• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • IX – De branches horeca en gokautomaten – 6.4. Voorwaarden en vergunningen

    6.4. Voorwaarden en vergunningen

    Gokkasten moeten aan een aantal voorwaarden voldoen volgens het
    Speelautomatenbesluit dat voornamelijk ter bescherming van de klant
    is opgesteld. Zo moet het uitkeringspercentage gemiddeld minimaal
    60 procent bedragen en mag het gemiddelde uurverlies niet hoger dan
    vijftig gulden zijn. Ook zijn de automaten zo afgesteld dat er een
    beperkte tijd onafgeboken op gespeeld kan worden. Het Nederlands
    MeetInstituut (NMI) keurt alle modellen speelautomaten en voorziet
    ze van een merkteken. Wanneer een bepaald (buitenlands) model door
    het NMI is goedgekeurd, mag het in produktie worden genomen. De
    kasten die daaruit voortkomen, worden niet meer systematisch
    gekeurd, maar krijgen ongezien het verplichte merkteken. Het is
    alom bekend dat dit teken gemakkelijk te vervalsen is. Sinds 1993
    wordt op alle nieuwe automaten een nieuw merkteken aangebracht dat
    fraudebestendiger moet zijn.

    Daarnaast zijn de meeste speelautomaten voorzien van een teller,
    die de ingeworpen en uitgekeerde bedragen registreert. De huidige
    tellermechanismen staan bekend als volledig manipuleerbaar. Daarbij
    is de aanwezigheid van een teller in de automaat niet bij wet
    verplicht en kan zelfs het noteren van de tellerstand
    niet worden afgedwongen. In 1997 wil de overheid een teller op
    speelautomaten verplicht stellen.

    Exploitatie

    Praktisch iedereen kan toetreden tot de markt van
    speelautomatenexploitanten; de voorwaarden tot het verkrijgen van
    de benodigde vergunning van het Ministerie van Economische Zaken
    zijn eenvouding. Een starter betaalt een toetredingsprijs van 4.000
    gulden en moet kunnen aantonen dat hij beschikt over
    onderhoudsfaciliteiten voor de automaten. Daarnaast betaalt iedere
    exploitant een jaarlijks bedrag van 1.000 gulden aan Economische
    Zaken. Op aandringen van de vereniging van
    speelautomatenexploitanten beraadt het ministerie zich op
    verscherping van de toetredingseisen, maar koestert naar eigen
    zeggen niet de illusie daarmee de mogelijk tussen sommige
    speelautomatenexploitanten en criminele organisaties bestaande
    verbindingen te kunnen bestrijden
    (notitie Speelautomatenbeleid
    1993: 27). Er wordt hierbij voornamelijk gedacht aan het stellen
    van de aanvullende eis van zedelijkheid voor de aanvrager van een
    exploitatie-vergunning of in geval van een aanvraag door een
    rechtspersoon – de bestuurder van deze rechtspersoon.

    Plaatsing

    Voor het plaatsten van een speelautomaat is een
    aanwezigheidsvergunning nodig van de burgemeester. Speelautomaten
    mogen alleen in horeca-ondernemingen staan; bedrijven die
    inschrijfplichtig zijn bij het Bedrijfschap Horeca. In de notitie
    speelautomatenbeleid (1993) schrijft het ministerie van economische
    zaken dat een toenemend aantal bedrijven zoals videotheken een
    inschrijving bij het Bedrijfschap aanvraagt, teneinde een
    speelautomaat te kunnen plaatsen. Wanneer men een paar stoeltjes en
    een koffiezetapparaat neerzet, lukt dat ook. Het ministerie wil de
    oprichting van dergelijke pseudo-horecaondernemingen in de toekomst
    tegengaan door alleen een plaatsingsvergunning te verlenen aan
    bedrijven bij wie horeca-activiteiten het hoofdbestandsdeel van
    bedrijfsvoering vormen.

    Gemeenten zijn vrij om te bepalen of zij de vestiging van
    speelautomatenhallen binnen hun grenzen toestaan. Iedere
    gemeente heeft een verordening die bepaalt of en hoeveel
    speelautomaten er gevestigd mogen worden. Wanneer er
    kansspelautomaten in de hal staan, geldt een minimumleeftijd van 16
    jaar. Alleen wanneer het kansspelgedeelte is afgeschermd van de
    behendigheidsautomaten, hebben ook jongere mensen toegang tot de
    hal.

    Controle

    Het Ministerie van Economische Zaken geeft zelf toe dat het
    produkt kansspelen een fraude-gevoelig karakter heeft. Er gaan
    grote bedragen geld om, waarvan de herkomst niet altijd herleidbaar
    is
    , schrijft zij. En: een kleine wijziging in de automaat
    kan leiden tot grote meeropbrengsten
    (notitie
    speelautomatenbedrijf 1993). Bij ernstige overtreding van het
    Speelautomatenbesluit kan het Ministerie van Economische Zaken de
    exploitatievergunning intrekken; de overtreding wordt gemeld door
    het NMI dat gokkasten keurt. In 1992 werd tijdens een controle bij
    zes procent van de 17.000 automaten een overtreding geconstateerd;
    hieruit kwamen 140 proces-verbalen voort. Het NMI bezocht in 1992
    bijna twaalfduizend lokaties; bij acht procent was de
    aanwezigheidsvergunning of de speelhalvergunning niet in orde. De
    burgemeester is als vergunningverlener ook gemachtigd om de
    vergunning in te trekken, maar deze sanctie wordt nauwelijks of
    niet toegepast (Ministerie van Economische Zaken, 1993). Het
    aanbrengen van veranderingen in gekeurde automatenmodellen is niet
    strafbaar volgens de Wet op de Kansspelen. Ook worden ondernemers
    niet verplicht om na te gaan of er voor hun horecagelegenheid een
    Aanwezigheidsvergunning is afgegeven (bijvoorbeeld na overname).
    Uit een politie-onderzoek in Amsterdam bleek bovendien dat
    geweigerde of ingetrokken aanwezigheidsvergunningen niet worden
    geregistreerd en een malafide ondernemer zonder problemen een
    tweede kans kan wagen. De VNG (1993) voerde een studie uit onder
    gemeenten waaruit bleek dat een groot deel van hen vindt dat de Wet
    op de Kansspelen te weinig intrekkings- en weigeringsgronden biedt,
    waardoor zij slechts een geringe sturingsmogelijkheid hebben. Bij
    geconstateerde overtredingen blijft het meestal bij een
    waarschuwing (in 70 % van alle gemeenten), nader onderzoek of
    overleg. In 1993 treden gemeenten iets strenger op dan in het
    voorgaande jaar, zo blijkt uit een onderzoek van de VNG (1993): in
    26 % van de gemeenten gaat men bij overtreding over tot
    inbeslagname van de speelautomaten, tegen 8 % in 1992. Toch maakt
    nog maar 2 % van alle gemeenten gebruik van het recht tot intrekken
    van de vergunning (Mutaers en Van Loef, 1993).

    Bovendien wordt er weinig gecontroleerd. De VNG berekende dat in
    1993 n op de acht gemeenten geen controles op de aanwezige
    speelhallen werden uitgevoerd. In 1992 werd in 16 % van de
    gemeenten geen
    controle op de aanwezigheidsvergunning in losse lokaties
    uitgevoerd. Als er wel gecontroleerd wordt, is er vaak iets mis: in
    1992 waren er in twee op de vijf lokaties geen of onvoldoende
    aanwezigheidsvergunningen. In 1993 werden bij 7 % van de
    gecontroleerde speelhallen overtredingen van de regels gecontateerd
    (Mutsaers en Van Loef, 1993). Meer dan de helft van alle
    cafetariahouders wordt nooit gecontroleerd door de gemeente en
    slechts tien procent krijgt regelmatige controle (Lenting en
    partners, 1991). In 1993 zijn er in zestig gemeenten convenanten
    gesloten tussen de gemeente, horeca-exploitanten,
    automatenexploitanten en hulpverleningsinstanties. In twee
    gemeenten zijn speciale kansspelwachters aangesteld om de naleving
    van de bepalingen te controleren. Omdat de meeste convenanten nog
    maar kort in werking zijn, is er over de effectiviteit nog niets te
    zeggen.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken