194 voor de inzet van het personeel. Teamleider van het 060-team was nog altijd Entken. Er was voor het 060-onderzoek nog steeds geen speciale CID-officier van justitie aangewezen. Naar functie onderscheiden kende het team op 1 november 1997 de volgende samenstelling: — teamleiding 3 — tactische recherche 5 — financiële recherche 2 — CID/analyse 3 — rijksrecherche 2 — administratief 1 9.3 Het tactische onderzoek 9.3.1 De opsporingsactiviteiten na de opening van het gerechtelijk vooronderzoek Zoals is vermeld in paragraaf 7.3, werd het gerechtelijk vooronderzoek tegen J. op 1 december 1997 geopend door een rechter-commissaris te Haarlem. Na de opening van het gerechtelijk vooronderzoek werden enkele schriftelijke stukken opgevraagd bij onder meer een aantal banken. Ook werden printerlijsten onderzocht om na te gaan met welke telefoonnummers (en personen) J. telefonische kontakten onderhield. Maar de bronnen “droogden” op. Weliswaar leverden de opgevraagde gegevens bij de Kamer van Koophandel op dat J. mede-aandeelhouder en mede- directeur was van een Oostenrijks bedrijf en onroerend goed bezat (al werden de aanwijzingen uit het BVD-ambtsbericht hieromtrent slechts gedeeltelijk bevestigd), de ingewonnen informatie leverde geen nieuwe gegevens op die het onderzoek konden (re-)activeren. Voor een goed beeld van de situatie eind 1997 is het van belang op te merken dat zich juist op het moment van een dreigende stagnatie in het 061-onderzoek een nieuwe zaak aandiende, de strafzaak tegen de “Taartman”. Deze zaak bood van meet af aan veel perspectieven op een goed opsporingsresultaat. Aan het opsporingsteam werden in die periode enkele nieuwe leden toegevoegd voor dit nieuwe project. In hoofdstuk 10 wordt het onderzoek naar de “Taartman” uitvoerig beschreven. Na het opdrogen van de bronnen werd in de periode maart/april 1998 besloten de bakens te verzetten. Omdat concrete aanknopingspunten voor onderzoek naar strafbare feiten ontbraken richtte het team zich op het verkrijgen van een beeld van het leefpatroon van J. en diens directe sociale omgeving. “Behoedzaam opereren” waren daarbij de sleutelwoorden: het onderzoek naar J. mocht niet bekend worden. Daarom ging men niet over tot het horen van getuigen of het verrichten van huiszoekingen. Wel werden enkele rechtshulpverzoeken opgesteld om J. ook in het buitenland te kunnen observeren. In het voorjaar 1998 werd gekozen voor het afluisteren van telefoonlijnen van J., in de hoop dat hij in verband zou kunnen worden gebracht met een drugstransport.410 Het tappen zou tot aan de aanhouding van J. en enkele medeverdachten (in februari 2000) toe de belangrijkste recherchemethodiek blijven van het LRT. Na de afsluiting van de tapperiode in 1999 bleek de teller te staan op 78.174 afgeluisterde gesprekken. Het betroffen niet alleen door J. gevoerde gesprekken, maar ook werden telefoongesprekken tussen personen in de kring rond J. afgeluisterd. Vanaf het voorjaar van 1998 tot november 1998 was nagenoeg het gehele team vrijwel volledig in beslaggenomen door het afluisteren van telefoongesprekken. De hoofdverdachte J. bleek intensief gebruik te maken van het telecomnetwerk. In totaal bediende hij in deze periode van circa 50 telefoonlijnen. Ook de accountant die aan het LRT-team was toegevoegd, was gedurende deze periode druk doende met het afluisteren van telefoongesprekken. 410 Voortgangsnotitie 96060 van J. Crijns d.d. 28 juli 1999 (B4).
262 aangepakt. Voorts stelde hij “vanzelfsprekend bereid (te zijn) om medewerking te verlenen aan het onderzoek”. Op het verzoek van Holthuis antwoordde hij echter minder positief. In de eerste plaats weigerde hij de identiteit te onthullen van de informant met de codenaam Q. Het was een kwestie van niet willen en niet kunnen. Visser deelde mede dat hij op het standpunt stond dat door de RCID- Kennemerland geen mededelingen werden gedaan over de identiteit van informanten. Hij voegde hier aan toe dat hij ook niet de beschikking had over het informantendossier dat op de informant Q betrekking had. Hij concludeerde “derhalve niet in staat (te zijn) de door U gestelde vraag bevestigend te beantwoorden”. Vervolgens stelde Visser evenmin in staat en bereid te zijn om verdere informatie over Q te verstrekken. Onder verwijzing naar de eerdere conclusies van het Fort-onderzoek wees Visser erop dat er binnen de RCID geen informantendossier over Q aanwezig was, noch een administratie van betalingen door de RCID aan deze informant. 598 Wel waren er in het RCID-register gegevens opgenomen die door Q aan de CID waren verstrekt. Maar Visser stelde dat het verstrekken van deze inlichtingen alleen zou kunnen plaatsvinden als het LRT zijn vragen en bedoelingen exacter en specifieker zou formuleren. Hieraan voegde De Visser toe dat de gevraagde inlichtingen eigenlijk al bij het LRT bekend (zouden moeten) zijn.599 Naderhand zou blijken dat de opmerkingen van Visser hout sneden. Uit een door Don gemaakte vergelijking bleek dat in het CID-bestand Kennemerland dezelfde informatie aanwezig was als bij het LRT.600 Van een meer gerichte vraagstelling vanuit het LRT is het nooit meer gekomen. De suggestie van Visser om eens te kijken in de “besmette” IRT-ordners zou uiteindelijk worden opgevolgd, maar weinig opleveren. De feitelijke beheerder van dit bestand, verschafte na de instelling van het coördinatieonderzoek in juni 1999 (zie hoofdstuk 15) duidelijkheid over de vraag of in de genoemde ordners relevante gegevens aanwezig waren. Pas in de loop van 2000 zou aan het LRT een kopie worden verstrekt van de ruim dertig IRT-ordners en volgens Don, die de ordners reeds daarvoor had doorgenomen in relatie tot de parallel-importen, bevatten deze nauwelijks bruikbare informatie over Q.601 Voor wat betreft de onthulling van de identiteit van Q bestaat tot op de dag van vandaag een patstelling. Naar het oordeel van de huidige CID-officier van justitie van het 060-onderzoek Don is het maar zeer de vraag of de identiteit onthuld mag worden. Immers, de overheid heeft strikte geheimhouding beloofd. De vraag is of hiervan kan worden afgeweken, ook als zou kunnen worden bewezen dat de informant zich niet aan de afspraken heeft gehouden en dubbelspel heeft gespeeld. Maar om dat laatste aan te kunnen tonen, moet eerst de identiteit van de informant bekend zijn. Een aantal respondenten gaf tijdens het interview te kennen dat de discussie over de verstrekking van CID-informatie – in het bijzonder in relatie tot het gebruik van de NN-verklaringen – in hun ogen te ver was doorgeschoten. Zo typeerde Holthuis de gang van zaken als “een schimmige toestand met een erg hoog Kafka-gehalte”.602 13.7 Conclusie De beschrijving in dit hoofdstuk van het verloop van het 061-onderzoek maakt duidelijk dat het onderzoek vanaf eind 1998 niet alleen in een stroomversnelling geraakte, maar ook steeds verder af kwam te staan van de wegen die in Haarlem en Amsterdam werden bewandeld. Het dunne draadje dat nog met Haarlem bestond in de vorm van de nadere analyse van het parallel-proces-verbaal werd 598 Rapport Fort-team, hoofdstuk 3, paragraaf 3.4. 599 Brief van B. Visser d.d. 4 mei 1999 aan H. Holthuis. 600 Mondelinge mededeling Don d.d. 30 januari 2001 aan één van de rapporteurs. De informatie bevond zich in het Fort- archief dat bij het LRT was opgeslagen. 601 Mondelinge mededeling Don d.d. 30 januari 2001 aan één van de rapporteurs. 602 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001.
277 regiokorps Amsterdam-Amstelland, er om deze reden van af gezien deze onderzoeken daadwerkelijk aan te vatten. Op 15 juni 1999 – vijf dagen dus na het verschijnen van het rapport van de Commissie-Kalsbeek – werd naar aanleiding van de drie ambtsberichten in een vergadering van het college van procureurs- generaal de moeizame onderlinge samenwerking besproken. De drie betrokken hoofdofficieren waren bij de bespreking van dit agendapunt aanwezig.637 Het college stelde blijkens de notulen van deze vergadering allereerst vast dat de stroeve samenwerking tussen de drie parketten in het post-Fort- traject tegenover de politiek niet meer viel weg te poetsen. Gevraagd naar hun appreciatie van waar het mis was gegaan in de samenwerking tussen de drie parketten droegen de drie hoofdofficieren diverse argumenten aan: — Vrakking wees op de nasleep van de IRT-affaire en op het daarmee samenhangende feit dat er nog steeds een groot onderling wantrouwen was; — Holthuis bracht naar voren dat de grote kennisvoorsprong van Haarlem op het LRT fnuikend was geweest voor de samenwerking; de gepleegde analyses waren op zichzelf knap, maar waren ondoorzichtig voor het LRT dat de onderliggende informatie niet had; toen het LRT vervolgens steeds vaker het verwijt kreeg “jullie doen niets” ontstond een steeds grotere verwijdering; — Van Brummen beaamde dat er weliswaar een kennisverschil was geweest maar dat Haarlem steeds zoveel mogelijk openheid had betracht; bij de waardering van de feiten had voor hem altijd sterk het onderscheid tussen harde en zachte informatie gegolden; ook had volgens hem een rol gespeeld dat Snijders hele goede analisten aan zijn zijde had; Haarlem had verder de indruk gekregen dat Amsterdam geen zin had in de zaak Van der Heiden; toen Alkmaar op het punt stond het dossier te vernietigen had Haarlem besloten om de bijbehorende informatie onder te brengen in het onderzoek naar U. 15.4 De gevolgen van de bevindingen voor het onderzoek Het (vijfde hoofdstuk van het) rapport van de Commissie-Kalsbeek dat op 9 juni 1999 verscheen, veroorzaakte zowel binnen als buiten het openbaar ministerie grote commotie. Het rapport leidde ook snel tot concrete actie vanuit het college van procureurs-generaal. Reeds tijdens de collegevergadering van 15 juni 1999 werd het voorstel besproken om een aparte zaaksofficier, bijgestaan door een aparte CID-officier, onder directe leiding van het college met het onderzoek te belasten. Een rol voor de hoofdofficieren was in dit scenario niet meer weggelegd. De politiek zou, aldus de notulen, geen vertrouwen in hun vermogen tot samenwerken (meer) hebben. Van de zijde van de hoofdofficieren werd gewezen op het feit dat aanvaarding van het voorstel hun gezag ernstig zou ondermijnen. Zij wezen er bovendien op dat met een louter strafvorderlijke aanpak niet alles boven water zou komen. Vrakking pleitte in dit verband voor een “waarheidscommissie”, maar het college verwachtte hier niets van. Het college liet zich door de bezwaren van de drie hoofdofficieren niet vermurwen. Op 18 juni 1999 kwam in de collegevergadering het voorstel ter tafel tot benoeming van Haverkate als coördinerend officier van het gehele post-IRT-onderzoek en van Don als coördinerend CID-officier.638 Snijders, zo luidden de instructies van het college, diende onmiddellijk zijn werkzaamheden over te dragen aan deze nieuwe CID-officier. Daarnaast deden de hoofdofficieren de toezegging om alle aanwezige CID- informatie aan Don over te dragen. Het college en de aanwezige hoofdofficieren waren het er over eens dat een “frisse ploeg” zich met het post-Fort-traject moest belasten. Zoals reeds is aangestipt in hoofdstuk 13, trok Noordhoek 637 Vertrouwelijk deel van de besluitenlijst van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d 15 juni 1999 (B2). 638 Besluitenlijst van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 18 juni 1999.
HOOFDSTUK 4 GEZAG OVER EN TOEZICHT OP DE OPSPORING
4.1 Algemeen
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 1
6 september 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
woensdag 6 september 1995
in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
prof. dr. C. Fijnaut
Aanvang 10.00 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 17
14 september 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
donderdag 14 september
1995 in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den
Haag
Verhoord wordt de heer A.A.M. Hellemons
Aanvang 10.00 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 33
29 september 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
vrijdag 29 september 1995 in
de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
de heer M. van Steeg
Aanvang 10.00 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 49
11 oktober 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
woensdag 11 oktober 1995 in
de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
mr. drs. J.A.M. van Blijswijk
Aanvang 12.45 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 65
20 oktober 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
vrijdag 20 oktober 1995 in de
vergaderzaal van de Eerste
Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt de
heer H. Wierenga
Aanvang 14.00 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 81
6 november 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
maandag 6 november 1995 in
de vergaderzaal van de Eerste
Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt mr.
E.M. d’Hondt
Aanvang 9.30 uur
3.5. De voorvallen
3.5.1. Inleiding
Evenals bij de advocaat kan de verwijtbare betrokkenheid van de
notaris bij georganiseerde misdaad eruit bestaan dat hij specifieke
kennis (informatie, e.d.) levert en afscherming biedt. Als
bijzonder kenmerk van de notaris komt erbij dat zijn tussenkomst
wettelijk is voorgeschreven voor het kunnen verrichten van
rechtshandelingen.
2.3. De tuchtrechtspraak
2.3.1. Inleiding
In haar boek over het advocatentuchtrecht merkt Boekman op dat
de opinirende functie een belangrijke waarde van het tuchtrecht is.
Het tuchtrecht zou de discussie omtrent de wezenlijke vragen binnen
de beroepsgroep levend houden. Dit zou een gunstige invloed hebben
op de goedwillende advocaten. Voor echte schurken, als die er zijn,
helpt het niets en ook niet voor degenen die uit laksheid de
kantjes er van af lopen. Als wij mogen aannemen dat de goedwillende
advocaten het merendeel van de Nederlandse orde uitmaken, ligt daar
het nut van de formele tuchtrechtspraak (Boekman 1993, p. 136).
6.3. Wederrechtelijk verkregen voordeel
Het wederrechtelijk verkregen voordeel van de verdachten kan
vanzelfsprekend niet op n lijn worden gesteld met de toegebrachte
economische schade. Afgezien van sommige vormen van parasitaire
fraude – in het bijzonder die waarvoor een minimum aan logistieke
handelingen nodig is – ontlopen het schade- en het winstbedrag
elkaar meestal aanzienlijk. De investeringen die moeten worden
gedaan alvorens berhaupt tot het plegen van de strafbare feiten
over te kunnen gaan, de personeelskosten, enzovoort, zijn van
invloed op de uiteindelijk te behalen nettowinst. Die winst zal
vervolgens ook moeten worden gedeeld met eventuele medeverdachten.
Casus 11 vormt een goede illustratie van de wijze waarop het
brutovoordeel over alle bij de betreffende fraude betrokkenen kan
worden verdeeld.
10.3. Girale verplaatsingen
10.3.1. Ondergronds bankieren
Een van de mogelijkheden om geld over te maken zonder een
papieren spoor achter te laten, wordt geboden door ondergrondse
banken (o.a. Robinson, 1994, pp. 16-18). Sinds de officile banken
gehouden zijn betere controle uit te oefenen op financile
transacties, hebben deze banken de wind mee gekregen. Het
ondergrondse bankieren heeft in verschillende culturen
verschillende namen: Hawalla banking (India), Hundi (Midden
Oosten), Chiti (Azi), Stash House (VS, Latijns Amerika). Hundi
staat voor vertrouwen en vertrouwen is de pijler waarop het
ondergrondse bankieren berust. Want het voordeel van ondergronds
bankieren, althans voor crimineel gebruik, is voor westerlingen
tegelijkertijd de achilleshiel: de afwezigheid van schriftelijke
overeenkomsten en bewijsstukken die juridische geldingskracht
hebben. Ondergronds bankieren is een systeem waarbij een persoon in
het ene land geld of geldwaarde overbrengt naar een begunstigde in
een ander land zonder dat de autoriteiten daarvan in beide landen
ook maar enige kennis of bewijsmateriaal bezitten. Ondergronds
bankieren trekt, zoals gesteld, een zware wissel op het onderlinge
vertrouwen. Vermoedelijk om deze reden vindt ondergronds bankieren
meestal plaats binnen familiale of langs etnische lijnen
samengestelde netwerken. Maar hieraan moet worden toegevoegd dat
deze centrale pijler van vertrouwen ook geschraagd wordt door angst
voor represailles (Squires, 1987, p. 4).
