• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Onderzoeksvragen

    1.2 Onderzoeksvragen

    De parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden heeft
    de aanbevelingen in hoofdstuk 10 van haar eindrapport geformuleerd
    als beslispunten (Kamerstuk 24 072, nr. 25, 1995-1996.) Deze
    beslispunten zijn in het debat in de Kamer over het eindrapport
    overgenomen of geamendeerd. Het debat in de Kamer leidde tot een
    definitieve lijst van beslispunten. De beslispunten vormen de
    neerslag van het oordeel van de Kamer over het rapport van de
    parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden. De
    commissie heeft deze beslispunten dan ook als uitgangspunt
    gehanteerd bij de inrichting van dit evaluatie-onderzoek. In
    bijlage 1 is een overzicht gegeven van de definitieve
    beslispunten.

    De commissie heeft een onderscheid gemaakt tussen verschillende
    typen onderzoeksvragen:

    – hoofdvragen omtrent de crisis in de opsporing
    – onderzoeksvragen naar aanleiding van de beslispunten

    De beantwoording van de onderzoeksvragen naar aanleiding van de
    beslispunten kan gebruikt worden om een antwoord te geven op de
    meer algemene hoofdvragen rond de crisis in de opsporing. De
    hoofdvragen hebben een beoordelend karakter, terwijl de
    onderzoeksvragen naar aanleiding van de beslispunten primair
    feitelijk zijn. De hoofdvragen in dit onderzoek zijn hieronder
    weergegeven. De onderzoeksvragen naar aanleiding van de
    beslispunten worden steeds aan het begin van de desbetreffende
    paragraaf weergegeven.

    Normeringscrisis

    a. Is voor de praktijk van de opsporing nu voldoende duidelijk
    welke normen (gaan) gelden voor de opsporing? b. Is de feitelijke
    inzet van opsporingsmethoden in de praktijk in overeenstemming met
    de normen? c. In hoeverre en op welke wijze hebben interne
    organisatierichtlijnen van politie, bijzondere opsporingsdiensten
    en het openbaar ministerie (inclusief de Centrale
    toetsingscommissie) bijgedragen aan de normering van
    opsporingsmethoden? d. Is er sprake van consistentie tussen
    wetgeving, jurisprudentie en organisatierichtlijnen ten aanzien van
    het gebruik van opsporingsmethoden? e. Vindt voldoende vastlegging
    van de activiteiten van opsporingsambtenaren plaats? f. Bestaat er
    noodzaak tot nadere normering van activiteiten van politie en
    openbaar ministerie met betrekking tot opsporing of
    ordehandhaving?

    Organisatiecrisis

    a. Zijn de bevoegdheden van alle betrokkenen rond de inzet en de
    controle van opsporingsmethoden in de praktijk helder en wordt
    conform deze bevoegdheden gewerkt? b. Is de samenwerking tussen
    betrokken organisaties adequaat? Vindt coördinatie en
    afstemming binnen de opsporingsorganisaties in voldoende mate
    plaats? c. Hoe is de vastlegging van de activiteiten van
    opsporingsambtenaren georganiseerd?

    Gezagscrisis

    a. Zijn de onderlinge verhoudingen tussen functionarissen en
    organisaties in de opsporing verbeterd en werkbaar? b. Wordt op
    verantwoorde wijze gezag uitgeoefend over de inzet van
    opsporingsmethoden door het openbaar ministerie? c. Bestaat er
    duidelijkheid over de wijze en de inhoud van de gezagsuitoefening
    door het openbaar ministerie? d. Heeft de gezagsuitoefening door
    het openbaar ministerie daadwerkelijk effect op het functioneren
    van de politie met betrekking tot de opsporing? e. Is controle op
    het gebruik van opsporingsmethoden door rechter-commissaris en
    korpsbeheerders adequaat?

    vorige    volgende    inhoud