde van de grens zal worden opgepakt, wordt door de
    politie niet als verkapte uitlevering beschouwd. In dat geval laat
    de Nederlandse politie slechts na van zijn bevoegdheden gebruik te
    maken. Zulks is anders als de Nederlandse politie meewerking
    verleent aan een pseudo-koop in het buitenland. Het staat niet vast
    of in dat geval verkapte uitlevering moet worden aangenomen.

    Rechtshulpverzoeken en prioriteitsstelling

    Infiltratie is niet het enige punt dat bij internationale
    samenwerking vragen oproept. Er bestaat in het algemeen een
    spanning tussen verdragsverplichtingen om ook langdurige
    rechtshulpverzoeken in te willigen en de eigen afweging en
    prioriteitenstelling van een Nederlands rechercheteam. Ook de
    samenloop van een oorspronkelijk buitenlands en een Nederlands
    opsporingsbelang kan moeilijkheden veroorzaken. Juist in dergelijke
    gevallen komen verschillen in rechtscultuur en in rechtsregels
    duidelijk naar voren.
    Instructief is een zaak waarin in 1996-1997 langdurig, en
    uiteindelijk succesvolle is samengewerkt met de Royal Canadian
    Mounted Police. Het onderzoek richtte zich aanvankelijk op een in
    Nederland wonende Canadees en diens betrokkenheid bij handel in
    soft drugs en witwasserij. Op zeker moment bleek ook onder meer een
    in Nederland woonachtige Israëli bij de zaak betrokken, die
    ook voor andere criminele organisaties ten onzent werkzaam was.
    Door deze bevinding ontstond een Nederlands opsporingsbelang.
    Gevolg was dat de tactiek op elkaar afgestemd diende te worden,
    welke afstemming niet vlekkeloos verliep. Hoewel een
    samenwerkingsconvenant (Memorandum of Understanding) was gesloten
    bleken de belangen niet altijd goed aan te sluiten – frequente
    ontmoetingen tussen de leidinggevenden hadden ontbroken. Ook het
    verschil in rechtscultuur leidde soms tot misverstanden (in Canada
    kunnen in het kader van opsporingsonderzoek koffers van verdachten
    op vliegvelden worden doorzocht en ook het feit dat in Canada niet
    een tapmachtiging voor een toestel wordt gegeven maar voor alle
    communicatie van een individu leidde tot wederzijds onbegrip. Een
    punt is dat in de Angelsaksische stelsels complete opnames tijdens
    de rechtszaak aanwezig moeten zijn en niet volstaan kan worden met
    het vastleggen van de relevante passages in de processen-verbaal.
    Een andere consequentie was dat in Nederland een gvo geopend moest
    worden om bepaalde dwangmiddelen toe te kunnen passen. Een
    complicatie hierbij was, dat volgens artikel 5521, lid 1 sub c geen
    rechtshulp verleend kon worden die betrekking heeft op strafbare
    feiten ter zake waarvan de verdachte in Nederland zou worden
    vervolgd. Ook rees bij de evaluatie de vraag hoe ver Nederlandse
    instanties moeten gaan bij het (kosteloos) inwilligen van
    omvangrijke rechtshulpverzoeken.

    Er is aanleiding om de regels voor buitenlandse liaison-officers
    aan te scherpen. Beide punten zijn onderkend door de minister van
    justitie. De inzet van buitenlandse burgers ten aanzien van wie
    reden bestaat om te vermoeden dat ze als crimineel zijn aan te
    merken stelt de Nederlandse politie en justitie geregeld voor
    vragen. De inzet van buitenlandse politie-infiltranten stuit vooral
    dan op bezwaren, als de buitenlandse infiltranten ook een rol
    zouden moeten kunnen vervullen in het kader van een Nederlandse
    strafzaak en zij krachtens hun eigen wetgeving niet bevoegd zijn
    gegevens te verstrekken aan de Nederlandse rechter. Door het
    buitenland geïnitieerde observatie-activiteiten in het kader
    van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst lijken geen specifieke
    problemen op te leveren.

    3.10.3 Nederlandse strafzaken met een buitenlandse component

    Regels voor rechtshulp

    In het Nederlandse Wetboek van Strafvordering staan slechts
    enkele regels die in het bijzonder van toepassing zijn op uitgaande
    verzoeken van rechtshulp (artikel 539a Wetboek van Strafvordering).
    Dat neemt niet weg dat in de rechtspraak met enige regelmaat vragen
    worden opgeworpen over de toelaatbaarheid van in het buitenland, al
    dan niet met hulp van buitenlandse autoriteiten, gevonden
    bewijsmateriaal. In gevallen van bestaande rechtshulpbetrekkingen
    wordt door de rechter alleen terughoudend getoetst of de overheid
    van het andere land haar bevoegdheden ter zake heeft uitgeoefend
    conform het in dat land geldende recht en de in Nederland geldende
    essentiële normen van een goede procesorde: men spreekt van
    het vertrouwensbeginsel. Voor de activiteiten van Nederlandse
    opsporingsambtenaren in het buitenland wordt de eerste grens
    bepaald door het soevereiniteitsbeginsel. Het uitvoeren van
    opsporingshandelingen waaronder ook het stelselmatig en gericht
    informatie inwinnen door een informant op verzoek van de politie
    gerekend wordt, vergt daarom in beginsel toestemming van de
    buitenlandse autoriteiten.

    In verband met een infiltratie-actie in Colombia werd aan het
    ontbreken van toestemming ook in de Nederlandse rechtspraak
    doorslaggevend gewicht toegekend.- «De vraag of ook de
    verdachte getroffen is in een belang dat de overtreden norm,
    respectering van de soevereiniteit van een andere staat, beoogt te
    beschermen speelt gelet op de (fundamentele) aard van de
    volkenrechtelijke norm, geen rol». Aldus het Haagse hof dat
    aan deze conclusie de uitsluiting van het bewijsmateriaal als
    conclusie verbond (Hof Den Haag 3 maart 1998, NJ 1998, 923). Het
    hof betrok zelfs niet in zijn beschouwing, of was aangeboden de
    Colombiaanse autoriteiten om toestemming achteraf te vragen, welke
    werkwijze in vroegere arresten geringe inbreuken op het
    volkenrechtelijk territorialiteitsbeginsel bleek te kunnen
    dekken.

    Internationale afspraken, zoals de Schengen
    uitvoeringsovereenkomst (SUO), kunnen een structurele basis leveren
    voor optreden in het buitenland. Artikel 40 SUO is van belang voor
    de grensoverschrijdende observatie. Deze regeling vergt een tevoren
    ingediend rechtshulpverzoek en toestemming van de bevoegde
    autoriteit van het land waar de voortgezette observatie
    plaatsvindt. De observerende ambtenaren zijn gebonden aan het recht
    van het land waar ze optreden. Vrijwel nergens mag bij
    grensoverschrijdende observatie een andere dan openbare plaats
    worden betreden; ook het gebruik van video-met geluidsopnames is
    verboden en het gebruik van valse, uit het gastland afkomstige
    nummerplaten is niet overal geregeld. Voor bepaalde strafbare
    feiten is spoedobservatie (te onderscheiden van achtervolging) voor
    een termijn van maximaal 5 uur toegestaan. Nog tijdens de
    observatie moeten de autoriteiten van de actie in kennis worden
    gesteld en naderhand moet een schriftelijk rechtshulpverzoek worden
    ingediend. Als een Nederlandse regio hulp nodig heeft in het
    buitenland wordt rechtstreeks contact opgenomen met de autoriteiten
    in het buitenland.

    In EU-verband ligt er in 1999 een (Protocol bij een)
    ontwerp-verdrag inzake wederzijdse rechtsbijstand in strafzaken. In
    het protocol wordt de elektronische surveillance voor
    observatie-doeleinden in een andere lidstaat geregeld, in artikel
    10 van het verdrag wordt gecontroleerde aflevering in ruimer
    verband dan dat van de drugssmokkel geplaatst- in art. 11 wordt
    gesteld dat voor infiltratie de regels zullen gelden voor de staat
    waar de actie plaatsvindt. De interceptie van telecommunicatie is
    in zeer veel verschillende verbanden aan de orde, met het
    voorlopige gevolg dat er nog geen verdragsbasis is voor
    geavanceerde communicatie (GSM, satelliet), maar hierover wel zeer
    actief wordt onderhandeld.

    Internationale CID-informatie

    Ten aanzien van het inwinnen van informatie met behulp van
    informanten door Nederlandse liaison-officers in het buitenland
    bestaat een concept-nota van de hand van het Landelijk parket, bij
    welker totstandkoming het BIRS van het ministerie van justitie en
    de Divisie CRI zijn betrokken geweest. Informatie van personen die
    op eigen initiatief gegevens verzamelen en aan de Nederlandse
    opsporingsambtenaren in den vreemde aanleveren kan worden aanvaard.
    Als een liaison-officer een algemeen verzoek doet aan een persoon
    om informatie over een criminele organisatie te verstrekken is dat
    onder omstandigheden ook toelaatbaar, maar toestemming voor deze
    handelwijze door de Nederlandse officier van justitie wordt gewenst
    geacht. Voor het stelselmatig en gericht informatiegaren dient
    evenwel een rechtshulpverzoek te worden ingediend en in eik geval
    zal de Nederlandse liaison-officer in het buitenland nooit zonder
    inschakeling van de officier van justitie hiertoe mogen overgaan.
    Bij de Nederlands politie bestaat terughoudendheid ten aanzien van
    het verstrekken van informatie aan buitenlandse
    opsporingsambtenaren, ook als zulks noodzakelijk is om hulp van
    buitenlandse autoriteiten te verkrijgen. Met betrekking tot
    Canadese en Duitse autoriteiten is dit te verklaren door het
    verschijnsel dat daar geen aparte CID-registers zijn en informatie
    onmiddellijk wordt opgewaardeerd door vastlegging in een
    proces-verbaal. Het bezwaar van deze terughoudendheid is ook
    gebleken aan het op Zuid Amerika georiënteerde kernteam
    Haaglanden. Onderzoek kan stuk lopen doordat de aanvrager
    onvolledige of onjuiste informatie geeft.

    Ook in België is men soms minder terughoudend met
    geheimhouding. In een door Limburg Zuid behandelde zaak is het
    voorgekomen dat een onderzoekssubject in Nederland in België
    als informant werd gerund. Het subject ging als verdachte mee in
    het Belgische onderzoek en de Antwerpse CID-officier Bijzondere
    opsporingsbevoegdheden is toen opgetreden als getuige à
    decharge. Hij vertelde dat het subject informant was. De zeven
    andere verdachten zaten in de zittingszaal.
    Ook in de in samenwerking met Turkije uitgevoerde 4M-zaak werd de
    informatie-uitwisseling gekenmerkt door aanvankelijke
    terughoudendheid van Nederlandse kant. Daarbij speelde een rol dat
    de Turkse politie veel sneller dan de Nederlandse politie gewenst
    acht, overgaat tot aanhouding van verdachten en inbeslagneming van
    drugs (waarmee een bonus kan worden verdiend).

    Diverse betrokkenen hadden in eerste instantie twijfels bij de
    vergaande samenwerking in die zaak: gewezen werd vooral op het
    risico van corruptie, het gevaar dat het onderzoek zou uitlekken en
    de mensenrechtensituatie. Wat de corruptie betreft, is deze wat de
    politie betreft in deze zaak niet aan de orde geweest, wel lieten
    twee rechters zich omkopen voor ieder een miljoen gulden waarna de
    tot gevangenisstraf in Turkije veroordeelde leverancier van de 4M’s
    na een paar maanden weer vrij rondliep. Van het lekken van
    informatie is evenwel geen sprake geweest en toen het onderzoek in
    de eindfase verkeerde werd overgegaan tot grotere openheid van
    Nederlandse zijde jegens de Turkse politie, waarmee goede
    rechtstreekse contacten waren ontstaan.

    Soms is samenwerking nodig met landen, ten aanzien waarvan geen
    volledige zekerheid bestaat ten aanzien van de ter plaatse geldende
    mensenrechtensituatie. Dat was ook het geval in de 4M-zaak. ]n dat
    geval is geprobeerd op subtiele wijze afspraken te maken teneinde
    de rechtmatigheid van uit Turkse politieverhoren verkregen bewijs
    te garanderen. Veiligheidshalve zijn alle bij de Turkse politie
    afgelegde verklaringen uiteindelijk buiten beschouwing gelaten bij
    de bewijsvoering.

    Enkele betrokkenen meenden dat de reden waarom de Turken
    toestemming gaven voor de samenwerking werd ingegeven door het
    Turkse uitgangspunt dat de verdachten een link hadden met de
    Koerdische beweging PKK. In het hele onderzoek speelden politieke
    overwegingen een rol: in het bijzonder de oprichting van het
    Koerdisch parlement in ballingschap op Nederlands grondgebied leek
    indirect van invloed. Toen het in dezelfde periode lopende
    onderzoek van de parlementaire enquêtecommissie
    opsporingsmethoden bij de Nederlandse autoriteiten twijfel deed
    ontstaan of de beoogde Nederlandse infiltratie-actie in Turkije wel
    moest doorgaan, gaven de Turken aan dat het niet doorgaan van de
    actie zou worden opgevat als een belediging – waarna de Nederlandse
    minister alsnog toestemming gaf.

    De verslaglegging van de inspanningen die in het kader van
    internationale samenwerking worden getroost, waren volgens de
    betrokkenen bij het 4M onderzoek nog te gering. Dergelijke
    verslaglegging is van belang, juist ook vanuit het perspectief van
    de «lerende organisatie».

    vorige    volgende    inhoud