• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • fort2_97

    161 van de IRT-affaire alsmaar scherpere en manifestere vormen aannam. Het college zag toen in dat het Zwerwer-team  in  de  gegeven  omstandigheden  nimmer  kon  slagen  in  (het  algemene  deel  van)  haar opdracht   en   een   deel   van   het   IRT-probleem   dreigde   te   worden   in   plaats   van   een   deel   van   zijn oplossing.  De  opheffing  ervan  was  met  andere  woorden  een  welhaast  onvermijdelijke  en  alleen  al hierom begrijpelijke beslissing. Maar het was ook een pijnlijke beslissing, niet alleen voor de betrokken onderzoekers  die  het  terrein  volkomen  gedesillusioneerd  verlieten,  maar  ook  tegen  de  achtergrond van  de  “blauwdruk”  uit  augustus  1996  waarin  met  klem  van  argumenten  was  afgeraden  om  een dergelijk  team  op  te  richten.  De  onvoldoende  voorbereiding  van  het  project  wreekte  zich  hier  op  een pregnante manier. Het   is   verder   duidelijk   dat   spoor   1   aanzienlijk   in   zijn   bedrijvigheid   werd   geremd   door   de hypotheken die rustten op het Fortarchief. En die hypotheken wogen des te meer omdat het betrokken team  zich  van  meet  af  aan  had  voorgenomen  om  zoveel  mogelijk  in  het  geheim  te  opereren.  Hierom was het – ironisch genoeg – zeker in de lange aanloop van het onderzoek juist erg aangewezen op de informatie die zich in dit dossier bevond maar die slechts na veel vijven en zessen mondjesmaat kon worden benut. Dat het LRT-team alleen al hierom haast niet anders kon dan ook andere bronnen aan te  boren  spreekt  welhaast  voor  zichzelf.  In  zekere  zin  nieuw  was  wel  de  manier  waarop  binnen  het team   de   te   volgen   tactiek   werd   geëxpliciteerd.   Werd   in   de   “blauwdruk”   gesuggereerd   dat   het onderzoek  naar  de  groei-informant  zou  moeten  worden  gericht  op  zijn  gedragingen  van  na  1995,  nu werd  zonder  omhaal  uitgesproken  dat  zowel  ten  aanzien  van  hem  als  ten  aanzien  van  Van  V.  de  te volgen tactiek was om het onderzoek te richten op actuele strafbare feiten en hen zo te bewegen tot het  afleggen  van  verklaringen  over  het  IRT-gebeuren.  Het  uiteindelijke  strategische  doel,  zoals  dat ook  door  Docters  van  Leeuwen  in  het  voorjaar  van  1996  was  geformuleerd,  bleef  dus  onveranderd hetzelfde.  Dit  verklaart  ook  waarom  het  LRT-team  de  zaak  van  de  “Taartman”  zo  gretig  oppakte:  op hem   kon   deze   tactiek   vrijwel   direct   worden   toegepast.   Hier   werd   het   team   een   uitgelezen   kans geboden om “schoon” te beginnen. Maar het had tot op zekere hoogte wel buiten de waard gerekend: de Randstad, de parketten van Amsterdam   en   Haarlem.   Die   wilden   ook   “schoon”   beginnen   maar   wel   door   met   behulp   van   de bedreigingszaak  het  IRT-dossier  te  schonen,  dit  wil  zeggen  te  ontdoen  van  zijn  besmetverklaring,  en zo de sleutel in handen te krijgen om de IRT-affaire rechtstreeks op te helderen. En daarmee diende zich  een  nieuw  levensgroot  conflict  aan:  dat  tussen  het  LRT-team  en  de  “Randstad”  die  men  in  den beginne  nu  juist  met  opzet  buiten  het  hele  onderzoek  had  gehouden  maar  desondanks  elke  kans aangreep   om   haar   gelijk   te   bevechten   en   hiervan   ook   niet   werden   afgehouden   van   hogerhand. Integendeel!  Telkens  opnieuw  kregen  de  betrokken  parketten  de  gelegenheid  om  te  proberen  het onderzoek naar zich toe te trekken. Dit conflict – het is niet overbodig om hier nadrukkelijk op te wijzen –  was  dus  geen  conflict  over  het  strategische  doel:  de  opheldering  van  de  IRT-affaire.  Het  was  een conflict over de wijze waarop dit doel bereikt moest worden. Kennelijk vonden, vreesden, Amsterdam en   Haarlem,   dat   het   LRT-team   onnodig   een   te   indirecte   weg   bewandelde,   daarmee   dreigde   te vervallen  in  een  “gewoon  drugsonderzoek”  op  irrelevante  criminelen  en  zodoende  wellicht  nooit  het uiteindelijke  doel  zou  bereiken.  Misschien  zagen  zij  ook  niet  graag  dat  een  “B-elftal  uit  de  provincie” hun  affaire  moest  ophelderen  en  dachten  ze  dat  zelf  beter  te  kunnen  doen.  Waarbij  dan  wel  niet  uit het oog mag worden verloren dat de eendracht tussen spoor 3 en spoor 4 van betrekkelijke korte duur was, omdat zij op hun beurt ook ernstig met elkaar gebrouilleerd zouden raken.

    fort2_96

    160 doos  van  Pandora  dicht  houden.  (…)  De  sleutel  van  het  geheel  lag  volgens  Teeven  en  mij dus in het “besmette” IRT-dossier.” Door  Van  Brummen  werd,  na  overleg  met  de  procureur-generaal  te  Amsterdam,  aan  Teeven  en Snijders  toestemming  verleend  om  kennis  te  nemen  van  het  zogenaamd  “besmet  verklaarde”  IRT- dossier, in beheer bij de leiding van het Kernteam Randstad-Midden.342 In hun onderzoeksverslag d.d. 25 juni 1997 stelden Teeven en Snijders allereerst vast dat in het IRT-dossier enkele relevante stukken c.q. mappen ontbraken. Een stapel informatierapporten was op 24   september   1994   door   een   medewerker   van   de   RCID   Kennemerland   aantoonbaar   vernietigd. Verder  constateerden  de  rapporteurs  dat  90%  van  de  informatierapporten  afkomstig  was  van  andere CID-en en mede daardoor opnieuw opvraagbaar was. Teeven en Snijders zagen niet in waarom deze informatie   als   besmet   moest   worden   beschouwd.   Tenslotte   concludeerden   de   twee   officieren   van justitie dat de aangetroffen informatie zo divers was, dat de stelling dat personen gevaar liepen die in het  Delta-dossier  een  rol  hadden  gespeeld,  onhoudbaar  was.  Op  basis  van  deze  conclusies  deden Teeven en Snijders een aantal aanbevelingen. De belangrijkste daarvan waren: — het   vrijgeven   van   het   besmet   verklaarde   ‘Delta   dossier’,   omdat   de   onderzochte   zaken   geen aanknopingspunten opleverden om het dossier buiten opsporingsonderzoek te houden; — contact   te   nemen   met   de   bron   teneinde   te   vernemen   of   er   wijziging   was   opgetreden   in   het dreigingsbeeld ten opzichte van (…); — het    samenstellen    van    een    onderzoeksteam,    groot    ongeveer    8-10    personen,    waarin    het voormalige  recherchebijstandsteam  (RBT)-Alkmaar  en  de  centrale  recherche  van  het  regiokorps Amsterdam/Amstelland   waren   vertegenwoordigd,   teneinde   een   hernieuwd   onderzoek   te   doen naar  het  XTC-traject  en  de  liquidatie  van  Van  der  Heiden  op  10  april  1993;  deze  onderzoeken moesten plaatsvinden onder verantwoordelijkheid van officier van justitie Teeven; — de  CID-trajecten  in  deze  zaken  dienden  te  verlopen  onder  volledige  verantwoordelijkheid  van officier van justitie Snijders; — de   eindverantwoordelijkheid   van   het   onderzoek   moest,   gezien   de   nagestreefde   doelstelling, berusten bij de hoofdofficier van justitie te Alkmaar. De officieren van justitie Teeven en Snijders hoopten met deze nieuwe onderzoeksactiviteiten dus niet alleen de dreiging tegen een officier van justitie weg te nemen en een aantal verdachten van ernstige misdrijven,  zoals  de  XTC-handel  en  de  liquidatie,  veroordeeld  te  krijgen,  maar  beoogden  tevens  de geur  van  geheimzinnigheid  te  verdrijven  rond  het  ‘besmette’  IRT-dossier  en  meer  duidelijkheid  te verschaffen over de rol van de betreffende informanten in diverse onderzoeken. Tenslotte werd gemikt op aanvullende informatievergaring voor de onderzoeken betreffende spoor 1 en spoor 2.343 6.8 Conclusie Allereerst is het van belang om hier op te merken dat het college van procureurs-generaal in het begin van deze fase haar fiat gaf aan de onderzoeksplannen van de beide teams. Kennelijk stemde het dus in  met  de  keuzes  die  door  de  onderzoeksleiders  waren  voorgesteld.  Dit  blijkt  uit  het  feit  dat  het  voor spoor 1 de weg wilde vrijmaken naar een aantal moeilijk toegankelijke bronnen, en voor spoor 2 ruim baan wilde maken in justitieel Nederland. Des te opmerkelijker natuurlijk is het dat het college enkele maanden later de beslissing nam om spoor 2 op te heffen. Een precieze verklaring werd hiervoor niet gegeven  maar  zoveel  is  wel  duidelijk  dat  het  team  zelf  de  opdracht  helemaal  niet  meer  zag  zitten omdat de middelen en mogelijkheden ontbraken en het conflict met het LRT-team rond het onderzoek                                                 342 Brief H. van Brummen d.d. 29 mei 1997 (D21). 343 Vergelijk het “Rapport” van de CID-officieren F. Teeven en J. Snijders d.d. 25 juni 1997 (D21).

    fort2_95

    159 Probeert men zelf de rode draad in deze voorstellen te ontwarren dan komt men tot de conclusie dat zij bijna allemaal op de een of andere manier te maken hadden met de IRT-affaire, concreter: de organisatie   van   de   drugstransporten   die   in   de   tijd   van   die   affaire   op   de   lijn   Colombia-Nederland hadden  plaats  gevonden  en  de  mogelijke  betrokkenheid  van  criminelen,  politiemensen,  douaniers  en leden van de FIOD hierbij. Meer concreet wisselden de onderscheiden voorstellen enorm van omvang en inhoud. Bij sommige voorstellen ging het om niet meer dan om het horen van iemand of de analyse van   bepaalde   stukken,   bij   andere   voorstellen   werd   aangegeven   dat   zij   betrekking   hadden   op   de analyse van omvangrijke dossiers of dienden om relatienetwerken in kaart te brengen. Voorzover  wij  hebben  kunnen  nagaan  is  er  overigens  nimmer  –  in  welk  gremium  dan  ook  – gediscussieerd   over   de   mogelijkheden   om   al   die   onderzoeken   uit   te   voeren.   Het   stuk   heeft   dus kennelijk  niet  zo’n  belangrijke  functie  vervuld  in  het  beleid  dat  betreffende  het  post-Fort-onderzoek  is gevoerd.  Wat  niet  wil  zeggen  dat  het  ook  door  Snijders  en  De  Wit  terzijde  is  gelegd.  Enkele  weken later  –  op  14  juli  1997  –  werd  door  hen  bijvoorbeeld  aan  Van  Brummen  het  plan  voorgelegd  om  de informatie  die  een  bepaalde  informant  had  gegeven  onder  het  gezag  van  het  openbaar  ministerie  te Haarlem  door  middel  van  CID-rapporten  exploitabel  te  laten  maken.337  Hiertoe  zouden  gesprekken met enkele personen in Zuid-Amerika en West-Europa kunnen dienen. Nader onderzoek naar enkele containertrajecten  zou  ook  wenselijk  zijn.  Tenslotte  stelden  zij  voor  om  een  “denktank”  te  formeren waarbinnen   alle   relevante   en   gevoelige   informatie   in   onderling   verband   bekeken   zou   dienen   te worden. 6.7.2 Het onderzoek naar de bedreiging van een officier van justitie In  mei  1997  kwamen  er  berichten  binnen  dat  er  een  aanslag  op  handen  was  op  het  leven  van  een officier  van  justitie.  De  hoofdofficier  van  justitie  te  Alkmaar  Klopper-Gerritsen  nam  hierop  stappen  om een   onderzoek   te   laten   instellen   naar   deze   dreiging.   In   samenspraak   met   de   hoofdofficieren   van justitie  te  Haarlem  en  Amsterdam  werd  besloten  de  CID-officieren  van  justitie  Teeven  en  Snijders opdracht  te  geven  “een  onderzoek  in  te  stellen  naar  de  vermoedelijke  oorzaak  van  het  ontstaan  van het  geschetste  dreigingsbeeld  contra  de  (…)  officier  van  justitie  en  adviezen  te  formuleren  om  de ongewenste situatie zo spoedig mogelijk te neutraliseren.”338  Het  college  van  procureurs-generaal  en de hoofdofficier van justitie van het landelijk parket werden van deze opdracht in kennis gesteld. Teeven  en  Snijders  waren  er  bepaald  niet  rouwig  om  dat  zij  dit  onderzoek  moesten  doen.  Zij zagen er zonder meer een buitenkans in om de IRT-affaire dichter tot een oplossing te brengen. In de woorden van Teeven was het zo339: “Het  is  zonder  meer  waar  dat  voor  ons  –  net  zoals  de  zaak-Swennen  –  ook  de  bedreiging van  (…)  een  mogelijkheid  was  om  het  onderzoek  open  te  breken.  Wij  dachten,  ik  bedoel Vrakking  en  ik,  dat  we  via  die  bedreiging  van  (…),  terecht  zouden  komen  bij  de  moord  op Van  der  Heiden  en  dat  we  via  die  moordzaak  in  de  richting  zouden  komen  van  (…)  en  zo verder.” Maar ook Snijders keek er zo tegen aan340: “Wij hadden al snel het gevoel dat de bedreiging te maken had met het IRT-verleden, in het bijzonder     met     de     XTC-trajecten     en     de     liquidatie     van     Van     der     Heiden.     Bepaalde functionarissen hadden een sleutelpositie in dat geheel341.  Zij  wilden  ook  uit  alle  macht  de                                                 337 Brief J. Snijders en J. de Wit d.d. 14 juli 1997 aan H. van Brummen (C1). 338 Zie het “Rapport” van de CID-officieren F. Teeven en J. Snijders d.d. 25 juni 1997 (D21) 339 Interview F. Teeven d.d. 7 februari 2001. 340 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001. 341 J. Snijders noemde in het interview deze functionarissen met naam.

    fort2_94

    158 Docters  van  Leeuwen  waren  we  er  aan  begonnen,  maar  hij  kreeg  het  kennelijk  ook  niet “gebogen”.  Sieb  Zwerwer  voelde  zich  na  afloop  zwaar  teleurgesteld.  Ik  ben  er  ook  cynisch vandaan gekomen. We pakken wel de slimmere boeven, de hasjhandelaren, maar de echte grote jongens pakken we niet aan. Daarvoor bestaat kennelijk geen meerderheid in dit land. Het was ook allemaal heel gênant voor de andere teamleden, die er hun functies, posities of banen voor hadden opgegeven.” In  het  periodiek  overleg  tussen  de  minister  van  Justitie,  de  secretaris-generaal  van  het  minister  van Justitie  en  Docters  van  Leeuwen  d.d.  30  juni  1997  werd  de  minister  van  Justitie  geïnformeerd  over hetgeen op de 25e  juni  was  besproken.  Het  college  zegde  toe  met  een  nader  voorstel  te  komen  over de voortzetting van het onderzoek.334 Tegenover   ons   vertelde   Sorgdrager   overigens   dat   ook   zij   bepaald   niet   rouwig   was   om   de opheffing van spoor 2335: “Docters   van   Leeuwen   was   enorm   gepreoccupeerd   met   de   vraag:   “waar   komt   dat   geld vandaan en waar gaat het weer naar toe?” Dat er een apart team onder leiding van Zwerwer met   die   vraag   bezig   was,   wist   ik   wel.   Zo   nu   en   dan   vielen   in   dat   verband   namen   van bekende   industriëlen.   Ik   vond   die   verhalen   behoorlijk   opgeklopt   en   ongeloofwaardig.   Er waren immers in het geheel geen concrete aanwijzingen dat die mensen daadwerkelijk in dit soort zaken waren betrokken. Daarom is het goed dat men daar tijdig mee is gestopt.” 6.7 De doorbraak van het derde en vierde spoor Halverwege  juni  1997  gebeurde  er  veel.  Er  kwamen  toen  de  berichten  binnen  die  het  LRT  in  staat stelden  het  onderzoek  naar  spoor  1  nieuw  leven  in  te  blazen.  Godlieb  schreef  op  hetzelfde  moment het  verslag  over  spoor  2  dat  duidelijk  de  aanleiding  vormde  om  zijn  team  op  te  heffen.  Maar  ook  de gangmakers van spoor 3 – Snijders en De Wit – lieten zich niet onbetuigd. Op 17 juni rondden zij – op grond  van  de  gesprekken  die  zij  “in  opdracht  van  de  hoofdofficier  van  justitie”  hadden  gevoerd  met “enkele   bronnen”   en   een   aanvullend   administratief   onderzoek   –   een   rapport   af   over   een   aantal onderzoeksmogelijkheden. Hierna wordt eerst kort ingegaan op dit rapport dat – zoals later zal blijken –  het  uitgangspunt  heeft  gevormd  voor  belangrijke  nieuwe  onderzoeksinitiatieven  buiten  spoor  1  om, met  alle  gevolgen  vandien.  Daarna  zal  aandacht  worden  geschonken  aan  een  onderzoek  dat  in  het voorjaar van 1997 aan Snijders en Teeven werd opgedragen, namelijk dat naar de bedreiging van een officier van justitie. Dit onderzoek werd door hen immers aangegrepen om hun visie op de opheldering van de IRT-affaire kracht bij te zetten. 6.7.1 Een verzameling vertrekpunten voor nader onderzoek In  het  genoemde  rapport  somden  Snijders  en  De  Wit  in  totaal  26  onderzoeksmogelijkheden  op.  Bij elke  suggestie  werd  kort  aangegeven  wat  het  concrete  voorstel  behelsde,  welke  de  reden  van  het onderzoek  was  en  wat  ermee  werd  beoogd.336  Het  was  dus  geen  rapport  waarin  de  samenhang tussen   al   deze   deelprojecten   werd   uiteengezet,   hun   informatieve   basis   werd   blootgelegd,   de voorwaarden   voor   de   uitvoering   van   die   onderzoeken   werden   besproken,   de   doeleinden   van   het onderzoek  in  hun  geheel  werden  uitgewerkt,  de  prioriteiten  van  de  te  onderzoeken  kwesties  werden bepaald, et cetera.                                                 334 Zie het verslag “Periodiek overleg minister, SG en Docters van Leeuwen” d.d. 30 juni 1997 (B1). 335 Interview W. Sorgdrager d.d. 1 mei 2001. 336 J. Snijders en J. de Wit, “Onderzoeksvoorstellen”, d.d. 17 juni 1997 (C1).

    fort2_93

    157 dat het college van mening was dat er nog steeds geen zicht was op de bron van de ellende en dat er iets aan de hand was waar men de vinger niet achter kon krijgen. Er zou een orgaan moeten komen dat de informatie hierover coördineerde. Het college zag hierin een taak weggelegd voor de BVD. Het materiaal  dat  niet  strafrechtelijk  kon  worden  overgedragen  aan  de  politie  of  rijksrecherche  kon  dan worden overgemaakt aan de BVD. Docters van Leeuwen verklaart achteraf328: “Wat  medio  1997  duidelijk  was:  spoor  2  deed  zoals  gezegd  goed  z’n  best,  maar  men  had gewoon  de  bevoegdheden  en  de  mogelijkheden  niet  om  verder  te  komen.  Ik  heb  indertijd ook tegen Harry Borghouts gezegd: ”er is een actievere inbreng van de BVD nodig, want zo komen we er niet, zo blijft het te dun”. En als het niet via de BVD kan, dan moet er maar een politiële inlichtingendienst komen”. Borghouts had geen hoge dunk van dit spoor329: “Ik  vond  spoor  2  een  fiasco;  opgericht  en  opgeheven  door  het  openbaar  ministerie  zelf,  het departement  is  daar  buiten  gebleven.  Gezien  de  onduidelijke  doelen  vingen  zij  bot  bij  CID- registerbeheerders.” Ficq was eerder opgelucht dat spoor 2 werd opgeheven330: “In spoor 2 werden vele bellen geblazen en als puntje bij paaltje kwam had men toch weinig concreets   in   handen.   Het   traject   van   Zwerwer   was   wazig   en   genereerde   onrust.   De beslissing  in  de  zomer  van  1997  om  dit  traject  af  te  bouwen  kon  dan  ook  mijn  volledige goedkeuring als portefeuillehouder zware criminaliteit wegdragen.” Het  college  verzocht  het  team  verder  om  het  materiaal  zo  te  prepareren  tot  dossiers,  dat  het  in  de vorm van concrete opsporingsonderzoeken zou kunnen worden overgedragen aan andere eenheden. En   tenslotte   dankte   het   college   Zwerwer   voor   zijn   inzet   in   de   voorbije   jaren   met   de   woorden   het Nederlandse volk zowel Zwerwer als Pijl veel dank was verschuldigd.331 De  dag  daarop  –  op  26  juni  1997  –  kwam  het  team  van  spoor  2  samen.  Volgens  het  verslag werden   de   leden   door   Zwerwer   beknopt   geïnformeerd   over   het   besluit   van   het   college.   Op   een belangrijk  punt  lopen  de  verslagen  betreffende  deze  vergadering  uiteen.  Waar  in  de  notulen  van  het college duidelijk werd verwezen naar de BVD als zijnde de meest geschikte instantie om het bedoelde onderzoek   te   doen,   staat   in   het   onderhavige   verslag   dat   de   beoogde   “inlichtingendienst”   bij   de rijksrecherche    diende    te    worden    ondergebracht.    Verder    werd    er    nog    wat    nagepraat    over    de afwikkeling  van  de  eigen  activiteiten  en  over  de  toekomst  van  die  teamleden  die  hun  functie  hadden opgegeven  om  zich  bij  spoor  2  te  vervoegen…332  Wat  deze  verslagen  niet  zeggen  maar  wel  in  de interviews naar boven kwam, is de ontgoocheling die zich ondertussen had meester gemaakt van de leiding van spoor 2. Zo zei Godlieb333: “We   kregen   achteraf   wel   mooie   brieven,   maar   we   wisten   voor   onszelf   wel   beter   wat   de werkelijke  situatie  was.  Was  het  uiteindelijk  toch  niet  allemaal  “window  dressing”  geweest? De  Kamer  was  gelukkig  want  er  was  een  onderzoek  gedaan,  maar  er  was  niets  gevonden. Wij  hadden  ondertussen  echter  het  gevoel  dat  we  misbruikt  waren.  In  goed  vertrouwen  op                                                 328 Interview A. Docters van Leeuwen d.d. 17 januari 2001. 329 Interview H. Borghouts d.d. 24 april 2001. 330 Interview C. Ficq d.d. 29 januari 2001. 331 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 25 juni 1997 (C10). 332 Samenvattend verslag teamvergadering KL 26-01 d.d. 26 juni 1997 (F11). 333 Interview A. Godlieb d.d. 1 februari 2001.

    fort2_92

    156 onterechte  beschadiging  of  diende  om  zaken  af  te  dekken  was  het  team  niet  duidelijk  geworden. Duidelijk  was  wel  dat  in  de  wereld  waarmee  het  team  werd  geconfronteerd,  “de  scheidslijnen  tussen feit en fictie niet overal en direct duidelijk” te trekken waren. Toch   zag   de   auteur   in   deel   vijf   een   aantal   mogelijkheden   voor   verder   onderzoek.   Hierbij refereerde    hij    onder    meer    aan:    de    informatie    van    eerder    bedoelde    informanten,    een    aantal containertrajecten,  het  doen  en  laten  van  De  J.  samen  met  dat  van  VdP.,  het  verhoor  van  een  aantal drugscriminelen, verder onderzoek naar XTC-trajecten en naar de beweringen rond afspraken tussen bepaalde   autoriteiten   en   een   of   meer   criminelen.   Maar   hij   zei   er   direct   bij   dat   er   wel   de   nodige beperkingen  en  afbreukrisico’s  aan  de  onderscheiden  onderzoeken  kleefden,  in  het  bijzonder  het  feit dat  op  een  gegeven  moment  bij  proces-verbaal  zou  moeten  worden  vastgelegd  welke  activiteiten allemaal  waren  ondernomen  –  zoals  de  vertrouwelijke  gesprekken  met  politie-  en  justitiemensen,  de informele  kennisneming  van  stukken  en  gegevens,  en  de  kennisneming  van  een  aantal  verklaringen die niet voor opsporingsdoeleinden beschikbaar waren. Vooral hierom stelde Godlieb voor om met het onderzoek een andere richting in te slaan en het in feite niet te overziene brede onderzoeksterrein op te   splitsen   in   hanteerbare   onderdelen,   waarbij   per   onderdeel   zou   worden   bezien   welke   dienst   of organisatie een bijdrage kon leveren aan het onderzoek. Ten  aanzien  van  zes  projecten  werd  vervolgens  aangeduid  of  het  bestaande  team  ze  het  beste kon  doen  dan  wel  dat  het  beter  was  om  ze  over  te  dragen  aan  een  ander  team.  Concreet  werd voorgesteld  om  er  twee  over  te  dragen  aan  andere  diensten/eenheden,  om  er  twee  en  op  termijn wellicht drie te laten bij Kl 26-01, en om van een project de eerste uitkomsten af te wachten. Zwerwer stuurde dit rapport samen met een omvangrijke nota d.d. 20 juni 1997 naar Holthuis.326 In  deze  nota  maakte  hij  zogezegd  de  stand  van  zaken  op  betreffende  “het  onderzoeksveld”  waarop zich    naast    de    beide    sporen    nog    enkele    andere    informatietrajecten    hadden    afgespeeld.    Zijn opvattingen dienaangaande had hij getoetst bij een CID-collega, een medewerker van de CRI en een analist van de rijksrecherche (naar men mag aannemen: Snijders, De Wit en Schouten). Die kwamen hoofdzakelijk neer op een aantal met al dan niet vermeende feitelijkheden doorspekte uiteenzettingen over   bepaalde   drugstransporten,   over   de   groei-informant,   over   de   (mogelijke)   betrokkenheid   van (leden  van)  politie  en  FIOD  hierbij,  over  de  samenhang  tussen  uiteenlopende  criminele  activiteiten, over het optreden van bepaalde magistraten, enzovoorts. Aan het slot van zijn relaas gaf Zwerwer zijn ideeën  ten  beste  over  de  status  van  een  team  dat  het  vervolgonderzoek  zou  moeten  doen.  Hierbij onderstreepte hij ten eerste dat de ervaring had geleerd dat een te nauwe verbinding met een anders georiënteerd team (…) rampzalig kon zijn. Er moet volgens hem worden volstaan met het maken van sluitende afspraken aangaande overdracht van relevante, dus operationeel bruikbare, informatie. Ten  tweede  wees  hij  erop  dat  er  een  team  nodig  was  dat  vrijelijk  zou  kunnen  kijken  in  alle systemen,  dat  de  beschikking  had  over  de  deskundigheid  om  informatie  op  te  slaan,  te  veredelen,  te analyseren en daaraan beleidsmatige conclusies te verbinden. In gevallen waarin zulks nodig was zou informatie zodanig moeten kunnen worden verwerkt dat de bron onzichtbaar bleef. Op 23 juni 1997 maakte Holthuis  de  beide  documenten  –  het  rapport  en  de  nota  –  over  aan  het college van procureurs-generaal. In zijn begeleidende brief schreef hij dat het vervolg wat hem betreft zou  neerkomen  op  het  opdelen  van  de  resultaten  in  drie  of  vier  clusters  die  aan  bestaande  teams konden worden overgedragen. Daarbij was naar zijn mening ook een belangrijke taak weggelegd voor de (inlichtingendienst van de) rijksrecherche.327 Deze aanbeveling was niet aan dovemansoren gericht. In aanwezigheid van Holthuis en Zwerwer besliste  het  college  in  zijn  vergadering  van  25  juni  1997  de  verkregen  informatie  volledig  over  te dragen   aan   andere   teams   en   diensten   zoals   het   LRT   en   de   FIOD.   Verder   werd   staande   de vergadering opgemerkt dat het “oude IRT-materiaal” geselecteerd moest worden op “materiaal dat wel en  niet  besmet  is  (al  dan  niet  rechtmatig  verkregen)”.  Desalniettemin  werd  in  de  notulen  vastgelegd                                                 326 Nota S. Zwerwer d.d. 20 juni 1997 aan H. Holthuis (B1). 327 Brief H. Holthuis d.d. 23 juni 1997 aan het college van procureurs-generaal (B1).

    fort2_91

    155 “Zwerwer  zei  tegen  Noordhoek  dat  hij  niets  meer  zou  krijgen  en  dat  er  van  samenwerking geen sprake meer zou zijn, en omgekeerd, maar die berichten van de BVD waren voor ons wel belangrijk.” In  het  periodiek  afstemmingsoverleg  tussen  Holthuis  en  de  teamleidingen  kwamen  deze  problemen natuurlijk  aan  de  orde.  In  het  bijzonder  de  discussie  over  het  gebruik  van  de  informatie  die  door  (…) was  verstrekt,  liep  in  de  vergadering  van  21  mei  1997  hoog  op.322  Zij  leidde  zelfs  tot  een  algemeen verwijt   van   spoor   1   aan   het   adres   van   Zwerwer   dat   relevante   informatie   niet   of   niet   tijdig   werd doorgegeven;    zijn    plaatsvervanger    sloot    zich    bij    deze    kritiek    aan.    De    voorzitter    trachtte    de gemoederen  te  sussen  met  de  mededeling  dat  er  tegen  23  juni  niet  alleen  een  rapport  over  het onderzoek van spoor 2 zou liggen maar ook een rapport over (…) “aangezien dat cruciaal is voor de voortgang van het onderzoek KL 2601”. 6.6 De opheffing van spoor 2 door het college van procureurs-generaal Wat  de  enigszins  raadselachtige  uitspraak  van  Holthuis  die  zojuist  werd  geciteerd  betekende  werd  in de tweede helft van juni 1997 snel duidelijk: spoor 2 zou worden opgedoekt. Reeds  in  mei  werd  in  de  schoot  van  het  betrokken  team  gediscussieerd  over  de  opzet  van  de junirapportage. In een nota van 14 mei 1997 zette Godlieb zijn eerste gedachten op papier. Afgezien van een opsomming van punten die aan de orde moesten komen bevatte deze notitie ook een aanzet voor  een  vervolgstrategie:  overschakelen  van  een  “brede  scan”  naar  versmalling  en  verdieping;  de informatie van (…), juist ook in relatie tot de FIOD, moest hierin een belangrijke rol spelen.323  Later  – op  12  juni  1997  –  werd  er  door  A.  Welschen  commentaar  geleverd  op  de  eerste  concepten  van  de rapportage. Hierbij valt het op dat hij nogal wat vraagtekens plaatste bij een aantal onderdelen ervan: pasten  zij  bij  het  doel  van  het  onderzoek,  ging  het  om  meer  dan  om  veronderstellingen,  was  reeds gebleken  uit  eerdere  rapporten,  veel  vermoedens,  waarom  die  indruk  steeds  sterker  werd?324  De definitieve versie van de rapportage dateert overigens van 18 juni 1997.325 Dit  rapport  bestond  uit  vijf  grote  delen  met  een  aantal  bijlagen.  De  eerste  twee  delen  hadden betrekking op de totstandkoming, de organisatie en de context van het onderzoek. Het derde deel gaf de resultaten weer van fase 1, dit wil zeggen de periode november 1996 – februari 1997. In het vierde deel werden de resultaten gepresenteerd van de tweede fase – maart 1997 tot en met juni 1997. En in het vijfde deel werden de mogelijkheden geschetst voor een vervolg van het onderzoek. Wat het vierde deel  betreft  kan  worden  opgemerkt  dat  hierin  per  project  werd  aangegeven  waar het   om   draaide   en   hoe   ver   het   onderzoek   stond   respectievelijk   aan   wie   het   onderzoek   was overgegeven.  Uit  deze  omschrijvingen  blijkt  dat  het  team  aan  heel  wat  (deel)projecten  geen  prioriteit had  toegekend  dan  wel  nog  slechts  een  begin  met  de  aanpak  ervan  had  gemaakt.  Nog  geen  enkel (deel)project  was  op  welke  manier  dan  ook  afgerond.  Deze  bevinding  ligt  in  de  lijn  van  het  beeld  dat oprijst  bij  lezing  van  de  eerder  besproken  verslagen  van  vergaderingen  en  journaals.  De  conclusies die  aan  het  einde  van  dit  deel  van  het  rapport  werden  geformuleerd  waren  dan  ook  allesbehalve verrassend:    dat    er    nog    geen    directe    aanwijzingen    waren    gevonden    voor    “het    bestaan    van samenhangende  achterliggende  structuren  die  het  handelen  zoals  dat  door  de  rijksrecherche  werd onderzocht  hebben  ondersteund.”  Niettemin  meende  de  auteur  dat  de  aanwijzingen  voor  parallel- importen   van   hard   drugs   in   de   periode   1992-1995   zich   hadden   versterkt.   Of   het   feit   dat   de gevoeligheid   van   de   materie   bij   veel   van   de   (toenmalig)   betrokkenen   voortvloeide   uit   angst   voor                                                 322 Het verslag van dit overleg bevindt zich in F13. 323 Notitie A. Godlieb d.d. 14 mei 1997 (C9). 324 A. Welschen: “Commentaar op rapportage 12-6-1997 2e concept” d.d. 13 juni 1997 (C1). 325 KL 2601, “Tussenrapportage 18 juni 1997” (B1). Dit rapport werd vervaardigd door A. Godlieb.

    fort2_90

    154 In  april  ontstond  er  grote  onenigheid  over  het  bezoek  dat  Snijders,  De  Wit  en  Schouten  hadden gebracht aan een informant in het buitenland. De leiding van spoor 1 nam het de leiding van spoor 2 zeer kwalijk dat dit bezoek niet met haar was afgestemd. Het verweer dat de informatie was verstrekt in het kader van spoor 3 botste op het argument dat het betrokken bezoek desalniettemin het bereiken van  het  doel  van  het  onderzoek  kon  belemmeren  respectievelijk  bemoeilijken.  Begin  mei  reageerde Zwerwer     “verbaasd”     op     deze     discussie     met     het     argument     dat     de     reis     geschiedde     onder verantwoordelijkheid   van   de   hoofdofficier   Haarlem,   dat   het   bezoek   niets   te   maken   had   met   het onderzoek  van  spoor  1  respectievelijk  dat  van  spoor  2  en  dat  Schouten  alleen  was  meegegaan  om zijn  analytische  vaardigheden  “niet  meer  en  niet  minder”.316  Maar  ook  de  laatstgenoemde  kreeg  na terugkeer de volle laag317: “Na  terugkeer  werd  ik  door  Noordhoek  en  Entken  op  het  matje  geroepen.  Ze  waren  kwaad dat ze niet op de hoogte waren gebracht van de reis. Ik heb hen toen duidelijk gemaakt dat dit  niets  met  het  LRT-onderzoek  te  maken  had  en  dat  ik  (…)  op  verzoek  van  Snijders  hen niet ingelicht had. Na mijn tweede bezoek in juni 1997 herhaalde zich dit conflict, alleen toen wat heftiger.” Eind   mei   ontstond   er   voor   een   tweede   maal   veel   commotie,   deze   keer   over   informatie   die   was aangeleverd  door  de  liaison  van  de  BVD  over  De  J.  Al  vlug  ontstond  er  grote  onenigheid  over  het gebruik  van  deze  informatie.  De  teamleidingen  verweten  elkaar  op  hoge  toon  dat  dit  niet  zorgvuldig was   gebeurd   en   dat   tengevolge   hiervan   de   verstrekkers   van   de   informatie   in   diskrediet   waren gebracht.318  In  een  retrospectieve  notitie  van  3  september  1999  voor  het  college  van  procureurs- generaal  over  deze  zaak  schreef  Zwerwer  dat  de  betrokken  informatie  en  haar  bron  noch  door  de BVD-liaison   noch   door   de   leiding   van   zijn   team   ter   sprake   waren   gebracht   op   een   reguliere vergadering  van  het  LBOM.  En  dat  hij  deze  informatie  aan  de  orde  had  gesteld  in  een  gesprek  met Teeven   leek   hem   niet   “onbevoegdelijk”   omdat   de   bron   van   wetenschap   uiteindelijk   toch   de   CID Amsterdam was en hij er dus van mocht uitgaan dat Teeven bekend was met die informatie.319 Van  Gemert  zag  dit  echter  heel  anders.  In  een  brief  van  18  juni  1997  aan  Holthuis  deed  hij ernstig  zijn  beklag  over  het  optreden  van  Zwerwer.320  Alles  wees  er  volgens  hem  op  dat  Zwerwer, opnieuw   op   eigen   initiatief   en   zonder   ruggespraak   te   houden   met   Noordhoek   dan   wel   met   de teamleiding   van   060,   niet   gevalideerde   en   op   dat   moment   niet   exploitabele   informatie   op   twee plaatsen buiten het onderzoeksteam had gebracht. Hierdoor was niet alleen ernstige schade ontstaan in de relatie met de informatieverstrekker maar was er ook sprake van een ernstige schending van het onderzoeksbelang van 060, daar het hier informatie betrof die voor het overgrote deel betrekking had op  de  onderzoekssubjecten  van  060.  Deze  informatie  diende  nog  op  de  daarvoor  voorgeschreven weg   officieel   in   het   onderzoek   te   worden   gebracht.   Hij   constateerde   verder   dat   de   onderlinge werkverhouding  tussen  de  leden  van  het  openbaar  ministerie,  alsmede  met  de  teamleiding  van  het 060-onderzoek ernstig was verslechterd en dat de energie verdween in de verkeerde dingen. Het eind van het liedje was niet alleen dat spoor 2 haar verbinding met de BVD kwijt was maar ook dat de verhouding tussen Zwerwer en Noordhoek volkomen stuk was. Godlieb meldde hierover321:                                                 316 Nota van S. Zwerwer d.d. 7 mei 1997 gevoegd bij het verslag van de vergadering d.d. 6 mei 1997 (F13). 317 Interview P. Schouten d.d. 9 februari 2001. 318 Zie het verslag van de teamvergadering van KL 2601 d.d. 3 juni 1997 (F13). Over wat er precies is voorgevallen lopen de lezingen uiteen. Zie onder meer de interviews van P. Schouten en E. Noordhoek. Het had overigens maar een haar gescheeld   of   de   betrokken   BVD’er   was   ontslagen   omdar   hij   het   bericht   niet   via   de   afgesproken   procedure   had ingebracht. 319 Notitie S. Zwerwer d.d. 3 september 1999 aan college van procureurs-generaal (brief overhandigd bij interview). 320 Brief W. van Gemert d.d. 18 juni 1997 aan H. Holthuis (F18). 321 Interview A. Godlieb d.d. 1 februari 2001.

    fort2_9

    73 “Het  zijn  interessante  analyses  vanuit  het  oog  punt  van  inlichtingenwerk,  maar  een  proces- verbaal   als   dusdanig,   dat   al   die   analyses   onderbouwt,   is   er   volgens   mij   niet.   Komt   hier natuurlijk  wel  bij  dat  er  een  grote  kloof  is  tussen  analyses  gebaseerd  op  inlichtingen  en  het strafrechtelijk bewijs tegen misdadigers. Die inlichtingen, die analyses, zijn zo niet bruikbaar. Het zijn wel aardige hypotheses, maar dat is het dan ook wel.” Maar de boodschap in deze presentatie was duidelijk: de informant van de Nederlandse politie werkte voor    een    Colombiaans    kartel    en    heeft    vanaf    het    begin    dubbelspel    gespeeld;    de    betrokken politiemensen   zouden   “plat”   zijn.   Waarbij   De   Wit   in   zijn   interview   aantekende   dat   het,   gegeven bepaalde verklaringen en gegevens, duidelijk was 53: “(…) dat de ellende niet begonnen is bij de RCID-Kennemerland, maar al veel eerder bij de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) in de jaren tachtig.” Met  het  oog  op  de  concretisering  van  de  plannen  hadden  Zwerwer,  Cremers  en  Pijl  op  13  juni  1996 een  onderhoud  met  Docters  van  Leeuwen.  Op  de  vraag  naar  wat  er  moest  gebeuren  kwamen  zij volgens Zwerwer tot de volgende conclusie54: “Wij vonden het verstandig dat er een onderzoek kwam los van het strafrechtelijk onderzoek. Overigens   zagen   wij   voor   ons   geen   rol   weggelegd   in   dit   onderzoek.   Het   onderzoek   zou moeten  gaan  om  integriteit.  Integriteitkwesties  rond  overheidsambtenaren.  Wij  vonden  het nodig dat de dingen nog verder op een rij werden gezet.” Dit  was  dus  een  ander  advies  dan  hetwelk  zij  gaven  in  hun  brief  van  13  maart  1996:  hierin  is  geen sprake   van   een   niet-strafrechtelijk   onderzoek.   Gelet   op   de   lijn   van   het   nieuwe   advies   is   het   niet verwonderlijk dat er tijdens dat onderhoud ook werd gesproken over de vraag of (het) gezien de aard van  het  te  verrichten  onderzoek  niet  zinvol  zou  zijn  dat  er  op  enigerlei  wijze  een  samenwerking  zou ontstaan met de BVD. Deze vraag werd positief beantwoord en kort daarop had Docters van Leeuwen een onderhoud met het hoofd van de BVD, zijn opvolger op die plaats. Het resultaat van hun overleg was volgens Zwerwer55: “(…) dat wij over en weer via een liaison bij elkaar in de keuken mochten kijken doch dat wij – en dat gold ook voor de BVD – in operationele zin niets met de informatie mochten doen. Indien   en   voorzover   er   informatie   kon   worden   gegenereerd   welke   tactisch   of   anderszins bruikbaar     was     zou     dat     via     de     gebruikelijke     weg     worden     geoperationaliseerd.     Ter concretisering van deze afspraak heb ik op 28 juni 1996 in Utrecht een gesprek gevoerd met (…), een vertegenwoordiger van de BVD.” Ondertussen werd er door Zwerwer samen met Holthuis gewerkt aan de formulering van het plan van aanpak.  Op  19  juni  1996  faxten  zij  de  eerste  versie  hiervan  aan  Docters  van  Leeuwen  en  (in  kopie) aan Gonsalves. Twee dagen later kregen dezen langs dezelfde weg “een enigszins aangepaste tekst van  het  scenario”  toegefaxt.  Het  betreft  hier  geen  omvangrijk  plan.  Al  bij  al  beslaat  het  twee  kantjes. Het  draagt  de  titel:  “Scenario  van  een  strafrechtelijk  onderzoek  naar  aanleiding  van  de  bevindingen van het Fort-team”. Alvorens  in  te  gaan  op  dit  scenario  en  de  bespreking  hiervan  in  de  loop  van  juni-juli  door  het college  van  procureurs-generaal  en  de  minister  van  Justitie,  past  het  om  erop  te  wijzen  dat  Docters                                                 53 Interview J. de Wit d.d. 30 januari 2001. 54 Interview S. Zwerwer d.d. 16 januari 2001. 55 Nota S. Zwerwer aan het college van procureurs-generaal d.d. 3 september 1999 (gevoegd bij interview).

    fort2_89

    153 Verder  blijkt  uit  deze  bronnen  dat  de  leiding  van  spoor  2  er  aan  dacht  om  hele  gevoelige  CID- informatie in te brengen in het eigen onderzoek. In hoeverre deze informatie ook kon worden gedeeld met spoor 1 was een van de vraagpunten waarvoor zo vlug geen oplossing werd gevonden. Begin mei tenslotte meldde Holthuis aan Gonsalves dat Snijders met Van Brummen en hem had gesproken over een bron die een en ander wist te melden dat zowel voor spoor 1 als voor spoor 2 van belang  was.  Zijn  voorstel  was  om  deze  informant  nog  eens  door  twee  ervaren  CID-rechercheurs  – waaronder   iemand   van   de   rijksrecherche   –   te   laten   bevragen   en   het   resultaat   hiervan   te   laten vastleggen. De tijd die met deze actie gemoeid zou zijn schatte Holthuis op een week of vier. Daarna zou definitief uitsluitsel kunnen worden gegeven omtrent de verdere voortgang van het onderzoek, de beheersmatige ophanging en de samenstelling van het team.314 6.5 De definitieve breuk in de onderlinge verhoudingen De verslagen van het overleg tussen de leidinggevenden van de beide teams in de maanden april en mei 1997 hebben voor een belangrijk deel betrekking op organisatorische kwesties. In de mate dat zij over  inhoudelijke  vraagstukken  gaan  geven  zij  keer  op  keer  blijk  van  irritaties  en  ergernissen  in  de onderlinge  verhoudingen.315  Zoals  in  het  vorige  hoofdstuk  reeds  werd  aangegeven  vormden  in  het bijzonder   de   contacten   met   (potentiële)   informanten   respectievelijk   het   bezit   van   vertrouwelijke informatie   een   groot   risico   voor   de   werkbaarheid   van   de   verhoudingen   tussen   de   beide   teams. Tengevolge van dit risico daalde hun werkbaarheid in deze periode tot het nulpunt.                                                 314 Brief  H.  Holthuis  d.d.  6  mei  1997  aan  R.  Gonsalves  (C1).  De  informatie  die  deze  informant  had  gegeven  werd  – ingebed met informatie uit andere bronnen – begin mei tot op het laatste moment in kaart gebracht. Zie de betreffende analyse in C9. 315 Deze verslagen zijn opgenomen in F13.

    fort2_88

    152 het   college   van   procureurs-generaal,   de   minister   weten   dat   de   “Taartman”   vooralsnog   niet   werd aangemerkt  als  verdachte.  Mocht  evenwel  blijken  dat  dit  alsnog  zou  gebeuren  dan  zou  hij  haar  dit onmiddellijk laten weten. Hetzelfde was het geval indien mocht blijken dat er hoe dan ook sprake was van de voortzetting van de saptrajecten waarover het Fort-team had gerapporteerd. Bovendien merkte Blok op dat er op het Amsterdamse parket een rechtshulpverzoek uit Sri Lanka was binnengekomen om  de  “Taartman”  te  horen  in  verband  met  een  mogelijke  rol  bij  de  handel  in  hasj.308   Uit   latere correspondentie  tussen  het  college  van  procureurs-generaal  en  de  minister  van  Justitie  over  deze kwestie – bovenal ingegeven door de aanhouding van de “Taartman” in België op 12 november 1997 –  kan  worden  opgemaakt  dat  de  behandeling  van  dit  rechtshulpverzoek  was  toevertrouwd  aan  het LRT   dat   op   grond   hiervan   wilde   bezien   of   er   aanknopingspunten   waren   voor   een   onderzoek   in Nederland tegen de “Taartman”.309 Zie hierover meer in hoofdstuk 10. 6.4.2 Het verdere onderzoek van spoor 2 Terwijl het LRT-team zich aldus opmaakte voor het verdere onderzoek in de richting van J., L., Van V. en  de  “Taartman”  werd  het  26-01-onderzoek  op  dood  spoor  gerangeerd.  In  april  1997  zag  het  er echter   niet   naar   uit   dat   dit   zou   gebeuren.   In   het   verlengde   van   de   stukken   die   in   maart   waren gewisseld  tussen  het  team  en  het  college  van  procureurs-generaal  werd  begin  april  een  overzicht opgesteld  van  de  projecten  waarop  spoor  2  zich  zou  richten.310  Deze  keer  waren  het  er  acht.  De belangrijkste waren: — het  zichtbaar  maken  van  criminele  geldstromen  die  zijn  gegenereerd  tijdens,  door  middel  van  of in relatie tot de Deltamethode; — de betrokkenheid van de FIOD bij de Delta-methode; — liquidaties in relatie tot de Delta-methode; — de rol van VdP.; — afspraken tussen autoriteiten en criminelen; — faciliterende rol belastingdienst; — autoracerij als facilitator ten opzichte van georganiseerde criminaliteit; — en de rol van de onroerend goed wereld in dit opzicht. Vervolgens werd tot 2 juni 1997 vastgelegd wie aan welke deelonderzoeken zou werken.311 Ook in dit geval   bieden   in   de   eerste   plaats   het   journaal   en   de   teamverslagen   een   behoorlijk   inzicht   in   de activiteiten die concreet werden ondernomen.312 In   het   algemeen   kwamen   die   erop   neer   dat   er   her   en   der   contacten   werden   gelegd   met politiemensen   die   een   en   ander   wisten   betreffende   de   genoemde   projecten,   dat   er   dossiers respectievelijk   gegevensbestanden   werden   geraadpleegd   bij   recherchediensten   en   dat   er   overleg werd  gepleegd  met  de  leiding  van  diensten,  bijvoorbeeld  met  die  van  de  FIOD.  Overigens  liep  het leggen  van  relaties  lang  niet  altijd  gemakkelijk.  Zo  werden  vraaggesprekken  met  Snijders  en  Teeven steeds  weer  uitgesteld.  De  rijksrecherche  te  Amsterdam  weigerde  een  tijdlang  zelfs  met  het  team  te praten  en  toen  het  eindelijk  tot  een  onderhoud  kwam  werd  dit  goeddeels  beheerst  door  een  kritische discussie over de zin en de aanpak van het onderzoek.313                                                 308 Brief J. Blok d.d. 22 juli 1997 aan de minister van Justitie (C2). 309 Brief A. Docters van Leeuwen d.d. 20 november 1997 aan de minister van Justitie (C2). De Kamervragen werden pas op  19  januari  1998  bij  brief  van  de  minister  van  Justitie  aan  de  Voorzitter  van  de  Tweede  Kamer  in  verband  met lopende onderzoeken terughoudend beantwoord (C2). 310 De desbetreffende nota d.d. 10 april 1997 draagt de titel “KL 26-01: onderzoeksprojecten” (C9). 311 Vergelijk de nota “KL 2601, Planning tot 2/6/1997” (C9). 312 De verslagen van de teamvergaderingen bevinden zich in F13 en het journaal in F2. 313 De correspondentie betreffende de relaties met F. Teeven en de rijksrecherche Amsterdam bevindt zich in F18.

    fort2_87

    151 De  berichten  die  het  onderzoek  nieuw  leven  inbliezen  liepen  allemaal  half  juni  binnen.303  Zij  waren vervat in de volgende stukken: 1.     Op  17  juni  1997  twee  rapporten  van  de  CID/LRT  over  de  mogelijke  betrokkenheid  van  J.  bij  een Oostenrijkse sporttotalisator en bij een kledingbedrijf; hij zou via deze bedrijven tevens zwart geld witwassen;  beide  bedrijven  zouden  ook  een  zaalvoetbalclub  sponsoren;  verder  zou  een  bekende van  J.  over  vergunningen  beschikken  om  een  gokhal/amusementshal  te  openen;  er  zou  ook  een illegaal gokhuis worden geëxploiteerd. 2.     Op 19 juni ontving het team een proces-verbaal van de CRI dat de letterlijke tekst bevatte van een ambtsbericht dat op 12 juni 1997 door de BVD was opgesteld over wat deze dienst in 1995 uit een doorgaans  betrouwbare  bron  had  vernomen.  Dit  bericht  –  waarbij  de  BVD  zelf  aantekende  dat men   de   genoemde   informatie   niet   zelf   had   onderzocht   en   ook   de   juistheid   ervan   niet   kon beoordelen    –    behelsde    een    heel    aantal    feitelijke    mededelingen.304    Tot    de    voornaamste behoorden: – dat (…) in opdracht van iemand anders zou zijn geïnfiltreerd in het IRT; – dat   hij   onder   toezicht   en   met   instemming   van   het   IRT   grote   aantallen   drugs   op   de Nederlandse en buitenlandse markt zou hebben gebracht; een aantal leden van het IRT zou hieraan hebben meeverdiend; in dit verband was meermaals de naam van L. gevallen; – dat  hij  samen  met  anderen  en  op  grote  schaal  allerlei  winkels  en  horecagelegenheden  zou hebben opgekocht; – dat  hij  samen  met  anderen,  waaronder  L.  en  Van  V.,  vermogen  zou  hebben  belegd  in  een buitenlandse onderneming; – dat   hij   voor   het   wegsluizen   van   drugsgelden   gebruik   zou   hebben   gemaakt   van   een Amsterdamse makelaar. – en  dat  de  FIOD-man  De  J.  betrokken  zou  zijn  geweest  bij  alle  eerder  vermelde  “criminele” handelingen. 3. Op  19  juni  werd  aan  de  landelijk  officier  van  justitie  verzocht  de  verstrekking  te  bewerkstelligen van   de   in   het   MOT-register   opgenomen   gegevens   betreffende   (…)   en   het   eerdergenoemde bedrijf. Op 26 juni meldde het hoofd van het MOT dat een aanzienlijke reeks transacties in relatie tot (…) uit de periode februari – juli 1995 was aangetroffen. Op   18   juni   1997   werd   in   het   team   besproken   welke   bronnen   allemaal   konden/moesten   worden aangeboord    om    de    gegevens    uit    de    CID-rapporten    te    controleren    en    aan    te    vullen.    Deze gedachtenwisseling leverde een indrukwekkende lijst van mogelijkheden op.305 Op 23 juni 1997 werd op  grond  van  deze  rapporten  en  het  bericht  van  de  BVD  door  het  team  besloten  om  de  verdachte verder   te   “bekijken”,   evenals   L.   en   Van   V.,   maar   De   J.   voorlopig   te   laten   rusten   ondanks   diens vermeende   betrokkenheid   bij   vele   zaken.306   Verder   werd   tezelfdertijd   kennelijk   beslist   om   een subjectrapportage op te stellen inzake de “Taartman”. Waarom tot dit laatste werd overgegaan vermeldt het journaal niet.307  Maar  deze  beslissing  werd hoogstwaarschijnlijk  ingegeven  door  het  feit  dat  juist  op  dat  moment  door  de  Zaanse  politie  een Belgische  man  was  aangehouden  in  het  kader  van  een  onderzoek  (Carex  geheten)  naar  handel  in verdovende  middelen.  De  berichtgeving  over  diens  aanhouding  maakte  in  de  media  heel  wat  los, omdat  de  betrokkene  direct  in  verband  werd  gebracht  met  de  “Sapman”  en  de  “Taartman”  waarnaar het   Fort-team   onderzoek   had   gedaan.   Zij   bracht   de   Kamerleden   Koekkoek,   Vos   en   Rabbae onmiddellijk  tot  vragen  aan  de  minister  van  Justitie  of  de  aanhouding  erop  wees  dat  de  saptrajecten uit de IRT-periode nadien waren doorgegaan. Op 22 juli 1997 liet Blok, de waarnemend voorzitter van                                                 303 Voor een overzicht  van  deze  gegevens,  zie  het  proces-verbaal  d.d.  8  januari  1998  betreffende  de  aanvraag  van  een gerechtelijk vooronderzoek tegen J. (F16). 304 Proces-verbaal d.d. 19 juni 1997 (F4). 305 Zie de mutatie in het journaal op 18 juni 1997 (F23). 306 Zie de mutatie in het journaal op 24 juni 1997 (F23). 307 Zie de mutaties in het journaal op 26 juni en 1 juli 1997 (F23).

    fort2_86

    150 wederrechtelijke pad”, van groot belang was allereerst de “huidige stand van zaken” met betrekking tot de onderscheiden subjecten “goed op het netvlies te krijgen”.297 Uitgaande   van   de   eerder   gemaakte   keuzes   werd   in   het     verlengde   van   dit   uitgangspunt   de veronderstelling geopperd dat de kans heel groot was dat J. wederrechtelijk actief was “en als zodanig een  te  realiseren  prooi”.  Het  vertrekpunt  hierbij  was  dat  deze,  “wanneer  hij  in  de  knoei  komt,  zowel strafrechtelijk  als  financieel  middels  ontneming,  zal  willen  praten  over  het  IRT-gebeuren”.  Dezelfde veronderstelling   werd   opgeschreven   ten   aanzien   van   Van   V.   Vervolgens   werd   voor   deze   beide personen  –  in  bijlagen  –  gedetailleerd  uitgewerkt  welke  informatie  over  hun  handel  en  wandel  zou moeten worden verzameld. Bij de andere subjecten werd volstaan met een algemene aanduiding van de te vergaren informatie. Op  grond  van  een  aantal  bronnen  kan  betrekkelijk  gemakkelijk  worden  gereconstrueerd  welke onderzoeksactiviteiten  door  leden  van  het  betrokken  team  in  het  algemeen  werden  ontplooid  om  de bedoelde   gegevens   te   verzamelen.   Het   betreft   hier   met   name   de   mutaties   in   het   journaal,   de verslagen  van  de  teambesprekingen  en  die  van  het  overleg  van  de  leiding  van  de  beide  teams.298 Hieruit blijkt dat de volgende activiteiten centraal hebben gestaan: — de vervaardiging van een mediascan betreffende de voornaamste subjecten; — en    het    opmaken    van    een    analyse    van    de    bedrijven    rond    de    verdachte    en    van    diens reisbewegingen. Verder werd er contact gezocht met diverse diensten om te bezien of zij beschikten over informatie die zou  passen  in  het  projectplan  dat  het  team  voor  ogen  stond.  Hierbij  moet  in  het  bijzonder  worden gedacht  aan  overleg  met  de  FIOD,  de  CRI,  de  BVD  en  het  Prisma-team  in  Haaglanden.  Zij  bleken allen bereid om te onderzoeken of er zich in hun systemen relevante gegevens bevonden. Begin  juni  1997  werd  vastgesteld  dat  er  –  mede  door  de  problemen  met  het  gebruik  van  de verklaringen   die   in   het   Fort-onderzoek   waren   afgelegd   –   nog   onvoldoende   grond   was   om   de betreffende  subjecten  de  status  van  verdachte  ex  artikel  27  Sv.  te  geven.299  Maar  de  situatie  werd desondanks bepaald niet als hopeloos beschouwd. In afwachting van komende berichten van de CRI, de  BVD  en  de  CID  werd  in  de  betrokken  nota  aangegeven  hoe  naar  aanleiding  van  deze  berichten een proces-verbaal zou kunnen worden opgesteld dat – tezamen met gegevens uit andere bronnen – wel   zou   kunnen   dienen   als   grondslag   voor   de   toekenning   van   deze   status.   In   een   nota   van   de teamleider   uit   dezelfde   tijd   werd   een   soortgelijke   koers   uitgezet.300   Hierin   werd   meer   concreet voorgesteld    om    aan    de    hand    van    open    en    gesloten    bronnen    –    en    zonder    gerechtelijk vooronderzoekbevoegdheden  –  een  soort  van  “nulmeting’  aangaande  de  onderhavige  subjecten  te organiseren.  Op  26  juni  1997  werd  ten  aanzien  van  J.  reeds  daadwerkelijk  hiertoe  overgegaan.301 Deze  ontwikkeling  werd  door  Snijders  overigens  met  lede  ogen  bekeken.  Hij  vond  haar  er  vanuit strategisch oogpunt helemaal naast302: “Het LRT stond op de startbaan, maar is nooit op vlieghoogte gekomen. Zij, Noordhoek nam daarin het voortouw, redeneerden vanuit de gedachte dat het Fort-materiaal besmet was en je alleen met een nieuwe zaak iets zou kunnen. Die werkwijze was bepaald niet de opdracht van 060.”                                                 297 Het betreffende document is getiteld “Gedachten voor de tweede fase contra J., Van V. e.a.” d.d. 28 april 1997 (C3). 298 Het  journaal  bevindt  zich  in  F23,  de  verslagen  van  de  teambesprekingen  in  F25,  en  die  van  het  overleg  tussen  de leidingen van de beide teams in F13. 299 Notitie A. Pol d.d. 10 juni 1997 aan de teamleden 96060 (C3). 300 Notitie P. Entken d.d. 10 juni 1997 aan W. van Gemert (C3). 301 Zie het journaal van P. Entken op de genoemde datum (F24). 302 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001.

    fort2_85

    149 op 11 juni een brief van deze strekking.292 Namens de minister antwoordde de plaatsvervangend secretaris-generaal op 23 september 1997 dat zij zich kon verenigen met het verzoek. Wel tekende zij hierbij  aan  dat  zij  er  vanuit  ging  dat  de  informatie  onder  de  werking  van  de  Wet  politieregisters  werd gebracht. Bovendien zouden de afspraken die met de betrokkenen waren gemaakt met betrekking tot de   veiligheid   van   de   informanten   moeten   worden   gerespecteerd.   Verder   werd   opgemerkt   dat   de omschrijving  van  het  doel  van  het  onderhavige  register  zou  moeten  worden  beperkt  tot  de  opsporing van  strafbare  feiten  die  verband  hielden  met  de  uitkomsten  van  het  Fort-onderzoek.  De  rubricering “stg.-geheim”   van   het   Fort-dossier   zou   worden   beëindigd   “met   ingang   van   dagtekening   van   dit schrijven”, dus op 23 september 1997.293 Het advies van 15 mei 1997 omtrent het gebruik van verklaringen en stukken uit het Fort-archief bracht   met   zich   mee   dat   tussen   16   en   21   mei   1997   de   (voorbehouden   en/of   voorwaarden   en/of toezeggingen  bij)  verklaringen  van  een  aantal  personen  die  door  het  Fort-team  waren  gehoord,  door leden  van  het  team  gedetailleerd  werden  onderzocht  op  hun  bruikbaarheid  in  het  licht  van  de  criteria die door de landsadvocaat waren geformuleerd. Uit het verslag van de bespreking die op 16 mei 1997 plaatsgreep valt op te maken dat op dat moment de verklaringen van acht personen leken te kunnen worden “gehaald” (daarom nog niet “gebruikt”) door diverse leden van het team (bij politiemensen door politiemensen, bij de douane en de FIOD door iemand van deze diensten, bij CID’ers door iemand van de  CID,  bij  leden  van  het  openbaar  ministerie  door  Noordhoek).  De  verklaringen  van  twee  personen konden  onder  bepaalde  voorwaarden  wellicht  worden  gebruikt.  En  de  verklaringen  van  de  resterende acht personen konden ofwel niet worden gebruikt ofwel moesten opnieuw worden bekeken.294 Wat     tenslotte     de     toegang     tot     en     het     gebruik     van     het     archief     van     de     parlementaire enquêtecommissie  opsporingsmethoden  betreft  verzocht  Docters  van  Leeuwen  op  24  april  1997  aan het  presidium  van  de  Tweede  Kamer  om  leden  van  onderzoeksteams  inzage  te  verlenen  in  het  niet openbare deel van haar dossiers. Met het oog op de concretisering van een formele positieve reactie vond  er  op  22  mei  1997  overleg  plaats  tussen  Noordhoek  en  enkele  ambtenaren  van  de  Kamer.  Zij kwamen tot de slotsom dat (gescreende) leden van het team onder bepaalde voorwaarden eventueel kennis konden nemen van bepaalde informatie mits deze voorlopig alleen als sturingsinformatie werd gebruikt.295  Op  12  juni  1997  werd  deze  afspraak  door  een  van  de  Kamerambtenaren  vastgelegd  in een brief aan A. Docters van Leeuwen.296 6.4 De onderzoeksactiviteiten van de beide teams 6.4.1 Het verdere onderzoek van spoor 1 Eind april 1997 werd concreet geformuleerd hoe het nadere onderzoek zou kunnen worden ingericht. Het  uitgangspunt  in  een  document  van  28  april  dienaangaande  luidde  dat  het,  gezien  het  feit  dat  het nog   onduidelijk   was   “of   de   eerdergenoemde   subjecten   vandaag   de   dag   nog   actief   zijn   op   het                                                 292 Dit blijkt uit de brief van C. Ficq d.d. 13 juni aan de minister van Justitie betreffende de beantwoording van de vragen van het Kamerlid Koekkoek (F18). 293 Brief minister van Justitie d.d. 23 september 1997 aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal (C4). Uit een brief van A. Docters van Leeuwen d.d. 21 oktober 1997 aan de minister van Justitie over de vraag van nog weer een   andere   raadsman   omtrent   opheffing   van   het   staatsgeheim   blijkt   overigens   dat   de   minister   reeds   bij   de beantwoording d.d. 25 augustus 1997 van de vragen van het Kamerlid Koekkoek had aangekondigd dat de rubricering “stg.-geheim” zou worden beëindigd (C4). 294 Het betrokken verslag betreffende de bespreking van 16 mei 1997 en de daarbij behorende notities bevinden zich in C4. 295 Het verslag van dit overleg is opgenomen in C4. Blijkens een ander verslag in C4 werd op 29 mei 1997 ook nog eens telefonisch overlegd gepleegd tussen de betrokkenen omtrent het standpunt van het presidium. 296 Brief d.d. 12 juni 1997 aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal (F18).

    fort2_84

    148 Maar dit was volgens de betrokken ambtenaar niet het geval: de secretaris-generaal was bevoegd om een dergelijke regeling te treffen.284 Nadat   het   college   van   procureurs-generaal   op   15   april   1997   akkoord   was   gegaan   met   de onderzoeksvoorstellen  schreef  Noordhoek  –  mede  op  verzoek  van  Docters  van  Leeuwen  –  een  brief aan   de   landsadvocaat   waarin   om   opheldering   werd   gevraagd   over   twee   kwesties:   ten   eerste   de mogelijkheden van de Wet en het Besluit politieregisters om gegevens af te schermen en ten tweede over  de  strafprocesrechtelijke  gevolgen  van  het  gebruik  van  verklaringen  die  onder  voorwaarden  zijn afgelegd.285  Tezelfdertijd  werd  door  een  lid  van  het  team  nagegaan  door  wie  in  het  Fort-onderzoek welke   voorwaarden   waren   gesteld   respectievelijk   welke   voorbehouden   waren   gemaakt   voor   het gebruik    van    verklaringen    en/of    rapporten    en/of    gegevens.    Het    bleek    te    gaan    om    zo’n    dertig verklaringen/gegevens en een tiental documenten.286  Het  belang  van  dit  overleg  werd  enkele  dagen later  overigens  aangescherpt  door  vragen  van  de  Kamerleden  Koekkoek  en  Hillen  d.d.  2  mei  1997 naar aanleiding van een bericht in het Haarlems Dagblad van 29 april 1997 dat de minister van Justitie de  Kamer  in  oktober  1996  verkeerd  zou  hebben  voorgelicht  over  het  staatsgeheim  karakter  van  de documenten   waarop   het   deel   van   het   Fort-rapport   over   de   CID   van   de   Haarlemse   politie   was gebaseerd:  een  deel  van  deze  documenten  droeg  volgens  de  betrokken  journalisten  namelijk  al  lang niet meer het stempel staatsgeheim.287  In  het  bijzonder  vroegen  zij  of  het  staatsgeheim  ten  aanzien van  de  betrokken  documenten  geheel  of  gedeeltelijk  was  opgeheven  en,  zo  ja,  door  wie,  voor  welk doel,   via   welke   procedure   en   voor   hoe   lang,   en   waarom   de   minister   dit   desgevallend   niet   had meegenomen in haar antwoord op de eerdere vragen uit oktober 1996?288 In  brieven  d.d.  14  en  15  mei  1997  bracht  de  landsadvocaat  –  in  concept  –  advies  uit  over  de gestelde vragen. Wat de beschermende werking van de Wet en het Besluit politieregisters betreft was zijn  oordeel  in  de  brief  van  14  mei  dat  deze  wetgeving  ook  van  toepassing  is  op  registers  waarin informatie  is  opgenomen  die  het  stempel  van  staatsgeheim  draagt  en  dat  verzoeken  om  inzage  in deze   informatie   dus   steeds   moeten   worden   bezien   in   het   licht   van   de   toepasselijke   bepalingen. Handhaving  van  de  rubricering  “stg.-geheim”  bood  in  de  ogen  van  de  landsadvocaat  dus  geen  extra bescherming   en   in   die   zin   was   er   dan   ook   geen   bezwaar   tegen   de   beëindiging   ervan.289   Met betrekking    tot    de    andere    kwestie    –    de    strafprocessuele    consequenties    van    toezeggingen    – concludeerde de landsadvocaat dat zodanige schending reële complicaties voor de bewijsvoering kon meebrengen en dat voorzichtigheid was geboden.290 Het  advies  van  14  mei  betreffende  de  beëindiging  van  de  rubricering  van  het  Fort-archief  als staatsgeheim  leidde  nog  op  diezelfde  dag  tot  een  brief  van  Holthuis  aan  Gonsalves  waarin  hij  deze niet  alleen  een  kopie  van  dit  advies  deed  toekomen  maar  hem  ook  het  concept  toestuurde  van  een verzoek  –  dat  zou  moeten  uitgaan  van  Docters  van  Leeuwen  –  aan  de  secretaris-generaal  van  het ministerie  van  Justitie  om  deze  rubricering  op  te  heffen.291  Het  college  besliste  in  de  vergadering  van 28  mei  1997  de  secretaris-generaal  te  verzoeken  om  derubricering  van  het  Fort-archief  en  zond  hem                                                 284 Dit laatste is ontleend aan een niet gedateerd memo tussen leden van het team betreffende de rubricering van het Fort- dossier (C4). 285 Brief E. Noordhoek d.d. 18 april 1997 aan de landsadvocaat (C4). 286 Zie de rapporten dienaangaande d.d. 18 april en 23 april 1997 aan E. Noordhoek (C4). 287 De kop boven het stuk in de betrokken aflevering van het Haarlems Dagblad luidde: “Sorgdrager lichtte Kamer foutief in over IRT” (C4). 288 Tweede Kamer, 1996-1997, Aanhangsel Handelingen, nr. 184. De eerdere reeks vragen was gesteld op 11 september 1996. Op 30 juni stelde A. Koekkoek overigens nog ettelijke nadere vragen over het staatsgeheim. In een brief van 2 mei 1997 vroeg ook een advocaat het ministerie van Justitie om nadere informatie over de toepassing van de regeling betreffende het staatsgeheim binnen het departement (C4). 289 Brief landsadvocaat d.d. 14 mei 1997 (C4). 290 Brief landsadvocaat d.d. 15 mei 1997 (C4). In de betreffende map zit ook het definitieve advies d.d. 14 juli 1997. De conclusie   is   evenwel   eensluidend   aan   die   in   het   concept.   Uit   de   brief   van   14   juli   blijkt   dat   de   landsadvocaat ondertussen al contact had gehad met E. Noordhoek betreffende de toepassing van zijn conclusie op de verklaringen in het Fort-archief. In C4 bevindt zich een niet-gedateerde lijst met bespreekpunten/vraagpunten voor de landsadvocaat. 291 Brief H. Holthuis d.d. 14 mei 1997 aan R. Gonsalves (B7)..

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>