IX – De bouwnijverheid – 5.1. Fraudes door
werkgeversJanuary 1, 1999
5.1. Fraudes door werkgevers
Door Houwen en Kempkes (1993) zijn vier soorten van fraude in de
bouw te onderscheiden: (1) fraude via een rechtsvorm, (2) malafide
inlening en onderaanneming, (3) contributieve fraude en (4)
informatieve fraude. Bij al deze fraudevormen in de bouwnijverheid
gaat men ervan uit dat aannemers arbeid laten verrichten door
personeel dat bij die werkgever in dienst is. Zij omschrijven
werkgeversfraude alshet door een natuurlijke of rechtspersoon
opzettelijk niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen met
als vooropgezet doel om
geen, of in onvoldoende mate, over het loon te heffen loonbelasting
en premies (werknemers- en volksverzekeringen) aan
bedrijfsverzekering en/of belastingdienst af te dragen
(ibid, 1993, p. 14). De in de definitie aangegeven
verplichtingen omvatten volgens de wet het inschrijven bij een
bedrijfsvereniging en het zich aanmelden bij de belastingdienst als
ondernemer. Verder bestaan er voor de werkgever informatieve-,
medewerkings- en betalingsverplichtingen aan deze twee instanties.
Door schade en schande wijs geworden, in het bijzonder om de
koppelbazerij in de jaren zeventig een halt toe te roepen, zijn
drie wetten ingevoerd om werkgeversfraudes in de (bouw)nijverheid
zo veel mogelijk terug te dringen:
lees meer
IX – De afvalverwerkingsbranche – 5.2. De complexe wet- en
regelgeving en de handhaving daarvanJanuary 1, 1999
5.2. De complexe wet- en regelgeving en de handhaving
daarvan
Het milieubeleid is in belangrijke mate een vergunningenbeleid.
In Nederland mag een onderneming pas afval verwerken wanneer
daarvoor een vergunning is verstrekt. Deze vergunning kan door
verschillende bevoegde gezagsdragers worden afgegeven en voor
verschillende deelstromen van de afvalketen gelden. Door een
stringent vergunningenstelsel meende de overheid de afvalbranche te
kunnen reguleren. Achteraf kan worden gesteld dat in dit stelsel
het aspect van controle en handhaving onvoldoende tot slecht uit de
verf is gekomen:Zeker in de jaren zeventig en tachtig waren de
achtereenvolgende regeringen zo gericht op het formuleren van
milieubeleid, het maken van wetten en regelingen en het opzetten
van een organisatie voor de vergunningverlening, dat van de
handhaving niet veel terecht kwam (Aalders, 1994, 290).
lees meer
IX – De afvalverwerkingsbranche – 3.3. De economische
situatie van de afvalverwerkingsbrancheJanuary 1, 1999
3.3. De economische situatie van de
afvalverwerkingsbranche
In de afvalbranche bestaan grote verschillen tussen de
hoeveelheid aangeboden soorten afval en de verwerkingscapaciteit
van de afvalverwerkingsbranche (VROM, 1995, 20). In deze vrij jonge
economische sector is er ook nog geen evenwicht tussen vraag en
aanbod. Enerzijds leiden deze verschillen tot fricties in de markt
die illegale verwerking van afval in de hand werken, anderzijds tot
grotere winstmogelijkheden voor bedrijven die van die fricties
handig gebruik weten te maken. Zo sluit de verwijderingscapaciteit
nog steeds niet aan op het afvalaanbod, waardoor niet altijd de
meest geigende wijze van verwijdering wordt of kan worden
toegepast. Als gevolg daarvan moeten ook grote hoeveelheden afval
worden gexporteerd naar het buitenland. Maar het omgekeerde is ook
het geval. De capaciteit voor het schoonmaken van verontreinigende
grond is groter dan het binnenlandse aanbod vervuilde grond. Deze
frictie leidt derhalve tot de invoer van verontreinigende grond uit
het buitenland. Een overcapaciteit van stort in de afvalbranche en
een tekort aan reinigingsinstallaties kan leiden tot een grotere
stort in plaats van een noodzakelijke verbranding of destillatie.
Als laatste kan worden genoemd dat voor diverse soorten afval niet
of nauwelijks verwerkingstechnieken operationeel zijn (batterijen)
waardoor noodgedwongen naar een andere, minder geschikte
verwerkingstechniek moet worden uitgezien. Zo wordt vliegas
verwerkt in beton of asfalt, maar omdat het aanbod de vraag
overtreft blijft stort als enig alternatief over. De afvalmarkt is
sterk in beweging. De kleinere, van oudsher familiebedrijven zullen
steeds grotere concurrentie gaan ondervinden van kapitaalkrachtige
bedrijven, die proberen monopolieposities in de afvalketen te
krijgen (zie ook .5.8). Hoe meer onderdelen van die afvalketen een
bedrijf in bezit heeft, des te groter zijn de winstkansen voor het
bedrijf en des te moeilijker dat bedrijf door de overheid is te
controleren. De grote bedrijven zullen de kleinere na verloop van
tijd uit de markt drukken omdat de afvalverwerking aan steeds
hogere milieu-eisen moet voldoen. En die eisen in de
milieuwetgeving hebben tot gevolg dat grotere investeringen nodig
zijn om verwerkingsinstallaties te laten bouwen. De overheid kan
daaraan tegemoet komen door via allerlei subsidies te verstrekken
de kleinere bedrijven te steunen, maar deze praktijk zal als gevolg
van de TCR/TCA-affaire in de toekomst vermoedelijk minder vaak
voorkomen.
lees meer
IX – De wildlifebranche – 1. INLEIDINGJanuary 1, 1999
-
1. INLEIDING:
- ACHTERGRONDEN EN OPZET VAN HET ONDERZOEK
Recentelijk is een nieuwe, aantrekkelijke illegale markt ontdekt
waar met crimineel gedrag geld valt te verdienen. Die markt bestaat
uit het illegaal weghalen van allerlei bedreigde en beschermde
dieren en planten uit hun natuurlijke omgeving om ze vervolgens met
grote winst te verkopen aan klanten uit de westerse wereld die om
diverse redenen willen pronken met het bezit van exotische dieren
of planten. Als de berichten in de media waar zijn, dan is hierin
in de afgelopen jaren op internationale schaal een levendige handel
ontstaan. De handelaren bekommeren zich niet om het behoud van de
natuur en verrijken zich ten koste van flora en fauna van landen
als Madagaskar, Nigeria, Indonesi, Brazili, om maar enkele
leveranciers te noemen. Reptielen, papegaaien, apen, schildpadden
worden uit hun natuurlijke omgeving weggeroofd en vervolgens onder
veelal erbarmelijke omstandigheden per schip of per vliegtuig naar
het rijke westen op transport gezet. Veel dieren sterven voor zij
hun eindbestemming hebben bereikt of anders spoedig nadat zij bij
de natuurliefhebber in een te kleine kooi zijn neergezet en
ondeskundig zijn verzorgd. Deze illegale handel in planten en
dieren wordt ook wel de groene drugshandel genoemd omdat hierin
veel geld valt te verdienen. Volgens diverse berichten in de media
en in politievakbladen zou deze wildlifebranche volledig in handen
zijn van de georganiseerde misdaad. De verdiensten zouden volgens
diverse schattingen enorm zijn. Organisaties als het Wereld Natuur
Fonds en Greenpeace hebben de noodklok geluid over het
leegplunderen van de natuur. Hoe exotischer een dier of een plant
en hoe zeldzamer, des te groter de bedragen die door klanten worden
betaald. Weliswaar bestaan er internationale verdragen op dit
gebied maar de illegale handel in dieren en planten zou nog steeds
blijven groeien en wel in zo’n aard en omvang dat vele dier- en
plantesoorten op korte termijn met uitsterven worden bedreigd. Al
deze berichten vormen voldoende reden om in Nederland na te gaan
wat de eventuele betrokkenheid van de georganiseerde misdaad in de
wildlifebranche is. In deze deelstudie staan de volgende drie
onderzoeksvragen centraal: 1. welke criminele groepen maken zich in
Nederland schuldig aan de illegale handel in bedreigde dier- en
plantsoorten? 2. Op wat voor manieren wordt deze vorm van illegale
handel gepleegd? 3. Hoe worden de opbrengsten uit deze illegale
handel besteed? Om deze drie vragen te kunnen beantwoorden is als
volgt te werk gegaan. Eerst is een aantal gesprekken
gevoerd met experts op het gebied van de wildlifehandel. Vervolgens
is bestaand statistisch materiaal geraadpleegd waarmee vermoedelijk
de omvang van deze vormen van illegale handel kan worden geschat.
Daarnaast is gebruik gemaakt van vijftien dossiers over pro-actieve
opsporingsonderzoeken die afkomstig zijn van diverse regiokorpsen
en van de CRI. Bovendien stelde de CRI enkele andere analyses en
dossiers over de genoemde onderwerpen ter beschikking. Ten slotte
is door de Algemene Inspectie Dienst van het ministerie van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij informatie ter beschikking
gesteld over de aard en de omvang van de uitgevoerde controles op
dit gebied. Dit deelrapport is als volgt opgebouwd. In het volgende
hoofdstuk worden de achtergronden van de wildlifebranche
geschilderd. Wij beperken ons noodgedwongen tot het beschrijven van
enkele facetten van deze internationale markt. Daarna wordt de
handelsketen beschreven. Vervolgens komt in het derde hoofdstuk de
officieel geregistreerde criminaliteit op het gebied van de
wildlife aan bod. In .3.2 wordt ingegaan op de manieren waarop deze
illegale handel in dieren en planten wordt uitgevoerd (de smokkel).
In de daarop volgende paragraaf (3.3) worden aan de hand van het
analyseschema de daders beschreven en de wijze waarop zij hun
criminele activiteiten organiseren op basis van de dossiers van de
Nederlandse politie. Het rapport wordt afgesloten met enkele
conclusies.
lees meer
Eindrapport – 10.12 Aanbevelingen organisatie
opsporingJanuary 1, 1999
10.12 Aanbevelingen organisatie opsporing
De commissie beveelt het volgende aan voor de organisatie van de
opsporing. De commissie vraagt de Kamer een oordeel te geven over
deze aanbevelingen.
lees meer
Eindrapport – 2.11 Contra-strategienJanuary 1, 1999
2.11 Contra-strategien
2.11.1 Aanleiding onderzoek
Uit het onderzoek door de onderzoeksgroep Fijnaut blijkt dat
contra-strategien door criminele organisaties tegen politie en
justitie een wezenlijk onderdeel vormen van de hedendaagse
georganiseerde criminaliteit. Onder contra-strategien worden
verstaan: observatie door criminele organisaties van politieen
justitiefunctionarissen, intimidatie en bedreiging van politie en
justitie door leden van criminele organisaties, corruptie bij
politie en justitie waarbij de georganiseerde criminaliteit een rol
speelt en oneigenlijke benvloeding van de media. Contra-strategien
door criminele organisaties vormen een nieuw verschijnsel waarmee
politie en justitie in het verleden nauwelijks geconfronteerd
werden.
lees meer
Eindrapport – 3.4 Delta-methode IRT
Noord-Holland/UtrechtJanuary 1, 1999
3.4 Delta-methode IRT Noord-Holland/Utrecht
3.4.1 Inleiding
Medio 1992 was er contact tussen CID-chef Dordrecht Van der
Putten en CID-chef Haarlem Langendoen, waarbij de problematiek van
het invoeren van containers met verdovende middelen aan de orde
kwam. Noot Langendoen zocht een chauffeur om een
container uit de haven te halen. Van der Putten introduceerde
chauffeur M. bij Langendoen. Langendoen verklaart dat chauffeur M.
vanaf 1992 ook daadwerkelijk is ingeschreven bij de CID Haarlem. De
commissie heeft dat niet kunnen vaststellen. M. was behulpzaam bij
het binnenhalen van containers voor het IRT. Daarmee was de
Delta-methode voor het IRT begonnen.
lees meer
Eindrapport – 5.5 BeoordelingJanuary 1, 1999
5.5 Beoordeling
Het runnen van informanten heeft geen afzonderlijke (formele)
wettelijke basis. De CID regeling 1995 spreekt niet van
informanten. Politie, justitie en rechterlijke macht hebben het
runnen van informanten en het geven van informatie door informanten
volledig geaccepteerd. Informatie van informanten vormt een
wezenlijk onderdeel van de meeste opsporingsonderzoeken bij de
georganiseerde criminaliteit. De commissie is van oordeel dat voor
het runnen van informanten door de politie een wettelijke basis
noodzakelijk is. Het verwerven van informatie door informanten kan
een beperking van de persoonlijke levenssfeer van burgers inhouden.
Daarnaast blijkt het runnen van informanten dermate complex te zijn
dat een duidelijke wettelijke regeling zowel vanuit het perspectief
van politie en justitie als vanuit de optiek van informanten,
CID-subjecten en verdachten wenselijk is.
lees meer
Eindrapport – 8.4 Ondersteunende dienstenJanuary 1, 1999
8.4 Ondersteunende diensten
8.4.1 Inleiding
De CID-en en de tactische recherche maken gebruik van
verschillende ondersteunende eenheden. Het gaat daarbij om eenheden
die werkzaamheden met een geheim karakter verrichten, met name
observatie-acties. De commissie heeft onderzoek gedaan naar de
organisatie en het functioneren van observatieteams (OT’s),
arrestatieteams (AT’s), Secties technische ondersteuning (STO’s),
de Dienst technisch operationele ondersteuning (DTOO) van het Korps
landelijke politiediensten (KLPD), de politile infiltratieteams
(PIT’s) en de bureaus financile ondersteuning (BFO’s).
lees meer
fort1_14January 1, 1999
6 Het plan van aanpak en de besprekingen hierover in de beide vergaderingen gingen voorbij aan een aantal punten van kritiek en zorg die in de boezem van het LRT waren gerezen en die naderhand inderdaad voor grote problemen zouden gaan zorgen. In de eerste plaats bestond er bij de leiding van het LRT van meet af aan kritiek op de tweesporen-aanpak. Men vreesde dat de beide sporen gemakkelijk in elkaars vaarwater terecht zouden kunnen komen, omdat de onderlinge afbakening niet duidelijk was. In de tweede plaats bestond er binnen het LRT-spoor zelf onzekerheid over het doel (de doelwitten) van het strafrechtelijke onderzoek. De presentaties van de CRI-analisten en van de rijksrecherche over de resultaten van het Fort-onderzoek hadden niet veel houvast gegeven. Wat was er waar van de parallelimporten en zou de strafrechtelijke aanpak van de vermeende groei-informant daar licht op kunnen werpen of zou de aanpak betrekking moeten hebben op “nieuwe” feiten (na 1994)? Over eventuele andere verdachten bestond bij het LRT nog grotere onzekerheid. Mogelijk zouden ook enkele overheidsfunctionarissen in het opsporingsonderzoek betrokken kunnen worden. Mogelijk, omdat nog vastgesteld moest worden of deze ambtenaren strafbare feiten hadden gepleegd. Achteraf moet dan ook worden vastgesteld dat in het plan van aanpak dat op 4 september 1996 werd goedgekeurd door het college onvoldoende aandacht is besteed aan enkele belangrijke risico’s en problemen, bijvoorbeeld inzake de onderbouwing van de concrete verdenkingen, de bruikbaarheid van het Fort-materiaal en de tweesporen-aanpak. II.2 De start van de beide sporen (oktober 1996 tot april 1997) Spoor 1 van start (oktober 1996 tot april 1997) Begin oktober 1996 kwam het opsporingsteam van het LRT op sterkte. Het begon onder leiding van Noordhoek “blanco”. Dat was een voordeel. Men kon immers niet worden beticht van enige vooringenomenheid in de strijd tussen Amsterdam en Haarlem. Maar het was ook een nadeel. Het team moest zich de materie nog helemaal eigen maken. Naast het regelen van allerhande logistieke voorzieningen was het doornemen van het Fortmateriaal de belangrijkste werkzaamheid in de eerste maanden. Vervolgens werd toegewerkt naar een projectplan dat de basis zou gaan vormen voor het opsporingsonderzoek. Na enkele maanden lezen werd besloten om van zes subjecten, die de potentiële targets van het onderzoek zouden kunnen gaan worden, afzonderlijke rapportages te maken. De subjectrapporten, die in maart 1997 gereed kwamen, waren hoofdzakelijk op het Fortmateriaal gebaseerd. De conclusie was dat de aanpak van J. en Van V. het meeste perspectief bood waar het ging om mogelijk gepleegde strafbare feiten. Het college stemde enkele weken later in met dit vervolg van het 060-onderzoek, zoals spoor 1 inmiddels werd genoemd. Spoor 2 van start (oktober 1996 tot april 1997) Ongeveer tezelfdertijd ging spoor 2 onder leiding van Zwerwer van start. Het team was nog niet op sterkte en zou ook nooit op de beoogde sterkte van circa 11 fte’s uitkomen. In zekere zin was dit spoor de voortzetting van het Fort-onderzoek. Immers het had als opdracht mee gekregen om verder te gaan met de beantwoording van enkele vragen die aan het einde van het Fort-onderzoek nog open stonden. Ook in personele zin was er een link. Zowel Zwerwer als een groot deel van de beoogde teamleden hadden deel uit gemaakt van het Fort-team. Zo zou de rijksrecherche, die het Fort- onderzoek grotendeels voor haar rekening had genomen, een belangrijke bijdrage (4 fte’s) aan spoor 2 leveren. Maar op dit punt liepen de plannen spaak. De directeur rijksrecherche kon zich er niet in vinden dat de rijksrechercheurs onder de verantwoordelijkheid zouden moeten werken van een teamleider die niet tot de rijksrecherche behoorde. Hij was van mening dat dit de bijzondere positie van de rijksrecherche, de “rijksrecherche-identiteit en –entiteit”, kon aantasten. Uiteindelijk zouden de vier betrokken rijksrechercheurs uit het team van spoor 2 worden teruggetrokken. Een steeds terugkerend probleem bij spoor 2 was dat de doelstelling niet duidelijk was. Ogenschijnlijk was het duidelijk: “beginnen waar het Fort-team geëindigd is”, maar in de dagelijkse
fort2_112January 1, 1999
176 — parallel-import vond plaats via containers met cocaïne en hoogwaardige marihuana naast de containers die werden weggetipt door de betrokken informant; hierbij werd informatie over de cocaïnetransporten bewust weggehouden bij het IRT; — de uitvoering van deze operatie was alleen met behulp van corruptie mogelijk. In de brief werd verder gesteld dat Snijders op verzoek van de minister van Justitie een informatiebron had onderzocht die materiaal zou kunnen leveren over de verdovende middelenhandel Colombia- Nederland, onder meer in de IRT-periode. Tenslotte legden Van Brummen en Holthuis in hun brief de volgende beslispunten aan het college voor: 1. De afspraken over het ter beschikking stellen van IRT-materiaal moeten worden gehandhaafd; 2. Er dient een standpunt bepaald te worden over het wel of niet starten van een onderzoek naar corruptie; 3. Er moet een apart onderzoek komen naar de geldstromen tussen Colombia en Nederland; 4. De informatiebronnen in Zuid-Amerika (“Schilderstraject”; onder anderen Van Gogh en Vermeer) moeten nader worden geëxploiteerd (een plan van aanpak door Snijders was aan de stukken toegevoegd). In een brief – die overigens uitsluitend gericht was aan Van Brummen en niet aan diens collega en mede-ondertekenaar Holthuis – liet Docters van Leeuwen weten dat in de optiek van het college het laatstgenoemde beslispunt bepalend voor de voortgang was.399 Hij schreef dat het college instemde met verdere voortgang van het onderzoek. In deze fase zou dit onderzoek een oriënterend karakter moeten hebben, gericht op het verkrijgen van zodanige verklaringen dat de betrouwbaarheid daarvan nader kan worden getoetst aan de hand van andere reeds beschikbare informatie. Op basis van de uitkomsten van deze oriëntatiefase zou het college dan zijn definitieve standpunt bepalen over het wel of niet exploiteren van deze bronnen en de verdere voortgang van het onderzoek. Bij een positieve beslissing zou een exploitatiefase volgen. Het college was eveneens akkoord met de voorgestelde bevoegdheidsverdeling. De laatste zinsneden moeten aldus worden begrepen dat de regie in de oriënterende fase zou berusten bij Snijders en dat zij, mits er een exploitatiefase zou volgen, zou worden overgeheveld naar het LBOM.400 Op dezelfde dag dat Docters van Leeuwen Van Brummen formeel van de goedkeuring van het college op de hoogte stelde, lichtte Ficq Borghouts in over het “Schilderstraject”. Ook deze verklaarde zich akkoord met de plannen. De derde en laatste gebeurtenis waarop in het kielzog van de collegevergadering van 26 november 1997 moet worden gewezen, betreft de uitnodiging die Zwerwer op 18 december 1997 stuurde aan Snijders, Teeven en nog een andere officier van justitie voor een geheime ronde-tafel- bijeenkomst. Doel van deze bijeenkomst was om openhartig met elkaar van gedachten te wisselen over alle aspecten van georganiseerde criminaliteit waarover de betrokkenen kennis droegen. De vier gesprekspartners zouden over nader te bepalen onderwerpen alle informatie, waarover zij de beschikking hadden, op tafel moeten leggen. Daarmee zou meer inzicht kunnen worden verworven in “de ondernomen opsporingsmethoden, de reikwijdte daarvan, de afschermingtechnieken en de eventuele afspraken met wie dan ook”.401 De concrete reden van dit initiatief was gelegen in een ontmoeting tussen een van de procureurs-generaal en Zwerwer waarbij de eerstgenoemde enig ongeloof had tentoongespreid over allerhande hypothesen betreffende de IRT-affaire.402 399 Brief A. Docters van Leeuwen aan H. van Brummen (B1, D21). 400 Brief H. van Brummen en H. Holthuis d.d. 9 december 1997 aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal (B1; D21). 401 Brief S. Zwerwer d.d. 18 december 1997 aan J. Snijders, F. Teeven en (…) (D2). 402 Interview S. Zwerwer d.d. 16 januari 2001.
fort2_21January 1, 1999
85 verwijt zou blijven klinken dat politie en justitie onrechtmatig van de verklaringen gebruik hadden gemaakt. 2. Tijdsverloop en publiciteit. Omdat er geen overschakeling had plaatsgevonden van “fact-finding naar een strafrechtelijk onderzoek” en de verdachten door alle publicaties op de hoogte waren van de kennis van politie en justitie, was teruggaan in de tijd bij een nieuw onderzoek moeilijk omdat de kans op het vinden van relevante bewijsstukken miniem was geworden. 3. Spreiding (deel)onderzoeken. Aan de ene kant werd bij dit punt opgevoerd dat er al diverse instanties met aanverwante onderzoeken bezig waren (het CID-matige onderzoek te Den Bosch en het meineedonderzoek in Den Haag) en dat het oppakken van een vervolgonderzoek dus vroeg om verregaande afstemming en tevens zou moeten leiden tot het stopzetten van individuele of afzonderlijke activiteiten. Aan de andere kant werd onverbloemd gesteld dat het voornemen om naar aanleiding van de rapportage van de rijksrecherche onder leiding van Zwerwer vervolgonderzoek te doen plaatsvinden – gelet op de onwenselijkheid van gescheiden onderzoekstrajecten – diende te worden heroverwogen. In aansluiting hierop werd gesteld dat “volledige openheid van zaken”, ook inzake alle gegevens die onder het staatsgeheim vielen, noodzakelijk was voor een goede projectvoorbereiding; hieromtrent dienden nadere afspraken te worden gemaakt. 4. Relatieve competentie. Vooralsnog werd de betrokkenheid van bepaalde parketten – namen werden niet genoemd – niet wenselijk geacht; er zou moeten worden gepoogd om aanknopingspunten te vinden voor onderbrenging van de zaak bij een (kernteam)parket buiten de Randstad. 5. Loyaliteit. Gezien de achtergrond van sommige betrokkenen zou de informatie-inwinning over criminele subjecten bij de CID’en met de grootste voorzichtigheid moeten gebeuren: “Er lijkt een substantieel collusiegevaar te zijn”. 6. Beeldvorming. Een dergelijk onderzoek door het LRT zou door de politie worden gezien als een onderzoek tegen collega’s en kon mogelijk dus een negatieve uitstraling hebben in de zin van het niet of niet volledig verstrekken van alle informatie; dit kon ook een nadelige invloed hebben op andere onderzoeken van het LRT. Daarnaast zou het LRT ook het stempel kunnen krijgen van een justitiële politie of van een tweede rijksrecherche. Verder kwam, zo vonden de opstellers van de notitie, het moment waarop invulling werd gegeven aan de derde taak van het LRT wel erg vroeg: ”Het LRT en gedeeltelijk ook het LBOM heeft nog onvoldoende tijd gehad om haar eigen positie volledig te kunnen waarmaken. Het afbreukrisico voor beide diensten wordt hiermee vergroot”. 7. Mediabelangstelling. Het onderzoek zou kunnen leiden tot verhoogde belangstelling van de pers voor het LRT en het LBOM. Een doordacht voorlichtingsbeleid en ook extra (beveiligings)maatregelen waren dus noodzakelijk. 8. Voortgang overige LRT-onderzoeken. Gelet op de beschikbare capaciteit zou een nieuw onderzoek gevolgen hebben voor de voortgang van de (geplande) onderzoeken en tevens nopen tot projectmatige samenwerking met derden. Gelet op wat zou komen was de belangrijkste conclusie die Van der Burg en Van Gemert trokken dat vooralsnog onduidelijkheid bestond over de hoofddoelstelling van een vervolgonderzoek. Zij wierpen de vraag op wanneer het onderzoek in de ogen van de opdrachtgevers als succesvol kon worden bestempeld. Was daarbij de vervolging van de mogelijke groei-informant maatgevend of ging het (ook) om een strafrechtelijk onderzoek tegen de twee betrokken politiemensen en hun eventuele rol in de organisatie? Met een verwijzing naar de hierboven geformuleerde risicofactoren stelden Van der Burg en Van Gemert voor om de werkopdracht voorlopig te beperken tot het uitvoeren van het strafrechtelijk vervolgonderzoek gericht op de gedragingen van de in de analyse genoemde burger, aanvangende op een tijdstip in 1995. De analyse van het Fort-onderzoek zou hierbij slechts als sturingsinfo worden gebruikt. Volgens hen was op voorhand niet met zekerheid te zeggen of de
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>