79 het belang van deze twee punten voor het verdere onderzoek is het aangewezen om de passages in “versie 2” die hierover handelen, letterlijk te citeren: “Het hiervoor bedoelde operationele onderzoek zal kunnen worden uitgevoerd door (een gedeelte van) het LRT onder gezag van het Hoofd LBOM (koppeling met spoor 2), onder leiding van een op het LBOM gedetacheerde zaaksofficier (…). Hierover is inmiddels overeenstemming bereikt met de korpschef van het KLPD. Deze oplossing biedt een aantal voordelen: gezag en beheer over het team zijn reeds geregeld, er is een goede werklocatie voorhanden (…), het onderzoek past in twee van de drie aandachtsvelden van het LRT (financieel rechercheren en incidenteel onderzoek van nationaal belang) en eventuele tijdelijke aanvulling van het LRT kan zeer waarschijnlijk binnen het KLPD worden gevonden, zodat er geen rechtspositionele problemen ontstaan. Wat het LBOM betreft: er zal een geschikte zaaksofficier moeten worden gevonden, die op het LBOM gedetacheerd wordt voor de duur van het onderzoek, alsmede bijbehorende ondersteuning. Het laat zich overigens aanzien, dat deze O.v.J. na afloop van de detachering vast aan het LBOM verbonden zal kunnen worden, omdat uitbreiding met een zaaksofficier so wie so voor de loop van 1996 gepland is in verband met de huidige onderzoeksportefeuille van het LRT.” De zaaksofficier die voor dit onderzoek werd aangetrokken was Noordhoek. Een van de overwegingen voor Holthuis om voor Noordhoek te kiezen – die op dat moment was verbonden aan het Amsterdamse parket – was73: “(…) dat hij afkomstig was van de FIOD en dus op het gebied van het financiële rechercheren goed was ingeschoten. Een van de drie doelstellingen van het hele onderzoek betrof de vraag: “waar is het geld gebleven?” Volgens Noordhoek zelf was het ook een belangrijk punt74: “(…) dat de zaaksofficier niet “besmet” was door de IRT-affaire. Vrakking vond het daarnaast heel positief dat er een officier uit Amsterdam op dit onderzoek werd gezet.” Opmerkelijk hierbij is dat toen Noordhoek werd gepolst voor dit officierschap hij tot zijn verbazing moest vaststellen dat er “ook nog een spoor 2 was”. En het verbaasde hem evenzeer dat er wel werd gesproken van een tweede officier naast Zwerwer maar dat er in het geheel niet werd gepraat “over een tweede man die met mij het onderzoek zou moeten gaan doen”. 75 Wat spoor 2 betreft behelsde “versie 2” van het scenario alleen een nadere personele invulling van de plannen. Expliciet werd gesteld dat ook voor dit onderzoek een team noodzakelijk was. Dit team zou moeten staan onder het gezag van het hoofd LBOM. Zwerwer was gevraagd en bereid gevonden de leiding van dit onderzoek op zich te nemen.76 Deze verklaarde in zijn interview dat hij pas “na lang wikken en wegen” had ingestemd met het desbetreffende verzoek. Zijn voorwaarden waren dat hij een goede plaatsvervanger kreeg, dat hij zelf het team mocht samenstellen en dat hij 73 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001. 74 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001. 75 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001. 76 Deze “versie 2” bevindt zich in B8. Blijkens de mutaties van W. van Gemert in het persoonlijk dagrapport dat hij van 29 juni 1996 tot 15 oktober 1996 heeft bijgehouden hebben H. Holthuis en R. Gonsalves de toedeling van het onderzoek aan het LRT vermoedelijk op 29 juni 1996 besproken met de korpschef J. de Wijs van het KLPD te Driebergen (F 24).
78 Deze aanpassingen waren dus bepaald niet gering: een zekere ontkoppeling van de beide onderzoeken op het niveau van het openbaar ministerie en de mogelijke inschakeling van het LRT voor het onderzoek in spoor 1. Waardoor of door wie deze belangrijke alternatieven werden ingegeven valt niet op te maken uit de beschikbare stukken. Duidelijk is wel dat Gonsalves een uitgesproken voorkeur had voor de inzet van het LRT. In de brief die hij als portefeuillehouder georganiseerde criminaliteit op 24 juni 1996 schreef aan het college van procureurs-generaal, adviseerde hij het college met betrekking tot spoor 1 te kiezen voor het alternatief een deel van het LRT met het onderzoek te belasten onder het gezag van het LBOM onder leiding van een op het LBOM gedetacheerde zaaksofficier, in de wetenschap dat het LRT voor dat onderzoek op detachementbasis tijdelijk zou moeten worden versterkt vanuit een of meer kernteams en de FIOD. Waarom dan toch deze keuze? Het voordeel van dit alternatief, zo schreef Gonsalves, boven de optie om dit onderzoek te doen uitvoeren door het kernteam NON was dat spoor 1 en spoor 2 beide onder het gezag van het LBOM konden worden uitgevoerd en dat dit voor een optimale onderlinge afstemming van groot belang moest worden geacht. Het voorstel om spoor 1 door het kernteam NON onder het gezag van het hoofd LBOM te doen verrichten zou, zo vreesde hij, kunnen leiden tot bezwaren van de kernteam-driehoek. Daarenboven liet Gonsalves weten dat hij zich met het scenario voor spoor 2 kon verenigen.69 Holthuis voelde er wel voor – zoals we eerder zagen – om het onderzoek toe te vertrouwen aan een team van buiten de Randstad maar hij was er daarentegen niet voor om het LRT in te schakelen. Waarom niet? 70: “Ik heb in het begin gepleit voor een ander team dan het LRT. Het LRT was in opbouw. Ik vond het geen geschikt moment om in die fase al zo’n onderzoek op te pakken. Ik heb ook Van der Burg en Van Gemert een nota hierover laten schrijven.” 3.3 De goedkeuring van “versie 2” door het college van procureurs-generaal en de minister van Justitie Blijkens de notulen van de vergadering op 26 juni 1996 nam het college het advies van Gonsalves over.71 Er werd afgesproken dat Gonsalves samen met Holthuis zou zorgen voor de nadere uitwerking van de voorstellen. Zij zouden tevens een notitie met hoofdlijnen maken ten behoeve van overlegvergadering op 10 juli 1996. De vergadering waarop hiervoor wordt gedoeld, was de overlegvergadering van de minister van Justitie en het college van procureurs-generaal. Het scenario stond op de bewuste dag – 10 juli – in een aangepaste versie inderdaad op de agenda (punt 4 b). Alle deelnemers beschikten dus over de tekst. Blijkens het verslag van deze vergadering werd er echter niet over gediscussieerd. Het bleef bij een voorstelling van het scenario door Docters van Leeuwen.72 Het scenario dat op 10 juli aan de minister werd voorgesteld – en dat fungeerde als de “notitie met hoofdlijnen” waarover op 26 juni in het college van procureurs-generaal was gesproken – was in meer dan één opzicht aangepast aan het besluit van het college van procureurs-generaal van die dag. Deze nieuwe versie – “versie 2” d.d. 1 juli 1996 – werd op 2 juli gefaxt aan Docters van Leeuwen. Wat spoor 1 betreft was zowel de toedeling van het betrokken onderzoek aan het LRT verwerkt in de plannen als ook de relatie met het landelijk bureau openbaar ministerie concreter ingevuld. Gelet op 69 Brief R. Gonsalves d.d. 24 juni 1996 aan het college van procureurs-generaal (B8). 70 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001. 71 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 26 juni 1996 (B1). 72 Het desbetreffende deel van de notulen bevindt zich in B1.
77 “(…) indringend en voortvarend door te gaan waar het Fort-team is geëindigd Voorgesteld wordt om het werk gedurende 6 maanden intensief te doen en daarna de balans op te maken en verdere keuzes voor de aanpak te maken. Dan ook bestaat, naar het oordeel van de opstellers van deze notitie, beter zicht op de wenselijkheid c.q. de noodzaak om ook de BVD in te schakelen. Ook kan dan beter worden bekeken of het dan in te zetten traject van langere duur en/of (…) moet zijn.” Deze aanpak vloeide kennelijk niet alleen voort uit overleg tussen Docters van Leeuwen en Zwerwer, respectievelijk Holthuis en Zwerwer maar ook uit contacten tussen Zwerwer en zijn toekomstige teamchef Godlieb. Deze laatste zei in het interview67: “Ik kende Zwerwer als officier van justitie in Zwolle. Hij kwam in de zomer van 1996 naar mij toe met de mededeling dat hij een teamleider zocht voor een “tricky” onderzoek, een onderzoek dat politiek gevoelig lag en dat eventueel jaren kon duren, wellicht 3 à 4 jaar. Ik was toen ad interim plaatsvervangend korpschef van de regio IJsselland en heb dat met Jan Wilzing besproken. Het lag tamelijk moeilijk. Wilzing heeft me ook gewaarschuwd voor de risico’s, maar uiteindelijk zijn we er toch uitgekomen. Zwerwer had ook al een idee voor een tweede man en toen hebben we met z’n drieën gesproken over dat onderzoek. Want er lag met name geen duidelijke onderzoeksopdracht. Wij zijn toen bij Docters van Leeuwen geweest en die gaf ons duidelijk te kennen dat het voor hem echt niet alleen om de IRT- affaire ging, maar dat er volgens hem een veel breder vraagstuk aan de orde was. Voor ons was er in elk geval wel onmiddellijk de vraag: hoe krijgen we de opdracht helder en wat voor team is er nodig om die uit te voeren, hoe bouw je zo’n team? Ons idee was, gezien ook de vaagheid van de opdracht, om met een klein team, met hooggekwalificeerde medewerkers, te beginnen.” 3.2.2 Enkele belangrijke aanpassingen Zoals eerder werd aangegeven stuurde Holthuis twee dagen later een “enigszins aangepaste” versie van dit scenario aan de beide procureurs-generaal.68 De aanpassingen gingen evenwel verder dan de woordkeus in de aanbiedingsbrief suggereerde. Zij hadden bovenal betrekking op spoor 1 maar raakten natuurlijk als vanzelf het gehele scenario: — als een voordeel van de optie om het onderzoek te laten uitvoeren door het Groningse deel van het kernteam NON werd naar voren gebracht dat er in dit geval sprake was van een op elkaar ingespeeld team inclusief officier van justitie en teamleider; — bij de situering van het team in de buurt van Zwolle werd aangetekend dat dan ook de hoofdofficier Zwolle als kernteam-hoofdofficier van justitie van het kernteam NON de aangewezen hoofdofficier (zou) kunnen zijn; dan werd wel de directe koppeling tussen spoor 1 en spoor 2 losgelaten; die koppeling zou echter ook op het niveau van het college (portefeuillehouder Zwacri) gelegd kunnen worden; — een alternatief was om (een deel van) het LRT met het onderzoek te belasten, onder gezag van LBOM en onder leiding van een op het LBOM gedetacheerde zaaksofficier (…); het voordeel van deze optie was de koppeling met spoor 2; het nadeel was dat het LRT duidelijk in opbouw was en zo volledig werd bezet. 67 Interview A. Godlieb d.d. 1 februari 2001. 68 Brief H. Holthuis d.d. 21 juni 1996 aan A. Docters van Leeuwen (B8).
76 “Spoor 1 zal een operationeel strafrechtelijk onderzoek zijn contra de verdachte. Strafbare feiten: overtreding van art. 140 Sr. en art. 10 Opiumwet. Daarnaast is er op basis van de geanalyseerde gegevens voldoende aanleiding voor een apart financieel traject. Zoals de gegevens thans luiden, zou direct gestart kunnen worden met het vorderen van een gerechtelijk vooronderzoek.” Wat de organisatie van dit onderzoek betreft werd voorgesteld om het te laten uitvoeren door (een gedeelte van) het kernteam Noord- en Oost-Nederland (KT NON), meer in het bijzonder het gedeelte dat was gestationeerd in Groningen, inclusief de betrokken officier van justitie en de vaste teamleider van de politie. Een van de overwegingen van Holthuis hierbij was64: “(…) dat dit onderzoek weg uit de Randstad moest worden verricht. Het leek mij een goed idee om het reeds ingewerkte kernteam Noord- en Oost-Nederland, onder leiding van (…) die een goed teamhoofd is, aan het onderzoek te zetten. Weg uit de Randstad, weg van de besmettingshaard.” In tijd gezien meenden de opstellers van het scenario dat het onderzoek van relatief korte duur zou moeten zijn, bijvoorbeeld tussen een ½ en 1 jaar. Het onderzoek binnen spoor 2 Dit spoor zou volgens hetzelfde scenario een65: “(…) los van het hiervoor beschreven operationele onderzoek te starten verkennend opsporingsonderzoek (moeten behelzen), dat begint daar waar het Fortteam is geëindigd. De gepresenteerde analyses laten nog een aantal vragen onbeantwoord. Het is noodzakelijk om zoveel mogelijk van die vragen beantwoord te krijgen, alvorens te beslissen hoe dit traject verder zijn beslag zal moeten krijgen.” Met betrekking tot de organisatie van dit onderzoek werd door de auteurs een team noodzakelijk geacht dat eveneens onder het gezag van het LBOM zou staan. De teamleiding zou moeten worden gevormd door een advocaat-generaal of een officier van justitie 1e klasse, die daarvoor voorlopig een half jaar werd vrijgesteld, die beschikte over CID-ervaring, politieke feeling had, en aan wie een speciale CID-officier zou worden toegevoegd. Wat de inbreng van de politie betreft zou het team moeten bestaan uit een teamleider, met grote ervaring en communicatief ingesteld, 1 of 2 misdaadanalisten, 1 à 2 rijksrechercheurs met ervaring in het Fort-team en 1 of 2 (informatie)rechercheurs. Voor de samenstelling van dit team zou moeten worden teruggegrepen op de mensen – zowel officieren van justitie als politieambtenaren – die deel hadden uitgemaakt van het Fort-team. Het team zou rechtstreeks, zij het via het hoofd LBOM, verantwoording moeten afleggen aan een van de leden van het college van procureurs-generaal. Het team zou moeten opereren op een afgeschermde locatie in het centrum van het land, bij voorkeur in een bepaalde marechausseekazerne. Het zou eveneens selfsupporting dienen te zijn, ook wat betreft de materiële middelen. Aangaande de planning dachten de schrijvers van het stuk dat het team de opdracht moest krijgen om66: 64 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001. 65 Scenario van een strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de bevindingen van het Fort-team d.d. 19 juni 1996 (B6). 66 Scenario van een strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de bevindingen van het Fort-team d.d. 19 juni 1996 (B6).
180 heeft over zijn collega-hoofdofficieren in (dit deel van) het land, zou kunnen instaan voor de nodige coördinatie tussen de diverse onderzoeken. Er is dus meer dan één reden om het beleid van het college van procureurs-generaal ten aanzien van de inrichting, de start en het eerste verloop van het post-Fort-onderzoek kritisch te bezien. Dit mag echter niet verhullen dat het college zich in de voorbije jaren op een naar verhouding zeer intensieve manier met dit onderzoek heeft beziggehouden: alle belangrijke beslissingen met betrekking tot het verloop van het onderzoek werden door het college – in samenspraak trouwens met de minister van Justitie – genomen, bij tijd en wijle liet het college zich direct voorlichten door de onderzoekers, een van de procureurs-generaal kreeg speciaal de verantwoordelijkheid voor het onderzoek toebedeeld en de voorzitter van het college beraadslaagde veelvuldig rechtstreeks met sommige onderzoeksleiders en onderzoekers over de voortgang van hun werk. Waarom dan toch die teleurstellende bevindingen met betrekking tot de strategie, de organisatie en hiermee ook de (voorlopige) uitkomst van zulk een belangrijk onderzoek? Vanuit het perspectief van het college bezien spelen tenminste de volgende factoren hierbij een rol. Ten eerste dat er bij herhaling cruciale besluiten werden genomen op grond van impressies in plaats van doorwrochte analyses: het vervolgonderzoek werd opgezet op grond van een paar A4tjes van enkele rechercheurs en het werd anderhalf jaar later op niet veel steviger basis tussentijds beoordeeld. Ten tweede dat het college – ondanks alle bemoeienissen met post-Fort – toch niet volledig en grondig genoeg werd geïnformeerd respectievelijk zich liet informeren over wat er leefde bij de verschillende partijen en over de werkelijke samenhang en voortgang van de diverse deelonderzoeken: in zijn discussie over de inrichting van het onderzoek bleven enkele belangrijke bezwaren van de kant van het LRT en het landelijk parket sterk onderbelicht, terwijl in de discussie over de voortgang van alle onderzoeken de hoofdofficieren in de richting van het college meer eensgezindheid tentoonspreidden dan er in feite bestond; de wet van de selectieve informatievoorziening naar de top van organisaties geldt dus ook voor het openbaar ministerie. Bij de twee voorgaande opmerkingen sluit ten derde nauw aan dat het college (deel)onderzoeken eigenlijk te lang liet lopen zonder om informatieve tussenbalansen te vragen en de opstellers ervan desnoods te verplichten tot minutieuze verantwoording voor beweringen, bevindingen en conclusies, eventueel ook ten overstaan van kritische buitenstaanders. Tot slot past het om helemaal op het begin terug te komen: op de discussie in het voorjaar van 1996 omtrent de wijze waarop er een vervolg moest worden gegeven aan de resultaten van het Fort- onderzoek. Hiervoor is opnieuw tot uitdrukking gebracht dat in het college, en zeker bij Docters van Leeuwen, de gedachte leefde dat niet alleen via een strikt strafrechtelijk onderzoek de bekende “onderste steen” – dat “iets” waarover in juni 1997 nog met zoveel verbetenheid werd gesproken – boven de grond kon worden gehaald. Vandaar dat er een spoor 2 naast spoor 1 werd georganiseerd. De opheffing van dat tweede spoor leidde er als vanzelf toe dat nog hogere verwachtingen moesten worden gesteld aan spoor 1 en werkte evenzo gemakkelijk in de hand dat er ruimte werd geschapen voor vervangende sporen (3 en 4), die eveneens meer op een intelligence-achtige manier de IRT- affaire meenden te kunnen/moeten oplossen. Dit betekent dus dat het dilemma waarmee in het begin van het onderzoek werd geworsteld in de tweede helft van 1997 nog steeds onverkort speelde. En dit roept de fundamentele vraag op of het niet beter was geweest wanneer het vervolgonderzoek in eerste instantie volledig buiten de strafrechtelijke sfeer was gehouden en was toevertrouwd aan een groep van onderzoekers uit de hoek van de (criminele en politieke) inlichtingendiensten. En dat er pas een strafrechtelijk onderzoek was opgestart als die groep voldoende gegevens zou hebben aangedragen voor een strafrechtelijk vooronderzoek tegen bepaalde personen. De ironie wil immers in zekere zin dat de doorstart van spoor 1 in de zomer van 1997 bovenal te danken was aan berichten uit die hoek!
179 Conclusie deel I Wat in een terugblik over de periode maart 1996 – november 1997 op strategisch niveau ten eerste in het oog springt, is niet alleen dat de institutionele doelstelling van het vervolgonderzoek eigenlijk niet werd geconcretiseerd, maar dat ook zijn inhoudelijke doelstelling in die novembermaand nog verre van bereikt was. Na maanden van moeizaam rechercheren was het LRT-team er toen pas in geslaagd om een deugdelijke grondslag voor een gerechtelijk vooronderzoek tegen slechts één van de oorspronkelijk zes onderzoekssubjecten bij elkaar te puzzelen; nader onderzoek in de richting van de al dan niet vermeend corrupte overheidsdienaren lag op dat moment niet in het verschiet. De oorzaken van deze trage gang van zaken werden door Van Gemert en Van der Burg eigenlijk al in hun “blauwdruk” van augustus 1996 geformuleerd: omdat veel (potentieel) direct bewijs niet (meer) voorhanden was en bepaalde belangrijke bronnen van bewijs niet of nauwelijks konden worden gebruikt kon er alleen maar via een omweg terug naar de tijd van de IRT-affaire worden gerechercheerd. En dit moest dan ook nog gebeuren door een relatief klein team-in-oprichting dat als zodanig in het geheel niet vertrouwd was met deze affaire. Het gaat dan ook niet te ver om te stellen dat de beslissing van het college van procureurs-generaal om het LRT alleen het strafrechtelijk vervolgonderzoek te laten doen niet zo’n gelukkige beslissing was. Evenmin was het verstandig dat het onderzoek werd opgesplitst in twee deelonderzoeken met elk een eigen team. Gelet op de grote verscheidenheid aan zowel strafrechtelijk relevante als strafrechtelijk irrelevante vragen die overbleven na het Fort-onderzoek viel er in het begin misschien wel wat te zeggen voor een dergelijke – ook organisatorische – verkaveling van het onderzoek. Maar men had zich ook toen al meer rekenschap kunnen en moeten geven van de complicaties die de bedachte constructie met zich bracht inzake onder meer de inbedding van de beide teams in de politiële en justitiële organisatie, de toegang van hun leden tot alle mogelijke bronnen, de wederzijdse coördinatie van gevoelige onderzoeksactiviteiten en de presentatie van het gezamenlijke onderzoek naar “het veld”. Met allerhande risico’s vandien: conflicten tussen de teams, huiver bij politie en justitie om medewerking te verlenen, et cetera. Tezamen met de onduidelijke onderzoeksopdracht en de aanzienlijke problemen bij de kwantitatieve en kwalitatieve bemensing van de beide teams – zowel op politieel niveau als op justitieel niveau – hebben deze moeilijkheden er uiteindelijk voor gezorgd dat het team van spoor 2 maar bleef zwerven en na een jaar diep gefrustreerd moest worden opgedoekt omdat het op dood spoor was geraakt. Ook het besluit om de korpsen en parketten van Amsterdam en Haarlem die rechtstreeks belanghebbenden waren bij (de uitslag van) het vervolgonderzoek noch formeel noch materieel een rol te laten spelen in (de besluitvorming over) de organisatie en werking van dit onderzoek laat zich op het eerste zicht goed verdedigen: waarom het vanaf het begin belasten met hun onderlinge conflicten? Hier staat echter tegenover dat – gelet op wat er was voorgevallen na de Commissie- Wierenga en de Commissie-Van Traa – niet mocht worden verwacht dat zij zich onbetuigd zouden laten en, ondanks de beslissing van het college om alle relevante onderzoeken te integreren in het nieuwe onderzoek, toch niet zouden proberen om hun eigen onderzoekslijnen uit te zetten. Dit is dan ook wat zij volop hebben gedaan en wat – mirabile dictu – door (de voorzitter van) het college van procureurs-generaal bovendien werd geaccepteerd en zelfs gestimuleerd. De gevolgen hiervan laten zich raden: onophoudelijk spanningen en conflicten tussen de diverse sporen ten detrimente van het officiële onderzoek, met name op het punt van de te volgen strategie en tactiek en de uitwisseling van informatie. Waarbij onmiddellijk moet worden aangetekend dat de meer en minder verdoken operaties die vanuit Amsterdam en Haarlem werden opgezet om de IRT-affaire op te helderen in de hier besproken periode evenmin tot enig resultaat hebben geleid. Deze feiten roepen dus al met al de vraag op of het wel zo wijs was om het vervolgonderzoek zonder de “Randstad” te organiseren en desalniettemin te verwachten dat het hoofd van het LBOM die in geen enkel opzicht iets te vertellen
178 kennelijk optimistisch. En zij werden tijdens en na de vergadering wellicht ook gesterkt in dat gevoel door het feit dat zij samen met de betrokken hoofdofficieren van justitie gemakkelijk besluiten konden nemen over lastige kwesties als het gebruik van het IRT-dossier en de uitvoering van het “Schilderstraject”. Op die manier leek het er immers op dat de progressie die er was kon worden volgehouden. Waarom dan nog vragen om grondiger verantwoording voor wat er gebeurd was en nog moest gebeuren? Een deel van de besluiten die werden genomen mikten wel op het behoud van samenhang tussen de verschillende onderzoeken, maar beoogden niet de integratie ervan of toch tenminste de versterking van hun centrale aansturing. Kennelijk werden dergelijke straffe maatregelen die in september 1996 vanzelfsprekend leken, ook nu niet langer nodig geacht. Dit wijst er duidelijk op dat het college zich niet realiseerde hoe diep de “relatieproblemen” waren tussen de verschillende onderzoekssporen die op dat moment liepen. De eendracht die de aanwezige hoofdofficieren van justitie naar het college toe tentoonspreidden maakt dit overigens ook begrijpelijk. Maar…ze waren er niet allemaal: Amsterdam woonde ook deze belangrijke coördinatievergadering niet bij. En ook de mislukking van het initiatief dat Zwerwer kort na de onderhavige collegevergadering nam om de diverse partijen – veelzeggend: met uitzondering van Noordhoek – alsnog bij elkaar te brengen deed kennelijk geen alarmbel rinkelen. De uitleg die Van Straelen hiervoor geeft biedt echter waarschijnlijk ook een deel van de verklaring: met het vertrek van Docters van Leeuwen was tevens de auctor intellectualis verdwenen en daarmee tot op zekere hoogte ook de aanjager van het project.
177 Via het hoofd van het LBOM had Zwerwer enkele weken eerder het college van procureurs generaal op de hoogte gesteld van zijn plannen. Ficq liet in het periodiek overleg met het LBOM op 28 november 1997 weten dat het college akkoord ging met het voorstel om de personen in kwestie om de tafel samen te brengen met een bandrecorder. Het doel hiervan was, aldus het verslag van het periodiek overleg, het beveiligen van de mensen zelf (hun vastgelegde verhaal komt ergens te liggen), alsmede het vinden van samenhang in hun verhalen. Als notulisten voor de bijeenkomst werden De Wit en Schouten genoemd.403 Zwerwer leunde in zijn voorstel op de premisse dat “er tussen de vier deelnemers aan het ronde tafel gesprek geen ingebouwde argwaan bestond”.404 Hierin bleek hij zich schromelijk te hebben vergist. In het bijzonder tussen Teeven en Snijders was een dusdanige vorm van wantrouwen gegroeid, dat het oriënterende gesprek, dat gepland stond voor 19 januari 1998, nimmer plaatsvond. Holthuis bevestigde later in het interview dat het geen gering probleem was “dat het onderling tussen de betrokken personen niet boterde”.405 Van Straelen gaf in het interview de hier bedoelde problematiek kernachtig weer406: “(…) in zo’n zaak, met zoveel vertakkingen, met zoveel pijn en met zulke persoonlijkheden die betrokken zijn, zou er iemand moeten zijn die boven iedereen gezeten alle belangrijke beslissingen neemt. Er is geen procureur-generaal geweest die de zaak naar zich toe heeft getrokken, die heeft gezegd ik voel me ervoor verantwoordelijk en ik ga het nu goed aanpakken. Het 060-onderzoek is onder een ongelukkig gesternte gestart na het Fort- onderzoek. Want het Fort-onderzoek heeft in Haarlem zowel bij het openbaar ministerie als bij de politie grote wonden geslagen. Het was achteraf bekeken (…) beter geweest wanneer men had gezegd dat Haarlem zich niet met het post-Fort-onderzoek zou mogen bemoeien. En het was ook verstandig geweest, daar waar meerdere parketten betrokken waren, de zaak in één hand te houden, dus één parket de leiding te geven. Of men had sterke centrale coördinatie erop moeten zetten. Maar beide zijn niet gebeurd.” 8.5 Conclusie Eerst en vooral moet het opmerkelijk worden genoemd dat ook op zulk een cruciaal strategisch moment in het project als het overleg van het college van procureurs-generaal in november 1997 geheel onvoorbereid betrekkelijk ingrijpende beslissingen worden genomen op grond van losse stukken, beeldmateriaal en mondelinge uiteenzettingen. Een of meer rapporten waarin op een systematische manier de grondslag van onderzoeken, de kwaliteit van de bijbehorende informatie, de relaties tussen onderzoeken, de mogelijkheden voor hun voortzetting, et cetera worden behandeld, lagen ook nu niet voor. De korzelige opmerkingen van verschillende procureurs-generaal over een en ander vallen in dit licht goed te begrijpen. Hierom is het in zekere zin echter even opmerkelijk dat niet alsnog van de verschillende onderzoeksleiders werd verlangd dat zij op korte termijn een onderbouwde rapportage omtrent hun bevindingen en voorstellen zouden schrijven. Ook met het oog op toekomstig overleg over de onderscheiden onderzoeken: hoe zou men over enige tijd zonder dergelijke hulpmiddelen hun voortgang nog kunnen beoordelen? De indruk dringt zich op dat dit niet gebeurde omdat de leden van het college, in elk geval Docters van Leeuwen zelf, niet alleen het gevoel hadden dat zij wel over het nodige overzicht beschikten maar ook dat er, zij het met kleine stapjes, vooruitgang werd geboekt. Dit gevoel stemde 403 Notulen periodiek overleg tussen procureur-generaal portefeuillehouder en LBOM d.d. 28 november 1997 (B2). 404 Brief S. Zwerwer aan J. Snijders, F. Teeven en (…) d.d. 18 december 1997 (D2). 405 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001. 406 Interview F. van Straelen d.d. 15 januari 2001.
176 — parallel-import vond plaats via containers met cocaïne en hoogwaardige marihuana naast de containers die werden weggetipt door de betrokken informant; hierbij werd informatie over de cocaïnetransporten bewust weggehouden bij het IRT; — de uitvoering van deze operatie was alleen met behulp van corruptie mogelijk. In de brief werd verder gesteld dat Snijders op verzoek van de minister van Justitie een informatiebron had onderzocht die materiaal zou kunnen leveren over de verdovende middelenhandel Colombia- Nederland, onder meer in de IRT-periode. Tenslotte legden Van Brummen en Holthuis in hun brief de volgende beslispunten aan het college voor: 1. De afspraken over het ter beschikking stellen van IRT-materiaal moeten worden gehandhaafd; 2. Er dient een standpunt bepaald te worden over het wel of niet starten van een onderzoek naar corruptie; 3. Er moet een apart onderzoek komen naar de geldstromen tussen Colombia en Nederland; 4. De informatiebronnen in Zuid-Amerika (“Schilderstraject”; onder anderen Van Gogh en Vermeer) moeten nader worden geëxploiteerd (een plan van aanpak door Snijders was aan de stukken toegevoegd). In een brief – die overigens uitsluitend gericht was aan Van Brummen en niet aan diens collega en mede-ondertekenaar Holthuis – liet Docters van Leeuwen weten dat in de optiek van het college het laatstgenoemde beslispunt bepalend voor de voortgang was.399 Hij schreef dat het college instemde met verdere voortgang van het onderzoek. In deze fase zou dit onderzoek een oriënterend karakter moeten hebben, gericht op het verkrijgen van zodanige verklaringen dat de betrouwbaarheid daarvan nader kan worden getoetst aan de hand van andere reeds beschikbare informatie. Op basis van de uitkomsten van deze oriëntatiefase zou het college dan zijn definitieve standpunt bepalen over het wel of niet exploiteren van deze bronnen en de verdere voortgang van het onderzoek. Bij een positieve beslissing zou een exploitatiefase volgen. Het college was eveneens akkoord met de voorgestelde bevoegdheidsverdeling. De laatste zinsneden moeten aldus worden begrepen dat de regie in de oriënterende fase zou berusten bij Snijders en dat zij, mits er een exploitatiefase zou volgen, zou worden overgeheveld naar het LBOM.400 Op dezelfde dag dat Docters van Leeuwen Van Brummen formeel van de goedkeuring van het college op de hoogte stelde, lichtte Ficq Borghouts in over het “Schilderstraject”. Ook deze verklaarde zich akkoord met de plannen. De derde en laatste gebeurtenis waarop in het kielzog van de collegevergadering van 26 november 1997 moet worden gewezen, betreft de uitnodiging die Zwerwer op 18 december 1997 stuurde aan Snijders, Teeven en nog een andere officier van justitie voor een geheime ronde-tafel- bijeenkomst. Doel van deze bijeenkomst was om openhartig met elkaar van gedachten te wisselen over alle aspecten van georganiseerde criminaliteit waarover de betrokkenen kennis droegen. De vier gesprekspartners zouden over nader te bepalen onderwerpen alle informatie, waarover zij de beschikking hadden, op tafel moeten leggen. Daarmee zou meer inzicht kunnen worden verworven in “de ondernomen opsporingsmethoden, de reikwijdte daarvan, de afschermingtechnieken en de eventuele afspraken met wie dan ook”.401 De concrete reden van dit initiatief was gelegen in een ontmoeting tussen een van de procureurs-generaal en Zwerwer waarbij de eerstgenoemde enig ongeloof had tentoongespreid over allerhande hypothesen betreffende de IRT-affaire.402 399 Brief A. Docters van Leeuwen aan H. van Brummen (B1, D21). 400 Brief H. van Brummen en H. Holthuis d.d. 9 december 1997 aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal (B1; D21). 401 Brief S. Zwerwer d.d. 18 december 1997 aan J. Snijders, F. Teeven en (…) (D2). 402 Interview S. Zwerwer d.d. 16 januari 2001.
175 — het gebrek aan inzicht in het geldverkeer /de betaling bij parallel-invoer; — corruptie. Kritisch was weer een ander. Deze merkte op dat de beslissingen die werden voorgelegd aan het college weinig relatie hadden met de presentatie. Alleen het verzoek om toestemming voor het “Schilderstraject” hield in zijn optiek rechtstreeks verband met het gebodene, voor de andere beslispunten – zoals het verzoek om een paspoort te mogen aanvragen voor een informant die in een getuigebeschermingsprogramma was opgenomen – gold dat slechts in zeer beperkte mate. Voorts achtte hij de conclusies uit de presentaties niet of nauwelijks gefundeerd. Anderzijds gaven volgens Docters van Leeuwen396: “De presentaties die daar gehouden werden (…) toch de indruk dat er vooruitgang werd geboekt. Het ging langzaam, maar er zat toch wel schot in.” Het college als geheel kwam aan het einde van de avond tot de volgende slotsom. Centraal stond in de optiek van de aanwezige procureurs-generaal onverkort de vraag: hoe gaan we verder met de delen uit het IRT-dossier? Het college vond dat de lijn moest worden vastgehouden en besloot het volgende: 1. De betrokken hoofdofficieren van justitie leggen, na overleg met de toezichthoudende procureur- generaal, beslissingen over verder onderzoek ter bespreking voor aan het college; 2. In de vervolgbespreking in het college moet worden aangegeven hoe deze onderzoeken worden afgestemd op de onderzoeken die lopen in Den Haag; 3. Verder moet in deze bespreking duidelijk worden gemaakt hoe men denkt invulling te geven aan de vervolgtrajecten, gelet op de diverse sporen. 8.4 De nasleep van het beraad Het vervolg op deze bijeenkomst liet niet lang op zich wachten. Op 1 december 1997 hielden Schouten en de Wit hun presentatie ten overstaan van de leiding van het KLPD. Verder bracht Snijders, conform de opdracht van het college, begin december een werkbezoek aan de officier van justitie van het Kernteam Haaglanden (Prisma-team). Blijkens een memo van de hand van laatstgenoemde d.d. 5 december 1997 was na dit bezoek de kou tussen het parket Haarlem en het Prisma-team nog niet helemaal uit de lucht.397 Deze achtte het namelijk niet wenselijk om vanuit Haarlem verder onderzoek te laten plaatsvinden zonder daar het Prisma-team bij te betrekken. Een tweede vervolg op het beraad met het college was dat Van Brummen en Holthuis op 9 december 1997 een brief stuurden naar de voorzitter van het college.398 Zoals we later zullen zien, was het bepaald opmerkelijk te noemen dat ook Holthuis deze brief had ondertekend, aangezien hij zich daarmee – en indirect ook zijn zaaksofficier Noordhoek – committeerde aan de volgende uitgangspunten: — er is in ruimere mate sprake geweest van een hoofdrol van één of meerdere medewerkers van de FIOD en/of de douane bij het doorleveren van drugs vanaf 1992 dan werd aangenomen; — de Colombianen voerden de regie bij de cocaïne-invoer met gebruikmaking van in ieder geval één dubbelinformant; 396 Interview A. Docters van Leeuwen d.d. 17 januari 2001. 397 Memo d.d. 5 december 1997 aan de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag (D21). 398 Brief H. van Brummen en H. Holthuis d.d. 9 december 1997 aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal (B1, D21).
174 — één transport waarbij twee of meer containers met verdovende middelen tegelijk (parallel) op hetzelfde schip vanuit Colombia worden getransporteerd; — één transport, waarbij minimaal één container, die zowel hard als soft drugs bevat (vaak cocaïne in combinatie met marihuana) vanuit Colombia worden getransporteerd. Een opmerkelijk gegeven is dat het element corruptie geen deel uitmaakt van deze definitie. In de overhead sheets die De Wit gebruikte tijdens de presentatie, werden corrumptieve contacten met Nederlandse douane- en opsporingsambtenaren wel als onlosmakelijk onderdeel van de parallel- transporten gepresenteerd, maar uit de notitie kan niet worden opgemaakt waarop die hypothese (behalve op verklaringen van informanten) is gebaseerd. Ad 2 Schouten deed verslag van de eerste indrukken die waren opgedaan in het kader van de inventarisatie van het IRT-dossier. Naar zijn inschatting bood het dossier een aantal aanknopingspunten voor onderzoek naar corruptie/lekken en een aantal liquidaties. Verder hield hij het voor waarschijnlijk dat de RCID-Kennemerland bewust informatie had achtergehouden over de lijn Nederland-Colombia. Ad 3 De LRT-vertegenwoordiger ten slotte stond stil bij de voorlopige resultaten van het 060-onderzoek van het LRT. In het bijzonder de financiën rondom J. werden uitvoerig besproken. Maar ook het onderzoek naar De J., alsmede het Carex/Sri Lanka-onderzoek in verband met de “Taartman” werden gepresenteerd.394 Ad 4 Ter afsluiting van de presentatie werd aan het college een aantal beslispunten voorgelegd. De belangrijkste daarvan was het verlenen van toestemming om het “Schilderstraject” een nadere invulling te geven. Bij het indienen van dit verzoek werd overigens het voornemen bekend gemaakt om bij het bezoek aan de “Schilders” tevens een lid van de CID van het LRT te betrekken. Dit met het oog op een mogelijke toekomstige overdracht van de bron en ter introductie van het LRT-lid bij de bron als toekomstig contactpersoon. 8.3 De besluitvorming in het college In kleinere kring – de leden van het college plus Van Brummen en Holthuis – werden nog dezelfde avond de presentaties geëvalueerd. Het verslag dat van deze bijeenkomst beschikbaar is, is een zeer beknopte weergave van de gevoerde beraadslagingen. Belangrijke meningsverschillen tussen het college en één of meer deelnemers worden bijvoorbeeld niet vermeld.395 Afgaande op dit verslag hadden de individuele procureurs-generaal uiteenlopende opvattingen over hoe zij het gepresenteerde materiaal moesten duiden. Van discussie was kennelijk nauwelijks sprake; iedere procureur-generaal sprak blijkbaar zijn eigen zorgen en preoccupaties uit. Een van hen toonde zich bezorgd over het gevaar van interferentie van het “Schilderstraject” met lopend onderzoek van het Prisma-team in de regio Haaglanden. Hij vroeg zich af of er voldoende informatie werd uitgewisseld met dit team. Een collega waren drie andere aspecten in het bijzonder opgevallen: — het invoeringstraject; 394 Zie het journaal van 060 d.d. 27 november 1997 (F23). 395 J. Snijders maakt in zijn interview bijvoorbeeld gewag van het feit dat het college zich door het “Schilderstraject” voor een “fait accompli” gesteld voelde. Ook zou er kritisch zijn gereageerd op de bijdrage van het LRT-lid. Zie interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001.
75 Deze verantwoording van de keuze voor twee sporen klinkt ook door in de woorden van Ficq59: “Het onderscheid tussen een strafrechtelijk onderzoek en een verkennend onderzoek vond en vind ik wel logisch. Vermoedelijk hebben Docters van Leeuwen en Gonsalves aan de basis van die scheidingen gestaan. Docters van Leeuwen uiteraard vanuit zijn BVD- achtergrond en Gonsalves als portefeuillehouder zware criminaliteit. Er was op dat moment sprake van een concrete verdenking tegen J., zodat een strafrechtelijk onderzoek in spoor 1 naar zijn activiteiten gerechtvaardigd was. Het merendeel van de 26 vragen in het Fort- rapport leverde echter nog geen concrete verdenkingen op in de zin van art. 27 Sv. Deze vragen dienden nader verkend te worden en dat diende in spoor 2 te gebeuren. Ik heb altijd de hoop gehad dat de twee sporen elkaar weer ergens zouden ontmoeten en die hoop had ik overigens niet alleen, maar die werd gedeeld in het college.” Holthuis schreef de keuze voor een tweesporig onderzoek echter eerder toe aan de persoon van Docters van Leeuwen60: “De keuze om een tactisch onderzoek te starten was dus eigenlijk al heel vroeg gemaakt. Uit de koker van hoofdzakelijk Arthur kwam spoor 2. Hij zei “een tactisch onderzoek is prima, maar ik wil toch ook een inlichtingenachtig onderzoek”. “Er zit wat achter die hele affaire”, zo zei hij, “ik weet het zeker”. Hij vond dat dat de reden was om naast het tactisch onderzoek ook een inlichtingentraject te starten. Voor iemand als Arthur met zijn BVD-achtergrond was de zaak bijzonder intrigerend. Toen was Arthur nog de inlichtingenman, die een inlichtingentraject wilde. Hij heeft zich waarschijnlijk in die eerste periode niet gerealiseerd dat er een ingebakken spanning zou zijn tussen spoor 1 en spoor 2.” En hij vond het bepaald geen gelukkige keuze61: “Ik moet zeggen dat ik er niet zo veel in zag, in die twee naast elkaar bestaande sporen. Ik zie wel een onderscheid tussen een klassiek recherche-onderzoek en een CID-traject. Maar gegeven de onduidelijke status van spoor 2 vond ik deze twee naast elkaar bestaande sporen vragen om moeilijkheden. Het was geen gelukkige constructie.” Achteraf stelde ook Van Brummen vast dat bij de start van het onderzoek de grondigheid ontbrak die bij het opzetten van een dergelijk complex onderzoek vereist is62: “We hebben onvoldoende nagedacht over waar we naartoe wilden en of dat kans van slagen had. We hebben ook onvoldoende nagedacht over de structuur, over hoe we een dergelijk onderzoek moesten faciliteren. Het geheel hing aan elkaar van gelegenheidsbeslissingen. We waren te druk met de reorganisatie van het openbaar ministerie bezig, om dit onderzoek de aandacht te geven die het verdiende.” Het onderzoek binnen spoor 1 Het doel van dit onderzoek werd in het zo-even besproken scenario van Holthuis als volgt gedefinieerd63: 59 Interview C. Ficq d.d. 29 januari 2001. 60 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001. 61 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001. 62 Interview H. Van Brummen d.d. 2 februari 2001. 63 Scenario van een strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de bevindingen van het Fort-team d.d. 19 juni 1996 (B6).
173 8 Het beraad met het college op 26 november 1997 8.1 Inleiding Hiervoor is duidelijk gebleken dat het college van procureurs-generaal vanaf maart 1996 op geregelde tijdstippen de start en de voortgang van de verschillende onderzoekssporen heeft georganiseerd respectievelijk geaccordeerd. Dit is volgens onze zegslieden reeds een hele bijzondere gang van zaken. Normaal bemoeit het college zich niet zo vaak zo intensief met één enkel onderzoek. Helemaal bijzonder was dan ook het initiatief om op 26 november 1997 een speciale vergadering te wijden aan de presentatie en bespreking van de diverse onderzoekslijnen die hiervoor zijn behandeld. Om meer dan één reden was dit een belangrijke bijeenkomst: behalve dat het college een overzicht kreeg van de lopende en voorgenomen activiteiten, werd het ook gevraagd om een paar belangrijke knopen door te hakken. In het onderhavige hoofdstuk wordt eerst uiteengezet op welke wijze het college door de verschillende “partijen” werd geïnformeerd en welke kwesties ter beslissing werden voorgelegd. Vervolgens wordt bekeken waarover uiteindelijk een besluit is gevallen. Tenslotte wordt ingegaan op de nasleep van deze belangrijke beraadslaging. 8.2 De presentatie van de onderzoeken De vergadering van 26 november 1997 werd opgeluisterd door de aanwezigheid van vrijwel alle hoofdrolspelers in het post-Fort-traject. Alleen een vertegenwoordiging van het Amsterdamse parket ontbrak.391 De presentatie viel uiteen in vier delen: 1. het inlichtingentraject/“Schilders” (verzorgd door J. de Wit);392 2. de voorlopige inventarisatie van het IRT-dossier (door P. Schouten); 3. het onderzoek van het LRT (door een lid van het LRT); 4. slotopmerkingen. De presentatie van de onderdelen 1 en 2 ging gepaard met het vertonen van tientallen dia’s. Ad 1 De Wit ging in zijn presentatie uitvoerig in op de vermeende parallel-transporten. Hij deed dit aan de hand van de notitie “Colombiaans dubbelspel”.393 In deze notitie wordt beschreven hoe in oktober 1995 tijdens het Fort-onderzoek informatie werd verkregen over “dé regeling” tussen het “Cali-kartel” en enkele Nederlandse criminelen. In de periode zomer 1992 – januari 1995 zou 10.000-20.000 kilo cocaïne Nederland zijn ingevoerd. Daarbij speelde volgens de berichten een informant een dubbelrol en zouden enkele douanemensen zijn omgekocht. In de notitie wordt het begrip parallel-transport als volgt gedefinieerd: 391 Kort verslag van de presentatie post-Fort-traject in Utrecht d.d. 26 november 1997, getekend LG (B1) 392 Twee dagen eerder hadden J. de Wit en P. Schouten een proefpresentatie gehouden ten overstaan van P. Aalbersberg (hoofd NCID/CRI) 393 Behalve dat deze notitie gebruikt werd bij de presentatie ten overstaan van het college van procureurs-generaal d.d. 26 november 1997 is zij als bijlage toegevoegd aan de brief van H. Holthuis en H. van Brummen aan het college van procureurs-generaal d.d. 9 december 1997 (B1).
172 projecten wel die de kern van het IRT-vraagstuk raken: de al dan niet vermeende non-integriteit van ambtenaren in relatie tot de al dan niet betrouwbare CID-berichten hieromtrent. Het “Schilderstraject” was tot op zekere hoogte het vervolg van spoor 2, maar dan georganiseerd in het kader van spoor 3. In dit traject ging het immers opnieuw om verder onderzoek naar het beginstadium van de IRT-affaire op grond van CID-berichten over wat er zich in het begin van de jaren negentig “werkelijk” had voorgedaan op de cocaïnelijn Colombia-Nederland. Dit maakt het ook begrijpelijk waarom het conflict dat zich in 1996-1997 gaandeweg tussen spoor 1 en spoor 2 had ontpopt vrijwel moeiteloos overging in een conflict tussen spoor 1 en spoor 3 in de jaren 1997-1998. Dit had wellicht niet hoeven te gebeuren wanneer in juli-augustus 1997 – in het kader van het topoverleg over het gebruik van het IRT-dossier – enig initiatief was ontplooid om de dreigende nieuwe tweespalt in het onderzoek te overwinnen door het “schone” onderzoek van het LRT naar de laatste ontwikkelingen van de IRT-affaire te combineren met de Amsterdams-Haarlemse “schoning” van het dossier over de beginfase ervan. Een dergelijke eenmaking had ook recht gedaan aan de beslissing van het college van 4 september 1996 om alle relevante onderzoeken te integreren binnen een en hetzelfde project. Het is er echter niet van gekomen. Nergens in de stukken of de interviews wordt in elk geval verwezen naar een discussie over deze kans. Het LRT-onderzoek werd in de genoemde discussie behandeld als een gewoon onderzoek naast alle andere onderzoeken. Van deze handelwijze – of zij nu werd ingegeven door de verschillende visies tussen de betrokken parketten op het verdere onderzoek of niet – mag worden gezegd dat zij wijst op een gebrek aan sturing door het openbaar ministerie van het totale rechercheproces in deze zaak. Die bleef al te zeer beperkt tot het opvolgen van de verschillende onderzoekssporen en leidde ondanks alles – dus ook ondanks de afgang van spoor 2 – nooit tot hun verbinding. Men berustte in de verscheidenheid in plaats van te streven naar meer eenheid. Hierbij mag echter niet over het hoofd worden gezien dat het LRT-team in de zomer van 1997 veel werk heeft verzet om de onderzoeken naar twee verdachten en, zijdelings, ook “Taartman” op een systematische manier handen en voeten te geven.
