• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • IX – De bouwnijverheid – 2. DE AANTREKKINGSKRACHT VAN DE BOUWNIJVERHEID OP DE GEORGANISEERDE MISDAAD

    2. DE AANTREKKINGSKRACHT VAN DE BOUWNIJVERHEID OP DE
    GEORGANISEERDE MISDAAD

    In de inleiding van dit deelrapport staat aangeven dat de
    bouwnijverheid een zeer aantrekkelijk doelwit voor criminele
    groepen vormt om op illegale wijze hun inkomsten te vergroten.
    Waarom dat zo is, moet worden geput uit de buitenlandse literatuur,
    omdat in Nederland geen literatuur over dit onderwerp bekend is. Er
    is niet gestreefd naar een volledig overzicht van de
    wetenschappelijke literatuur. Anderson (1979) heeft zes redenen
    naar voren gebracht waarom de georganiseerde criminaliteit in
    legale economische sectoren actief wil zijn. In de eerste
    plaats om de winsten die daarmee kunnen worden behaald. Door middel
    van geweld, afpersing en opdringen van protectie kan een vaste bron
    van inkomsten worden verkregen die niet afhankelijk is van onzekere
    marktomstandigheden die illegale sectoren zo kenmerken. In de
    tweede plaats kunnen criminele groepen daarmee hun criminele
    activiteiten spreiden: de risico’s van opsporing door politie en
    justitie zijn in legale bedrijfstakken doorgaans veel kleiner dan
    in de markten van de levering van illegale goederen en diensten.
    Politie en justitie zijn nauwelijks op de hoogte van het
    functioneren van legale branches en hun opsporingsactiviteiten zijn
    er, op enkele bijzondere uitzonderingen na, niet op gericht
    (Wietink, e.a., 1994). In de derde plaats kunnen leden van
    criminele groepen met legale bedrijven hun familieleden (niet
    zelden hun nabestaanden) mee laten profiteren van hun criminele
    activiteiten. Legale bedrijven kunnen worden gerfd, illegale
    uiteraard niet. In de vierde plaats kan een lid van een
    criminele groep met legale bedrijven diensten verlenen aan andere
    leden van de groep, zoals een werkgeversverklaring, waarmee hun
    aanwezigheid in de samenleving kan worden gelegitimeerd. Als
    vijfde reden noemt Anderson dat een legaal bedrijf kan
    fungeren als dekmantel voor veel criminele activiteiten als
    drugsmokkel of het witwassen van geld. Als laatste reden
    noemt zij dat een legaal bedrijf een belastingdekmantel biedt aan
    de georganiseerde misdaad door gewoon, net als elk bedrijf of
    burger, geheel of gedeeltelijk belasting te betalen. Daaraan kan
    volledigheidshalve worden toegevoegd dat een plaats in een legale
    branche ook een legitieme positie in de samenleving kan opleveren.
    Deze komt tegemoet aan nieuwe uitingsvormen van misdaad:In keeping
    with modern trends, and apart from their income producing criminal
    activities, racketeers have been making increased efforts to
    improve their image and to legitimize and better utilize their ill
    gotten wealth. …they are adopting a changeover from rough
    mob-type operations to the smooth business-like approach (NYSCI,
    1970, p. 23).

    Maar een racketeer blijft een racketeer: illegale middelen
    worden gebruikt om zaken te doen. Voor de bouwnijverheid is de
    eerste reden nog altijd de belangrijkste. Er gaat heel veel geld in
    om (alleen in Nederland al ruim 60 miljard gulden) en de aard van
    de werkzaamheden (onder grote tijdsdruk opleveren, duur materiaal,
    het ter plekke moeten werken) is zo georganiseerd dat elke
    verstoring van het bouwproces veel geld kost voor aannemers. En dus
    kwetsbaar is (hierover later meer). Want onder welke omstandigheden
    maakt de georganiseerde criminaliteit een kans in legale bedrijven
    te infiltreren? Die kans is groter naarmate in een branche (1) een
    grote concurrentiestrijd bestaat tussen kleine ondernemingen; (2)
    (langdurige) conflictsituaties zijn tussen werkgevers en vakbonden.
    De georganiseerde criminaliteit ontplooit overigens vaak op verzoek
    van n van de partijen activiteiten binnen de bedrijfstak en zelden
    op eigen initiatief (Arlacchi, 1993; (3) kleine bedrijfseenheden
    bestaan, met hoge arbeidskosten, sterke concurrentiestrijd en
    potentieel veel bedrijfsfouten; (4) een lage sociale status kent
    waarin bedrijven worden geleid door minder goed geschoolde
    ondernemers, en (5) regionaal gebonden activiteiten bestaan van
    voornamelijk kleine, op familiebanden gebaseerde ondernemingen
    (Reuter, 1994, p. 110-115).

    In het buitenland is al lang sprake van innesteling van
    criminele groepen in de bouwnijverheid. In Japan schatten
    politiedeskundigen dat Yakuzagroepen ten minste 2 3 procent van de
    totale omzet in de gehele bouwnijverheid opstrijken. Deze groepen
    hebben in de branche al een lange traditie. Aannemers worden
    gedwongen protectiegelden te betalen (meestal een bepaald
    percentage van de omzet), aanbestedingen van de overheid worden via
    corruptie en (de dreiging met) geweld zo gestuurd dat eigen
    aannemers de bouwopdrachten krijgen en bedrijven die niet wensen
    mee te werken met de Yakuzagroepen worden stelselmatig met allerlei
    geweldsmiddelen uit de bouwmarkt gewerkt. De grootste Yakuzagroep
    in Japan, de Yamaguchi-gumi, heeft haar hoofdkwartier in de
    havenstad Kobe en heeft daar naast de prostitutie, het gokwezen en
    de drugshandel ook greep op de bouwactiviteiten. Het mag geen
    verwondering wekken dat de vele miljarden die nodig zijn om Kobe
    weer op te bouwen na de aardbeving van het afgelopen jaar, een
    aantrekkelijk doelwit vormen voor deze criminele groep.

    In Itali is sinds de jaren zestig en zeventig de mafia op grote
    schaal doorgedrongen in de bouwnijverheid (Fijnaut, 1993; Falcone
    en Padovani, 1993; Arlacchi, 1993). Via zijn gesprekken met
    pentito Calderone concludeerde Arlacchi dat Corleonese
    mafiafamilies greep hebben op vrijwel alle aanbestedingen en
    bouwactiviteiten in Sicili. Fijnaut (1993, p. 153) stelt dat de
    mafia in die jaren er zelfs in slaagde grote delen van ettelijke
    legale economien (toerisme, groothandel, transport, enzovoort) in
    het zuiden van Itali in handen te krijgen en meent dat een
    samenspel van factoren hiervoor verantwoordelijk is. Naast de
    traditionele afkeer van de bevolking van welke overheid ook en de
    klassieke verstrengeling van de mafia en (lokale) politieke macht,
    had het zuiden van Itali in die dagen te maken met een economische
    crisis. De vele lires die ter stimulering van de economie naar het
    zuiden vloeiden, vormden een aantrekkelijk doelwit voor de mafia.
    Arlacchi (1993) voegt daaraan toe dat de greep van de mafia op de
    bouwnijverheid niet in de laatste plaats door de aannemers
    zelf is genitieerd. Mafiagroepen werden te hulp geroepen om
    de concurrentie van bouwbedrijven uit het noorden van Itali het
    hoofd te kunnen bieden. Met geweld en brandstichtingen werden
    Noorditaliaanse bouwbedrijven uit het zuiden verjaagd en buiten de
    openbare aanbestedingen gehouden. De regionale bouwnijverheid werd
    daarmee gevrijwaard van de concurrentie van kwalitatief betere
    aannemersbedrijven uit het noorden. Natuurlijk werd door deze hulp
    wel het paard van Troje binnen de branche gehaald. De Napolitaanse
    Camorra, de ‘Ndrangheta uit Calabri en de Corleonegroep, hebben
    binnen de context die Fijnaut heeft geschetst, de kans gehad
    vrijwel alle bouwactiviteiten in het zuiden van Itali onder hun
    controle te brengen. Met deze vorm van racketeering wordt veel geld
    verdiend en zijn deze groepen van een vaste bron van inkomsten
    verzekerd. De vermoorde onderzoeksrechter Falcone (en Padovani,
    1993, p. 105) zegt over de rol van de Italiaanse mafia in de
    bouwnijverheid het volgende:Je kunt het niet over winstbronnen van
    de mafia hebben zonder te praten over n van de meest profijtelijke
    bronnen van
    allemaal: de inschrijvingen bij de bouw en de onderaanbestedingen.
    Ik vraag mij zelfs af of dat niet alles slaat. De controle op de
    openbare inschrijvingen is al enkele tientallen jaren in handen van
    de mafia. De huidige omvang daarvan is indrukwekkend.

    De Italiaanse mafia heeft als gevolg van de Europese eenwording
    en de situatie in het eigen land (zie het deelrapport van Bovenkerk
    en Fijnaut in verband met de Italiaanse mafia) haar activiteiten
    voor een deel verlegd naar andere Europese landen. Een van die
    landen zou Duitsland zijn omdat daar na de eenwording veel gebouwd
    wordt en er traditioneel in die branche veel (cash) geld in omgaat.
    Hoewel Duitsland wel geregeld wordt genoemd (Peters, 1990)
    ontbreekt het tot dusverre aan concrete aanwijzingen dat de
    georganiseerde misdaad zich in de bouwnijverheid van de oosterburen
    heeft genesteld (BKA, 1990). Mller (1993) die de corruptie in de
    bouw nader heeft bekeken, komt tot de slotsom dat van
    mafiapraktijken hem in die bedrijfstak van dat land niets is
    gebleken.

    In Frankrijk bestaan berichten dat Italiaanse mafiagroepen met
    name in het zuiden actief zijn. Een speciale onderzoekscommissie
    die door het Franse parlement is ingesteld naar aanleiding van
    verontrustende berichten in de media over de rol van de mafia in de
    bouw, concludeerde in 1993 dat inderdaad de Italiaanse mafia in het
    zuiden actief was. In de omgeving van Grenoble zou zij ook een
    positie in de bouwnijverheid hebben verworven.

    In Belgi heeft de zaak Bongiorno-Steinier laten zien dat ook
    daar de Italiaanse mafia zich een plaats in de bouwnijverheid heeft
    verworven (Fijnaut, 1993; Ilegems en Sauviller, 1995). In de streek
    van Bergen-La-Louvire-Namen in het milieu van Italiaanse
    immigranten, waren op het einde van de jaren tachtig en in de
    beginjaren negentig Italiaanse koppelbazen actief, waarvan Carmelo
    Bongiorno de grootste was. Zij hadden soms wel 18.000 bouwvakkers
    in dienst en per jaar werd ongeveer BFR 27 miljard schade door de
    Belgische staat geleden aan gemiste belastingafdrachten en niet
    betaalde sociale premies. Fijnaut beschrijft van deze Italiaanse
    koppelbazen de wijze waarop zij te werk gingen. Via stromannen
    worden slecht lopende bedrijfjes overgenomen die vervolgens arbeid
    tegen zeer aantrekkelijke tarieven aanbieden. Soms wel 20-30% onder
    de gangbare prijzen. Begerige legale aannemers zien uiteraard wel
    veel in zulke aanbiedingen en gaan daarop gretig in. Men moet
    daarbij niet denken dat alleen malafide opdrachtgevers en
    bouwbedrijven van koppelbazen gebruik maken. Belgische journalisten
    hebben uitgezocht dat ook de Belgische overheid van koppelbazen
    gebruik heeft gemaakt (Ilegems en Sauviller, 1995, p. 179). Zo zijn
    bijvoorbeeld het Anderlecht-stadion, kantoren van het Rode Kruis en
    die van het ministerie van Financin met illegale arbeiders van
    koppelbazen gebouwd. Zelfs het gebouw van de gerechtelijke politie
    te Hasselt zou met de inzet van Italiaanse koppelbazen tot stand
    zijn gekomen. Niet alleen de opdrachtgevers en aannemers spinnen
    garen bij koppelbaaspraktijken, voor de werknemers van de
    koppelbazen is het ook aantrekkelijk: zij verdienen meer dan
    wanneer zij legaal zouden werken. De enige partij die schade
    oploopt is de overheid omdat zij belastinginkomsten derft en de
    afdracht van sociale premies misloopt. Wanneer de
    opsporingsinstanties de criminele praktijken aan het licht brengen
    dan worden de bedrijfjes snel verkocht of failliet verklaard en
    gaan de werknemers over naar nieuwe bedrijven die door dezelfde
    koppelbazen zijn opgericht. De zaak Bongiorno heeft laten zien dat
    grof geweld in deze kringen niet werd geschuwd. De journalist
    Steinier is in opdracht van deze koppelbaas om het leven gebracht.
    Nadat Bongiorno voor de moord op Steinier door de politie was
    opgepakt zijn zijn koppelbaasactiviteiten voortgezet door de broers
    Alatta (Ilegems en Sauviller, 1995). Fijnaut benadrukt dat deze
    zaak in Belgi veel gelijkenis vertoont met de methoden die
    Italiaanse mafiagroepen in de New Yorkse bouwnijverheid gebruiken.
    Al vanaf de jaren twintig van deze eeuw schakelen daar Italiaanse
    mafiagroepen de concurrentie in de bouwnijverheid uit door beneden
    de gangbare tarieven werk aan te bieden, door vakbonden met geweld
    uit te schakelen en door concurrende aannemers met brandstichting,
    bedreigingen en grof geweld uit de markt te werken. Over de wijze
    waarop criminele groepen zich meester hebben gemaakt van de
    bouwnijverheid is het meeste bekend in de Verenigde Staten. Daar
    hebben diverse parlementaire en gemeentelijke commissies
    verschillende onderzoeken verricht naar deze infiltratie in de
    bouwnijverheid en de vakbonden. Daar is ook het meeste bekend
    geworden over de aard en omvang van de georganiseerde criminaliteit
    in de bouwnijverheid. Onderzoeken werden verricht in opdracht van
    en door speciale commissies zoals de President’s Commission on
    Organized Crime
    uit 1986 en de New York State Organized
    Crime Task Force
    (Goldstock et al., 1990). Het
    wetenschappelijk belang van deze laatste studie is dat daarin op
    systematische wijze de structuur en de organisatie van de
    bouwnijverheid in New York uiteen wordt gelegd, het probleem van
    racketeering van de bouwnijverheid en de vakbonden in kaart is
    gebracht en de oorzaken van de aanwezigheid van georganiseerde
    criminaliteit in die branche zijn uiteengerafeld. Het meest
    belangrijke van deze studie is echter dat is geprobeerd op
    sociaal-wetenschappelijke wijze empirisch onderzoek naar het
    verschijnsel te verrichten en niet alleen af te gaan wat in de
    media door journalisten, politiefunctionarissen of racketeers zelf
    is beweerd.

    Volgens Goldstock en anderen is de bouwnijverheid in New York
    niet een georganiseerde industrie waar een
    klein aantal grote concerns de dienst uitmaken, maar a huge,
    fragmented, decentralized industry characterized by thousands of
    small and mediumsized construction compagnies and materials
    suppliers
    (NYSOCTF, 1990, p. 14). In de bouwnijverheid van die
    stad zijn meer dan 100.000 mensen werkzaam en vele honderden
    gespecialiseerde onderaannemers, honderden hoofdaannemers en
    projectontwikkelaars. Hieronder zijn enkele grote en vele kleine
    bouwondernemingen. Er zijn bouwondernemingen die al vele jaren
    bestaan en die slechts voor n bouwproject in het leven worden
    geroepen. Allerlei dienstverleners als makelaars, advocaten,
    verzekeraars, banken, architecten, inspecteurs, ambtenaren en
    politici zijn bij de bouw betrokken. Publieke werken bestaan uit
    overheidsgebouwen en infrastructurele werken als bruggen, wegen,
    tunnels, e.d. Private bouwopdrachten variren van eenvoudige
    woonhuizen tot grote luxueuze winkelcentra. De werknemers in de
    bouw zijn verenigd en georganiseerd binnen vele lokale vakbonden
    die in vier grote groepen zijn te verdelen: (1) vakbonden voor
    geschoold technisch personeel zoals electricins, loodgieters,
    ijzervlechters; (2) vakbonden voor geschoold niet-technisch
    personeel als metselaars, schilders en dakbedekkers; (3) vakbonden
    voor ongeschoold personeel zoals sjouwers, en tenslotte (4)
    vakbonden voor het personeel dat de toelevering van bouwmaterialen
    verzorgt. Elk van deze vakbonden onderhandelt niet zozeer over
    arbeidsvoorwaarden met elke individuele bouwonderneming, maar met
    groepen van dezelfde soort bouwondernemingen. Al die
    bouwondernemingen zijn op hun beurt georganiseerd in een aantal
    onafhankelijk van elkaar opererende werkgeversorganisaties.

    Deze structuur van de bouwnijverheid in New York houdt in dat er
    een vrijwel onontwarbare knoop van onderhandelingen bestaat tussen
    alle mogelijke partijen. Er moeten vele contracten worden
    afgesloten om de bouwwerkzaamheden naar ieders tevredenheid te
    laten verlopen:The presence of so many parties, engaged in so many
    disparate activities with multiple layers of responsibilities and
    often conflicting commands on loyalties, makes coordination of the
    construction process an extraordinary challenge (ibid, p.
    17). Kwaadwillenden kunnen dit kwetsbare proces op snelle en
    eenvoudige wijze met illegale activiteiten verstoren. In de
    Newyorkse bouwindustrie behoren middelen als afpersing
    (betalen van geld om een impliciete of expliciete dreiging met
    geweld te voorkomen), omkoping (betalen van geld in ruil
    voor een gunst), diefstal (diefstal van goederen op de
    bouwplaats), fraude, sabotage (beschadiging of vernietiging
    van materialen, materieel of delen van het bouwsubject) en het
    dreigen met n het toepassen van geweld
    (varirend van in elkaar
    slaan tot liquidatie) tot het scala aan methoden waarvan criminele
    groepen gebruik maken wanneer zij op het terrein van de
    bouwnijverheid actief zijn Noot .

    Racketeers zijn misdadigers die van criminaliteit in
    legale sectoren van de economie hun broodwinning maken en die
    dikwijls deel uitmaken van criminele groepen. Zij staan erom bekend
    veelvuldig geweld toe te passen op grote delen van de Amerikaanse,
    c.q. Newyorkse gemeenschap (Reuter, 1994, p. 113). In de Newyorkse
    bouwindustrie zijn verschillende soorten racketeers actief. De
    belangrijkste onder hen zijn de leden van de vijf Newyorkse cosa
    nostra families. Deze cosa nostra families maken al decennia lang
    deel uit van de bouwindustrie, daarbij gebruik makend van hun
    kennis over bouworganisaties en hun netwerk van onderwereldfiguren.
    Bovendien hebben ze de reputatie n de capaciteiten om geweld uit te
    kunnen oefenen (NYSOCTF, 1990, p. 18-19).

    Naast racketeering is corruptie een kenmerk van de Newyorkse
    bouwindustrie. De onderzoekscommissie constateerde dat in de
    bouwnijverheid in New York omkoping a way of life is
    (ibid, p. 22). Omkoping van opdrachtgevers, van politici en
    ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor de aanbesteding van
    publieke werken, van bouwinspecteurs die een andere kant opkijken
    wanneer mindere bouwkwaliteit wordt geleverd, van
    vakbondsbestuurders om contracten met zachte arbeidsvoorwaarden
    buiten de leden om af te sluiten of van leveranciers om
    bouwmaterialen op tijd geleverd te krijgen en bij de concurrent
    juist niet, was (en vermoedelijk is nog altijd) schering en inslag
    in New York. Hierbij moet men zeker niet denken dat het initiatief
    voor omkoping uitsluitend bij de georganiseerde criminaliteit ligt.
    Dezelfde participanten in de bouwnijverheid zijn er niet vies van
    om zelf geld of goederen te vragen om een en ander te regelen. Zo
    constateerde de commissie dat werknemers, bij voorbeeld, zo brutaal
    zijn naast hun gewone loon extra geld aan hun bazen te vragen met
    de belofte dan pas hun werk correct te zullen uitvoeren.

    Al deze verschijnselen zijn desastreus voor de bouwnijverheid in
    New York. De bouwprijzen zijn veel hoger dan elders in de USA, de
    kwaliteit van de bouwwerken is minder, de vakbonden zijn
    uitgeschakeld en de vrije economische mededinging is een fictie
    geworden. Maar bovenal gebeurde het volgende:The power, influence
    and criminal activities of New York City’s racketeers affect all
    who participate in the construction industry, creating an
    environment in which many suppliers, contractors, craftsmen and
    laborers are deterred from performing an honest day’s work for an
    honest day’s pay. When some do business through extortion, bribery,
    sweetheart contracts and off-the-books payrolls, the reality of
    economic competition pressures others to do the same (ibid,
    1990, p. 37).
    Wanneer de overheid niet in staat is op de een of andere manier
    bescherming te bieden aan de aannemers en de werknemers in zo’n
    branche (of aan de situatie mede debet is) ligt het voor de hand
    dat zij gedwongen zijn een soort pact met de georganiseerde
    criminaliteit te sluiten om hun economische activiteiten veilig te
    stellen (Fijnaut, 1993). Men neemt in dat geval met minder winst
    genoegen of de eventuele meerprijs verrekent men dan wel aan
    opdrachtgevers: particuliere bedrijven of de overheid. Maar een
    ander gevolg van racketeeringpraktijken is dat na verloop van tijd
    eerlijke zakenmensen en werknemers de moed opgeven en naar elders
    vertrekken of naar een andere branche (Jacobs, 1991, p. 53).

    Bepaalde kenmerken van de bouwnijverheid bieden gelegenheid voor
    racketeering. De onderzoekscommissie introduceert de begrippen
    gevoeligheid en ontvankelijkheid van een legale branche voor
    racketeering praktijken (ibid, 1990, p. 45; Jacobs, 1991).
    De gevoeligheid geeft de mate aan waarin de structuur en de
    organisatie van een legale economische branche: (1) incentives
    scheppen voor de participanten in die branches om betrokken te
    raken in racketeering of (2) de middelen en gelegenheid bieden voor
    racketeers zowel van binnenuit als van buitenaf de branche te
    benvloeden en eventueel te controleren. Bij benvloeding en controle
    moet worden gedacht aan het onttrekken van betalingen door (a)
    diensten aan te bieden zoals concurrenten uitschakelen, arbeidsrust
    verzekeren, en zorgen voor een snelle levering van bouwmaterialen,
    en (b) door met geweld te dreigen, zoals sabotage, brandstichting,
    fysiek geweld of werkloosheid. De ontvankelijkheid wijst op
    het profijt dat racketeers kunnen hebben van zo’n exploitatie van
    een legale branche. Hierbij kan men denken aan de hoeveelheid geld
    die in een branche omgaat en het gemak waarmee controle- en
    opsporingsinstanties met geweld en omkoping kunnen worden
    uitgeschakeld. Daarnaast zijn zaken van belang zoals de vaste
    regelmaat van inkomen dat met racketeering kan worden behaald, de
    mogelijkheden geld uit andere illegale activiteiten wit te wassen,
    enz.

    De bouwindustrie heeft een aantal eigenschappen die de
    gevoeligheid van deze branche voor racketeering
    vergroot: de vakbonden, de onderhandeling- en overlegstructuur, de
    hevige onderlinge concurrentie, de hoge kosten van vertragingen en
    de kwetsbaarheid van het bouwproces.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken