• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • fort2_29

    93 formeren  maar  ook  dat  werd  beslist  de  recherchediensten  van  de  Randstedelijke  politiekorpsen  hier niet rechtstreeks bij te betrekken. Gelet op het tumult dat de IRT-affaire had verwekt is deze beslissing tot   op   zekere   hoogte   wel   te   begrijpen.   Hier   staat   echter   tegenover   dat   het   onderzoek   nu   werd toevertrouwd  aan  twee  teams  waarvan  veel  leden  helemaal  niet  vertrouwd  waren  met  de  IRT-affaire en  ook  geen  ervaring  hadden  met  de  complicaties  bij  de  aanpak  van  de  drugshandel  in  het  Westen des  lands  en  die,  voorzover  zij  al  waren  ingevoerd,  hierin  alleen  inzicht  hadden  verworven  via  het onderzoek  van  het  Fort-team  waarvan  de  resultaten  bij  politie  en  justitie  in  de  Randstad  overigens bepaald  niet  onomstreden  waren.  Dat  het  voor  hen  allen  dan  ook  bijzonder  moeilijk  zou  zijn  om  op eigen kracht de complexe en delicate onderzoeken tot een goed einde te brengen die het college voor ogen   stonden,   spreekt   dus   haast   vanzelf.   Zoals   het   eigenlijk   toch   ook   direct   duidelijk   moet   zijn geweest  –  gelet  op  de  vechtlustige  manier  waarop  de  strijdende  partijen  zich  tot  dan  toe  in  de  IRT- affaire  hadden  gedragen  –  dat  de  meest  betrokken  politiediensten  en  parketten  in  de  Randstad  zich niet    gewillig    buiten    spel    zouden    laten    zetten    bij    het    onderzoek    naar    de    affaire    die    hun maatschappelijke positie en onderlinge verhoudingen zo op de proef had gesteld. Integendeel, het lag voor de hand dat zij onophoudelijk zouden proberen in dit onderzoek daadwerkelijk mee te spelen of althans zouden proberen het naar hun hand te zetten. Het besluit van het college op 4 september dat alle  relevante  onderzoeken  in  dit  project  moesten  worden  samengebracht,  was  in  zekere  zin  een terecht besluit omdat er juist ook in de Randstad diverse onderzoeken liepen die alle hun vertakkingen naar  de  IRT-affaire  hadden.  Maar  het  liet  wel  de  vraag  onverlet  hoe  deze  integratiegedachte  zou kunnen   worden   verwezenlijkt   als   de   strijdende   korpsen   en   parketten   geen   eigen   mensen   in   de onderzoeksteams hadden? Of, sterker nog, als zij niet eens werden betrokken bij het overleg over de manier  waarop  het  vervolgonderzoek  naar  de  IRT-affaire  gestalte  zou  moeten  krijgen?  Was  er  dan überhaupt  wel  integratie,  ja  zelfs,  coördinatie  op  welk  niveau  en  van  welke  aard  ook,  mogelijk?  De toekomst zou uitwijzen dat dit niet het geval was. Zelfs het besluit om het onderzoek toe te vertrouwen aan  twee  soorten  officieren  van  justitie  en  twee  soorten  politiemensen  –  zij  die  wel  en  zij  die  niet betrokken  waren  (geweest)  bij  het  Fort-onderzoek  –  moet  achteraf  worden  gekwalificeerd  als  een hoogst ongelukkige beslissing. Want de omstandigheid dat de voorkennis omtrent de IRT-affaire bij de betrokkenen  zo  sterk  uiteenliep  vormde  vanaf  het  begin  een  grote  belasting  voor  hun  onderlinge verhoudingen.   Daarbovenop   kwam   dan   nog   het   feit   dat   bij   de   rijksrecherche   aanvankelijk   het (verkeerde) idee had postgevat dat het vervolgonderzoek, of althans dat deel ervan dat aan Zwerwer was  toevertrouwd,  een  rijksrecherche-onderzoek  zou  zijn.  Want  dit  verkeerde  uitgangspunt  zou  – anders dan Zwerwer in den beginne verwachtte – in een later stadium eveneens zwaar wegen op de voortgang van het project en uitgerekend op die van zijn eigen onderzoek. Het  vorenstaande  laat  zien  dat  de  eenheid  van  gezag  die  werd  gecreëerd  door  de  beide  teams op  te  hangen  aan  het  landelijk  parket  heel  betrekkelijk  was.  Zij  had  immers  geenszins  betrekking  op het  optreden  van  andere  politiekorpsen  of  andere  parketten  die  op  zoek  waren  naar  de  zogezegde onderste  steen  in  de  IRT-affaire.  Hierom  is  het  niet  teveel  gezegd  dat  de  sturing  van  het  onderzoek vanuit  de  top  van  het  openbaar  ministerie  vanaf  het  begin  niet  eenduidig  is  geweest  omdat  zij  over meerdere  sporen  liep.  Holthuis  accepteerde  deze  dubbelzinnige  situatie  omdat  hij  absoluut  niet  de aanstichter  wilde  zijn  van  conflicten  zoals  die  in  de  IRT-affaire  hadden  gespeeld.  Gonsalves  was overigens,  anders  dan  Holthuis,  wel  in  de  positie  om  zijn  gezag  te  laten  gelden  over  alle  betrokken parketten  heen,  dus  ook  over  Amsterdam  en  Haarlem.  Vraag  is  of  hij  deze  mogelijkheid  heeft  benut om  de  integratie  van  de  onderscheiden  onderzoeken  te  bewerkstelligen  of  desnoods  af  te  dwingen? Voor  de  goede  orde  zij  bij  dit  alles  aangetekend  dat  nergens  uit  de  stukken  blijkt  van  een  actieve  rol van de minister van Justitie respectievelijk het ministerie van Justitie in dit stadium van het onderzoek. De situatie was – volgens de notulen van de overlegvergaderingen althans – toen kennelijk veeleer zo dat de top van het departement kennisnam van de besluiten van het college van procureurs-generaal en die stilzwijgend accordeerde.

    fort2_28

    92 grote  rechercheonderzoeken,  laat  staan  zulke  van  het  formaat  naar  de  IRT-affaire.  Terecht  vreesden zij ook dat zulk een onderzoek het LRT gemakkelijk het etiket van een justitiële politie of een tweede rijksrecherche  zou  bezorgen.  Maar  afgezien  hiervan:  met  kracht  van  argumenten  vreesden  zij  dat  de twee  sporen  respectievelijk  de  twee  teams  gemakkelijk  met  elkaar  in  aanvaring  konden  komen  over zowel    de    operationele    doeleinden    als    de    te    volgen    methoden.    En    hun    pleidooi    voor    een heroverweging van de onderzoeksformule was geen slag in de lucht. Verder hadden zij het – al even begrijpelijk   –   ook   moeilijk   met   de   omzetting   van   het   grote   inhoudelijke   doel   in   een   operationele doelstelling  die  strafrechtelijk  uitvoerbaar  was.  Moest  hun  team  het  vizier  richten  op  de  al  dan  niet vermeende groei-informant of op de verdachte politiemensen en de FIOD-man? En hoe moest het dit dan  doen?  Direct  in  hun  richting  terugrechercheren  tot  het  begin  van  de  jaren  negentig  was  zo  goed als  uitgesloten:  bewijs  zou  niet  of  nauwelijks  nog  te  vinden  zijn  en  het  eventuele  bewijs  in  bepaalde belangrijke schriftelijke bronnen – zoals het Fort-archief en het IRT-archief – mocht om uiteenlopende redenen (wellicht) niet worden aangewend. Er zat weinig anders op dan om een omweg te maken, te rechercheren  via  de  tegenwoordige  tijd,  althans  de  tijd  na  1995.  Waarom  het  LRT  er  voor  koos  om het onderzoek eerst te oriënteren op de vermeende groei-informant en pas in een later stadium op de bedoelde  ambtenaren  is  echter  niet  precies  duidelijk.  Het  beriep  zich  voor  deze  keuze  op  een  hele reeks  van  overwegingen  en  risicoschattingen.  Maar  welke  kwesties  hierbij  een  doorslaggevende  rol hebben gespeeld kan niet worden afgeleid uit de stukken. Was het omdat het andere team zich al met name  zou  verdiepen  in  de  integriteitkwesties?  Was  het  omdat  tactisch  rechercheren  op  (voormalige) rechercheurs  in  een  conflictueuze  CID-omgeving  sowieso  uitermate  moeilijk  is?  Waarom  precies  dan ook,  feit  is  dat  reeds  in  dit  preliminaire  stadium  voorzichtig  deze  keuze  werd  gemaakt  en  dat  deze keuze eveneens grote gevolgen heeft gehad voor de loop van het onderzoek. Bij   het   voorgaande   mag   overigens   niet   uit   het   oog   worden   verloren   dat   het   college   begin september eigenlijk voorbijging aan de obstakels die door het LRT en het LBOM waren opgeworpen. Het   verweet   deze   beide   instanties   zelfs   dat   zij   te   defensief   reageerden   op   het   plan   om   hen   het onderzoek te laten doen. In de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 4 september 1996  werd  er  in  elk  geval  geen  woord  gewijd  aan  die  problemen.  Ter  verdediging  kan  misschien worden  aangevoerd  dat  in  de  versie  van  het  onderzoeksplan  die  aan  het  college  werd  voorgelegd  de belangrijkste  gevolgtrekking  van  de  oorspronkelijke  auteurs  niet  was  opgenomen,  namelijk  dat  er  alle reden  was  om  de  beslissing  te  heroverwegen  óók  Zwerwer  een  vervolgonderzoek  te  laten  doen. Zodoende  werd  het  college  immers  niet  frontaal  de  spiegel  voorgehouden  die  de  auteurs  hadden gemaakt  van  het  gevoerde  beleid  en  werd  het  –  achteraf  gezien:  in  het  licht  van  de  latere  opheffing van het team – enigszins teveel gespaard op een moment dat nog een stap terug kon worden gezet. Wel werd zo – onbedoeld – een situatie geschapen die intrinsiek riskant was voor het gehele project: een   team   dat   het   andere   team   eigenlijk   helemaal   niet   zag   zitten.   In   het   verlengde   hiervan   kan eveneens    worden    geconcludeerd    dat    het    college    in    september    1996    evenmin    expliciet    werd geconfronteerd met een andere maar zeker zo belangrijke consequentie die de aanvankelijke auteurs hadden   verbonden   aan   het   gevoerde   beleid,   namelijk   dat   in   de   gegeven   omstandigheden   het onderzoek eerst en vooral zou moeten worden georiënteerd op de vermeende groei-informant en niet op de betrokken ambtenaren. In het algemeen wijzen deze twee voorbeelden op het probleem van de (zeker  ook  hier:  goed  bedoelde)  selectieve  informatievoorziening  aan  het  college  van  procureurs- generaal. Gelet op de mogelijke gevolgen is dit vanzelfsprekend een belangrijk probleem. Het kan er toe leiden dat het beeld dat het college van bepaalde ontwikkelingen breed in het openbaar ministerie of, zoals hier, in bepaalde zaken heeft veel te rooskleurig is en dat hierom niet tijdig of niet adequaat wordt  ingegrepen  waar  dit  –  nogmaals:  met  de  wijsheid  van  achteraf  –  wellicht  geboden  zou  zijn (geweest). Het  college  ging  niet  alleen  voorbij  aan  de  bezwaren  die  werden  ingebracht  tegen  de  gevolgde strategie, maar ook aan die tegen het besluit om het onderzoek te laten uitvoeren door een team van het  LRT  onder  de  leiding  van  Noordhoek  en  Entken  samen  met  een  team  onder  leiding  van  Zwerwer en   Godlieb.   Een   belangrijk   punt   hierbij   is   niet   alleen   dat   werd   beslist   om   twee   aparte   teams   te

    fort2_27

    91 onderste steen” in deze affaire, welke dit ook mocht zijn en hoe die er ook mocht uitzien, nog steeds niet  boven  gehaald.  Docters  van  Leeuwen  –  als  voormalig  hoofd  van  de  BVD  wellicht  extra  gevoelig voor  deze  conclusie  –  was  zich  als  geen  ander  bewust  van  de  noodzaak  van  dit  onderzoek.  Het  is duidelijk  geworden  dat  naar  zijn  mening  een  vervolgonderzoek  op  de  lange(re)  termijn  –  want  hij besefte ook dat het een werk van lange adem zou (kunnen) worden – twee strategische doelen moest dienen: een inhoudelijk doel – de verdere opheldering van de IRT-affaire – en een institutioneel doel – de  uitbouw  van  tactische  en  CID-matige  recherchecapaciteit  op  landelijk  niveau.  En  voor  hem  waren deze   twee   doeleinden   nauw   aan   elkaar   gelieerd:   de   gewenste   duidelijkheid   kon   enkel   worden verkregen  door  middel  van  zulke  capaciteit.  Hiermee  is  meteen  ook  een  van  de  grote  problemen  van het vervolgonderzoek gegeven: aan wie moest het worden toevertrouwd gelet op het feit dat er in de ogen van Docters van Leeuwen eigenlijk geen passende organisatorische voorziening bestond? Maar tevens   werd   op   deze   manier   ook   een   ander   groot   probleem   gesteld.   Wanneer   immers   met   de bestaande  middelen  de  IRT-affaire  wel  kon  worden  opgelost  dan  werd  bewezen  dat  een  landelijk opererende   recherche   minder   hard   nodig   was   dan   Docters   van   Leeuwen   suggereerde.   Werd   zij hiermee niet opgelost, dan werd weliswaar het tegendeel bewezen, maar in zekere zin ten koste van degenen  die  hadden  gefaald.  Met  enig  gevoel  voor  ironie  zou  men  natuurlijk  ook  kunnen  zeggen  dat in relatie tot (een van) de twee strategische doeleinden succes altijd (gedeeltelijk) verzekerd was. Een derde probleem is echter dat degenen die het onderzoek moesten uitvoeren zich bovenal richtten op de   verwezenlijking   van   het   inhoudelijke   doel   en   zich   van   het   institutionele   doel   slechts   zijdelings rekenschap gaven, bijvoorbeeld waar zij vreesden te worden beticht van de opbouw van een justitiële politie  in  Nederland.  Het  laatstgenoemde  doel  heeft  dan  ook  niet  meegespeeld  in  de  planning  en  de uitvoering  van  het  vervolgonderzoek.  Hierbij  moet  men  evenwel  voor  ogen  houden  dat  van  de  kant van het college ook niet werd aangedrongen op zijn operationalisering. Docters van Leeuwen had hier immers bovenal het oog op de politiek aan het Binnenhof. De strategische discussie had dus hoofdzakelijk betrekking op de uitwerking van het inhoudelijke doel: de “olifant” helemaal in beeld brengen en, in de ogen van Docters van Leeuwen, met name ook zijn  financiële  poot:  waar  komt  het  geld  vandaan  en  waar  gaat  het  naartoe?  Dit  bleek  evenwel  van meet af aan niet eenvoudig. Enerzijds niet omdat met de gedachte werd gespeeld dat binnen een en hetzelfde   strafrechtelijk   georiënteerde   onderzoek   twee   onderscheiden   deelonderzoeken   moesten worden  verricht:  één  naar  een  aantal  personen  die  zich  verdacht  hadden  gemaakt,  en  één  naar  het fenomeen  van  de  Colombiaanse  cocaïnehandel  met  het  accent  op  integriteitproblemen  aan  de  kant van  de  Nederlandse  overheid.  Anderzijds  niet  omdat  deze  twee  deelonderzoeken  –  het  ene  een tactisch  onderzoek,  het  andere  een  CID-matig  onderzoek  –  uiteindelijk  niet  werden  toevertrouwd  aan één en hetzelfde politieteam maar aan twee verschillende teams, zij het ook onder het (formele) gezag van dezelfde hoofdofficier van justitie, het hoofd van het landelijk parket. Het risico was dus heel groot dat de twee teams niet alleen op een verschillende manier zouden kijken naar de “olifant” maar er ook heel verschillende onderdelen van zouden zien of dezelfde onderdelen op een heel andere manier in beeld  wilden  brengen.  Dit  risico  was  des  te  groter  omdat  aan  deze  doorstart  van  het  onderzoek  naar de IRT-affaire geen doortimmerd onderzoeksplan ten grondslag lag. Alles bij elkaar genomen was het vervolgonderzoek  immers  op  niet  meer  gebouwd  dan  op  een  stelling  van  enkele  rechercheurs  over wat er gebeurd zou kunnen zijn, geconstrueerd op basis van een beperkt samenstel van aanwijzingen en  feitelijkheden.  Hierbij  moet  worden  aangetekend  dat  deze  rechercheurs  en  hun  stelling  –  er  is sprake  (geweest)  van  parallel-importen  van  verdovende  middelen  uit  Colombia;  de  informant  van  de Nederlandse  politie  heeft  hierbij  dubbelspel  gespeeld  en  de  betrokken  politiemensen  waren  “plat”  – desalniettemin  heel  het  onderzoek  door  een  grote  rol  hebben  gespeeld.  Evenals  hun  vermoeden  dat de ellende eigenlijk was begonnen bij de FIOD. Met  name  de  leiding  van  het  LRT  en  die  van  het  LBOM  waren  zich  terdege  bewust  van  het probleem van de verdeling van het onderzoek over twee teams en van de implicaties hiervan voor het goede  verloop  van  het  onderzoek.  Wellicht  was  hun  gevoeligheid  voor  dit  risico  groot  omdat  beide instanties  nog  maar  net  waren  opgericht  en  nog  geen  enkele  ervaring  hadden  met  het  draaien  van

    fort2_26

    90 noodzakelijk   was   dat   het   team   het   materiaal   ter   beschikking   kreeg   onder   dezelfde   condities   als waaronder  het  werd  verstrekt  aan  de  rijksrecherche.  Hij  voorzag  in  dit  verband  alleen  problemen  met materiaal dat afkomstig was van bijvoorbeeld de korpsbeheerder van Kennemerland. 3.5.3 De instemming van het college en de minister van Justitie Uit  de  notulen  van  de  vergadering  van  het  college  van  procureurs-generaal  op  4  september  1996  – die  voor  het  onderhavige  punt  (punt  3  van  de  15  punten)  overigens  werd  bijgewoond  door  Holthuis, Zwerwer en Noordhoek – blijkt dat het college met de beide onderzoeksplannen instemde.98 Wat  het  eerste  onderzoeksspoor  betreft  stemde  het  college  in  met  het  voorstel  en  besliste  dat alle  onderzoeken  die  in  het  kader  van  dit  vervolgonderzoek  relevant  waren,  hierin  moesten  worden ondergebracht. Ook moest een goede verbinding tot stand worden gebracht met het meineedonderzoek   tegen   L.   en   V.   in   verband   met   hun   optreden   voor   de   Commissie-Van   Traa. Holthuis zou worden verzocht om eventuele problemen te melden bij het college. Voor wat de financiering betreft werd beslist dat die zou gebeuren met BOP-gelden. Verder vond het college dat het team de beschikking moest hebben over alle informatie waarop het “staatsgeheim” berust. “Van een andere orde is de vraag of die informatie is te gebruiken voor de bewijsvoering i.v.m. toezeggingen   die   zijn   gedaan   aan   gehoorden   in   het   “fact-finding”   onderzoek”.   Holthuis   kreeg   de opdracht  mee  om  –  ook  in  relatie  tot  het  meineedonderzoek  dat  volgens  het  college  moest  worden “doorgezet” – de landsadvocaat om advies te vragen op dit punt. Tenslotte werd vastgelegd dat in de overlegvergadering  van  11  september  de  minister  op  de  hoogte  zou  worden  gebracht  van  de  stand van zaken. Met  betrekking  tot  het  voorstel  voor  “het  tweede  spoor  van  het  onderzoek”  werd  in  de  notulen  – afgezien  van  een  personele  kwestie  –  alleen  opgetekend  dat  dit  onderzoek  in  beginsel  een  jaar  zou duren terwijl rond 1 februari 1997 een tussenevaluatie zou plaatsvinden. Verder  werd  door  het  college  besloten  dat  Gonsalves  voor  beide  sporen  als  portefeuillehouder zou optreden. Hierom lag het ook voor de hand dat Gonsalves in de overlegvergadering met de minister van Justitie op  11  september  1996  onder  punt  4  (“Zware  georganiseerde  criminaliteit”,  een  van  de  16  punten) meldde dat er een plan van aanpak was en dat het met veel inspanning mogelijk zou zijn om de beide teams per 1 oktober 1996 te laten starten.99 Verder werden er door Docters van Leeuwen en Ficq nog punten  aan  de  orde  gesteld  zoals  de  aanwijzing  van  de  leden  van  het  openbaar  ministerie  en  de bewijstechnische   problemen   in   verband   met   de   afgelegde   verklaringen.   Ficq   wees   er   overigens uitdrukkelijk   op   dat   in   het   vervolgonderzoek   een   aantal   reeds   lopende   onderzoeken   zou   worden geïntegreerd   Om   welke   onderzoeken   het   concreet   ging   werd   evenals   in   de   vergadering   van   het college  d.d.  4  september  1996  ook  nu  niet  gespecificeerd.  Blijkens  de  notulen  nam  de  minister  deze mededelingen  louter  voor  kennisgeving  aan.  Zij  stelde  er  geen  vragen  bij  en  maakte  er  ook  geen opmerkingen over. 3.6 Conclusie Wie zich de commotie voor de geest haalt die de bevindingen van de Commissie-Van Traa en van het Fort-team  breed  in  de  Nederlandse  samenleving  verwekten  beseft  dat  een  nader  onderzoek  naar  de werkelijke toedracht van de IRT-affaire haast onontkoombaar was. Naar het gevoel van velen was “de                                                 98 Vastgestelde  notulen  van  de  vergadering  van  het  college  van  procureurs-generaal  d.d.  4  september  1996  (B1).   De vastgestelde notulen wijken op dit punt overigens niet af van de conceptnotulen (B2). Verder blijkt uit deze notulen dat deze vergadering ook werd bijgewoond door H. van Brummen en F. van Straelen. 99 Notulen  van  de  overlegvergadering  tussen  de  minister   van  Justitie  en  het  college  van  procureurs-generaal  d.d.  11 september 1996 (C1).

    fort2_25

    89 het   hoofd   LBOM.   Hij   richtte   haar   evenwel   rechtstreeks   aan   het   college   van   procureurs-generaal. Achteraf verklaarde Zwerwer dat, toen hij de notitie van 7 augustus schreef, hij niet wist96: “(…) dat er een notitie lag van Van der Burg en Van Gemert. Achteraf bekeken zou ik er niet aan zijn begonnen als ik dat stuk toen had gelezen.” In  het  begin  van  zijn  notitie  wees  Zwerwer  erop  dat  hij  ten  behoeve  van  het  hoofd  LBOM  een  korte oriënterende  notitie  had  gemaakt  met  betrekking  tot  het  onderzoeksveld  en  dat  hij  die  staande  de vergadering   met   de   procureurs-generaal   ook   zou   uitreiken   maar   dat   hij   haar   na   afloop   van   de vergadering  weer  graag  zou  innemen.  Verder  wees  hij  erop  dat  er  reeds  uitzicht  bestond  op  een locatie  waar  de  beide  teams  konden  worden  ondergebracht.  Het  voordeel  van  een  gecombineerde locatie  was,  aldus  Zwerwer,  dat  zijn  team  voor  het  oog  van  de  buitenwereld  redelijk  anoniem  kon blijven. Tijdens het interview nam Zwerwer overigens weer afstand van dit standpunt97: “Ervan   uitgaande   dat   het   onderzoek   dat   ik   zou   gaan   doen   volstrekt   los   stond   van   het strafrechtelijk  onderzoek,  was  ik  bezig  met  het  zoeken  van  een  eigen  locatie.  Tot  ik  in  de gaten kreeg dat er ook een strafrechtelijk spoor zou gaan lopen op het LRT en dat Entken en Noordhoek ook bezig waren een locatie te vinden. Ik begreep dat mijn tweede onderzoek bij dat andere onderzoek zou moeten worden aangeknoopt. Ik vond dat geen goed idee omdat op    die    manier    de    zachte    informatie    uit    ons    onderzoek    zou    gaan    interfereren    met opsporingsinformatie.” Wat    de    samenstelling    van    het    team    betreft    stelde    Zwerwer    in    zijn    notitie    dat    “gezien    het onderzoeksveld  en  de  te  verwachten  moeilijkheden”  moest  worden  gedacht  aan  een  team  met  een hoogwaardige samenstelling. In overleg met Holthuis deed hij het volgende voorstel: — buiten hemzelf nog een lid van het openbaar ministerie — politieleiding: A. Godlieb (Regio IJsselland) en R. Martena (Regio Drenthe) — coördinator rijksrecherche — adviseur: een commissaris van politie uit de Regio Brabant-Noord — administratieve ondersteuning: 2 personen — analist: P. Schouten (CRI), eventueel nog aangevuld — financieel deskundige: vanuit het LRT — CID-officier van justitie: vanuit het LBOM — rijksrecherche: twee, eventueel drie, medewerkers Als  bijlage  voegde  Zwerwer  de  notitie  van  Pijl  toe  betreffende  de  voorwaarden  voor  deelname  van  de rijksrecherche.  Hij  tekende  hierbij  aan  dat  de  opstelling  van  Pijl  hem  enigszins  formeel  voorkwam  en dat  in  de  praktijk  zou  blijken  dat  te  zijner  tijd  een  wisselwerking  zou  ontstaan  tussen  de  deelnemers van   de   rijksrecherche   en   de   politionele   deelnemers.   Verder   merkte   hij   op   dat   indien   “feitelijk onderzoek”    zou    moeten    worden    verricht    het    noodzakelijk    zou    zijn    om    enkele    zeer    ervaren rechercheurs uit de politie aan het team toe te voegen. Het lag volgens Zwerwer voor de hand daartoe gebruik te maken van het LRT. Wat   de   timing   betreft   stelde   Zwerwer   in   het   begin   van   de   notitie   dat   zij   “een   schets   van   de voorgenomen  activiteiten  gedurende  de  periode  van  1  oktober  1996  t/m  ongeveer  1  februari  1997” bevatte. Om welke activiteiten het concreet gaat wordt in deze notitie echter niet met zoveel woorden gezegd. Er wordt alleen opgemerkt dat ervan moest worden uitgegaan dat de eerste maanden werden besteed    aan    de    inventarisatie    en    analyse    van    het    beschikbare    materiaal    en    dat    het    daarom                                                 96 Interview S. Zwerwer d.d. 16 januari 2001. 97 Interview S. Zwerwer d.d. 16 januari 2001.

    fort2_24

    88 “Het “tweede spoor” (o.l.v. AG Zwerwer), behelzend een verder verkennend onderzoek naar en  naar  aanleiding  van  vooralsnog  onopgehelderd  gebleven  punten  uit  het  rijksrecherche- onderzoek,  zal  vanwege  de  verknochtheid  met  het  tactisch-operationele  onderzoek,  onder het  gezag  van  het  hoofd  LBOM  tot  een  voortdurende  informatie-uitwisseling  en  maximale afstemming  moeten  leiden.  Het  geheel  moet  als  één  onderzoek  worden  beschouwd.  In  de samenstelling van de twee teams zal dat waar mogelijk tot uiting moeten komen.” Niet  minder  belangrijk  is  dat  in  het  plan  van  aanpak  voor  het  college  van  procureurs-generaal  de belangrijkste  conclusie  van  Van  der  Burg  en  Van  Gemert  niet  werd  overgenomen,  namelijk  dat  de hoofddoelstelling  van  het  onderzoek  nog  steeds  niet  duidelijk  was,  maar  dat  zij  er  –  gelet  op  de omstandigheden  –  de  voorkeur  aan  gaven  om  een  onderzoek  te  starten  naar  de  mogelijke  criminele activiteiten  van  de  vermeende  groei-informant  na  1995  en  op  een  later  tijdstip  te  bezien  of  het  moest worden uitgebreid naar de betrokken ambtenaren. De rubrieken die in de notitie van 6 augustus vanzelfsprekend nog ontbraken, hadden betrekking op  de  nadere  invulling  van  fase  1  en  op  de  begroting.  Wat  de  organisatie  van  fase  1  betreft  werd voorgesteld om het team als volgt samen te stellen: — 7 medewerkers van het LRT — 1 medewerker van de CRI (voormalig lid Fort-team) — 1 medewerker van de rijksrecherche (voormalig lid Fort-team) — 1 officier van justitie LBOM (Noordhoek) — 1 parketsecretaris LBOM — 1 administratieve kracht In  totaal  dus  12  personen.  Dit  team  moest  gelet  op  “de  banden  tussen  de  “twee  sporen”  worden gehuisvest  op  dezelfde  locatie  als  waarop  het  andere  team  zou  worden  ondergebracht.  Men  had hiervoor een bepaald gebouw in de buurt van de vestigingsplaats van het LRT op het oog. Verder werd voorgesteld om fase 1 te laten ingaan op 1 oktober 1996 en het team maandelijks te laten rapporteren over de voortgang. De afronding van deze fase en de start van de fasen 2 en 3 werd voorzien voor uiterlijk medio januari 1997. Het  plan  werd  afgerond  met  een  lijstje  van  gevraagde  beslissingen.  Deze  beslispunten  hadden natuurlijk betrekking op de instemming met het plan van aanpak als zodanig en op de instemming met de   volledige   detachering   respectievelijk   beschikbaarstelling   van   de   bedoelde   teamleden,   met   de financiering en met de locatiekeuze. Opmerkelijk is dat afzonderlijk aandacht werd gevraagd voor: — het   doen   stopzetten   respectievelijk   opnemen   binnen   het   onderhavige   onderzoek   van   elders lopende onderzoekstrajecten (behoudens het meineedonderzoek); — een  zo  volledig  mogelijke  toegankelijkheid  van  de  beschikbare  informatie  (hierbij  werd  in  een voetnoot verwezen naar de bronnen die ook al in de notitie van 6 augustus werden vermeld); — en de vaststelling van beleid ten aanzien van voorlichting en omgang met de media. Het plan van aanpak voor het onderzoek van spoor 2 De “Notitie betreffende de start van het REPO-team” van 21 augustus 1996 was wellicht niet de eerste notitie die door Zwerwer werd geschreven. In het interview gaf hij aan dat hij reeds op 7 augustus een startnotitie  vervaardigde  die  op  4  september  1996  door  het  college  werd  besproken.  Maar  het  kan natuurlijk  zijn  dat  de  eerstgenoemde  notitie  een  bewerkte  versie  van  de  laatstgenoemde  was.95  Hoe dan ook, de notitie van de 21e augustus werd door Zwerwer zelf vervaardigd, zij het ook in overleg met                                                 95 Omdat betrokkene ons geen exemplaar van deze notitie ter hand wilde stellen zijn wij niet in de gelegenheid geweest om uit te maken hoe deze twee stukken zich tot elkaar verhouden.

    fort2_23

    87 2 door Holthuis gestuurd naar het college van procureurs-generaal ter behandeling in de vergadering van 4 september 1996. Entken tekende echter al op 29 augustus in zijn persoonlijk dagrapport aan dat het college bij het projectplan van het LBOM had aangegeven dat het wat bijgesteld diende te worden, omdat het te defensief was.93 3.5.2 De stukken voor de vergadering van het college op 4 september 1996 Holthuis stuurde op 28 augustus 1996 dus twee verschillende plannen ter bespreking naar het college van procureurs-generaal. Enerzijds het “Plan van aanpak strafrechtelijk onderzoek 060” en anderzijds de  “Notitie  betreffende  de  start  van  het  REPO-team”.94  Met  het  oog  op  wat  volgt  is  het  van  belang deze beide stukken hier – voor zover nodig – extensief aan te halen. Het plan van aanpak voor het onderzoek van spoor 1 Dit  plan  volgde  niet  alleen  in  grote  lijnen  maar  ook  op  onderdelen  de  notitie  die  op  6  augustus  werd geschreven door Van der Burg en Van Gemert. Hier en daar week het evenwel hiervan af. Voor zover relevant zullen hier alleen de verschillen worden belicht. Wat  de  doelstellingen  betreft  werd  vastgehouden  aan  de  vier  doelstellingen  die  op  6  augustus waren   opgesomd.   Bij   de   eerste   doelstelling   –   vaststellen   of   en   zo   ja   in   hoeverre   de   betrokken ambtenaren  strafbare  feiten  hebben  gepleegd  –  werd  alleen  de  zinsnede  “en  de  eventuele  aanpak daarvan” vervangen door “in een nader vast te stellen periode”. Nieuw   was   de   rubriek   over   de   “onderzoeksfasering”.   Hierin   werd   een   onderscheid   gemaakt tussen   de   projectvoorbereiding,   de   formulering   van   het   projectplan   (“na   vaststelling   operationele doelstelling(en)”) en de projectuitvoering. Bij de eerste fase werd aangetekend dat het ging om: — de bestudering van de beschikbare gegevens; — de    verzameling    van    (eventuele)    aanvullende    informatie    (bijvoorbeeld    uit    andere    lopende trajecten); — de analyse; — en  de  presentatie  en  het  voorstel  voor  operationele  doelstelling(en)  en  de  daarbij  behorende strafbare feiten. De tweede fase zou de volgende stappen omvatten: — de omschrijving van deelprojecten; — de bepaling van de samenstelling van het team en de looptijd; — de inzet van bijzondere middelen; — de begroting etc. En de derde fase sprak als het ware voor zichzelf: uitvoering van het strafrechtelijk onderzoek. In het derde deel van het plan van aanpak werden bijna alle risicofactoren die reeds in de notitie van  6  augustus  waren  aangeduid,  opnieuw  te  berde  gebracht.  Alleen  wat  het  onderdeel  “spreiding (deel)onderzoeken”  betreft  was  de  tekst  aanzienlijk  bijgesteld.  Terwijl  in  de  notitie  van  6  augustus onverbloemd  werd  aangegeven  dat  het  voornemen  om  Zwerwer  een  apart  vervolgonderzoek  te  laten doen moest worden heroverwogen, werd nu geponeerd:                                                 93 Brief H. Holthuis d.d. 28 augustus 1996 aan college van procureurs-generaal (B6). Uit de stukken blijkt overigens niet of  hier  door  P.  Entken  wordt  gedoeld  op  de  eerder  genoemde  vergadering  waaraan  D.  Steenhuis  zou  deelnemen. Overigens is er blijkens de archieven waarover wij beschikken tussen 26 augustus en 4 september geen nieuwe versie van het onderhavige projectplan geschreven. 94 De aanduiding van het LRT-onderzoek met “060” was gebaseerd op de onderzoekscodering die bij het LBOM en LRT op dat moment gebruikelijk was. Voor de benaming “REPO-team” wordt in de stukken geen verklaring gegeven.

    fort2_22

    86 betrokken politiemensen onderzoeksdoel zouden worden en of de verdwenen gelden konden  worden opgespoord. Niettemin,   zo   schreven   zij   tot   slot,   moest   de   projectvoorbereiding   voor   een   strafrechtelijk onderzoek  hoe  dan  ook  ter  hand  worden  genomen.  Zowel  het  LBOM  als  het  LRT  zouden  hiervoor aanvang  september  capaciteit  vrijmaken.  Dit  zou  moeten  leiden  tot  een  verdere  verkenning  van  de genoemde  kwesties  en  de  formulering  van  een  projectopzet  met  een  operationele  strafrechtelijke doelstelling. Deze   notitie   werd   op   12   augustus   1996   door   de   gehele   voorbereidingsgroep   geaccordeerd. Waarbij  nadrukkelijk  werd  aangetekend  dat  –  gezien  de  wenselijkheid  voor  spoor  1  en  spoor  2  “om gescheiden te gaan zitten” – er ook een aparte begroting diende te worden opgemaakt. Twee dagen later bracht Van Gemert, samen met het plaatsvervangend hoofd van het LRT, een apart bezoek aan Pijl, de directeur van de rijksrecherche, om een en ander te bespreken. Over dit gesprek tekende Van Gemert  in  zijn  dagrapport  aan  dat  Pijl  het  eens  was  met  de  punten  in  de  blauwdruk.  Ook  hij  voorzag problemen.   Ze   hadden   eveneens   uitgebreid   gesproken   over   het   tweede   spoor;   dit   zou   voor   Pijl volledig onduidelijk zijn.91 Hier  staat  echter  een  notitie  van  Pijl  aan  Zwerwer  d.d.  13  augustus  1996  tegenover  waarin  hij deze  naar  aanleiding  van  een  gesprek  eerder  op  die  dag  (met  Zwerwer)  schreef  dat  hij  uiteraard bereid was om leden van de rijksrecherche in beginsel beschikbaar te stellen voor spoor 2.92 Zowel de inhoudelijke   informatie   uit   het   Fort-team   als   de   mogelijke   corruptie   waarop   kon   worden   gestuit vormden daarvoor de belangrijkste redenen. Vervolgens  somde  hij  de  voorwaarden  op  waaronder  de  beschikbaarstelling  van  leden  van  de rijksrecherche zou kunnen. Deze voorwaarden waren de volgende: — bij  de  personele  toedeling  moest  rekening  worden  gehouden  met  de  eventuele  assistentie  aan spoor 1; — de    “rijksrecherche-identiteit    en    –entiteit”    zou    herkenbaar    moeten    zijn;    daartoe    zou    een afzonderlijk  deelproject  met  deeltaken  benoemd  moeten  worden  in  het  plan  van  aanpak  voor spoor 2; — er  zou  een  afzonderlijke  deelprojectleider  van  de  rijksrecherche  moeten  komen  die  rechtstreeks moest worden “opgehangen aan de OM-verantwoordelijke die namens het college van PPGG het gezag over het team heeft”; — de deelname werd vooralsnog beperkt tot een half jaar; — de rechtspositionele en beheersmatige condities moesten tevoren worden geregeld, geaccordeerd namens de rijksrecherche en kenbaar worden gemaakt aan betrokkenen; — en   de   directeur   rijksrecherche   moest   van   de   belangrijkste   activiteiten   en   resultaten   van   het deelproject binnen “de mogelijkheden der redelijkheid” op de hoogte worden gesteld. De eensgezindheid tussen het LRT en de directeur rijksrecherche was dus heel wat minder groot dan Van Gemert had opgemaakt uit zijn gesprek met Pijl. Op  22  augustus  besprak  de  leiding  van  het  LRT  opnieuw  het  hele  project.  Tijdens  dit  overleg kwam  naar  voren  dat  een  van  de  procureurs-generaal  niet  zo  gelukkig  was  met  de  blauwdruk.  Het plaatsvervangend   hoofd   van   het   LRT   werd   belast   met   het   schrijven   van   een   notitie   die   voor   het college  geschikt  was  en  waarin  alle  pijnpunten  uit  de  blauwdruk  waren  opgenomen.  Waarschijnlijk  is deze   notitie   nooit   geschreven   omdat   ondertussen   het   LBOM   het   initiatief   had   genomen   om   een projectplan  te  maken  op  grond  van  de  notitie  van  6  augustus.  Dit  plan  werd  op  28  augustus  samen met een notitie van Zwerwer d.d. 21 augustus over de start van het onderzoek in het kader van spoor                                                 91 Het vorenstaande is gebaseerd op het eerder genoemde persoonlijk dagrapport van W. van Gemert (F24). 92 Notitie van D. Pijl d.d. 13 augustus 1996 aan S. Zwerwer (B6). Deze notitie werd ook aan D. Steenhuis doorgefaxt die vanuit het college van procureurs-generaal het toezicht op de rijksrecherche uitoefent. Op 21 augustus 1996 kwam zij binnen op het LBOM. Een en ander blijkt uit de postafdrukken op de onderhavige kopie van deze notitie.

    fort2_21

    85 verwijt  zou  blijven  klinken  dat  politie  en  justitie  onrechtmatig  van  de  verklaringen  gebruik  hadden gemaakt. 2.     Tijdsverloop  en  publiciteit.  Omdat  er  geen  overschakeling  had  plaatsgevonden  van  “fact-finding naar een strafrechtelijk onderzoek” en de verdachten door alle publicaties op de hoogte waren van de  kennis  van  politie  en  justitie,  was  teruggaan  in  de  tijd  bij  een  nieuw  onderzoek  moeilijk  omdat de kans op het vinden van relevante bewijsstukken miniem was geworden. 3.     Spreiding  (deel)onderzoeken.  Aan  de  ene  kant  werd  bij  dit  punt  opgevoerd  dat  er  al  diverse instanties  met  aanverwante  onderzoeken  bezig  waren  (het  CID-matige  onderzoek  te  Den  Bosch en  het  meineedonderzoek  in  Den  Haag)  en  dat  het  oppakken  van  een  vervolgonderzoek  dus vroeg om verregaande afstemming en tevens zou moeten leiden tot het stopzetten van individuele of afzonderlijke activiteiten. Aan de andere kant werd onverbloemd gesteld dat het voornemen om naar     aanleiding     van     de     rapportage     van     de     rijksrecherche     onder     leiding     van     Zwerwer vervolgonderzoek    te    doen    plaatsvinden    –    gelet    op    de    onwenselijkheid    van    gescheiden onderzoekstrajecten  –  diende  te  worden  heroverwogen.  In  aansluiting  hierop  werd  gesteld  dat “volledige  openheid  van  zaken”,  ook  inzake  alle  gegevens  die  onder  het  staatsgeheim  vielen, noodzakelijk  was  voor  een  goede  projectvoorbereiding;  hieromtrent  dienden  nadere  afspraken  te worden gemaakt. 4.     Relatieve   competentie.   Vooralsnog   werd   de   betrokkenheid   van   bepaalde   parketten   –   namen werden    niet    genoemd    –    niet    wenselijk    geacht;    er    zou    moeten    worden    gepoogd    om aanknopingspunten te vinden voor onderbrenging van de zaak bij een (kernteam)parket buiten de Randstad. 5.     Loyaliteit.  Gezien  de  achtergrond  van  sommige  betrokkenen  zou  de  informatie-inwinning  over criminele  subjecten  bij  de  CID’en  met  de  grootste  voorzichtigheid  moeten  gebeuren:  “Er  lijkt  een substantieel collusiegevaar te zijn”. 6.     Beeldvorming.  Een  dergelijk  onderzoek  door  het  LRT  zou  door  de  politie  worden  gezien  als  een onderzoek tegen collega’s en kon mogelijk dus een negatieve uitstraling hebben in de zin van het niet  of  niet  volledig  verstrekken  van  alle  informatie;  dit  kon  ook  een  nadelige  invloed  hebben  op andere  onderzoeken  van  het  LRT.  Daarnaast  zou  het  LRT  ook  het  stempel  kunnen  krijgen  van een justitiële politie of van een tweede rijksrecherche. Verder kwam, zo vonden de opstellers van de  notitie,  het  moment  waarop  invulling  werd  gegeven  aan  de  derde  taak  van  het  LRT  wel  erg vroeg:  ”Het  LRT  en  gedeeltelijk  ook  het  LBOM  heeft  nog  onvoldoende  tijd  gehad  om  haar  eigen positie   volledig   te   kunnen   waarmaken.   Het   afbreukrisico   voor   beide   diensten   wordt   hiermee vergroot”. 7.     Mediabelangstelling.  Het  onderzoek  zou  kunnen  leiden  tot  verhoogde  belangstelling  van  de  pers voor het LRT en het LBOM. Een doordacht voorlichtingsbeleid en ook extra (beveiligings)maatregelen waren dus noodzakelijk. 8.     Voortgang    overige    LRT-onderzoeken.    Gelet    op    de    beschikbare    capaciteit    zou    een    nieuw onderzoek gevolgen hebben voor de voortgang van de (geplande) onderzoeken en tevens nopen tot projectmatige samenwerking met derden. Gelet op wat zou komen was de belangrijkste conclusie die Van der Burg en Van Gemert trokken dat vooralsnog  onduidelijkheid  bestond  over  de  hoofddoelstelling  van  een  vervolgonderzoek.  Zij  wierpen de  vraag  op  wanneer  het  onderzoek  in  de  ogen  van  de  opdrachtgevers  als  succesvol  kon  worden bestempeld. Was daarbij de vervolging van de mogelijke groei-informant maatgevend of ging het (ook) om  een  strafrechtelijk  onderzoek  tegen  de  twee  betrokken  politiemensen  en  hun  eventuele  rol  in  de organisatie? Met een verwijzing naar de hierboven geformuleerde risicofactoren stelden Van der Burg en    Van    Gemert    voor    om    de    werkopdracht    voorlopig    te    beperken    tot    het    uitvoeren    van    het strafrechtelijk  vervolgonderzoek  gericht  op  de  gedragingen  van  de  in  de  analyse  genoemde  burger, aanvangende  op  een  tijdstip  in  1995.  De  analyse  van  het  Fort-onderzoek  zou  hierbij  slechts  als sturingsinfo  worden  gebruikt.  Volgens  hen  was  op  voorhand  niet  met  zekerheid  te  zeggen  of  de

    fort2_20

    84 overwegingen wilden plaatsen. Wij hadden niet de indruk dat heel expliciet over alle facetten was   nagedacht.   Wij   vonden   dat   op   basis   van   een   globale   presentatie   een   te   snelle besluitvorming   had   plaatsgevonden.   Achteraf   bekeken   is   een   aantal   bezwaren   ook   wel bewaarheid. Bijvoorbeeld de problematische verkrijging van informatie.” Entken’s uitlatingen bevestigen deze stellingname88: “Voor  ons  was  het  een  voldongen  feit  dat  het  landelijk  rechercheteam  het  onderzoek  zou moeten  draaien.  (…)  Ja,  waarom  is  er  aan  het  LRT  gedacht?  Dat  komt  omdat  wij  in  onze taakomschrijving   een   derde   taak   hebben,   namelijk   dat   wij   onderzoek   doen   in   nationaal belang.  Wij  hebben  ons  in  die  tijd  op  het  standpunt  gesteld  dat  het  geen  zin  had  ons  nog langer  te  verzetten  tegen  het  feit  dat  het  LRT  dit  onderzoek  zou  moeten  draaien.  Onze instelling  was:  “laten  we  pogen  om  goede  randvoorwaarden  neer  te  zetten”.  We  waren  in opbouw, en van het hele IRT-schandaal wisten wij helemaal niets.” En Van der Burg, die op dat moment als – enige – zaaksofficier was verbonden aan het LBOM en de hierna  te  bespreken  nota  samen  met  Van  Gemert  ondertekende,  verklaarde  eensgelijk  dat  toen  het onderzoek aan het LRT werd toegewezen, zij een nota hebben geschreven89: “(…)  niet  zozeer  om  dat  voornemen  terug  te  dringen,  dat  lag  toen  toch  al  niet  meer  in  de mogelijkheden,  maar  vanuit  het  motto:  een  gewaarschuwd  mens  telt  voor  twee.  Wij  vonden dat risico’s in beeld moesten worden gebracht”. 3.5.1 De notitie van 6 augustus 1996 betreffende het onderzoek van spoor 1 Met het oog op de vervaardiging van de blauwdruk schreven Van der Burg, officier van justitie bij het LBOM, en Van Gemert op 6 augustus 1996 een notitie waaraan hier niet kan worden voorbijgegaan.90 Na een omschrijving van de context waarin deze notitie tot stand was gekomen gingen zij nader in op de   mogelijke   doelstellingen   van   het   onderzoek.   Naar   hun   mening   konden   die   als   volgt   worden geformuleerd: — vaststellen of en zo ja in hoeverre betrokken ambtenaren strafbare feiten hebben gepleegd en de eventuele aanpak daarvan; — strafrechtelijke  aanpak  van  een  door  de  Nederlandse  overheid  ingezette  criminele  infiltrant  en diens   eventuele   organisatie   “die   kennelijk   een   dubbelspel   heeft   gespeeld   ten   nadele   van   de overheid”; — het achterhalen van verdwenen geld; — een combinatie van bovenstaande doelstellingen. Vervolgens somden zij kort de bronnen op waaruit mogelijk gegevens konden worden geput voor het desbetreffende    onderzoek.    Veel    uitvoeriger    werden    door    hen    daarentegen    de    zogenaamde “risicofactoren” besproken. Zij onderscheidden er in totaal acht: 1.     De  status  van  het  basismateriaal.  In  dit  verband  werd  onder  meer  gewezen  op  het  probleem  van de   toezegging   van   de   rijksrecherche   aan   “getuigen   en   betrokkenen”   dat   hun   verklaringen   en gegevens alleen voor het Fort-onderzoek zouden worden gebruikt. Dit was in hun ogen enerzijds een  probleem  omdat  de  beschikbare  informatie  dus  niet  zomaar  kon  worden  gebruikt  als  basis voor  een  strafrechtelijk  onderzoek  en  anderzijds  omdat  zelfs  in  opeenvolgende  procedures  het                                                 88 Interview P. Entken d.d. 16 januari 2001. 89 Interview G. Van der Burg d.d. 5 februari 2001. 90 Notitie G. van der Burg en W. van Gemert d.d. 6 augustus 1996 betreffende “blauwdruk vervolgonderzoek door LRT” (F 24).

    fort2_2

    fort2_19

    83 behoeve   van   een   strafzaak   namens   de   secretaris-generaal   door   een   lid   van   het   college   van procureurs-generaal  genomen  zou  kunnen  worden.84  Deze  afspraak  werd  evenwel  nooit  schriftelijk vastgelegd.  Gonsalves  was  echter,  zo  vervolgde  Borghouts,  wel  degelijk  op  de  hoogte  van  deze afspraak en had dientengevolge geheel bevoegd gehandeld toen hij delen van het betreffende archief ter beschikking had gesteld. 3.5 De concretisering van het gewijzigde scenario Terwijl op het niveau van het college van procureurs-generaal en de minister van Justitie de discussie over  het  strafrechtelijk  vervolg  van  het  Fortteam-onderzoek  werd  afgerond  maakte  het  hoofd  van  het LRT, Van Gemert, reeds een begin met de voorbereiding van de uitvoering van het vervolgonderzoek dat  aan  zijn  team  was  toebedacht:  het  onderzoek  binnen  spoor  1.  Uit  zijn  persoonlijk  dagrapport  en dat  van  de  latere  projectleider  Entken  blijkt  dat  er  voorafgaand  aan  de  vergadering  met  de  minister van Justitie d.d. 10 juli 1996 zowel binnen de leiding van het LRT als met de toenmalige korpschef van het  KLPD,  De  Wijs,  en  ook  met  het  hoofd  van  het  LBOM,  Holthuis,  overleg  werd  gevoerd  over  zowel de  (voorbereiding  van  de)  aanpak  van  dit  onderzoek  als  over  de  risico’s  ervan:  “afbreuk,  gevolgen voor  andere  onderzoeken  en  politieke  en  persbelangstelling”.  Concreet  werd  afgesproken  dat  men eerst   de   analyse   van   de   CRI   zou   bekijken   en   dan   samen   met   het   LBOM   een   projectplan   zou voorbereiden.85 Op 25 juli 1996 vergaderde de leiding van het LRT – die overigens pas op 22 juli de beschikking kreeg  over  een  aantal  exemplaren  van  het  Fort-rapport  –  met  De  Wit  en  Schouten  van  de  CRI  over hun  analyse;  Noordhoek  woonde  deze  vergadering  ook  bij.  Uit  de  aantekeningen  van  Van  Gemert blijkt dat dit overleg voor hem onvoldoende helderheid verschafte over wat er zou moeten (en kunnen) worden  onderzocht.  Er  bleken  volgens  hem  nog  vele  haken  en  ogen  aan  te  zitten  en  de  eventuele opdracht werd niet duidelijk”. Entken verklaarde later86: “De CRI gaf weliswaar in die beginfase een analyse van de situatie, maar het was meer een aan    elkaar    gelijmd    verhaal    dan    een    strafrechtelijke    analyse.    We    wisten    dus    in    die beginperiode niet waar we op in stapten. We vonden de analyses van de CRI eigenlijk meer een plaatje geven van de werkelijkheid dan dat het een goed onderbouwd verhaal was. Het was ook onduidelijk wat vanuit bepaalde aannames werd gezegd of vanuit bestaande feiten werd gezegd.” Hierom   werd   besloten   dat   er   een   nieuwe   vergadering   moest   worden   belegd   en   dat   ook   de rijksrecherche  hiervoor  zou  moeten  worden  uitgenodigd.  Die  vergadering  vond  op  2  augustus  plaats. Het bleek er volgens de aantekeningen van Van Gemert allemaal niet gemakkelijker op te worden. Er werd beslist om een blauwdruk te maken waarin de onderzoeksopdracht en de mogelijke knelpunten werden beschreven. Uit  deze  beslissing  blijkt  dat  de  leiding  van  het  LRT  zich  niet  op  het  standpunt  stelde  dat  zij  zich diende   te   keren   tegen   de   toewijzing   van   het   onderzoek   aan   deze   jonge   eenheid.   Van   Gemert verklaarde hieromtrent87: “De  blauwdruk  was  niet  bedoeld  om  de  discussie  te  bepalen.  Wij  gingen  er  vanuit  dat  de keus  voor  het  LRT  al  was  gemaakt.  Waar  het  wel  om  ging  was  dat  we  graag  nog  wat                                                 84 Brief H. Borghouts d.d. 18 maart 1997 aan F. Slits (B6). 85 Het persoonlijk dagrapport van P. Entken dat de periode 23 april 1996-3 mei 1999 beslaat, bevindt zich in F 24. 86 Interview P. Entken d.d. 16 januari 2001. 87 Interview W. van Gemert d.d. 30 januari 2001.

    fort2_18

    82 Dit  antwoord  bevredigde  Ficq  niet  helemaal.  Hij  vond  het  te  formeel  en  achtte  tegen  de  achtergrond van  het  rapport  van  de  Commissie-Van  Traa  een  meer  inhoudelijke  toets  geboden.  Daarom  –  zo schreef  hij  op  3  juni  1996  aan  de  minister  van  Justitie  –  had  hij  aan  het  college  voorgesteld  om  de gegevens  uit  het  Delta-onderzoek  door  een  ervaren  lid  van  het  openbaar  ministerie  die  niet  in  het Delta-onderzoek   betrokken   is   geweest,   te   laten   toetsen   teneinde   na   te   gaan   welk   deel   van   het materiaal  als  rechtmatig  verkregen  kan  worden  beschouwd  en  dus  nog  beschikbaar  is  als  basis  voor verder onderzoek. Het college, zo rondde hij zijn brief af, stemde op 29 mei met deze benadering in en belastte  Van  Straelen  met  de  analyse  van  het  voorhanden  materiaal.  Naar  verwachting  zou  na  de zomer  een  beslissing  kunnen  worden  genomen.80  In  het  interview  preciseerde  Van  Straelen  dat  hij alleen het verzoek had gekregen om het zogeheten Van der Heiden-dossier te bestuderen en dat het dus81: “(…)  niet  de  bedoeling  (was)  het  gehele  besmette  IRT-dossier  te  bekijken.  Het  onderzoek (…) spitste zich alleen toe op de haalbaarheid van een opsporingsonderzoek.” 3.4.2 Het archief van het Fort-team In verband met het archief van het Fort-team werd in de vergadering van het college van procureurs- generaal op 24 april 1996 opgemerkt dat van verschillende kanten ten behoeve van vervolgonderzoek werd  gevraagd  om  opheffing  van  de  classificatie  “staatsgeheim”  op  het  rijksrechercherapport.82  De vervolgonderzoeken   waarop   werd   gedoeld   hadden   onder   meer   betrekking   op   het   strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke meineed door L. en Van V. ten overstaan van de Commissie-Van Traa, op de  afronding  van  eventuele  opsporingsonderzoeken  in  Kennemerland  en  op  de  afwikkeling  van  een strafrechtelijk   onderzoek   waarin   de   verdachte   stelde   dat   hij   had   geopereerd   als   politie-infiltrant. Overigens  wilde  hijzelf  in  het  kader  van  zijn  onderzoek  naar  het  optreden  van  individuele  leden  van het openbaar ministerie – het onderzoek van de zogenaamde “Equipe Ficq” (zie paragraaf 2.2.4) – op een   gegeven   moment   ook   graag   delen   van   het   achterliggende   archief   inzien.   Uit   de   stukken betreffende    de    onderhavige    periode    valt    niet    op    te    maken    wanneer    en    waarom    het    rapport respectievelijk   het   archief   dat   zware   etiket   kreeg   opgeplakt.   In   de   notulen   van   de   genoemde vergadering  wordt  hierover  met  geen  woord  gerept.  Hierin  wordt  alleen  de  beslissing  van  het  college weergegeven   dat   voor   kennisneming   van   het   rapport   deze   classificatie   niet   behoefde   te   worden opgeheven.  Indien  bepaalde  informatie  uit  het  rapport  in  dossiers  moest  worden  opgenomen,  was opheffing   van   de   classificatie   volgens   de   notulen   mogelijk   op   de   betreffende   onderdelen.   In   een geheime nota aan Zwerwer en Pijl van (vermoedelijk) 4 juni 1996 over de inzage in geheime stukken hernam Gonsalves – in zijn hoedanigheid van portefeuillehouder zware georganiseerde criminaliteit – dit standpunt.83 Er moesten volgens hem vooraf steeds duidelijke afspraken gemaakt worden over de inzage  en  het  gebruik  dat  van  de  informatie  kon  worden  gemaakt.  Ingeval  van  verschil  van  mening daarover  diende  met  hem  te  worden  overlegd  voordat  tot  inzage  kon  worden  overgegaan.  Afspraken ter  zake  moesten  duidelijk  schriftelijk  worden  vastgelegd  en  door  de  feitelijke  beheerder,  Pijl,  worden bewaard. Pas veel later werd, voor buitenstaanders in elk geval, duidelijk hoe de classificatie van het Fort- archief als “staatsgeheim” tot stand was gekomen. In een brief van Borghouts d.d. 18 maart 1997 aan de  Haagse  officier  van  justitie  Slits  die  belast  was  met  het  meineedonderzoek  tegen  L.  en  Van  V., schreef deze dat in overleg met de BVD begin 1996 was afgesproken dat het complete archief van het Fort-team als staatsgeheim gerubriceerd diende te worden en dat een beslissing tot derubricering ten                                                 80 De correspondentie waarnaar hier wordt verwezen bevindt zich in B1. 81 Interview F. Van Straelen d.d. 15 januari 2001. 82 Uittreksel collegevergadering d.d. 24 april 1996 (B7). 83 Nota R. Gonsalves d.d. (vermoedelijk) 4 juni 1996 aan S. Zwerwer en D. Pijl (B6).

    fort2_17

    81 Desalniettemin vroeg hij tezelfdertijd aan Holthuis als hoofd van het LBOM om na te gaan in hoeverre het  opnieuw  entameren  van  een  strafrechtelijk  onderzoek  juridisch  nog  wel  aan  de  orde  zou  kunnen zijn.  Op  grond  van  nader  onderzoek  bij  het  betrokken  kernteam  kwam  Holthuis  te  samen  met  een collega  tot  de  conclusie  dat  deze  vraag  pas  kon  worden  beantwoord  na  overleg  met  collegae  over bepaalde afgeronde onderzoeken. In maart 1996 kwam Ficq – in die tijd procureur-generaal te Amsterdam – op deze kwestie terug. Hij vroeg Holthuis om nadere inlichtingen over onder meer het gebruik van stukken uit het IRT-archief. Op 30 maart 1996 antwoordde deze dat bepaald materiaal inderdaad niet meer kon worden gebruikt en  dat  het  starten  van  bepaalde  onderzoeken  niet  mogelijk  was  zonder  dat  sprake  was  van  nieuwe feiten  en  omstandigheden.  Hij  voegde  hier  aan  toe  dat  andere  opsporingsresultaten,  voor  zover  het hierbedoelde  materiaal  niet  was  “besmet”,  dus  op  onrechtmatige  en/of  onbehoorlijke  wijze  zou  zijn verkregen, opnieuw zouden kunnen worden gebruikt in andere onderzoeken.

    fort2_16

    80 een   goede   vervanger   kreeg   op   het   parket   te   Leeuwarden.77   Holthuis   schatte   de   opstelling   van Zwerwer heel anders in78: “Ja, voor wat betreft de samenstelling is het zo dat Sieb Zwerwer heel eager was om ermee door te gaan. Hij was beschikbaar, hij wilde graag, hij had goede contacten met Docters, en hij kwam dus al snel op spoor 2 terecht.” Achteraf gezien pakte de aanwijzing van deze twee officieren minder gelukkig uit. De spanningen die tussen  hen  beiden  ontstonden  waren  volgens  Holthuis  mede  een  gevolg  van  het  feit  dat  de  een  niet zo’n ervaren officier van justitie was terwijl79: “(…)     Zwerwer     een     enorme     kennisvoorsprong     op     Noordhoek     (had),     en     ook     een senioruitstraling. Hij straalde uit precies te weten wat er gebeuren moest.” 3.4 Het gebruik van de archieven van het IRT en het Fort-team In  het  scenario  werd  er  niet  over  gerept  maar  het  was  ondertussen  wel  een  discussiepunt  geworden dat later in het onderzoek voor heel wat problemen zou zorgen: het gebruik van het archief van zowel het  IRT  als  van  het  Fort-team  in  het  kader  van,  respectievelijk  naar  aanleiding  van  strafrechtelijk onderzoeken. Wat was het geval? 3.4.1 Het archief van het IRT Wat  het  archief  van  het  IRT  betreft  moet  hiervoor  worden  teruggegaan  naar  het  voorjaar  van  1994. Toen   werd   door   een   officier   van   justitie   in   een   bericht   d.d.   14   maart   aan   de   ressortvergadering Amsterdam onder meer voorgesteld om een bepaald onderzoek door het kernteam Randstad Noord & Midden te laten verrichten op basis van geheel nieuw en “onbesmet” informatiemateriaal en dus – met andere  woorden  –  bepaalde  “besmette”  gegevens  niet  hiervoor  te  gebruiken.  In  een  departementale discussie  over  bepaalde  openbare  verhoren  door  de  Commissie-Van  Traa  in  het  najaar  van  1995 kwam  deze  kwestie  opnieuw  ter  sprake.  Hierop  berichtte  Vrakking  op  23  oktober  1995  aan  Van Randwijck   (op   diens   verzoek)   dat   er   bij   zijn   weten   geen   besluit   van   de   ressortvergadering   ten grondslag  lag  aan  de  beslissing  om  bepaalde  gegevens  “apart”  te  laten  zetten.  De  Beaufort  ging  in zijn antwoord d.d. 24 oktober 1995 iets explicieter in op de gang van zaken: “Het  is  juist  dat  bedoelde  gegevens  apart  zijn  gezet  en  niet  meer  worden  gebruikt  (…).  De beslissing  is  genomen  in  ressortelijk  verband  in  de  maanden  februari  en  maart  1994.  De ratio vormde dreigende procesrisico’s die een inktvlekwerking zouden hebben in het gehele land.” In zijn brief aan de minister d.d. 27 oktober 1995 gaf Van Randwijck nog wat meer tekst en uitleg: “De   reden   voor   het   apart   zetten   van   de   informatie   is   geweest   de   vrees   voor   eindeloze herhalingen    door    raadslieden    in    rechtszaken    over    vermeend    gebruik    van    informatie afkomstig  uit  het  Delta-onderzoek  (…)  en  procesrisico’s  zoals  eventuele  niet-ontvankelijk verklaringen  indien  mocht  blijken  dat  informatie  uit  het  Delta-onderzoek  zou  zijn  gebruikt  in een bepaalde strafzaak.”                                                 77 Interview S. Zwerwer d.d. 16 januari 2001. 78 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001. 79 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001.

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>