• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • IX – De bouwnijverheid – 5.1. Fraudes door werkgevers

    5.1. Fraudes door werkgevers

    Door Houwen en Kempkes (1993) zijn vier soorten van fraude in de
    bouw te onderscheiden: (1) fraude via een rechtsvorm, (2) malafide
    inlening en onderaanneming, (3) contributieve fraude en (4)
    informatieve fraude. Bij al deze fraudevormen in de bouwnijverheid
    gaat men ervan uit dat aannemers arbeid laten verrichten door
    personeel dat bij die werkgever in dienst is. Zij omschrijven
    werkgeversfraude alshet door een natuurlijke of rechtspersoon
    opzettelijk niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen met
    als vooropgezet doel om
    geen, of in onvoldoende mate, over het loon te heffen loonbelasting
    en premies (werknemers- en volksverzekeringen) aan
    bedrijfsverzekering en/of belastingdienst af te dragen
    (ibid, 1993, p. 14). De in de definitie aangegeven
    verplichtingen omvatten volgens de wet het inschrijven bij een
    bedrijfsvereniging en het zich aanmelden bij de belastingdienst als
    ondernemer. Verder bestaan er voor de werkgever informatieve-,
    medewerkings- en betalingsverplichtingen aan deze twee instanties.
    Door schade en schande wijs geworden, in het bijzonder om de
    koppelbazerij in de jaren zeventig een halt toe te roepen, zijn
    drie wetten ingevoerd om werkgeversfraudes in de (bouw)nijverheid
    zo veel mogelijk terug te dringen:

    1. de Wet ketenaansprakelijkheid (WKa) in 1982;
    2. de Wet bestuursaansprakelijkheid (WBa) in 1987, en
    3. de Wet bestuursaansprakelijkheid bij faillissement (WBF) in
    1987.

    WKa

    De WKa heeft tot doel de malafide onderaanneming te bestrijden
    door de aannemer hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de
    afdracht van loonbelasting en premies volksen werknemersverzekering
    die zijn onderaannemer in verband met het aan hem uitbestede werk
    verschuldigd is. Als de onderaannemer zijn werk op zijn beurt weer
    geheel of gedeeltelijk door volgende onderaannemers laat uitvoeren,
    is de aannemer tevens aansprakelijk voor de afdracht van
    loonbelasting en premies van die onderaannemers. De hoofdaannemer
    blijft aansprakelijk voor de afdracht van sociale premies voor de
    bedrijfsvereniging en voor de betaling van belastingen aan de staat
    voor de hele keten van onderaannemers die voor een bouwproject
    worden ingeschakeld. Met de WKa probeert de overheid tevens
    oneerlijke concurrentie te bestrijden. Aan de
    ketenaansprakelijkheid is het G-rekeningsysteem gekoppeld.De
    G-rekening is een bank- of girorekening van de onderaannemer waarop
    de aannemer het gedeelte van de aanneemsom kan storten dat bestemd
    is voor de betaling van loonheffing en premies
    werkgeversverzekering (Fiod, 1994). Het kenmerkende van de
    G-rekening is dat het saldo is verpand aan de belastingdienst
    (ontvanger) en aan de bedrijfsvereniging. Als gevolg van deze
    verpanding kunnen van een G-rekening uitsluitend betalingen
    plaatsvinden naar de belastingdienst, de bedrijfsvereniging, maar
    ook naar andere G-rekeningen. Het wordt daardoor voor een
    onderaannemer moeilijk dat geld voor andere doeleinden te
    gebruiken. Zo wordt het risico kleiner dat de hoofdaannemer later
    voor niet betaalde belastingen en sociale premies aansprakelijk
    wordt gesteld.

    In 1991 is de WKa aangescherpt. Elk bedrijf kan voortaan nog
    maar n G-rekening hebben. G-rekeningen zijn voorbehouden aan
    ondernemingen die echt iets met de bouw te maken hebben en
    werkgevers zijn verplicht bedragen die niet onder de WKA vallen
    maar wel op de G-rekening zijn ontvangen, direct terug te storten.
    Ten slotte hebben bedrijfsverenigingen en de belastingdienst het
    recht gekregen eenzijdig de overeenkomst voor zo’n G-rekening op te
    zeggen.

    WBa en WBF

    In navolging op de Wet ketenaansprakelijkheid (WKa), ontstonden
    de Wet bestuursaansprakelijkheid (WBa) en de Wet
    bestuursaansprakelijkheid bij faillissement (WBF). De kern van deze
    wetten is dat anderen dan de belasting- of premieplichtige
    rechtspersoon aansprakelijk gesteld kunnen worden voor onbetaalde
    schulden van die rechtspersoon. De WBa verplicht rechtspersonen die
    niet in staat zijn om premies of belastingen op tijd te voldoen
    deze zogenoemde betalingsonmacht aan de bedrijfsverenigingen en de
    belastingdienst te melden. Indien geen melding aan de
    bedrijfsvereniging en de belastingdienst plaatsvindt, wordt de
    rechtspersoon onbehoorlijk bestuur verweten als gevolg van zijn
    onvermogen om tot afdracht van premies en belastingen over te
    gaan.

    De WBF biedt de bij een faillissement benoemde curator
    mogelijkheden te voldoen aan de vorderingen van de schuldeisers. De
    curator treedt namens de rechtspersoon op als bemiddelaar met als
    doel te voldoen aan de vorderingen van de schuldeisers (Houwen en
    Kempkes, 1993, p. 94-101).

    Ondanks deze civielrechtelijke wetten komen in de bouwnijverheid
    nog altijd de eerder genoemde vier vormen van werkgeversfraudes
    voor.

    5.1.1. Fraude via een rechtsvorm

    Onder fraude via een rechtsvorm kan worden verstaan het
    gebruiken van een rechtsvorm voor ongeoorloofde
    doeleinden of met de opzet ten nadele van de bedrijfsvereniging en
    de belastingdienst persoonlijk voordeel te verwerven. Een werkgever
    kan zijn onderneming onderbrengen in een rechtsvorm, zoals de
    eenmanszaak, niet-rechtspersonen als maatschap of vennootschap
    onder firma en als rechtspersonen als een NV of een BV. Wie zijn
    onderneming omzet in een rechtsvormen is in principe niet meer
    persoonlijk aansprakelijk voor schulden die in naam van de
    rechtsvorm zijn aangegaan. Door deze regel is een malafide
    ondernemer in staat te frauderen met rechtsvormen. Er zijn enkele
    verschijningsvormen denkbaar: a. een ondernemer kan een grote
    premieschuld opbouwen waarna de BV opzettelijk failliet wordt
    gemaakt (plof-BV);

    b. men kan stromannen aanstellen als directeur van een BV die
    over de vereiste papieren beschikken maar onwetend zijn waardoor
    bij ontdekking de fraudeurs zelf buiten schot blijft (schijnbeheer
    of katvanger). Volgens artikel 17 is het verboden te bouwen zonder
    een vergunning van het College van Burgemeester en Wethouders
    Noot . Een vergunning van de Kamer van Koophandel en
    Fabrieken is volgens het Vestigingsbesluit Bouwnijverheidsbedrijven
    verplicht bij het uitvoeren van bouwwerken en verbouwwerkzaamheden
    dan wel herstellings- of onderhoudswerkzaamheden. Een
    vestigingsvergunning is ook vereist voor het bedrijfsmatig in eigen
    beheer uitvoeren van bouwwerken en verbouwwerkzaamheden.

    Een vestigingsvergunning wordt afgegeven indien de aanvrager
    voldoet aan de eisen van kredietwaardigheid en vakbekwaamheid. De
    SER heeft daarnaast de bevoegdheid om verklaringen van
    vakbekwaamheid af te geven aan personen die naar het oordeel van de
    raad wel aan de vakbekwaamheidseisen voldoen, maar die geen
    bewijsstukken kunnen tonen. De SER heeft ook de bevoegdheid om
    ontheffingen te verlenen op het gebied van de burgerlijke- en
    utiliteitsbouw. Sommige ondernemers weten een vestigingsvergunning
    te bemachtigen door in schijn iemand aan te nemen die over de
    vereiste diploma’s beschikt. Deze schijnbeheerder is niet in de
    onderneming werkzaam (EIB, 1987, p. 8-12); c. men kan gebruik maken
    van buitenlandse rechtsvormen of van een slapende BV om het
    verplichte antecedentenonderzoek te ontlopen zoals het ministerie
    van Justitie dat bij nieuwe BV’s uitvoert; d. werknemers kunnen als
    mede-vennoten van een Vennootschap onder Firma worden ingeschreven,
    om geen sociale premies te hoeven afdragen.

    5.1.2. Fraude door malafide inlening en onderaanneming

    Werkgevers kunnen ook frauderen door gebruik te maken van
    personeel dat door andere werkgevers wordt uitgeleend met als doel
    opzettelijk geen premies of belastingen af te dragen over het
    ingeleende personeel. De koppelbaas is de meest bekende vorm van
    malafide uitlening. Koppelbazen gebruiken dikwijls BV’s om niet
    aansprakelijk te zijn voor de financile risico’s die zij lopen met
    het uitlenen van personeel zonder daarvoor premies of belastingen
    af te dragen. Hierbij kan worden gedacht aan het uitlenen van
    arbeidskrachten waarbij gebruik wordt gemaakt van een gekochte
    vergunning (een als bonafide bekend staande onderaannemer verkoopt
    zijn vergunning door), aan het gebruik maken van buitenlandse
    onderaannemers tegen een laag uren tarief of aan de inlening van
    zwartwerkers. In hoofdstuk 6 komen wij op het verschijnsel
    koppelbazerij afzonderlijk en uitgebreid terug.

    5.1.3. Contributieve fraude

    Contributieve fraude omvat gedragingen (doen en nalaten) in de
    sfeer van betalingen, respectievelijk inhoudingen van premies en
    loonbelasting, met als vooropgezet doel de gende gelden niet of
    niet volledig af te dragen. Contributieve fraudes komen onder
    verschillende verschijningsvormen voor. Zo kan op basis van valse
    arbeidsfacturen geld worden overgeboekt van de ene G-rekening naar
    de andere G-rekening zonder dat er arbeid is verricht en waarvoor
    eigenlijk goederen zijn gekocht; of ondernemers houden wel premies
    en belastingen in bij hun personeel, maar dragen die niet af.

    5.1.4. Informatieve fraude

    Ten slotte kunnen werkgevers frauderen met de gegevens op basis
    waarvan de juiste premie- en belastingafdracht wordt vastgesteld.
    Door met opzet geen, niet tijdig, onvolledige of onjuiste gegevens
    te verstrekken aan bedrijfsvereniging of belastingdienst ontkomt de
    werkgever (gedeeltelijk) aan zijn verplichtingen (Houwen en
    Kempkes, 1993, p. 21-23). Hieronder vallen zaken als het
    opzettelijk voeren van een slechte boekhouding, het opmaken van
    valse facturen en valse loonopgaven.

    Voorts kan als werkgeversfraude het zwart laten werken van
    personeel worden genoemd. Als grondvorm dienen enkele van de
    bovengenoemde fraudes, maar het begrip zwart werken heeft in het
    gewone spraakgebruik zo
    z’n eigen betekenis gekregen. Zwart werk wordt door de meeste
    Nederlanders vaker als werknemersfraude dan als werkgeversfraude
    aangemerkt (Brants en Brants, 1991). Zwart werken heeft betrekking
    op het uitvoeren van werkzaamheden zonder dat daarbij voldaan wordt
    aan verplichtingen uit de sociale verzekerings- en
    belastingwetgeving. In de bouw wordt regelmatig gebruik gemaakt van
    zogenaamde zwartwerkers. Dit verschijnsel komt op drie manieren
    voor, namelijk:

    zwart worden uitbetaald);
    – werknemers die in hun geheel niet in de loonadministratie
    voorkomen (met andere woorden: die volledig dan waarvoor zij in de
    boeken staan (met andere woorden: die gedeeltelijk zwart worden
    uitbetaald); – werknemers die wel in de loonadministratie voorkomen
    maar die in werkelijkheid een hoger loon ontvangen De eerste
    categorie zwartwerkers ontvangt op grond van de Werkloosheidswet,
    de Wet Arbeidsongeschiktheid of – vakmensen die in hun vrije tijd
    zelfstandig bijklussen (beunhazen).

    de Ziektewet een uitkering en valt dus ook onder de
    werknemersfraudes die door het SFB dienen te worden opgespoord.
    Beunhazerij (de derde groep) in de bouw leidt tot prijsbederf en
    het wegvallen van markten. Beunhazerij omvat een categorie
    zwartwerkers die zonder enig arbeidsverleden in de bouwsector hun
    diensten aanbieden voor het zwarte circuit in de bouwsector (BvEA,
    1991, p. 46). Betaalde arbeid wordt uiteraard verricht zonder dat
    loonbelasting en sociale premies worden afgedragen, betaald werk
    wordt verricht met behoud van uitkering en dergelijke. De overheid
    loopt daarmee niet alleen inkomstenbelasting mis, maar wordt ook
    belemmerd in het voeren van een actief werkgelegenheidsbeleid.
    Beunhazerij is ook vanuit inkomenspolitieke overwegingen niet
    gewenst (EIB, 1987, p. 8).

    Zwart werk moet duidelijk worden onderscheiden van illegale
    arbeid. Van illegale arbeid is sprake wanneer arbeid wordt
    verricht door vreemdelingen zonder dat zij beschikken over een
    geldige tewerkstellingsvergunning of een verklaring ingevolge de
    Wet Arbeid Buitenlandse Werknemers. Illegale arbeid kan worden
    verricht zonder dat daarbij sociale verzekerings- en
    belastingwetgeving wordt overtreden, alhoewel de
    identificatieplicht het in loondienst nemen van illegale arbeiders
    zou moeten voorkomen. Het Economisch Instituut voor de
    Bouwnijverheid heeft in 1992 een onderzoek verricht naar de omvang
    van zwart werk in de vrije sector woningbouw in opdracht van
    particulieren (EIB, 1992). In de vrije sector-woningbouw kan de
    opdrachtgever de bouw in eigen beheer realiseren of met een
    hoofdaannemer in zee gaan. Een groot deel van de opdrachtgevers die
    de bouw van hun woning in eigen beheer realiseren, besteden n of
    meer werkzaamheden uit aan een bedrijf, aan derden (geen bedrijf)
    of aan een combinatie van deze beide partijen. In 1991 werden
    11.850 woningen in de vrije-sector gebouwd in opdracht van
    particulieren.

    Het onderzoek wees uit dat in 1991 gemiddeld door derden (geen
    bedrijf) voor 850 uur per woning gewerkt werd. De bouwer in eigen
    beheer werkte 1.260 uur aan zijn woning. Schattingen van de
    hoeveelheid werk die door bij de bouw betrokkenen is verricht,
    monden uit in 26 procent door bedrijven, 26 30 procent door derden
    (geen bedrijf) en de rest door de bouwer in eigen beheer. In
    produktiewaarde en mensjaren uitgedrukt zou de totale omvang van
    werken door derden (geen bedrijf) 250 miljoen gulden,
    respectievelijk 1.430 mensjaren bedragen. Derden (geen bedrijf)
    ontvangen niet altijd geld voor de verrichtte diensten. 20% van de
    derden (geen bedrijf) ontvangt berhaupt geen beloning. Slechts 30%
    van het overige aantal derden ontvangt een geldelijke beloning, wat
    overeenkomt met 60 miljoen gulden (produktiewaarde) of 340
    mensjaren Noot . Uit het onderzoek is verder gebleken
    dat het inderdaad voorkomt dat bouwvakkers in de vrije tijd, in min
    of meer georganiseerd verband, bijklussen. Aangetoond is echter
    niet op welke schaal dit gebeurt. Het Bureau voor Economische
    Argumentatie had een jaar daarvoor, in 1991, met behulp van een
    enqute onder de werkgevers in de bouw geprobeerd de omvang van het
    zwarte circuit op de deelmarkt voor particuliere opdrachtgevers te
    schatten. Het bureau concludeerde op basis van een enqute het
    volgende: 1. tegen elke tien wit gewerkte uren bij een reguliere
    aannemer staan ongeveer twee uur werk verricht door een
    zwartwerker;

    2. het totale door zwartwerkers verdiende bedrag per jaar
    bedraagt ongeveer f.640 miljoen; 3. de zwarte omzet bedraagt
    jaarlijks (inclusief het omgezette materiaal) ruim f.2.8 miljard;
    4. de zwarte produktie per jaar (te vergelijken met de witte
    produktie in dit segment van f.8 miljard) bedraagt ruim f.1.7
    miljard;

    5. het met deze activiteiten gemoeide bedrag aan ongende
    belastingen en sociale premies bedraagt circa f.1.2 miljard (BEA,
    1991, p. 3).
    Deze schade bedragen als gevolg van zwart werk voor de schatkist
    zijn enorm. Hoewel de geschatte schades van zwart werk met deze
    cijfers zijn gendiceerd, is daarmee nog niet alles bekend over de
    exacte omvang van alle werkgeversfraudes in Nederland. Er zijn in
    ieder geval geen meer betrouwbare en valide cijfers voorhanden.
    Het Sociaal Fonds Bouwnijverheid, de bedrijfsvereniging voor de
    bouw, kent een eigen opsporingsdienst (met een omvang van 28 fte)
    die deze fraudes al dan niet in samenwerking met de FIOD en de
    politie opspoort. Behalve werkgeversfraudes houdt het SFB zich
    bezig met de opsporing van werknemersfraude. Bij het SFB zijn
    ongeveer 19.500 bouwbedrijven aangesloten met 350.000 werknemers.
    Niet alle bouwbedrijven zijn dus bij de SFB aangesloten. De SFB int
    ongeveer (in 1994) 6.7 miljard gulden aan premies en keert ongeveer
    4.6 miljard gulden uit aan werknemers en werkgevers in de
    bouwnijverheid. De opsporingsdienst van de SFB stelt op eigen
    initiatief een opsporingsonderzoek in op grond van (anonieme) tips
    van burgers of van ondernemers (in totaal ongeveer 4.000 per jaar)
    of op grond van aanwijzingen die uit reguliere, administratieve
    controles naar voren komen Noot . In 1994 sloot het SFB
    446 opsporingsonderzoeken af (362 werknemersfraudes en 84
    werkgeversfraudes). Hiervan zijn voor de werkgevers 43
    processen-verbaal opgemaakt met een totale schade van ruim 35
    miljoen gulden. In 1991 bedroeg het aantal processen-verbaal van
    werkgeversfraudes 19, in 1992 54 en in 1993 36 Noot .
    Gelet op het aantal van 19.500 aangesloten bouwbedrijven bij de SFB
    zijn deze fraudezaken qua aantal zeer laag te noemen. Het vermoeden
    bestaat echter dat sprake is van een hoog dark number. Dit
    hoge dark number is enerzijds het gevolg van een gebrek aan
    opsporingscapaciteit, van de tijdrovende opsporingsonderzoeken of
    van inefficinte administratieve controles en anderzijds van de
    complexe materie van werkgeversfraudes. Op grond hiervan mag worden
    aangenomen dat de genoemde aantallen processen-verbaal een flinke
    onderschatting van het werkelijke aantal werkgeversfraudes in de
    bouwnijverheid inhouden.

    Het is opmerkelijk dat van werknemersfraudes vaker
    proces-verbaal wordt opgemaakt dan van werkgeversfraudes. Dit kan
    worden veroorzaakt door het feit dat het SFB meer tips over
    individuele frauderende werknemers van het publiek binnenkrijgt dan
    over malafide bouwbedrijven en door het feit dat in het verleden
    werknemersfraudes ernstiger werden afgekeurd dan werkgeversfraudes
    (Van Duyne, 1983; Brants en Brants, 1991). Traditioneel richt het
    SFB zich meer op de werknemersfraudes, al komt daarin de laatste
    jaren verandering. Er mag bovendien niet uit het oog worden
    verloren dat werknemersfraudes doorgaans makkelijker
    strafrechtelijk zijn te bewijzen dan werkgeversfraudes. Ten slotte
    kan niet onvermeld blijven dat werkgevers het failliet verklaren
    van BV’s kunnen gebruiken om strafrechtelijke vervolging en
    civielrechtelijke vorderingen te voorkomen. Een failliete en niet
    meer bestaande BV is niet of nauwelijks meer te vervolgen (zie
    verdere ook het deelrapport van Van de Bunt over fraudes).

    Van de aanwezige processen-verbaal op het SFB van de laatste
    jaren is door de Afdeling opsporing van het SFB een random
    steekproef van 20 zaken getrokken en aan de onderzoeker als
    compleet dossier ter beschikking gesteld. Van deze twintig dossiers
    hebben er 19 betrekking op werkgeversfraudes die zijn gepleegd in
    de periode van 1990 tot en met 1995. Zij geven een goed beeld van
    de mogelijke verschijningsvormen van fraudes die door ondernemers
    in de bouwnijverheid worden gepleegd. Deze dossiers zijn aan de
    hand van het bekende analyseschema zo goed en zo kwaad dat mogelijk
    is systematisch geanalyseerd Noot . Hoewel deze dossiers
    een representatief beeld geven van de verschijningsvormen
    van werkgeversfraudes, mogen zij niet worden opgevat als een
    aselecte steekproef van het werkelijke aantal werkgeversfraudes.
    Het materiaal moet derhalve eerder worden gezien als een
    illustratie dan als graadmeter van de werkelijke situatie. De
    omvang van de fraudes kan met deze dossiers niet worden
    vastgesteld.

    Van de bestudeerde zaken over fraudes gepleegd door werkgevers
    blijken de meeste daders mannen te zijn in de leeftijd tussen de
    dertig en de vijftig jaar. Het overgrote deel daarvan heeft een
    relatief lage (technische) opleiding genoten en bezit een of meer
    kleine bedrijfjes met minder dan 10 personeelsleden. Dit komt
    overeen met het beeld dat in hoofdstuk drie van dit deelrapport is
    geschetst. Alle hoofdverdachten in de processen-verbaal zijn
    autochtone Nederlanders. Buitenlandse en allochtone ondernemers
    zijn niet in de dossiers als verdachten aangetroffen. De fraudes
    hebben plaatsgevonden in alle regio’s in Nederland. Het is niet zo
    dat een bepaald gebied er qua frequentie uit springt. Gelet op de
    aard van de taken van het SFB hebben alle dossiers vanzelfsprekend
    betrekking op het niet afdragen van sociale premies aan het SFB en
    het niet afdragen van belastingen aan de staat. De schades voor
    beide instanties variren van f.250.000 tot ruim 4 miljoen gulden
    per werkgeversfraude. De verdachten zijn de eigenaar van het
    bouwbedrijf en, niet verwonderlijk, de boekhouder (administrateur).
    Voor elke fraude is uiteraard de medewerking van de boekhouder
    (administrateur) nodig. Opvallend is dat geen koppelbazen zijn
    terug te vinden in de dossiers (hoofdstuk 6). Werknemers zijn wel
    ondervraagd als getuige of als verdachte van werknemersfraude, maar
    vormen doorgaans geen partij in de zaak. De fraudes zijn niet
    eenduidig in n van de vier besproken vormen van fraude onder te
    brengen. Alle waargenomen fraudes zijn combinaties daarvan.
    Informatieve fraude is er altijd in combinatie met contributieve
    fraude. Fraude via een rechtsvorm is in de dossiers slechts terug
    te vinden als het kopen van vergunningen van bonafide aannemers om
    aan de noodzakelijke vakbekwaamheidseisen te kunnen voldoen
    (katvanger). In n geval gaat het om een bedrijf dat als
    klusjesbedrijf is ingeschreven, maar dat toch werkzaamheden
    verrichtte in de bouwnijverheid als ware het een
    gewone aannemer. In de meeste zaken betreft de fraude het indienen
    van valse jaaropgaven bij de SFB, het opmaken van valse
    mandagenstaten, het doen van valse aangifte aan de belastingdienst,
    het niet melden van personeel na indiensttreding aan het SFB, het
    onttrekken van gelden van G-rekeningen, het doen van valse aangifte
    omzetbelasting en het in dienst hebben van zwart personeel dat al
    een uitkering genoot in het kader van de AAW, WAO, WW of Bijstand.
    In een enkel geval werden personeelsleden ziek gemeld bij de
    bedrijfsvereniging, maar werkten zij in werkelijkheid gewoon door.
    De fraudes hebben hun grond vooral in het voorkmen dat het bedrijf
    failliet gaat (waarbij het niet of niet tijdig betalen door de
    opdrachtgever de dreigende factor op de achtergrond is) of om
    achteraf toch winst te kunnen maken op een te scherpe calculatie
    vooraf tijdens de aanneming van de opdracht. Verder komt uit de
    verhoorverslagen naar voren, vanzelfsprekend zou je bijna zeggen,
    dat extra zwart inkomen voor de ondernemer een belangrijke
    drijfveer is voor het plegen van de fraudes.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken