Georganiseerde misdaad in EuropaMarch 13, 1999
Uit: Europol Dossier 2 BIJLAGE III
Moeilijk te meten
Georganiseerde criminaliteit De legitimatie voor de oprichting van Europol, en andere vormen van politiële en justitiële samenwerking, ligt in de bedreiging van de georganiseerde, grensoverschrijdende criminaliteit. Vanaf het einde van de jaren tachtig wordt deze trom steeds veelvuldiger beroerd.
Nu bestaat er geen Europese definitie van georganiseerde criminaliteit. Ook in wetenschappelijke kringen worden er verschillende definities gehanteerd.
Daarnaast is het een cruciale vraag hoe érg het nu eigenlijk precies is gesteld met de georganiseerde criminaliteit. De ingrepen in persoonlijke vrijheden en rechten, de ontbrekende democratische en juridische controle op Europol, het wordt uiteindelijk allemaal gelegitimeerd en geaccepteerd onder verwijzing naar de enorme bedreigingen van de georganiseerde criminaliteit. Er wordt weliswaar door politici veel en hard geroepen dat de georganiseerde criminaliteit een omnipotente bedreiging vormt voor alles dat ons lief is, maar daarmee is het nog niet wáár. Ook is daarmee de vraag niet beantwoordt of de all-out attack die men tegen het fenomeen wenst te lanceren, de beste en geeigende manier is. Om maar niet te spreken over het rijtje burgerrechten dat en passent sneuvelt. Bovendien blijkt keer op keer dat een oprekking van de bevoegdheden naar méér doet smaken. Onlangs pleitten de politiechefs ervoor om de bevoegdheden die ze zich in het kader van de strijd tegen de georganiseerde, of ‘zware’ criminaliteit hadden verworven, uit te breiden naar allerlei andere vormen van criminaliteit.
lees meer
Brochure Europol 2 – InleidingMarch 10, 1999
Politie zonder verdachten
Inleiding
Bij de officiële opening van het Europolkantoor in Den Haag in maart 1995, bood minister van Justitie Winnie Sorgdrager de Europese politiedienst een boompje aan. “Ik hoop en verwacht dat de jonge loot Europol zich zal ontwikkelen tot een sterk en volwassen onderdeel van ons Verenigd Europa” duidde de minister de symboliek. (1)
lees meer
De totstandkoming van Europol: Niet fraai, maar het kon nou eenmaal niet andersMarch 9, 1999 - bron: Europol Dossier 2
Sinds de jaren zeventig wordt in Europa samengewerkt door de nationale politie- en inlichtingendiensten. De samenwerking had een sterk informeel karakter. Met de verdergaande Europese integratie werd deze samenwerking meer geformaliseerd. Onder de naam Trevi kreeg het overleg een regelmatig karakter en werd de invloed van deze samenwerking op het nationale beleid van de Lidstaten groter. De formalisering van de samenwerking leidde er niet toe dat er meer openbaarheid of democratische controle tot stand kwam. De samenwerking was intergouvernementeel: een onderlinge zaak van de regeringen, waar nationale parlementen niets over te zeggen hebben.
Met de ondertekening van het Verdrag van Maastricht (december 1991) werd een belangrijke stap gezet om de Europese samenwerking op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken te intensiveren. In het Verdrag van Maastricht verklaarden de Europese regeringsleiders politie- en justitiezaken tot een kwestie van ‘gezamenlijk belang.’ De samenwerking kreeg een officieel plekje binnen de structuren van de Europese Unie. De Europese Raad voor Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ-Raad) werd het orgaan waarin de samenwerking haar beslag kreeg.
Toch bleef de samenwerking een vreemde eend in de Europese bijt. De instituten van de Europese Unie, zoals de Europese Commissie, het Europese Parlement en het Europese Hof van Justitie, kregen geen zeggenschap over de politie- en justitiesamenwerking, omdat de samenwerking intergouvernementeel bleef.
Ook de nationale parlementen staan buiten spel bij bij intergouvernementele samenwerking. Op afspraken tussen regeringen hebben zij geen invloed. Alleen als het uitmondt in een verdrag, kan een nationaal parlement zijn zegje doen. Maar dit is een beperkte invloed: een parlement kan een verdrag alleen in zijn geheel aannemen of verwerpen. Het kan een verdrag niet amenderen of veranderen. De JBZ-Raad, kortom, valt niet echt als een proeftuin der democratie te karakteriseren.
Het Nederlands Parlement vond de volstrekt marginale rol die het toebedeeld kreeg in JBZ-zaken wel erg mager. Het had al de ervaring van de verdragen van Schengen achter de rug, waarbij voor de Nederlandse praktijk ingrijpende beslissingen tot stand kwamen, zonder dat het parlement daar enige invloed op had kunnen uitoefenen. Als voldongen feiten werden de vruchten van de intergouvernementele samenwerking op het bordje van het Parlement gekieperd: slikken of stikken.
Om toch enige grip te kunnen houden op de Europese beleidsontwikkeling, bedong het Nederlands Parlement in de Goedkeuringswet van het Verdrag van Maastricht een zogenaamd instemmingsrecht: voordat de Nederlandse regering in de JBZ-Raad haar goedkeuring hecht aan besluiten die Nederland juridisch binden, moet het dat besluit aan de Kamer voorleggen.
Formeel had de Kamer daarmee een beetje grip op de beleidsontwikkeling. In de JBZ-pijler wordt met unanimiteit besloten. Op het moment dat de Nederlandse Kamer tegen de regering zegt: U mag met dit besluit niet instemmen, spreek het veto maar uit, dan wordt de Europese besluitvorming geblokkeerd. lees meer
Actieplan georganiseerde criminaliteitMarch 7, 1999
Uit: Europol Dossier 2 4
operationeel, pro-actief, effectief, executief
Actieplan georganiseerde criminaliteit Europol is niet het enige project waarin de Europese politiesamenwerking vorm krijgt. Sterker nog: terwijl de verschillende nationale parlementen zich buigen over de ratificatie van het Europol-verdrag, zijn de Europese leiders al weer een paar stappen verder. Er worden volop plannen gesmeed om de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit verder te intensiveren en het mandaat en de bevoegdheden van Europol uit te breiden. De politieke druk, vooral vanuit Duitsland, om de Europese politiesamenwerking een nieuwe impuls te geven komt tot uiting tijdens de Europese Top van Dublin in 1996.
lees meer
De Criminele Inlichtingendienst – Werkwijze en methodieken CIDMarch 1, 1999
2.5. Werkwijze en methodieken CID
Bij de eerder omschreven klassieke CID-functie lag de nadruk op het vergaren, bewerken, analyseren, registreren en verstrekken van criminele inlichtingen ingewonnen via de methodieken ‘runnen van informanten en observatie’. In deze paragraaf wordt ingegaan op de ontwikkeling van het runnen van informanten, de groei naar infiltratie, observatie, de toepassing van de methodiek gecontroleerde aflevering, de open-en gesloten CID-fase en de U-bocht constructie’.
lees meer
De Criminele Inlichtingendienst – Rapport CID-ethiekMarch 1, 1999
2.6. Rapport CID-ethiek
In 1991 en 1992 heeft de Begeleidingscommissie CID de RAC verzocht aandacht te besteden aan de ethische aspecten verbonden aan het inlichtingenwerk van CID’en. De reden was het ontbreken van hanteerbare regels voor de wij ze waarop de CID haar informatie vergaarde en het ontbreken van uniformiteit in opvatting binnen het OM.
In 1993 werd hiertoe een werkgroep Ethische Aspecten van CID-werkzaamheden ingesteld. Deze werkgroep kreeg tot taak een handreiking/ leidraad voor CID-functionarissen op te stellen waarin normatieve, ethische criteria worden gegeven voor het CID-werk.
De werkgroep had o.a. tot uitgangspunt dat politie en justitie hun werk op fatsoenlijke wijze dienden te verrichten. Dat betekende dat voorwaarden aanwezig moesten zijn waarbinnen politiemensen rechtmatig kunnen handelen. Er moest voor worden gezorgd dat gevaren voor persoonlijke corrumpering zo klein mogelijk zouden zijn. Er moesten maatregelen genomen worden om afglijden van politiemensen naar ongewenst optreden te voorkomen.
lees meer
De Criminele Inlichtingendienst – CID-chefMarch 1, 1999
2.7. CID-chef
Een belangrijke taak voor de CID-chef is het begeleiden van de informanten-runners. Een informanten-runner heeft recht op controle en bescherming. Dit vereist veel aandacht en tijd, omdat met name de runners in hun werk aan de ene kant binnen de afgesproken kaders zelfstandig beslissingen moeten nemen over het maken van afspraken met de informant en aan de andere kant gemakkelijk de kans lopen in een positie te komen waarin ze kunnen worden gechanteerd. Er moet tussen de leiding van de CID en de runners een vertrouwenssfeer bestaan waarin alle activiteiten bespreekbaar zijn; een sfeer waarin het handelen van runners ten opzichte van informanten voortdurend getoetst kan worden. Een goede cultuur op dit gebied blijkt in de praktijk belangrijker dan de structuur. Een vereiste hierbij is, dat zeer duidelijke en goede afspraken zijn gemaakt over de grenzen van het toelaatbare en dat de CID-chef de nodige distantie bewaart ten opzichte van de informant.
lees meer
Onderzoek CID-administratie Kennemerland – InleidingMarch 1, 1999
3. ONDERZOEK CID-ADMINISTRATIE KENNEMERLAND
3.0. Inleiding
In het kader van het onderzoek naar het functioneren van de RCID Kennemerland, werd de door deze RCID gevoerde en overgedragen CID-administratie onderzocht. In hoofdstuk II staat beschreven waaruit een CID-administratie dient te bestaan. In dit hoofdstuk wordt beschreven wat de CID-administratie van de RCID Kennemerland inhield en hoe deze zich verhoudt tot hetgeen als een gebruikelijke en afdoende administratie mag worden beschouwd. Delen van het onderzoek die betrekking hebben op personen of specifieke zaken worden behandeld in andere hoofdstukken.
lees meer
Onderzoek CID-administratie Kennemerland – WerkwijzeMarch 1, 1999
3.1. Werkwijze
Ten behoeve van het onderzoek werd gebruik gemaakt van de CID-administratie van de regiopolitie Kennemerland, zoals die op 11 mei 1995 aan het Fort-team werd overgedragen door het interim-hoofd van de RCID Kennemerland, Woest. Verder werd gebruik gemaakt van:
– andere informatiedragers, aangetroffen bij de regiopolitie Kennemerland, waaronder 16 door Langendoen bij de korpsleiding in bewaring gegeven floppy’s;
– registraties, soms in een zeer laat stadium verkregen, welke gevoerd werden bij organisaties elders zoals NCID, IRT en KTR en
– afgelegde verklaringen.
lees meer
Onderzoek CID-administratie Kennemerland – Inhoud administratieMarch 1, 1999
3.2. Inhoud administratie
3.1.1. Ontwikkeling informatie huishouding RCID Kennemerland
Ingevolge de Basisregeling regionale samenwerking politie en de CID-regeling 1986 werd de CID van de gemeentepolitie Haarlem aangewezen als regionale CID voor de regio Kennemerland. Eén en ander hield in een lokale CID-functie met daarnaast een regionale taak. Van deze regio maakten ook deel uit de CID’en van Haarlemmermeer, IJmuiden, Bloemendaal en Zandvoort.
Het toenmalige hoofd van de CID Haarlem werd aangewezen als RCID-coördinator.
In de periode C.J.Mefles (1989 tot 1 januari 1991) werd de CID uitgebouwd tot in totaal 31 personeelsleden. Deze mensen werden formatief toegewezen aan het centrumkorps Haarlem. De formatie bestond uit het OT Haarlem/ Zaanstad, misdaadanalisten, administratieve krachten en CID-rechercheurs.
lees meer
Onderzoek CID-administratie Kennemerland – Onderzoek aangetroffen administraties/ registratiesMarch 1, 1999
3.3. Onderzoek aangetroffen administraties/ registraties
De overgedragen administratie betrof een geautomatiseerde en een handmatige administratie. Daarnaast werden zeven ordners met observatierapporten, één kasboek en zes ordners, betrekking hebbende op de Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden administratie, 16 floppy’s welke door Langendoen bij de korpsleiding in bewaring waren gegeven en zeven floppy’s met tapverslagen e.d. in ontvangst genomen.
Bij het onderzoek van de registraties, zoals deze gevoerd werden binnen de RCID Kennemerland, is de volgende indeling aangehouden:
1 CID-register:
a. verzameling CID-informatierapporten;
b. registratie van CID-subjecten;
c. een registratie van CID-acties;
d. verstrekkingenbestand en
e. persoonsdossier;
lees meer
Onderzoek CID-administratie Kennemerland – BevindingenMarch 1, 1999
3.4. Bevindingen
* Uit het onderzoek bleek dat in de periode van C.J. Mefles en Langendoen de CIDinformatie slecht met andere rechthebbenden werd gedeeld. Informatie van nationaal of internationaal belang werd zeer beperkt in- of doorgezonden. De CID-administratie werd voornamelijk voor intern gebruik gehouden. Opgemerkt dient te worden dat eind jaren tachtig, begin jaren negentig het in- of doorzenden van CID-informatie door een aantal andere CID’en ook matig geschiedde;
* De RCID Kennemerland levert zijn subjecten sinds maart 1995 (periode-Woest) aan bij de NCID ten behoeve van de landelijk bevraagbare CIDSI. De verplichting voor het aanleveren van subjecten geldt vanaf de inwerkingtreding van de CID-regeling 1986. De RCID Kennemerland is pas sinds maart 1995 geautoriseerd voor het gebruik van de CIDSI;
lees meer
Feitelijke situatie en werkwijze Kennemerland – InleidingMarch 1, 1999
4. FEITELIJKE SITUATIE EN WERKWIJZE KENNEMERLAND
4.0. Inleiding
In hoofdstuk II is ingegaan op de ontwikkeling van het CID-werk. Het beschreef de totstandkoming van CID’en, de regelgeving, de CID-structuur, de functie en de cultuur en het heeft een referentiekader verschaft waartegen het functioneren van de RCID Kennemerland kan worden afgezet.
In hoofdstuk IV worden de feitelijke situatie en de werkwijze van de RCID Kennemerland beschreven. Ingegaan wordt op de organisatorische omstandigheden, werksfeer, aansturing, omgang met informanten en opsporingsmethoden.
Feitelijke situatie en werkwijze Kennemerland – Organisatorische omstandigheden KennemerlandMarch 1, 1999
4.1. Organisatorische omstandigheden Kennemerland
In paragraaf 4.1. worden de organisatorische omstandigheden van de RCID Kennemerland beschreven. Hierbij wordt aandacht besteed aan de opbouw en omvang van deze RCID vanaf 1990, de personele bezetting en leiding in die periode. Tevens wordt de sollicitatieprocedure rond de vacature ‘adjudant Inwinning’ belicht. Met betrekking tot Van Vondel worden zijn ontslagprocedure, zijn ‘part-time’ werkzaamheden voor de RCID Kennemerland en zijn werkzaamheden voor de politie, die hij uitvoerde nadat hij met ontslag was gegaan, beschreven. In deze paragraaf wordt tevens een beschrijving gegeven van de toerusting van de medewerkers van de RCID. Hierover werden slechts in beperkte mate gegevens in de administratie van Kennemerland aangetroffen.
Verder wordt besproken welke werkafspraken er waren voor personeel van de RCID Kennemerland met betrekking tot de tijdsbesteding ten behoeve van het IRT.
lees meer
Feitelijke situatie en werkwijze Kennemerland – VerantwoordelijkhedenMarch 1, 1999
4.2. Verantwoordelijkheden
4.2.1. Verantwoordelijken in de politielijn Kennemerland
Tot 1 februari 1992 was de Haarlemse korpsleiding verantwoordelijk voor de werkzaamheden van de CID in het Haarlemse korps (en dus ook, ingevolge de CID-regeling van 1986, voor de regionale CID).
Straver hield zich voor de IRT-affaire ( periode tot eind 1993) alleen bezig met de beheersmatige aspecten van de CID. Inhoudelijk hield hij zich bezig met de vraag op wat voor criminaliteit de CID zich diende te richten.
De operationele aansturing van de CID liet Straver over aan zijn recherchechef en de beoordeling van proportionaliteit en subsidiariteit aan het OM, met name aan de CID-OVJ. Voor wat betreft de verantwoordelijkheid voor activiteiten ten behoeve van het IRT, was Straver van mening, dat deze thuishoorde bij de korpsleiding en het OM in Utrecht en in de laatste fase van het IRT, in Amsterdam. Op basis van de afspraak dat de onderzoeken van het IRT van de korpsen zouden worden afgeschermd, heeft Straver zich niet inhoudelijk bezig-gehouden met deze onderzoeken.
lees meer
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>