• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • IX – De afvalverwerkingsbranche – 6.2. De zaakanalyses van de afvalverwerkingsbranche

    6.2. De zaakanalyses van de afvalverwerkingsbranche

    Na de Tweede Wereldoorlog hebben zich op aarde grote
    milieurampen voltrokken die de mensen met de neus op de (ernstige)
    feiten drukten. Een deel van die rampen kan worden toegeschreven
    aan ongelukken die het gevolg zijn van menselijk falen. Soms is het
    een direct gevolg van onverschilligheid of onkunde. Voor een ander
    deel is opzet aanwezig om met criminaliteit geld te verdienen. In
    Nederland hebben wij niet met grote milieurampen zoals met de
    Torrey Cannion te maken gehad maar werden wij in de jaren zeventig
    wel geconfronteerd met enkele fikse bodemverontreinigingen in
    woonwijken (in Hengelo) en op oude stortplaatsen en
    fabrieksterreinen.

    In Nederland staat het opsporingsonderzoek naar milieuzaken door
    politie en justitie nog altijd in de kinderschoenen. In het midden
    van de jaren tachtig, de periode waarin ook het Milieu Bijstands
    Team van het VROM wordt opgericht, werden aarzelend de eerste
    grootschalige opsporingsonderzoeken ter hand genomen. Het vereist
    veel geduld, nieuwe deskundigheid en interdisciplinair
    samengestelde tactische teams om dergelijke strafrechtelijke
    processen tot een goed einde te brengen. De laatste jaren is
    daarvoor veel werk verzet en zijn meer Officieren van Justitie
    ingezet om milieudelicten te vervolgen.

    Maar deze verbetering betekent nog niet dat de politie over veel
    ervaring beschikt en dat veel tactische opsporingsonderzoeken op
    het gebied van de zware milieucriminaliteit hebben gedraaid. In
    Nederland is er vrijwel geen politieman of -vrouw te vinden die
    meer dan n grote milieuzaak heeft gedaan. Bovendien is de
    informatiepositie van de politie (CID) nog altijd zwak, ook al komt
    daar het laatste jaar langzaam verbetering in. Pas wanneer men met
    de nek in de rotzooi staat, grijpen politie en justitie misschien
    een keer in, zei een van de genterviewden. Het was derhalve te
    verwachten dat dientengevolge ook niet erg veel dossiers op het
    gebied van zware milieucriminaliteit voor dit deelrapport ter
    beschikking konden worden besteld. Het dark number moet wel
    groot zijn en dat betekent dat in dit deelrapport geen volledig
    beeld van de zware milieucriminaliteit kan worden geboden. Het
    aantal milieuzaken neemt nog altijd toe en veel beleidsnota’s uit
    het driehoeksoverleg hebben de milieucriminaliteit tot prioriteit
    van opsporing verheven.

    In de bijlage van de Notitie aanpak zware milieucriminaliteit
    van de regering (1995) staat de jaaropgave van milieuzaken in 1994
    vermeld. Het aantal lopende milieuzaken in dat jaar bedroeg 45 en
    14 opsporingsonderzoeken werden in dat jaar afgesloten. In 1993 en
    1994 is het MBT ter ondersteuning bij 40 grote en kleinere
    strafrechtelijke onderzoeken op het gebied van het milieu betrokken
    geweest.

    Dit aantal, zo mag worden aangenomen, is slechts een fractie van
    het werkelijke aantal zware milieudelicten dat zich jaarlijks
    afspeelt. Wanneer de CID-informatiepositie zal zijn verbeterd en
    door politie en justitie systematischer en meer gestructureerd de
    opsporing te hand zal worden genomen, zal het aantal bekend
    geworden zaken aanzienlijk stijgen.

    6.2.1. Het dossieronderzoek

    Door de CRI, het Milieu Bijstands Team van het ministerie van
    VROM en de regiokorpsen zijn 25 zakendossiers aangeboden voor dit
    deelrapport. Zes daarvan waren f van onvoldoende kwaliteit, gingen
    over kleine overtredingen f bevatten te weinig gegevens om een
    zinnige en verantwoorde analyse te maken. Voorts zijn onder de
    noemer zakendossiers twee zogenaamde fenomeenanalyses van zware
    criminaliteit op milieugebied opgestuurd, maar slechts n van beide
    fenomeenanalyses bevatte concrete empirische informatie die voor
    dit deelrapport relevant zou kunnen zijn. Uiteindelijk zijn 18
    dossiers voor dit deelrapport gebruikt. Op grond van bovenstaande
    is besloten voor de volgende opzet voor deze paragraaf te kiezen.
    Om van zware milieucriminaliteit een goed beeld te schetsen wordt
    eerst een uitgebreide beschrijving gegeven van drie milieuzaken aan
    de hand van het door ons ontwikkelde analyseschema. Deze drie zaken
    zijn gekozen omdat zij illustratief zijn voor de zware
    milieucriminaliteit en omdat zij gevallen vertegenwoordigen die het
    dichtst tegen onze definitie van georganiseerde criminaliteit
    aanliggen. Vervolgens worden de 15 overige dossiers besproken.

    6.2.1.1. Drie casussen
    De geschiedenis van afvalverwerkingsbedrijf A is typisch voor het
    ontstaan en de ontwikkeling van veel afvalverwerkingsbedrijven in
    Nederland aan het eind van de jaren zestig en de expansieve groei
    die zij doormaakten in de jaren zeventig en tachtig. A strijkt in
    de jaren zestig neer op een terrein waar hij de grond laat afgraven
    en vervolgens verkoopt. Het ontstane gat op zijn bedrijfsterrein
    wordt gedicht met vermalen huisvuil. Niet lang daarna richt A zijn
    bedrijf op voor de verwerking van rioolslib dat hij van
    waterzuiveringsbedrijven krijgt aangeleverd. In vrij korte tijd
    ontwikkelt dit familiebedrijf zich tot een miljoenenbedrijf
    bestaande uit een reeks van BV’s waarmee in de jaren tachtig de
    hele afvalverwerkingsketen van zuiveringsslib wordt beheerst. A’s
    bedrijven verzorgen de inzameling, het transport, de opslag, de
    bewerking en de eindbestemming van vervuild slib.

    Wanneer bedrijf A in 1993 uiteindelijk tegen de lamp loopt,
    bestaat het enkele tientallen jaren. Het is een typisch
    familiebedrijf waarvan de oprichter na verloop van tijd om
    leeftijdsredenen door de tweede generatie werd opgevolgd.
    Familietegenstellingen bepaalden het verloop van de
    bedrijfsontwikkeling. De zonen namen in de jaren zeventig beiden
    een plaats in de directie in, maar als gevolg van ruzies verliet n
    van twee in 1991 het bedrijf. Daarvoor in de plaats werd extern een
    niet-familielid als mede-directeur aangetrokken. De administratie
    werd door diens echtgenote verzorgd en verder maakte het bedrijf
    gebruik van chauffeurs, bedrijfsleiders, verladers, enz. die ieder
    een deel van de werkzaamheden verrichtte. De familie had het voor
    het zeggen en bepaalde alles wat er te bepalen was Noot
    . Het bedrijf A bestond uit een top-holding, een holding, een
    pensioen-bv en drie werkmaatschappijen, alle in bezit van de
    familie. De legale activiteiten besloegen voornamelijk uit het be-
    en verwerken van GFT-afval (tot compost) en van het zuiveren van
    rioolslib. In de loop der jaren stichtte het bedrijf ook
    verschillende vestigingen in het land. Het bedrijf had een
    monopoliepositie en beheerste daardoor de hele afvalketen van
    rioolslib. Het verwierf daarmee een zodanige positie dat controle
    door de overheid nauwelijks meer mogelijk was. Het bedrijf kon elke
    prijs vragen en die ook werd betaald door de verschillende
    overheden.

    De omzet van het bedrijf bedroeg volgens de boeken in 1993 ruim
    50 miljoen gulden. Daarvan was 19 miljoen winst (voor belastingen).
    Een dergelijk winstaandeel is opmerkelijk hoog voor gewone legale
    economische activiteiten in Nederland, maar in de afvalbranche niet
    echt ongebruikelijk. Gelet op de aard en de omvang van de illegale
    afvalverwerkingspraktijken moesten de winsten voor A feitelijk veel
    hoger zijn geweest dan uit de door register-accountants
    goedgekeurde boeken blijkt. Van de verontreinigde slib die niet
    legaal werd verwerkt, was uiteraard niets in de officile
    boekhouding en administratie terug te vinden. In 1993 waren 52
    mensen in dienst. Het personeel verdiende royaal boven wat normaal
    moet worden geacht gelet op hun opleiding en de aard van de te
    verrichten werkzaamheden. Met deze hoge salariring, zo mag worden
    aangenomen, werd door het bedrijf de loyaliteit van het personeel
    gekocht en verzekerd. Doordat A vanaf de beginperiode actief was
    kende hij vrijwel iedereen in de binnenlandse en buitenlandse
    afvalverwerkingsbranche en wist hij met wie hij kon samenwerken en
    met wie niet. Hij ging ook allerlei samenwerkingsverbanden aan met
    andere bedrijven wanneer dat voor de oplossing van een probleem
    noodzakelijk was. Ook samenwerking met allerlei overheidsinstanties
    schuwde A niet. Het bedrijf achtte zich onaantastbaar en trok zich
    niet of nauwelijks iets aan van de milieuwetgeving of
    administratieve verplichtingen waaraan elk respectabel bedrijf zich
    dient te houden. Controles waren eigenlijk ondoenlijk omdat op het
    bedrijfsterrein en in de bedrijfgebouwen allerlei activiteiten door
    elkaar heen liepen. Op het bedrijfsterrein lag een wirwar van
    bergen grond en slib. Shovels woelden in deze bergen en
    vrachtwagens reden af en aan. Voor de buitenstaander was het
    vrijwel onmogelijk te begrijpen wat A precies uitvoerde.

    De waan onaantastbaar te zijn voor opsporing en vervolging werd
    gellustreerd door de advocaat van het bedrijf die aangaf dat de
    overheid maar moet kunnen aangeven en bewijzen of iets water met
    aspirine is of aspirine met water. Desondanks zorgde A er voor een
    deel van zijn administratie elders onder te brengen om het bedrijf
    en hemzelf zo veel mogelijk af te schermen tegen de bestuurlijke
    toezichthouders en handhavers van het milieurecht. A wordt
    beschuldigd van het jarenlang systematisch overtreden van allerlei
    vergunningvoorwaarden en van het uitvoeren van allerlei illegale
    praktijken binnen een legale markt. Zo zou A zich schuldig hebben
    gemaakt aan het illegaal verwerken van tonnen verontreinigd slib en
    aan ontoelaatbare mengpraktijken bij het composteren. Tevens is
    valsheid in geschrifte in de aanklacht opgenomen, alsmede de
    deelname aan een criminele organisatie (art. 140). Met deze
    140-constructie wordt door het Openbaar Ministerie aangenomen dat
    de illegale praktijken welbewust zijn georganiseerd waarbij A (en
    de andere directieleden) opdracht heeft gegeven aan ondergeschikten
    om deze illegale handelingen te verrichten of mogelijk te maken.
    Ook is in de aanklacht opgenomen dat vervuild slib dat in de
    akkerbouw is afgezet niet meer in de administratie is terug te
    vinden, dat resultaten van analyserapporten zijn vervalst en dat
    verontreinigd slib op illegale wijze naar het buitenland is
    vervoerd en daar gestort. In dit slib werd ook zeer gevaarlijk
    afval gemengd waarvoor overigens wel hoge rekeningen werden
    verstuurd aan de ontdoeners daarvan. Gelet op deze illegale
    milieucriminaliteit is het niet verwonderlijk dat fraudes werden
    geconstateerd. A maakte ook gebruik van een samenwerkingsverband
    met een aantal afvalverwerkers en aannemers om de provincie buiten
    spel te zetten. Door namelijk niet met elkaar de concurrentie aan
    te gaan, zoals de provincie hoopte en verwachtte bij de
    afvalverwerking van een stortplaats, sloegen zij de handen ineen en
    zetten de provincie daarmee feitelijk buiten spel. De bedrijven
    richtten namelijk een eigen BV op om de onderhandelingen met de
    provincie aan te gaan. Deze BV van de gezamenlijke bedrijven kreeg
    voor de verwerking van gestort afval vele miljoenen van de
    provincie, maar gebruikt de stortplaats voornamelijk voor de
    illegale stort van de deelnemende bedrijven (zie ook .5.6).

    Het bedrijf A schakelde ook allerlei deskundigen en adviseurs in
    om de zaken zo gladjes mogelijk te laten verlopen en om het bedrijf
    een respectabel aanzien te geven. Een ex-journalist/publicist werd
    in de arm genomen om het slechte imago in de media op te vijzelen
    na een aantal verdachtmakingen van milieucriminaliteit. Als
    adviseurs werden een oud-medewerker van provinciale Waterstaat en
    een hoogleraar milieurecht aangetrokken. Andere ervaren juristen
    werden ingeschakeld om de illegale praktijken onder te brengen
    binnen een wirwar van legale activiteiten. Niet onvermeld mag
    blijven het in dienst treden van een ex-hoofd van het laboratorium
    van de provinciale Dienst Milieu en Water als adviseur van het
    bedrijf. Deze persoon had in zijn oude functie gedurende vele jaren
    de stank die A veroorzaakte, moeten analyseren en beoordelen voor
    de provincie. Het bedrijf zond ook royaal giften (bijv. het
    schenken van ruim 900 Kerstpakketten) aan allerlei
    overheidsfunctionarissen en had met de fiscus een regeling
    getroffen voor de belastingaftrek van steekpenningen van rond de
    f.100.000,-. Geweld hoorde bij het bedrijf niet thuis en was ook
    niet nodig omdat geld wonderen deed bij personeel, adviseurs en
    partners.

    De verdiensten die met de illegale afvalverwerking werden
    behaald, werden voor meer doeleinden gebruikt. Voor het grootste
    deel werden zij genvesteerd in het bedrijf, voor een deel om hogere
    dividenden aan de aandeelhouders uit te keren, om gratificaties aan
    het personeel toe te kennen of hogere salarissen zwart te kunnen
    betalen, om de pensioen-bv van de familie te versterken en om de
    directieleden een royaal uitgavenpatroon te garanderen. Dat laatste
    was mogelijk door met een informele kas te werken waarin cash geld
    werd gedeponeerd. Uitgaven uit deze kas werden nooit schriftelijk
    verantwoord.

    Een andere casus is die van het bedrijf B. In dat bedrijf werd
    chemisch afval ingezameld zonder vergunning dat, vermengd met
    huishoudelijk afval, in Belgi illegaal werd gedumpt (in Mellery en
    Mont Saint-Guibert). Ook loosde B illegaal olie-water-slibmengsels
    en ander vloeibaar chemisch afval in de riolering van een gemeente.
    B was directeur van het naar hem genoemde bedrijf en stond in hoog
    aanzien bij zijn personeel. Dit aanzien werd mede verkregen door
    personeel aan te nemen dat door een strafrechtelijk verleden elders
    niet meer aan de slag kon komen. Deze personeelsleden gingen voor B
    door het vuur en schonken hem hun onvoorwaardelijke trouw. Zelfs
    een bedrijfsleider (planner) was bereid als katvanger op te treden
    in de rechtszaak. Deze personeelsleden met antecedenten zorgden ook
    voor de vuile werkjes en benvloedden met hun gedrag de andere
    personeelsleden. Mochten de laatsten opmerkingen hebben over de
    illegale praktijken in het bedrijf dan werden zij door B
    overgeplaatst naar een andere vestiging (die bijvoorbeeld in plaats
    van twee km ruim veertig kilometer van hun woning af lag). Ook was
    het niet ongebruikelijk dat B van mopperend of klagend personeel
    zijn overuren afpakte. De meesten hielden daarom maar hun mond.
    Bovendien gedroeg de planner zich als een tiran en schreeuwde tegen
    zijn personeel. Wie het waagde tegen deze man in te gaan, vloog
    direct zonder verdere plichtplegingen het bedrijf uit, de straat
    op. In de alledaagse praktijk wist eigenlijk maar een klein deel
    van het personeel wat er zich feitelijk aan bedrijfsmatige illegale
    activiteiten afspeelden. Naast de directie waren de bedrijfsleider
    (de planner) en een heel beperkt groepje vertrouwelingen van alles
    op de hoogte. De meeste personeelsleden werden in het ongewisse
    gelaten en moesten geloven en aannemen dat alle
    bedrijfsactiviteiten legaal waren. Daardoor gingen zij zonder enige
    bescherming op onverantwoorde en soms levensgevaarlijke wijze om
    met gevaarlijk afval. Chauffeurs wisten nauwelijks wat voor een
    troep zij vervoerden. De arbeidsverdeling kwam overeen met die van
    een gewoon afvalverwerkingsbedrijf (chauffeurs, planners,
    administrateurs en factureerders) en voorzag niet in speciale
    arbeidsplaatsen voor illegale praktijken. B had een adviseur in
    dienst die een hoog aanzien genoot in Nederland en die vele
    overheidsinstellingen eveneens van advies diende. Deze persoon was
    afkomstig van een zeer respectabel bedrijf waardoor B in staat was
    zijn eigen bedrijf voor de buitenwereld het etiket van
    gerespecteerde en nette onderneming op te plakken. Verder werden
    diverse top-juristen die zijn gespecialiseerd in milieuzaken
    ingehuurd ter verdediging van hemzelf, zijn planner en zijn
    medewerkers in Nederland en in Belgi waar ook strafzaken tegen het
    bedrijf B liepen. Het einde van het bedrijf kwam door de
    onderneming op het moment dat de rechtszaak speelde, te verkopen
    aan een buitenlands onderneming. Hierdoor ontliep B eventuele
    pluk-ze aanslagen en een mogelijk verhaal van de overheid voor de
    noodzakelijke saneringskosten van terreinen die B met zijn illegale
    praktijken ernstig heeft vervuild. Tegenwoordig is B opnieuw actief
    in de transporthandel en koopt hij transportbedrijven op.

    Zoals gezegd, werd B vervolgd wegens een groot aantal illegale
    milieu-activiteiten waarmee veel geld werd verdiend ten koste van
    de kwaliteit van het fysieke milieu. Hij verzorgde de illegale
    export van chemisch afval naar Belgi op grond van een zogenaamde
    calamiteiten-vergunning van een gemeente. Officieel was bij die
    gemeente over deze vergunning niets bekend. Daar was wel bekend dat
    B eerdere pogingen had ondernomen zo’n vergunning officieel in zijn
    bezit te krijgen, maar dat hij deze niet had gekregen. Dit gegeven
    betekent dat deze vergunning moest zijn geleverd door een mogelijk
    omgekochte of anderszins bereidwillige ambtenaar van de
    gemeente.

    Deze illegale activiteiten werden binnen een legale markt
    uitgevoerd waar ook concurrentie bestond van andere
    afvaltransportbedrijven. Personeel van B voerde, al dan niet in
    opdracht van B, allerlei vormen van intimidatie en sabotage uit,
    zoals het onklaar maken van het wagenpark van de concurrentie of
    het verplaatsen van containers. Door deze acties werden de
    bedrijfsprocessen van andere bedrijven ontregeld. Deze vormen van
    geweld werden ook toegepast bij de controlerende overheden. Wanneer
    toezichthouders zonder vooraankondiging het bedrijf betraden, kwam
    het met enige regelmaat voor dat zogenaamd een dronken werknemer
    van B de controleurs met een voorheftruck zo achtervolgde dat zij
    wel van het bedrijfsterrein af moesten vluchten. In het geval dat
    inspecties vooraf werden aangekondigd, werd het terrein snel
    schoongemaakt en werden alle illegale activiteiten tijdelijk stil
    gelegd. De afscherming tegen de overheid was uitgebreid. Op
    vrachtbrieven en documenten werden andere ladingen benoemd dan
    werkelijk werden getransporteerd. Zo werd het woord modder in de
    officile vrachtbrieven vaak gebruikt voor zwaar verontreinigde
    grond of het woord huishoudelijk afval voor zwaar chemisch
    verontreinigd of gevaarlijk afval. B bazuinde in de afvalbranche
    rond dat zijn bedrijf een exclusieve vergunning had om in Belgi te
    mogen storten. Dit is en kan, zoals wij weten, niet waar zijn omdat
    Belgi de grenzen voor het storten van afval al lang had gesloten en
    dat zo’n calamiteitenvergunning uitsluitend aan overheidsinstanties
    mag worden verleend en niet aan een particulier bedrijf. De
    administratie was, zoals vaker is te zien bij milieucriminaliteit,
    niet correct en zeer onvolledig. Op de een of andere manier werd
    wel bijgehouden wat de inkomende afvalstromen waren, maar niet wat
    voor soort afvalstromen het bedrijf verlieten. Deze eenzijdige
    administratie was er op gericht allerlei illegale meng- en
    mix-activiteiten met afval te verheimlijken. B schermde zijn
    bedrijf voor lange tijd af door als een zeer respectabel persoon
    door het leven te gaan. Hij liet zich juridisch bijstaan door
    topadvocaten en zijn toenmalige accountant is thans directeur van
    een internationaal afvalverwerkingsbedrijf. Hij trad veelvuldig op
    als sponsor van sportevenementen in Nederland en bewoog zich
    gemakkelijk onder de entertainment jet-set van Nederland. Bovendien
    zag B in dat goede connecties met het openbaar bestuur, politie en
    bankwereld van groot belang waren voor hem en voor zijn bedrijf. Op
    de dag van zijn aanhouding had B ‘s morgens nog een gesprek met de
    minister van VROM. Voorts beschikte B over invloedrijke vrienden in
    de landelijke en provinciale politiek. Door deze publiek bekende
    relaties was B lange tijd in staat de opsporing van de door zijn
    bedrijf gepleegde milieudelicten tegen te gaan of op zijn minst
    verdachtmakingen in zijn richting te neutraliseren omdat de
    milieuhandhavende instanties enige terughoudendheid ten opzichte
    van zo’n publiek figuur in acht namen.

    B gaf zijn illegale en legale winsten onder andere uit aan
    eerder genoemde sponsoractiviteiten, maar hij besteedde het meeste
    geld aan de uitbreiding van zijn bedrijf. Door de moeilijk voor
    buitenstaanders aan te geven scheiding tussen legale en illegale
    inkomsten is niet geheel te achterhalen welk deel van de
    investeringen afkomstig is van legale en welk deel van illegale
    verdiensten. Een ander, kleiner deel van de opbrengsten werd
    gebruikt voor de aankoop van onroerend goed en voor een zeer riante
    en uitbundige levensstijl. Deze levensstijl bracht hem in aanraking
    met bekende Nederlanders uit de wereld van de muziek, de bokssport,
    de film en de televisie.

    De laatste hier te bespreken casus gaat over bedrijf C dat wordt
    verweten op grote schaal en gedurende vele jaren strafbare feiten
    te hebben gepleegd. Deze strafbare feiten hebben betrekking op het
    systematisch illegaal lozen, verwerken en exporteren van gevaarlijk
    afvalstoffen die oorspronkelijk van schepen afkomstig waren. Zo zou
    in een periode van twee jaar in totaal 3,7 miljoen kilo chemisch
    afval illegaal in oppervlaktewater zijn geloosd. C maakte deel uit
    van een holding waartoe ook diverse andere BV’s behoorden. De
    bedrijfsactiviteiten van deze groep betreffen ook de exploitatie
    van vier havenontvangstinstallaties (HOI’s). Met deze installaties
    was een haven in principe in staat chemische afvalstoffen afkomstig
    van de almaar toenemende scheepvaart in te nemen en te verwerken.
    Deze chemische afvalstoffen zouden, bij een correcte verwerking
    door bedrijf C, door een scheidingsproces worden ontleed in drie
    componenten: de waterfractie, die zonder bezwaar mag worden
    geloosd op het oppervlaktewater van de haven, een verwerkt
    deel
    dat kan worden verkocht als substituut brandstof, en een
    niet-verwerkt deel dat moet worden afgevoerd naar een
    afvalverwerkingsbedrijf voor verbranding of met toestemming van het
    ministerie van VROM mag worden gexporteerd naar Belgi, Frankrijk en
    Groot-Brittanni om daar verder te worden verwerkt of direct te
    worden verbrand.

    Evenals veel andere afvalverwerkingsbedrijven was C onderdeel
    van een Nederlands familiebedrijf. De broers zwaaiden daar de
    scepter. Hun vader bezat enkele schepen waarmee hij in een haven
    afvalolie van daar aangemeerde schepen ophaalde. Diens bedrijf
    stamde uit de eerste jaren van de harde wereld van de
    classificeerders die niet zozeer begaan waren met het milieu, maar
    hun geld moesten verdienen onder vaak erbarmelijke
    werkomstandigheden. De zonen namen de onderneming van hun vader
    over en stichtten een bedrijf in de hoofdstad. Deze onderneming was
    voor de broers snel te klein en zij probeerden ook elders een
    plaats te bemachtigen door in 1983 een ander tankreinigingsbedrijf
    over te nemen. Dat lukte niet omdat de eigenaar dit onderdeel aan
    het gemeentelijk Havenbedrijf wilde overdoen en eventueel samen met
    andere bedrijven zo’n HOI wilde bouwen. De toenmalige minister van
    Verkeer en Waterstaat vond echter de door deze combinatie gevraagde
    subsidie van 120 miljoen gulden te hoog en wilde ook niet dat de
    overheid een centrale rol in de afvalverwerking innam. Die plaats
    kwam volgens haar het particulier initiatief toe.

    Deze haven kwam voor de onderneming pas echt in zicht als gevolg
    van een ander milieuschandaal in de jaren tachtig. Deze milieuzaak
    speelde zich in 1983 af rond een concurrerend schoonmaakbedrijf.
    Onderzoek had namelijk uitgewezen dat de bodem rond de haven
    behoorlijk was vervuild. Hoewel de latere strafrechtelijk
    vervolging op bewijsrechterlijke gronden stuk liep, trok de
    toenmalige minister voor van VROM de vergunning voor het reinigen
    van tankschepen door dat bedrijf in 1983 in. De minister kwam met
    dit besluit echter flink in moeilijkheden omdat zij volgens een
    zojuist daarvoor gesloten internationaal verdrag over de vervuiling
    van de zee, de verplichting op zich had genomen te zorgen voor de
    bouw van HOI’s in de Nederlandse havens. Met behulp van deze
    installaties kunnen tankers worden gereinigd die anders hun
    afvalolie in zee lozen. Om aan deze HOI’s te komen vraagt zij het
    in die haven onbekende bedrijf C een plan in te dienen. Ondanks
    waarschuwingen van de procureur-generaal en van ambtenaren van haar
    eigen ministerie over de slechte naam van het bedrijf C (omdat
    allerlei milieuwetten ernstig werden overtreden), kende zij de
    onderneming uiteindelijk een subsidie van 24 miljoen gulden toe om
    een HOI van 36 miljoen te kunnen bouwen. Andere, concurrerende
    bedrijven vonden dit bedrag veel te laag en ver onder de
    kostprijs.

    Vanaf de start van het bedrijf waren er problemen met de
    overheid. Onderhandelingen over de noodzakelijk vergunningen liepen
    uiterst moeizaam en mondden uit in diverse procedures bij de Raad
    van State. De eerste milieu-overtredingen werden geconstateerd en
    afspraken voor verbetering met de directie gemaakt. Die werden
    echter nooit nagekomen. In 1986 formeerde de gemeente een speciale
    projectgroep om het bedrijf in de gaten te houden. Ondanks alle
    berichten over milieudelicten en andere zaken, besloot de minister,
    tegen het advies van velen op haar ministerie in, het restant van
    de subsidie aan C uit te keren. Vervolgens werden in de periode
    1989-1990 40 processen-verbaal tegen C opgemaakt. Het Openbaar
    Ministerie stelde transacties voor die daarna door C werden
    geaccepteerd. In periode 1991-1992 werden voor zelfde feiten weer 8
    p.v.’s opgemaakt, waaronder in april 1992 een proces-verbaal voor
    het gebruik van vervalste papieren voor illegale export van
    gevaarlijke stoffen naar Belgi. C blijkt achteraf vrijwel dagelijks
    uiterst giftig afval te hebben geloosd op het oppervlaktewater,
    terwijl volgens de administratieve bescheiden die elke drie maanden
    aan Rijkswaterstaat werden gestuurd, slechts afval werd geloosd met
    een giftigheid die ruim beneden de vergunningsnormen lag. Deze
    illegale lozingen werden ‘s nachts uitgevoerd om het risico van
    ontdekking zo klein mogelijk te houden. Ook werden uitkijkposten
    ingericht om de betrokkenen te attenderen op eventuele controleurs.
    Uiteindelijk vielen in december 1993 politie en justitie de
    ondernemingen binnen en namen de administratie en andere bescheiden
    in beslag. In december 1994 volgde de aanhouding van de betrokken
    personen.

    In totaal waren 82 mensen werkzaam bij C. Daarvan waren er
    ongeveer 10 (de hele directie, planners, administratie, enkele
    personen op de werkvloer, e.d.) daadwerkelijk bij de illegale
    handelingen door het bedrijf betrokken. De opdrachten kwamen van de
    directeuren. Zij bemoeiden zich ook met de details van de opdracht
    en met de wijze waarop een en ander in de administratie moest
    worden verantwoord. Zo werd door de bedrijfsleiding de term op
    specificatie brengen bedacht om illegaal verdunnen of mengen te
    omschrijven in de administratie. Men zou kunnen zeggen dat de
    alledaagse praktijk van de directeuren bestond uit het continu
    bedenken en uitvoeren van fraudes, vervalsingen, en dergelijke om
    geld mee te verdienen, maar ook om andere fraudes en vervalsingen
    weer toe te dekken. Omdat niets op papier mocht komen, moest veel
    van dat geregel in het hoofd worden onthouden of in codes in kleine
    zakboekjes worden genoteerd.

    Het overige personeel moest, zeker na al die jaren, van de
    illegale praktijken hebben afgeweten. Maar ook in dit
    afvalverwerkingsbedrijf blijkt weer hoe groot de loyaliteit van het
    personeel ten opzichte van de leiding was. Deze loyaliteit is vast
    te stellen op grond van twee gegevens. Enerzijds is er nooit enig
    personeelslid geweest dat op de een of andere manier aan de bel
    heeft getrokken Noot , anderzijds heeft iedereen er lang
    het zwijgen toegedaan tijdens de verhoren door de politie en andere
    opsporingsambtenaren. Deze loyaliteit heeft meer redenen. Ten
    eerste werden aan het personeel, veelal met een zeer lage
    opleiding, salarissen uitbetaald die ver boven de gebruikelijke
    lonen van vergelijkbare beroepen uitgingen. In de tweede plaats
    kregen zij allerlei extra bedragen uitbetaald voor (il)legale
    activiteiten. In de derde plaats heeft het personeel geprofiteerd
    van de dagelijkse gang van zaken en is dus bang voor de
    strafrechtelijke consequenties van zijn gedrag. Overal kon (zwart)
    geld mee worden verdiend. In de laatste plaats werd het personeel
    al die jaren door de leiding van de onderneming goed getraind om
    aan derden, in het bijzonder controleurs, bepaalde antwoorden te
    geven op vervelende vragen. De directie waakte er overigens voor
    personeel met een hoge en/of gespecialiseerde opleiding in dienst
    te nemen omdat daarvan problemen werden verwacht. Met deze
    handelwijze slaagde de leiding erin de bedrijfsorganisatie tot een
    geheel te smeden en waren sancties in slechts heel weinig gevallen
    nodig (en dan nog meestal in de vorm van ontslag met uitbetaling
    van zwijggeld). De arbeidsverdeling kwam overeen met de aard van de
    legale werkzaamheden. Zoals gebruikelijk in de afvalbranche werden
    diverse BV’s opgericht om de eigenaren persoonlijk zoveel mogelijk
    te vrijwaren van strafrechtelijke en bestuurlijke
    aansprakelijkheid. De onderneming heeft lang (acht jaar) kunnen
    doorgaan met de illegale handelingen op milieugebied. De illegale
    lozingen in het water, de illegale export van gevaarlijk afval naar
    het buitenland, die gepaard gingen met allerlei fraudes en
    vervalsingen konden ondanks strafrechtelijk optreden en ondanks het
    opleggen van boetes onbelemmerd doorgaan. Weliswaar werden allerlei
    controles uitgevoerd, monsters genomen en opsporingsteams
    samengesteld, het bedrijf voelde zich relatief onaantastbaar. In de
    administratie werd gewerkt in code-taal, bij lozingen werd op de
    uitkijk gestaan en controlerende ambtenaren werden gefrustreerd in
    hun werk door de standaardantwoorden die zij kregen op hun vragen
    en door de voortdurende belemmeringen van controles. De eigenaren
    hadden veel contacten met andere afvalverwerkers, met de
    zakenwereld en namen vooraanstaande posities in binnen de
    branche-organisaties. Deze contacten werden voornamelijk gebruikt
    voor het verkrijgen en het behouden van een belangrijke positie in
    de afvalbranche, maar ook om de diverse overheden onder druk te
    zetten. Deze druk werd bewust door de directeuren geregisseerd
    binnen een branche-organisatie waar een strategie werd bedacht hoe
    individuele ambtenaren (met naam en toenaam) konden worden benaderd
    en gestuurd (zie verder .5.6). Met behulp van deze
    branche-organisaties had een van de directeuren zich ingezet voor
    de ontwikkeling van een ISO-certificaat, waarmee op papier
    een kwalificatie kon worden verstrekt van de hoge milieu-eisen
    waaraan de interne en externe controles voldeden. Daarmee kon naar
    buiten toe de schijn worden opgehouden dat het bedrijf over een
    goed en hoogstaand milieuzorgsysteem beschikte. Tevens sponsorde de
    onderneming de autoracerij waarmee zij een respectabele indruk op
    de buitenwereld konden maken. Hiervoor hadden zij een aparte BV in
    het leven geroepen waarmee meer dan zes ton was gemoeid. Het
    verdiende geld van de fraudes werd op meerdere manieren aangewend.
    Het meeste daarvan werd in de onderneming gestoken. Enerzijds
    werden daarmee de negatieve bedrijfsresultaten als gevolg van het
    verkeerd beleidsbeslissingen door de directie (Bijvoorbeeld
    verkeerd inschatten van de eigen kostprijs bij offertes)
    rechtgetrokken, anderzijds het personeel zwart uitbetaald.
    Daarnaast hadden de broers een duur privleven dat door deze
    illegale inkomsten werd betaald. Zij beschikten over een
    bedrijfskas waaruit zij, indien nodig, geld namen. Uit deze kas was
    door hen, zonder dat met bonnen te verantwoorden, voor bijna 1,8
    miljoen gulden opgenomen voor allerlei (priv-)uitgaven. Verder
    zorgden de directieleden voor een relatief hoog salaris.

    6.2.1.2. De overige zaken
    De hierboven beschreven drie grote casussen geven een goed beeld
    van de aard en de ernst van de milieucriminaliteit en het soort
    daders, (ondernemingen) dat hierbij is betrokken. Dit beeld kan
    worden aangevuld met gegevens die uit andere bronnen. De gegevens
    zijn afkomstig van de overige politiedossiers.

    In alle 15 gevallen blijken autochtone Nederlanders de daders
    van Nederlandse afkomst. Er zijn geen allochtone of buitenlandse
    groepen op criminele wijze actief in de
    afvalverwerkingsbranche. Slechts de belangstelling van Amerikanen
    voor deze branche in Nederland is de afgelopen jaren toegenomen.
    Twee giganten uit de USA veroveren, in samenwerking met
    autochtonen, snel een dominante plaats in de Nederlandse
    afvalverwerkingsmarkt.

    De leiders of opdrachtgevers van ernstige milieudelicten zijn
    altijd mannen in de leeftijd van 40 tot 60 jaar oud. Zij zijn, al
    dan niet met hun broers, eigenaar van een familiebedrijf. Niet
    zelden is hun vader de stichter van het bedrijf. Van hem leerden
    zij de kneepjes van het vak. Het bedrijf is meestal vanaf het begin
    actief in de afvalbranche en is gegroeid in de jaren zeventig en
    tachtig. De eigenaren hebben zelden een hoge opleiding genoten en
    zeker niet een opleiding op het gebied van het milieu of van de
    afvalverwerking. De eigenaren maken van de legale activiteiten van
    het bedrijf gebruik om de illegale uit te voeren en te
    verheimelijken. De vermenging van reguliere werkzaamheden met
    milieudelicten en de vermenging van een legale administratie met
    een illegale, maken de strafrechtelijke vervolging er niet
    makkelijker op. De criminele activiteiten worden georganiseerd op
    een bedrijfsmatige wijze. Alles wordt uitgevoerd zoals door de
    leiders is bedacht en gewenst. Het personeel is loyaal aan die
    leiding. Deze loyaliteit wordt zelden met geweld afgedwongen, maar
    is gestoeld op hoge salarissen, bonificaties en in een aantal
    gevallen op het kwetsbare, criminele verleden. Het personeel heeft
    vrijwel altijd een lage opleiding omdat hoog opgeleiden en
    milieuspecialisten in zo’n onderneming niet worden aangenomen.
    Wellicht worden zij als een risicofactor gezien. Het vieze werk
    wordt meestal door dezelfde personen uitgevoerd en het overige
    personeel weet daarvan maar onderneemt er om eerder genoemde
    redenen niets tegen. De eigenaren gaan als potentaten met hun
    personeel om: Als iemand iets niet aanstaat dan kan hij wegwezen.
    Vakbonden zijn de vijanden van deze familiebedrijven. Als
    buitenstaander vraag je je af waarom het gebrek aan chemische
    kennis van het personeel (gelet op het gemiddeld lage
    opleidingsniveau) niet tot grote ongelukken heeft geleid. Wisten de
    werknemers eigenlijk wel wat zij aan het mengen waren? Wie gaf er
    daadwerkelijk opdracht aan bepaalde operationele handelingen die in
    principe tot gevaarlijke situaties kunnen leiden?

    Milieudelicten gaan altijd gepaard met andere delicten zoals
    valsheid in geschrifte, oplichting, fiscale delicten,
    subsidiefraudes. Zij moeten wel plaatsvinden om de illegale
    activiteiten te maskeren. De administratieve medewerkers, de
    boekhouders in het bedrijf spelen in deze fraudes (tegen een zwart
    uitbetaalde vergoeding) een actieve en cruciale rol. Zo worden door
    de eigenaren een cultuur en een bedrijfsorganisatie geschapen
    waarin een deel van het personeel als vanzelf medeplichtig wordt.
    In een heel enkele milieuzaak zijn ook andere illegale activiteiten
    vermoed (handel in verdovende middelen), maar dat is zeker geen
    regel. De milieudelicten komen in de meeste gevallen meer op het
    grof en snel geld willen verdienen ten koste van het fysieke
    milieu. Maar zij worden ook gepleegd om bedrijfsproblemen het hoofd
    te kunnen bieden. Door een verkeerde kostprijsberekening of om
    onder de concurrentie te bieden, worden niet zelden flinke
    verliezen geleden. Deze verliezen kunnen door illegale lozingen en
    vermengingen van soorten afval worden verkleind. De onderneming
    maakt in zulke gevallen geen kosten maar int wel de volle betaling
    voor verwerking. Het aanscherpen van de milieu-eisen door de
    overheid leidt ertoe dat bedrijven niet aan die nieuwe eisen kunnen
    voldoen en vervolgens het afval maar illegaal verwerken. De kans op
    winsten in de afvalbranche, maar ook de kans op milieudelicten is
    groter naarmate de onderneming meer schakels in de afvalketen en
    meer vestigingen door het land bezit. In dat geval ontstaan er veel
    mogelijkheden om ongecontroleerd en op illegale wijze afval te
    laten verdwijnen. Naar buiten toe gedragen deze 15 bedrijven zich
    doorgaans zeer agressief en wordt geweld tegen concurrenten soms
    niet geschuwd. Met intimidatie en sabotage worden concurrenten
    buiten spel gezet of in een zodanige positie gemanoeuvreerd dat zij
    goedkoop kunnen worden overgenomen. Voor deze praktijken worden ook
    de media, de politie en justitie ingeschakeld. Door in sommige
    gevallen verdachtmakingen over zware milieucriminaliteit bij de
    concurrent te verspreiden, wordt het eigen bedrijf gevrijwaard van
    belangstelling door de opsporingsinstanties omdat die dan hun
    handen vol hebben aan die concurrent. Anderzijds probeert de
    leiding van afvalverwerkingsbedrijven juist een blinkend imago van
    milieuredder op te bouwen. Geld en middelen worden gebruikt en
    deskundigen ingeschakeld om dat imago voor de onderneming naar
    buiten te brengen. Veel energie wordt gestoken in
    branche-organisaties om milieu-certificaten te ontwikkelen.
    Eigenaren verkeren graag in kringen van bekende Nederlanders, de
    sport en het amusement.

    Een bewuste strategie van deze malafide
    afvalverwerkingsbedrijven is het opbouwen van een goede
    verstandhouding met het openbaar bestuur Noot . De
    ondernemingen zijn voor hun bestaan afhankelijk van de
    vergunningen. Hun doel is derhalve deze vergunningen te krijgen en
    als dat niet direct kan, gedoogsituaties te laten ontstaan
    waarbinnen zij kunnen blijven opereren. De goede verstandhouding
    moet worden verkregen met personen die uit de hoogste kringen van
    het bestuur en het beleid. Hoofden van milieudiensten van
    gemeenten, wethouders, burgemeesters, gedeputeerden, hoge
    ambtenaren van ministeries en het liefst de ministers zelf zijn
    doelwit van allerlei bewuste netwerkstrategien. Om deze strategien
    te laten slagen worden diverse middellen benut. Van het zenden van
    kerstpakketten tot het regelrecht proberen om te kopen (zie ook
    .6.2.3). Door hun goede connecties met het openbaar bestuur zijn
    zij in staat voor langere tijd opsporingsinstanties buiten de deur
    te houden. Een officier van justitie bedenkt zich wel tweemaal een
    afvalverwerkingsbedrijf strafrechtelijk te gaan vervolgen wanneer
    hij of zij weet dat de burgemeester lid van de raad van bestuur is
    en een gedeputeerde adviseur van dat bedrijf.

    Incidentele processen-verbaal worden voor lief genomen, in een
    enkel geval direct betaald, maar vaker genegeerd. Lichte sancties
    brengen weinig verandering in de illegale praktijken. Brengt het
    openbaar ministerie zwaardere sancties in stelling dan wordt vaak
    gedreigd het bedrijf stil te leggen. Hierdoor loopt niet alleen de
    werkgelegenheid gevaar, maar ook de volksgezondheid omdat dan
    allerlei gevaarlijk afval niet meer kan worden verwerkt. In een
    aantal van de bestudeerde zaken kiest de overheid eieren voor haar
    geld en geeft toe. Slechts in enkele gevallen wordt werkelijk tot
    strafvervolging overgegaan.

    Intermediairen worden ingeschakeld om de bedrijfsvoering bij te
    staan. Zoals tegenwoordig te doen gebruikelijk is, worden met
    behulp van fiscalisten, advocaten en accountants diverse
    bv-constructies bedacht om de eventuele financieel-economische
    gevolgen van verkeerde bedrijfsbeslissingen te minimaliseren. Zowel
    bonafide als malafide afvalverwerkingsbedrijven gebruiken zulke
    bv-constructies. Zo’n constructie op zich zegt dus niets over de
    malafiditeit van zo’n onderneming. Maar deze constructies kunnen
    door malafide bedrijven worden gebruikt om mogelijke
    strafrechtelijke consequenties te ontlopen. In een aantal
    milieuschandalen werd geconstateerd dat de jaarrekeningen door
    externe accountants waren goedgekeurd, terwijl op het moment van
    goedkeuring al bekend was dat er een strafrechtelijk vooronderzoek
    tegen het bedrijf liep.

    De winsten die met de illegale praktijken worden verdiend,
    worden grotendeels in de eigen onderneming genvesteerd. Die
    investeringen worden vooral ingezet om de eigen marktpositie te
    vergroten door meer van hetzelfde te doen (bijvoorbeeld door meer
    vrachtwagens te kopen). Daarnaast wordt het personeel met deze
    opbrengsten zwart betaald, gratificaties toegekend en worden goede
    maatschappelijke doelen gefinancierd. Ook wordt een deel van
    illegale winsten uitgegeven aan een uitbundige levensstijl.
    Onroerend goed wordt daarmee zelden aangekocht en witwaspraktijken
    komt men vrijwel niet tegen in deze branche. Andere misdaadmarkten
    worden daarmee in ieder geval zelden betreden. Men beperkt zich tot
    de eigen branche. Tot dusverre is er voornamelijk gesproken over
    private personen en private organisaties en bedrijven die zware
    milieucriminaliteit plegen. Een andere groep verdachten inzake
    milieudelicten zijn de overheden zelf. In een dossieronderzoek over
    de jaren 1990-1992 zijn de processen-verbaal geanalyseerd die tegen
    gemeenten, provincie en centrale overheid als verdachte zijn
    opgemaakt (Kleiman en Van den Berg, 1995). Uit dit onderzoek kwam
    naar voren dat 56 strafzaken in de onderzoeksperiode tegen
    overheden liepen. Van deze zaken werd 46% geseponeerd en werd in
    48% van de gevallen een transactie voorgesteld door het openbaar
    ministerie. Uit het overzicht van deze zaken blijkt dat het
    voornamelijk incidentele delicten zijn waarvoor de overheid als
    verdachte strafrechtelijk ter verantwoording wordt geroepen. En
    zaak speelt in Gelderland. In een stad daar heeft het
    gemeentebestuur de centrale inzameling van horecavet verplicht
    gesteld. Dat vet wordt tegen een redelijk hoog bedrag ingezameld
    door een gemeentelijk bedrijf. De directeur, een gemeente-ambtenaar
    dus, gaf aan de chauffeurs geregeld opdracht dat vet direct in de
    riolering te storten. Daarmee konden de bedrijfsresultaten
    positiever worden voorgesteld dan zij feitelijk waren. Een
    strafrechtelijk onderzoek is gaande. Een interessante vraag in deze
    is in hoeverre eigenaren van afvalverwerkingsbedrijven criminele
    antecedenten hebben. Het antwoord op deze vraag is belangrijk om te
    kunnen beoordelen of personen met een crimineel verleden in de
    afvalverwerkingsbranche zijn genfiltreerd en vanuit nieuwe posities
    illegale activiteiten uitvoeren. Het CBS heeft dat voor alle
    afvalverwerkers in Nederland uitgezocht. Van de verdachten van
    milieudelicten (ook niet zware) in 1993 is 35.5% rechtspersoon en
    64.4% natuurlijke persoon (CBS, 1994). Van de verdachte natuurlijke
    personen is vrijwel iedereen man en de modale leeftijd ligt tussen
    de 40 en 50 jaar. Opvallend is dat van de verdachten bijna de helft
    (49%) in het Algemeen Documentatieregister van het ministerie van
    Justitie voorkomt in verband met een strafrechtelijk verleden.
    Later in het hoofdstuk komen we hierop terug.

    De CRI heeft op ons verzoek de antecedenten van afvalverwerkers
    nagegaan. De naspeuring leverde zes dossiers op van bekende
    afvalverwerkers. De meesten hadden geen strafblad dat wijst op een
    lidmaatschap van een criminele groep. De meeste delicten die in het
    strafblad voorkwamen waren diefstallen, verduistering, valsheid in
    geschrifte, fiscale delicten, art. 26 en in enkele gevallen,
    eenvoudige mishandeling.

    Op grond van deze informatie is niet te stellen dat criminelen
    actief zijn in de afvalverwerkingsbranche. Gevoegd bij het feit dat
    ook geen bekende buitenlandse criminele groepen zijn aangetroffen
    in de dossiers van opsporingsonderzoeken van de regiokorpsen en van
    de CRI en het MBT, mag voor Nederland althans het weinig
    aannemelijk worden geacht dat de georganiseerde misdaad hier de
    afvalverwerkingsbranche heeft gepenetreerd of zelfs
    overgenomen.

    Resumerend kan worden gesteld dat de analyses van de 18 zaken
    het volgende beeld opleveren. Vrijwel alle daders van zware
    milieucriminaliteit zijn bedrijfsleiders en/of eigenaren van in
    se
    legale bedrijven. De milieucriminaliteit die zij plegen valt
    onder de noemer van organisatiecriminaliteit of corporate
    crime
    . Vooruitlopend op de eindconclusie kan worden
    geconstateerd dat van georganiseerde criminaliteit geen sprake is.
    Er zijn daarvan geen sporen aangetroffen.

    6.2.2. De werkwijzen

    Over de werkwijzen van zware milieucriminaliteit kunnen wij
    relatief kort zijn omdat zij grotendeels al in .6.1 en .6.2 aan bod
    zijn gekomen. Door afval te mengen, te verdunnen totdat het
    gifgehalte onder de toegestane norm ligt, te storten, te verbranden
    wanneer dat niet kan, te verplaatsen, te exporteren en te lozen in
    water of lucht zijn afvalverwerkers in staat de kosten tot een
    minimum te beperken en de verdiensten illegaal op te schroeven. Het
    slachtoffer van al die praktijken is uiteindelijk het fysieke
    milieu.

    Verder is het bij milieumisdrijven gebruikelijk te frauderen met
    weegbrieven (vervalsen), transportwagens met ijzer te verzwaren om
    meer kosten in rekening te kunnen brengen bij klanten, de
    resultaten van de verplichte monsters van het afval in eigen
    voordeel te benvloeden, valse copien van vergunningen te gebruiken
    om klanten en controleurs te imponeren en een legale faade te
    bieden, laboratoria onder druk te zetten om valse resultaten af te
    geven en andere afvalverwerkers te vragen om (valselijk opgemaakte)
    verklaringen dat zij niet in staat zijn bepaalde vrachten af te
    werken. Met monsters kan worden gemanipuleerd doordat bedrijven
    zelf hun monsters kunnen kiezen. Op grond van eigen statistische
    overwegingen beslist de afvalverwerker zelf wanneer en op welke
    plaats de monsterneming gebeurt. Afvalverwerkers kunnen derhalve
    ongecontroleerd afvalmonsters aanbieden.

    6.2.3. Afscherming tegen de overheid

    Om hun doelen te bereiken en om een goede concurrentiepositie op
    te bouwen is afvalverwerkers er alles aangelegen met de overheid
    een goede verstandhouding op te bouwen. De diverse overheden geven
    immers de broodnodige vergunningen af en verstrekken subsidies om
    nieuwe installaties te bouwen waar meer geavanceerde technieken
    kunnen worden toegepast.

    Malafide afvalverwerkingsbedrijven passen twee strategien toe om
    zich af te schermen tegen overheidsoptreden. De ene strategie is
    erop gericht de opsporing van strafbare feiten te bemoeilijken door
    lozingen ‘s nachts te laten uitvoeren met een uitkijk daarbij, door
    geheimhouding van betrokken te eisen, door valse administraties te
    voeren en door loyaliteit van het personeel te krijgen. De andere
    strategie is erop gericht actief overheidsoptreden tegen te gaan
    door te proberen de overheid lam te leggen, de betrokken overheden
    tegen elkaar uit te spelen, enzovoorts. Een bijzondere variant
    daarvan is het afdwingen van vergunningen.

    Vergunningen

    Uit de dossiers van de strafzaken op het gebied van milieuzaken
    is een bepaalde handelingsstrategie af te leiden die vaak wordt
    gebruikt. Om vergunningen voor de verwerking van ernstig
    verontreinigd materiaal te krijgen kan een afvalverwerker een
    aanvraag indienen bij de daartoe bevoegde instantie. Die vergunning
    zal echter alleen worden verstrekt wanneer aan een (groot) aantal
    eisen is voldaan. Het voldoen aan die eisen is meestal duur en
    neemt veel tijd in beslag. Bovendien loop je als afvalverwerker
    altijd de kans dat zo’n verzoek wordt afgewezen. Malafide
    afvalverwerkers hebben daarop het volgende gevonden. Zij vragen de
    meest eenvoudige vergunning aan die er is te vinden. Daarmee is dat
    bedrijf slechts toegestaan bepaalde handelingen te verrichten met
    betrekking tot specifiek, veelal minder ernstig verontreinigd
    afval. Aan de eisen van deze eenvoudige vergunning kan relatief
    snel worden voldaan en bij inspectie vooraf worden getoond. Is de
    vergunning eenmaal binnen dan wordt ander afval, waarvoor geen
    vergunning is afgegeven, op het bedrijfsterrein gestort. Een
    eventuele milieu-inspectie wordt meegedeeld dat het een fout is van
    een afvaltransporteur of een eenmalige gebeurtenis. Vervolgens
    worden steeds grotere hoeveelheden van dat afval gestort waarvoor
    gn vergunning is verleend. Eventuele sancties in de vorm van boetes
    worden, na enige tijd, voldaan. Ondertussen groeit de afvalberg.
    Dan wordt de vergunningverlener benaderd met het verzoek een
    ruimere vergunning te krijgen om dat andere afval ook te mogen
    verwerken. Wanneer daar ontkennend op wordt geantwoord dan zal de
    afvalverwerker vragen om de afvalberg voor een tijd te gedogen.
    Omdat de vergunningverstrekker (om volksgezondsheidsredenen) niet
    anders kan en er elders ook niet direct verwerkingscapaciteit voor
    dat afval aanwezig is, gedoogt de bestuurlijke overheid tijdelijk
    de situatie. Tijdens de gedoogsituatie wordt het afval gewoon
    verder ingezameld en tot grote omvang uitgebouwd. Door de
    gedoogsituatie bereikt de afvalverwerker twee zaken: door een
    bestuurlijk gedogen wordt een strafrechtelijke vervolging vrijwel
    onmogelijk gemaakt en door een bestuurlijk gedogen moet
    diezelfde overheid later wel een ruimere vergunning verstrekken
    omdat anders die afvalberg blijft liggen en daar schiet niemand
    iets mee op. Wanneer de ruimere vergunning uiteindelijk wordt
    binnengehaald kan met nieuwe bedrijfsactiviteiten legaal worden
    begonnen.

    Een afvalverwerker die bovenstaande strategie bewust gebruikt
    zal er meestal ook wel op uit zijn de verantwoordelijke politici en
    ambtenaren bij het bedrijf te betrekken. Daarmee kan enerzijds een
    nette faade worden opgezet en anderzijds een vorm van collusie
    worden gecreerd. Dat kan gebeuren door burgemeesters, gedeputeerden
    en hoge ambtenaren in de raad van bestuur op te nemen,
    commissariaten aan te bieden of als adviseur van het bedrijf in te
    schakelen. In een enkel geval wordt een gedeputeerde van
    milieuzaken een belofte gedaan samen later een nieuw
    afvalverwerkingsbedrijf te starten.

    Soms gaat de benvloeding van de overheid nog verder. Dan worden
    cadeaus gegeven, goedkope hypotheekleningen aangeboden of
    belangrijke personen op vitale posities worden gewoon omgekocht met
    geld om een vergunning voor afvalverwerking te verkrijgen (CRI,
    1992). In n milieuzaak werkte de plaatselijke wethouder als
    boekhouder bij het malafide afvalverwerkingsbedrijf.

    Uiteraard worden ook vergunningen verkregen door een opgave van
    valse gegevens of vervalste monsters. Een laatste, maar zeker niet
    ongebruikelijke, manier is afval te verwerken waarvoor helemaal
    geen vergunning is afgegeven. In een van de in de vorige paragraaf
    beschreven zaken werd door de afvalverwerker alleen maar geroepen
    dat hij beschikte over de correcte vergunningen. Geen van zijn
    klanten vroeg om inzage in die vergunning. Daarmee kon hij voor
    lange tijd afval illegaal en ongestoord verwerken.

    Het mag duidelijk zijn, ook in de afvalverwerkingsbranche, dat
    de lijn tussen lobby en omkoping of tussen medewerking of advies en
    medeplichtigheid vloeiend is en niet in zwart-wit verhoudingen is
    aan te geven (voor meer informatie zie Van Vugt, Boet en Berends,
    1994; CRI, 1992). Wel kan worden geconstateerd dat in de
    afvalverwerkings-branche vertegenwoordigers van de overheid wel erg
    dicht bij de bedrijven zitten. De afstand is soms zo klein dat de
    kans op afglijden naar corruptie groot wordt. Met name zij die
    sleutelposities in de overheid innemen en beslissen over het al dan
    niet toekennen van vergunningen, zouden veel meer afstand tot de
    bedrijven moeten hebben om een onafhankelijke besluitvorming te
    kunnen garanderen (pettenproblematiek). Politiek en ambtelijk
    lobbyen vindt in elke economische sector plaats, maar in het milieu
    gaat deze lobby veel verder. In een branche-organisatie werd
    tijdens een vergadering openlijk een strategie besproken om bij
    naam genoemde personen uit de politiek en de ambtenarij te
    benvloeden om vergunningen en subsidies binnen te halen.

    Afscherming tegen de overheid

    Misschien nog wel meer dan andere bedrijven hebben
    afvalverwerkers een broertje dood aan allerlei inspecties en
    controles. De bedrijven zijn niet alleen lastig maar verhogen ook
    de kosten voor het bedrijf. Malafide afvalverwerkers,
    -transporteurs en -makelaars moeten wel hun administratie en
    boekhouding aanpassen om een nieuwe papieren werkelijkheid te
    scheppen. Om controle moeilijk te maken worden vaak twee of meer
    administraties bijgehouden: een voor de overheid en een voor het
    bedrijf of voor de leiding zelf. Soms worden delen van
    administraties elders ondergebracht. Een variant is dat een
    administratie in code wordt verwerkt waarbij een omschrijving van
    stoffen wordt gebruikt die net iets afwijkt van gewoonlijk
    gebruikte omschrijvingen. Alleen insiders kennen de werkelijke
    betekenis. Verder worden analysestaten of laboratoriumstaten
    vervalst om illegale praktijken te verheimelijken. Om
    milieudelicten te plegen zal altijd een of andere vorm van fraude
    moeten plaatsvinden. Omdat zware milieudelicten nooit door n
    persoon kunnen worden gepleegd heeft de hoofddader medeplichtigen
    nodig. Vrijwel altijd is dat personeel van het bedrijf. Om dit stil
    te houden wordt gewerkt met hoge salarissen en extra betalingen
    (zwart), maar ook met het opleggen van een zwijgplicht aan de
    direct betrokkenen met als sanctie direct ontslag. Verder wordt het
    personeel genstrueerd wat te zeggen bij onverwachte inspecties en
    wat te doen bij aangekondigde inspecties. Een enkele keer wordt
    geweld tegen controleurs niet geschuwd en vinden allerlei
    intimidaties plaats. Het personeel vormt meestal n front waar
    controlerende instanties moeilijk tussen komen. Naast het personeel
    moet de ontdoener van het illegale afval meedoen in het spel
    om zich af te kunnen schermen tegen een strafrechtelijk optreden
    van de overheid. De administratie van dat bedrijf moet kloppend
    worden gemaakt met die van de afvalverwerker of -makelaar.

    Tenslotte kunnen enkele andere afschermingstactieken worden
    genoemd die hun waarde in de praktijk wel hebben bewezen. De eerste
    tactiek is via bestuurlijke adviseurs, leden van de raad van
    bestuur of commissarissen proberen te achterhalen wat de stand van
    zaken is van een eventueel strafrechtelijk onderzoek en of er
    mogelijk bedenkingen tegen het bedrijf bestaan. Soms gebeurt het
    zelfs door rechtstreeks naar het OM te bellen en voor de vuist weg
    te vragen of er wellicht een strafrechtelijk onderzoek gaande is.
    Een andere tactiek is een opgelegde boete niet direct te betalen
    maar daar lang mee te wachten. Wanneer de uiterste periode bijna is
    verstreken, worden allerlei juristen ingeschakeld die elke keer in
    hoger beroep gaan om de tegenstander zo lang mogelijk met de kleine
    zaken bezig te houden, zodat de grotere illegale praktijken
    ongemerkt door kunnen gaan. Als laatste bekende afschermingstactiek
    wordt ook wel genoemd het kwaad spreken over concurrenten of
    verlinken van illegale praktijken elders om politie en justitie af
    te leiden van het eigen bedrijf. Concurrenten worden aangepakt en
    het eigen afvalverwerkingsbedrijf blijft, voorlopig althans,
    strafrechtelijk buiten schot.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken