• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Observatie

    2.2 Observatiemethoden

    2.2.1 Vragen naar aanleiding van de beslispunten

    Het gaat bij observatiemethoden om de navolgende methoden:

    – aftappen telecommunicatie

    – direct afluisteren

    – observeren en volgen

    – plaatsbepalingsapparatuur

    – inkijkoperaties

    Op basis van de beslispunten van het rapport van de
    parlementaire

    enquêtecommissie opsporingsmethoden (beslispunten 17 tot
    en met 37) heeft de commissie zich de volgende onderzoeksvragen
    gesteld:

    a. Welke formele regels en richtlijnen hanteert de praktijk van
    de opsporing bij de inzet van observatiemethoden?

    b. Hoe en onder welke voorwaarden worden de observatiemethoden
    in de praktijk van de opsporing gehanteerd?

    c. Wie beslist in de praktijk van de opsporing over de inzet van
    de observatiemethoden?

    d. Welke controle is er in de praktijk van de opsporing op de
    inzet van de opsporingsmethoden?

    2.2.2 Richtlijnen en wetgeving

    Ten aanzien van observatie zijn in het interregnum geen
    specifieke richtlijnen of conceptrichtlijnen tot stand gebracht,
    met uitzondering van een regeling voor uitvoering van
    grensoverschrijdende observatie. Wel is een aantal
    conceptuitvoeringsregelingen die uitvoering geven aan enkele
    bepalingen van het wetsvoorstel BOB ter advisering aan betrokkenen
    rondgestuurd.

    Besluit technische hulpmiddelen bijzondere
    opsporingsmethoden

    In dit besluit worden eisen gesteld aan technische hulpmiddelen
    die kunnen worden ingezet ter uitvoering van een bevel tot
    stelselmatige observatie of een bevel tot het opnemen van
    vertrouwelijke communicatie. Deze eisen zijn noodzakelijk om de
    authenticiteit en de betrouwbaarheid van de met deze hulpmiddelen
    vastgestelde gegevens te waarborgen. Alle regio’s en bijzondere
    opsporingsdiensten mogen gebruik maken van goedgekeurde
    standaardconfiguraties, die worden gekeurd door de Dienst
    technologie en operationele ondersteuning (DTOO) van het Korps
    landelijke politiediensten (KLPD).

    Regeling opnemen vertrouwelijke communicatie

    Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel BOB mogen alleen
    politiefunctionarissen die voldoen aan bepaalde bekwaamheidseisen
    uitvoering geven aan een bevel tot het opnemen van vertrouwelijke
    communicatie. In deze regeling worden de eisen weergegeven waaraan
    deze politiefunctionarissen moeten voldoen.

    De Richtlijn onderzoek van telefoongesprekken van 2 juli 1984 en
    de Handleiding kijkoperaties van 7 december 1994 zijn nog steeds
    geldig. Volgens de Concept-richtlijn «Procedures in
    toetsings- en registratiezaken» van 3 maart 1998 worden alle
    kijkoperaties gemeld aan de Centrale toetsingscommissie. Dat geldt
    ook voor operaties waarbij gebruik wordt gemaakt van hoogwaardige
    technologie in het kader van observatie, zoals peilzenders en
    bakens. Ook zijn in de Voorlopige uitgangspunten van het College
    van procureurs-generaal normen gegeven over het gebruik van
    videocamera’s, meeluisterapparatuur, (direct afluisteren is nog
    niet toegelaten), plaatsbepalingsapparatuur/ peilbakens
    (kermitbaken, argosbaken, geotach, OT-baken), bewegingsmelders,
    scannen, kijkoperaties, het printen ex artikel 125f Wetboek van
    strafvordering, postvang ex artikelen 100-102 Wetboek van
    strafvordering, en datasurveillance. Tevens wordt in de Richtlijn
    overgangsregeling bijzondere opsporings~ bevoegdheden van 12 maart
    1998 door het College van procureur-generaal aangegeven dat de
    bevoegdheid tot toepassing van het opnemen van vertrouwelijke
    communicatie met een technisch hulpmiddel in de zin van direct
    afluisteren eerst gaat gelden na inwerkingtreding van het
    wetsvoorstel, zodat er ten aanzien van deze categorie van
    opsporingsbevoegdheden geen overgangsregeling van toepassing is. In
    de overgangsregeling worden de voorwaarden zoals opgenomen in de
    artikelen 126g en 126o van het wetsvoorstel BOB voor stelselmatige
    observatie van toepassing verklaard op de periode tot de formele
    inwerkingtreding van het wetsvoorstel. De volgens artikelen 126aa,
    lid 2 wetsvoorstel BOB noodzakelijke nadere regeling van het
    gebruik van bijzondere opsporingsbevoegdheden ten aanzien van
    geheimhouders is nog niet in tot stand gekomen. Ook zullen nog in
    aparte Algemene maatregelen van bestuur nadere regels voor de
    technische hulpmiddelen moeten worden vastgesteld en voor het
    bewaren en vernietigen van processen-verbaal en andere voorwerpen
    waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door
    observatie met een technisch hulpmiddel (artikelen 126cc en 126ee
    wetsvoorstel BOB). In het wetsvoorstel BOB zijn alleen die vormen
    van observatie expliciet geregeld die stelselmatig zijn: het gaat
    er volgens de Memorie van Antwoord dan om de vraag of een min of
    meer volledig beeld van de aspecten van iemands leven wordt
    verkregen. Vormen van observatie die geen of slechts een zeer
    geringe inbreuk op de grondrechten (privacy) van betrokkenen maken,
    kunnen worden gebaseerd op artikel 2 Politiewet 1993. In dit
    verband kan worden gedacht aan een vuilnissnuffel. De parlementaire
    enquêtecommissie opsporingsmethoden ging in haar
    aanbevelingen uit van een grote betekenis van de duur van de
    observatie voor de vraag of wetgeving noodzakelijk is vanuit het
    oogpunt van grondwetgeving en mensenrechten. In het wetsvoorstel
    BOB is benadrukt dat ook door kortstondige observatie een bepaald
    aspect van iemands leven in beeld kan worden gebracht: bijvoorbeeld
    als het gaat om kortstondige observatie met opname-apparatuur op
    een intieme plaats, zoals een bordeel, kan deze als stelselmatig
    gelden. Bepalend voor de stelselmatigheid zijn niet alleen het
    object van observatie (personen in plaats van zaken) en de duur
    ervan, maar ook de plaats (rond of op een woning is observatie
    eerder stelselmatig dan rond of op een loods op een verlaten
    terrein), de intensiteit of frequentie en het al dan niet toepassen
    van een technisch hulpmiddel. Over het begrip
    «stelselmatig» worden door het kabinet in ieder geval
    op één aspect elkaar tegensprekende visies
    gegeven.

    In een brief van de minister van Justitie aan de Tweede Kamer
    van 18 november 1998 wordt nog enig nader inzicht gegeven in de
    interpretatie van het begrip stelselmatig: «Betreft het een
    technisch hulpmiddel, bijvoorbeeld een video-camera, die beelden op
    een band opslaat, dan is er sprake van stelselmatige observatie,
    omdat dan achteraf een volledige weergave mogelijk is en de beelden
    systematisch toegankelijk zijn (..) Observatie van een persoon met
    apparatuur die beelden opneemt, geldt altijd als stelselmatige
    observatie ook als die observatie maar kort duurt, tenzij het gaat
    om een of enkele foto’s (..)»

    Niet altijd als stelselmatige observatie aan te merken is het
    met behulp van een camera observeren van de in- en uitloop van een
    woning: «Een camera gericht op de voordeur van een woning
    teneinde vast te stellen of en welke personen de woning betreden en
    verlaten is aan te merken als observatie op personen. Dit hoeft
    echter niet steeds stelselmatige observatie te zijn. Het richten
    van een camera op een deur van een woning waarmee personen die daar
    toevallig naar binnengaan worden geregistreerd is geen
    stelselmatige observatie van die personen, omdat een aspect van hun
    leven niet stelselmatig in kaart wordt gebracht». Echter, in
    andere gevallen kan dit wel aangemerkt worden als stelselmatige
    observatie. Zo staat geschreven in de Nota naar aanleiding van het
    Verslag (uit maart 1998; Kamerstuk 25 403, nr. 7, 1997-1998) over
    het gedurende drie maanden onafgebroken filmen van iemands
    voordeur. « … aan een observatie als hier omschreven (zal)
    gewoonlijk een bevel ten grondslag moeten liggen. Het gaat in dit
    geval immers niet om de deur, maar om de persoon die door de deur
    gaat. Indien beoogd wordt een volledig beeld te krijgen van een
    bepaald aspect van zijn of haar leven is daarvoor een bevel nodig.
    »

    Voor de afgrenzing tussen stelselmatig informatie inwinnen (door
    de informant) en infiltratie wijst het rapport, van de werkgroep
    Van der Beek, erop dat in het eerste geval niet op verzoek van
    politie en justitie wordt deelgenomen aan een groep van personen of
    een georganiseerd verband waarbinnen misdrijven worden beraamd of
    gepleegd. De informant treedt slechts op als luistervink. Opgemerkt
    wordt in het rapport dat niet

    uitgesloten is dat de informant op eigen initiatief betrokken is
    bij het plegen van misdrijven; deze kunnen echter niet plaatsvinden
    op verzoek van de overheid. Het moeizame onderscheid tussen
    informanten en infiltranten – zoals door de commissie gesignaleerd
    in voorgaande paragrafen – wordt daarmee in zoverre niet verholpen
    dat in het licht van de actieradius van artikel 140 Wetboek van
    Strafrecht (deelneming aan een criminele organisatie) en artikel
    10a Opiumwet (de voorbereidingshandeling bij opiumwetdelicten) tal
    van handelingen aanleiding kunnen geven voor twijfel. Moet
    bijvoorbeeld het chaufferen voor een criminele organisatie of het
    dragen van een paar dozen of tassen (ongeacht de bekendheid met het
    vervoerde – illegale – goed) worden aangemerkt als strafbare feiten
    die van de informant een infiltrant maken?

    2.2.3 Praktijk observatie

    Inzet observatieteam

    In de verschillende regio’s krijgt het observatieteam (OT) zijn
    opdrachten voor ondersteuning meestal van een tactisch team. Soms
    komen de verzoeken van de CID, zoals wanneer de CID de
    betrouwbaarheid van een informant wil controleren. De procedure
    voor de inzet van deze observatieteams is aanzienlijk verscherpt.
    Observaties worden in alle onderzochte regio’s alleen uitgevoerd na
    toestemming van de officier van justitie. Het tactisch team dat om
    ondersteuning verzoekt, zorgt voor de schriftelijke toestemming. De
    toestemming is schriftelijk, maar wordt soms eerst mondeling
    gegeven. Van het tactisch team krijgt het OT een aantal
    basisgegevens, zoals de criminele groep waar het onderzoek zich op
    richt en omschrijvingen van de persoon of lokaliteit die het OT
    moet observeren. In een enkele regio is een standaardformulier
    ontwikkeld waarop de basisgegevens staan die het OT in ieder geval
    moet hebben om te kunnen werken.

    Wanneer bijvoorbeeld een tactisch team in de regio Limburg-Zuid
    het OT wil inzetten, wordt de aanvraag getoetst op een aantal
    punten waaronder, doelmatigheid, aard van de verdenking,
    proportionaliteit en subsidiariteit, privacy, en wijze van
    afscherming van de inzet. Wanneer aan de criteria wordt voldaan en
    de officier van justitie toestemming geeft voor de observatie,
    maakt de projectleider van het tactisch team een werkopdracht met
    daarin het beoogde doel van de observatie. Als het doel is behaald
    of onhaalbaar lijkt, wordt de observatie afgebroken.

    Anticiperend op het wetsvoorstel BOB wordt in het merendeel van
    de gevallen gewerkt met schriftelijke bevelen tot observatie
    afkomstig van de officier van justitie. Bij de Richtlijn
    overgangsregeling bijzondere opsporingsbevoegdheden van 12 maart
    1998 zijn enkele modelbevelen voor stelselmatige observatie en voor
    politiële infiltratie gevoegd. De modelbevelen zijn – al dan
    niet na enige eigen inkleuring – op een aantal parketten in
    gebruik. Respondenten geven aan dat zij heel positief staan ten
    opzichte van het feit dat stelselmatig observeren wettelijk
    geregeld gaat worden. Wel is op dit moment nog onduidelijk wat
    «stelselmatig» is. Het gebruik van de schriftelijke
    bevelen is nog deels onontgonnen terrein. Zo komt het voor dat niet
    alle formulieren door de officier van justitie zijn ondertekend;
    dat er verschillende soorten formulieren worden gebruikt; dat in
    een onderzoek verschillende methoden op één formulier
    worden vermeld; dat begin- en eindtijd van de inzet niet wordt
    ingevuld; en dat de inzet van een methode voor onbepaalde tijd
    wordt toegestaan. Ten aanzien van dit laatste punt is het plaatsen
    van een videocamera immers in veel gevallen minder kostbaar dan
    «fysiek» observeren. Elke opsporingsambtenaar mag het
    bevel tot stelselmatig observeren uitvoeren. Een aantal
    respondenten vreest dat het gevolg daarvan zal zijn dat, omdat
    teams ongetraind zullen observeren, zij een grotere kans zullen
    lopen om op te vallen. Dat kan het werk van het OT in de toekomst
    bemoeilijken. Andere respondenten achten het juist noodzakelijk dat
    ook reguliere rechercheurs stelselmatig observeren. Er bestaat geen
    algemeen overzicht van de inzet van observatie gedifferentieerd
    naar de verschillende vormen van observatie, noch is ooit onderzoek
    gedaan naar de effectiviteit van dit middel in
    opsporingsonderzoeken naar zware georganiseerde criminaliteit. Wel
    dient de inzet van foto- en videocamera of het gebruik van enkele
    bijzondere vormen van plaatsbepalingsapparatuur aan de CTC ter
    registratie te worden doorgegeven. In dat overzicht is daling
    zichtbaar van het aantal ter registratie aangemelde foto- en
    video-observaties: in 1997 was sprake van 223 en in 1998 van 90
    aanmeldingen. Het gebruik van een peilbaken is blijkens het
    overzicht licht gestegen: in 1997 zou dit middel 139 maal zijn
    ingezet en in 1998 160 maal.

    Observatie met inzet van technische hulpmiddelen

    Het observatieteam kan voor zijn werk gebruik maken van
    technische hulpmiddelen zoals plaatsbepalingsapparatuur (waaronder
    peilbakens en geotachs) en foto- en videocamera’s. De overweging om
    technische hulpmiddelen in te zetten kan heel praktisch van aard
    zijn. Respondenten geven aan dat ook door een gebrek aan capaciteit
    bij het OT steeds vaker gebruik wordt gemaakt van technische
    hulpmiddelen. Technische hulpmiddelen worden pas na toestemming van
    de officier van justitie geplaatst. De toestemming is schriftelijk
    maar wordt soms eerst mondeling gegeven. Bij het gebruik van
    technische hulpmiddelen kan het observatieteam worden bijgestaan
    door de sectie technische ondersteuning (STO). De STO wordt met
    name ingeschakeld om videocamera’s op te stellen ten behoeve van
    observatie. Voor de plaatsing van plaatsbepalingsapparatuur en
    geotachs wordt in sommige regio’s gebruik gemaakt van de diensten
    van een eigen plaatsingsteam binnen het observatieteam. Voor de
    inzet van bijzondere hulpmiddelen wordt de Dienst technologie en
    operationele ondersteuning (DTOO) van het KLPD ingeschakeld.
    Sommige rechercheurs verwachten dat de technische
    observatiemiddelen die politie en justitie inzetten steeds bekender
    zuilen worden. Zo kan het bijvoorbeeld bekend worden dat er in het
    opsporingsonderzoek gebruik is gemaakt van een peilbaken in een
    voertuig. Een aantal respondenten vreest dat criminelen hun
    voertuig voortaan zodanig beveiligen dat het bij voorbaat moeilijk
    wordt een peilbaken te plaatsen. Ook is het voorgekomen dat er veel
    moeite wordt gedaan om peilbakens terug te halen. Ter illustratie:
    in een onderzoek is f 60 000,- uitgegeven om een baken van f 2000,-
    terug te halen. De reden daarvoor is dat voorkomen moest worden dat
    een complete serie bakens onbruikbaar zou worden.

    In een geval waarin de recherche had besloten over te gaan tot
    gecontroleerde aflevering, zijn bij binnenkomst van de drugs door
    de DTOO bakens op de containers en de auto s van de hoofdverdachten
    geplaatst. Per ongeluk is vergeten de bakens uit te zetten toen de
    auto’s en de containers in de loods stonden. Daardoor konden ze
    worden ontdekt. De bende was gealarmeerd en de politie moest meteen
    ingrijpen, zonder dat de bende op heterdaad werd betrapt bij het
    overhevelen van de lading.

    Dat het plaatsen van een technisch middel zelf ook een
    hachelijke onderneming kan zijn, blijkt uit een zaak waarin
    opsporingsambtenaren bij aanbrengen van een baken op een
    personenauto van een van de verdachte «op heterdaad»
    door de criminelen zijn ontdekt. De verdachten kwamen hierdoor op
    de hoogte van het onderzoek jegens hen. Vervolgens werd besloten
    het lopende gerechtelijk vooronderzoek in die zaak te sluiten.

    Inkijkoperaties

    In de periode sinds de enquêtecommissie is de praktijk van
    inkijkoperaties weinig veranderd. Inkijkoperaties komen nog steeds
    voor en hebben als doel ofwel a) het achterhalen of zich op een
    bepaalde plaats verboden goederen bevinden, ofwel b) een
    huiszoeking voorbereiden, ofwel c) het aanbrengen van technische
    hulpmiddelen. Inkijkoperaties worden door de regio’s en kernteams
    zelf uitgevoerd. In die gevallen waar het gaat om technisch of
    tactisch (heel) complexe activiteiten kan de Dienst Technologie en
    operationele ondersteuning (DTOO) worden ingeschakeld. De DTOO
    geeft aan een grote expertise te bezitten op dat gebied,
    uitgebreider dan de expertise aanwezig bij de korpsen. De DTOO
    ontvangt haar verzoeken met name van de kernteams en het LRT. In
    1998 ging het om vijftien aanvragen, waarvan er negen zijn
    gehonoreerd (In het geval er geen inzet volgde, is dat om
    technische of tactische reden, dan wel op initiatief van de
    aanvragen). Er bestaat overigens geen centrale registratie van
    inkijkoperaties. Over het algemeen vinden de operaties plaats in
    loodsen en garages. De commissie is geen gevallen tegengekomen van
    inkijkoperaties in woningen. Op dit gebied is enige jurisprudentie
    ontwikkeld sinds de enquêtecommissie De gevallen die zich
    hebben voorgedaan in de rechtspraak hebben niet tot overmatige
    bezwaren geleid. Twee gevallen zijn met name van belang. In het
    eerste geval was er drie keer sprake van inkijken. De eerste keer
    is er gekeken in een loods, de tweede keer in een loods en in een
    niet-bewoond maar wel tot bewoning bestemd pand, en een derde keer
    zijn er monsters genomen. De Hoge Raad heeft deze inkijkoperatie
    toelaatbaar geacht omdat er «oppervlakkig» was gekeken,
    alvorens de monsters te nemen, en niet «stelselmatig»
    gezocht. In het tweede geval is er middels het oplichten van
    dakpannen van een garagedak naar binnen gekeken. In dit geval
    oordeelde de Hoge Raad dat artikel 8 EVRM niet was geschonden

    Vastlegging

    Respondenten geven aan dat observatie-activiteiten sinds de
    parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden beter
    worden vastgelegd. Observatie-activiteiten worden ofwel direct in
    een proces-verbaal ofwel in een (werk)journaal vastgelegd. Dat
    maakt controle achteraf mogelijk. Het tactisch team geeft
    vervolgens aan wat als bewijs in een proces-verbaal moet komen. Het
    OT maakt dan een proces-verbaal op. Sommige OT-secties beschikken
    over een laptop waarop een observant de waarnemingen en handelingen
    tijdens de observatie al vastlegt. Het procesverbaal wordt later
    eventueel door de andere leden van de sectie aangevuld. Het gebruik
    van technische hulpmiddelen wordt ook in processen-verbaal genoemd.
    Dat kan op heel summiere wijze: «gebruik gemaakt van een
    technisch hulpmiddel», zonder verdere specificaties. Sommige
    respondenten geven aan dat zij als meest specifieke vermelding
    bijvoorbeeld zouden opnemen: «gebruik van een baken».
    Anders dan bij observatie het geval is, wordt door de STO in
    principe geen proces-verbaal opgemaakt van de feiten die middels
    een camera zijn geregistreerd. Wel wordt al het audio en
    beeldmateriaal bewaard. Dit kan de afscherming van het werk van
    tactische teams bij de rechter-commissaris en/of de rechter
    bemoeilijken. Uit het jurisprudentie-onderzoek en de reacties van
    respondenten valt af te leiden dat het zelden (tot niet) voorkomt
    dat leden van een observatieteam ter terechtzitting moeten
    verschijnen. Wanneer een dergelijk geval zich voordoet kan, omwille
    van de afscherming van de identiteit van de observant in het kader
    van toekomstige OT-acties, worden volstaan met de ondervraging van
    de chef van het observatieteam.

    Vertoning banden/opnames bij de rechter (-commissaris)

    Leden van observatieteams en STO’s geven aan dat zij na de
    parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden meer hebben
    moeten blootgeven van hun techniek omdat daar meer openheid over
    moet worden gegeven. De STO is in sommige van de onderzochte
    regio’s bijvoorbeeld voorzichtiger geworden met het plaatsen van
    camera’s, omdat het videomateriaal steeds vaker aan de verdediging
    ter beschikking moet worden gesteld. In de meeste onderzochte
    regio’s worden sinds de parlementaire enquêtecommissie
    opsporingsmethoden bovendien geen camera’s meer geplaatst in of bij
    woningen van derden, omdat het voorkomt dat de advocaat vraagt om
    ter terechtzitting de opnames te laten zien die door geplaatste
    camera’s zijn gemaakt. In Limburg-Zuid zijn bijvoorbeeld afspraken
    met justitie gemaakt dat a) er alleen camera’s worden geplaatst als
    er geen andere middelen mogelijk zijn en b) indien er opnames zijn
    gemaakt en de advocaat verzoekt deze te zien, de officier van
    justitie de zaak terugtrekt. Ook wordt gemeld dat een gevolg
    hiervan is dat er enorme investeringen in techniek nodig zijn om
    voldoende afwisseling te waarborgen. De verschijning van
    teamleiders van observatieteams zelf ter terechtzitting komt voor,
    maar is nog geen gemeengoed.

    Opnemen van communicatie

    Er wordt veelvuldig gebruik gemaakt van verschillende vormen van
    onderzoek van telecommunicatie (zoals het afluisteren en opnemen
    van telefoongesprekken en faxverkeer etc.). Illustratief is een
    groot onderzoek naar de invoer van verdovende middelen waarin met
    machtiging van de rechter-commissaris in totaal 68
    telefoon/fax-aansluitingen zijn afgeluisterd. Het zogenoemde tappen
    wordt ook steeds lastiger en omslachtiger door het veelvuldig
    gebruik van draadloze GSM-telefoons, het wisselen van
    telefoonkaarten, en de op de markt gekomen
    «prepaidcards». Afluisteren in het buitenland is
    lastig. De KPN kan telefoonnummers in het buitenland eruit
    filteren, maar verleent niet (altijd) medewerking aan de politie
    vanwege de hoge kosten. In een specifiek geval heeft de
    rechter-commissaris zonder resultaat daartoe diverse vorderingen
    bij de KPN gedaan. Respondenten van een kernteam geven aan dat er
    via providers wordt «afgeluisterd» van internet. Het
    probleem daarbij is wel dat daarvoor afspraken moeten worden
    gemaakt met de providers, wat nog onvoldoende lukt en geen
    garanties biedt voor de betrouwbaarheid dan wel het niet-lekken van
    providers. Ook roept dit de vraag op waar de grens ligt tussen
    actief en passief informatie inwinnen. De observant loopt het
    risico te worden aangemerkt als infiltrant op internet. De
    commissie is nauwelijks gevallen van direct afluisteren
    tegengekomen. In een melding ter registratie aan de CTC is sprake
    van een gecontroleerde aflevering in combinatie met inbeslagneming
    en aanhouding. Daarbij was sprake van afluisteren waarvan
    één van de gespreksdeelnemers op de hoogte was. In
    één arrest van het Amsterdamse hof ging het om
    gesprekken van infiltranten met een of meer verdachten, waarvan
    audio- of video-opnamen zijn gemaakt. Voor zover de opname ertoe
    strekt de veiligheid van de infiltranten te garanderen – waarbij de
    gesprekken op afstand simultaan worden gevolgd – accepteert het
    Amsterdamse Hof hiervoor artikel 2 Politiewet als wettelijke basis.
    Maar voor het vastleggen van de gesprekken ten behoeve van de
    strafvordering acht het hof onvoldoende wettelijke grondslag
    aanwezig. De opnamen en de transcripties van de gesprekken zijn
    daarom van het bewijs uitgesloten (Hof Amsterdam 8 maart 1999,
    Nieuwbrief Strafrecht 1999, 057). De verwachtingen ten aanzien van
    het wettelijk mogelijk worden van direct afluisteren zijn
    verschillend. Sommige rechercheurs verwachten er veel van, terwijl
    anderen niet denken dat ze er veel gebruik van zullen maken.

    vorige    volgende     inhoud