• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • fort3_61

    249 12.5.2 Een nieuwe klankbordgroep Mede naar aanleiding van de zojuist genoemde brief werd tijdens de vergadering van het college van procureurs-generaal  van  3  november  1998  besloten  de  oude  klankbordgroep  op  te  heffen  en  een nieuwe  klankbordgroep  in  het  leven  te  roepen.571  Als  voorzitter  zou  Van  Daalen  gaan  fungeren.  De “controlegroep”,  waarover  in  de  vergadering  van  6  oktober  was  gesproken  en  die  in  de  notulen  van het  college  inmiddels  was  omgedoopt  tot  “horzelgroep”,  kwam  te  vervallen.  Volgens  een  procureur- generaal  was  de  oprichting  van  een  nieuwe  klankbordgroep  en  een  “horzelgroep”  teveel  van  het goede en zouden beide gremia elkaar in de weg kunnen zitten. Afgesproken werd dat Steenhuis zich op de achtergrond beschikbaar hield om op ad hoc basis – en op initiatief van Van Daalen – zijn licht over de aansturing van de post-Fort-onderzoeken te laten schijnen.572 In   een   periodiek   overleg   dat   Ficq   hield   met   Holthuis   op   7   oktober   1998   –   één   dag   na   de presentaties   dus   –   was   afgesproken   dat   op   korte   termijn   (nogmaals)   een   afspraak   zou   worden gemaakt   met   de   drie   betrokken   hoofdofficieren   teneinde   de   voorwaarden   te   creëren   waaronder Noordhoek optimaal zou kunnen werken.573  Begin  november  1998  vond  dit  overleg,  in  aanwezigheid van Ficq en Van Daalen, plaats. De belangrijkste conclusies van dit gesprek waren:574 — De operationele leiding berust bij het hoofd van het landelijk parket; — Snijders blijft belast met de selectie van het oude IRT-materiaal; hij bouwt zijn CID-activiteiten af en zal waar nodig als adviseur van Noordhoek optreden; — Teeven  zal  de  officieren  van  justitie  van  het  landelijk  parket  Noordhoek  en  Don  (CID-officier  van justitie) rechtstreeks informeren; — Van  Daalen  zal  namens  het  college  als  vast  aanspreekpunt  optreden;  hij  zal  tevens  deelnemen aan de klankbordgroep; op de momenten dat hij dat nuttig vindt, zal hij Steenhuis vragen om als “horzel” op te treden. De  vier  conclusies  die  hierboven  worden  genoemd,  roepen  enige  vragen  op.  In  het  bijzonder  het tweede  en  het  derde  punt  zijn  dusdanig  geformuleerd,  dat  niet  duidelijk  is  hoe  een  en  ander  moet worden   geïnterpreteerd.   Zo   is   niet   nader   gespecificeerd   waarover   Teeven   zijn   collega’s   van   het landelijk    parket    moest    informeren.    Had    dit    uitsluitend    betrekking    op    de    voortgang    van    de onderhandelingen met K. of ging de informatieplicht verder? Ook de opdracht aan Snijders is niet eenduidig geformuleerd, in die zin dat niet duidelijk is welke CID-activiteiten hij precies geacht werd af te bouwen. Bovendien konden, gezien de ernstig verstoorde persoonlijke   verhoudingen,   kanttekeningen   worden   geplaatst   bij   de   keuze   om   juist   Snijders   als adviseur  van  Noordhoek  aan  te  wijzen.  De  laatste  kon  in  de  ogen  van  Snijders  weinig  goeds  meer doen, getuige een memo dat de Haarlemse CID-officier nog geen drie weken na de presentaties in het college  en  bij  de  minister  zond  aan  Van  Brummen.  In  dit  schrijven  riep  Snijders  impliciet  op  tot  het varen van een eigen koers, aangezien “Haarlem” voortdurend nul op het rekest kreeg van het landelijk parket.575                                                 571 Daags  na  de  presentaties  in  het  college  was  tijdens   een   periodiek   overleg   tussen   Ficq,   Holthuis,   De   Groot   en Noordhoek overigens al over de mogelijke samenstelling van de nieuwe klankbordgroep 060 gesproken. Vermoedelijk werd  dit  begrip  verward  met  de  door  Steenhuis  gesuggereerde  “controlegroep”.  Diens  naam  kwam  namelijk  op  het lijstje  van  kandidaten  voor  en  niet  die  van  Van  Daalen.  Behalve  Steenhuis  werd  met  het  oog  op  de  “controlegroep” gedacht aan de landsadvocaat, een ambtenaar van het parket-generaal, een nader aan te wijzen officier van justitie en een recherchechef. Over deelname van een sociaal wetenschapper en een strafrechtsgeleerde werd niet meer gesproken. Uit: Overzicht post-Fort-onderzoek opgesteld op basis van de schriftelijke gegevens aanwezig bij het college (B2). 572 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 3 november 1998 (B1). 573 Behalve Ficq en Holthuis waren ook onder andere Noordhoek en De Groot aanwezig bij dit periodieke overleg. Uit: Overzicht post-Fort-onderzoek opgesteld op basis van de schriftelijke gegevens aanwezig bij het college (B2). 574 Conceptnotulen  van  de  vergadering  van  college  van  procureurs-generaal  d.d.  17  november  1998;  de  “horzelfunctie” van Steenhuis kwam overigens nog tijdens deze vergadering te vervallen (B1). 575 Memo van J. Snijders d.d. 26-10-1998 aan H. van Brummen (D21) .

    fort3_76

    264 14 Het 063-onderzoek 14.1 Inleiding Zoals  beschreven  is  in  hoofdstuk  12,  ging  het  college  van  procureurs-generaal  op  6  oktober  1998 akkoord  met  het  voorstel  nader  strafrechtelijk  onderzoek  in  te  stellen  naar  de  (voormalige)  informant P. Dit onderzoek had de codering 063 meegekregen en werd ook door het LRT uitgevoerd. In  de  overlegvergadering  met  de  minister  en  de  secretaris-generaal  van  22  oktober  1998  lichtte Ficq toe dat, anders dan in de presentatie van 6 oktober 1998 was aangegeven, het de bedoeling was om   de   zaak   tegen   P.   eerder   in   de   operationele   fase   te   brengen   dan   de   zaak   tegen   J.   Dit   om operationele  en  bewijstechnische  redenen,  maar  ook  omdat  in  die  zaak  de  publieke  sympathie  de publicitaire discussie over het gebruik van voormalig IRT-materiaal positief zou kunnen beïnvloeden.603 Als  zaaksofficier  was  Van  der  Burg  van  het  landelijk  parket  aangewezen.  Naar  het  oordeel  van het  college  maakte  hij  te  weinig  haast  met  de  aanvang  van  het  onderzoek.  In  de  notulen  van  de vergadering  van  het  college  van  procureurs-generaal  van  23  december  1998  wordt  Van  der  Burg althans tot spoed gemaand bij de aanpak van onderzoek 063.604 Van  der  Burg  zelf  weerspreekt  dat  terughoudendheid  hem  bij  de  aanvang  van  het  onderzoek parten  speelde.  In  zijn  optiek  had  de  wat  lange  aanloop  met  de  complexiteit  van  de  zaak  en  de omvang van het dossier te maken605: “In oktober 1998 is er een presentatie geweest bij het college. Toen zijn kennelijk afspraken gemaakt. Ik was daar niet bij aanwezig. Ik ben toen, of direct daarna, kennelijk aangewezen als zaaksofficier. Het ging om een veronderstelde zaak, maar toch was ik al zaaksofficier. Ik heb   toen   niet   afgewacht   welk   materiaal   ter   beschikking   kon   worden   gesteld,   maar   heb gekeken   wat   er   aan   onderzoeksmateriaal   lag.   Er   lag   veel   materiaal,   rijp   en   groen   door elkaar. Mijn opvatting was dat ik voldoende ruimte moest krijgen om te bepalen of er sprake was van een zaak. Ik heb die ruimte dan ook genomen.” In dit hoofdstuk zal worden toegelicht waartoe de inspanningen van Van der Burg c.s. hebben geleid. Eerst  zal  het  plan  van  aanpak  en  het  daaropvolgende  advies  van  Van  der  Burg  worden  besproken. Vervolgens  passeren  de  beraadslaging  en  de  besluitvorming  in  het  college  –  en  de  reacties  van  Van der Burg en Snijders daarop – de revue. Tot slot wordt stilgestaan bij de opening van het gerechtelijk vooronderzoek in deze zaak.                                                 603 Uit: Overzicht post-Fort-onderzoek opgesteld op basis van de schriftelijke gegevens aanwezig bij het college (B2). 604 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 23-12-1998 (B1). 605 Interview G. van de Burg d.d. 5 februari 2001.

    fort3_90

    278 zich  kort  na  de  publicatie  van  het  rapport  van  de  Commissie-Kalsbeek  uit  eigen  beweging  terug  als zaaksofficier   en   werd   in   die   hoedanigheid   vervangen   door   Sta.   Van   der   Burg   had   reeds   enkele maanden daarvoor een andere functie binnen het openbaar ministerie aanvaard. Voor een aantal hoofdrolspelers kwam de besluitvorming van het college als een koude douche. Achtereenvolgens Schouten en Snijders gaven in het interview blijk van hun teleurstelling over het feit dat zij hun activiteiten moesten staken. Schouten639: “De   consternatie   na   de   rapportage   Kalsbeek   kwam   bij   mij   en   bij   de   anderen   als   een ontzettend  koude  douche.  Zij  hebben  het  allemaal  geweten  en  ook  hebben  ze  altijd  hun instemming betuigd. (…)  De  dag  na  Kalsbeek  kregen  wij  de  opdracht  om  te  stoppen  met  onze  werkzaamheden. Dit  shockeerde  ons  omdat  Korthals  de  Tweede  Kamer  had  toegezegd  dat  de  deskundigen die hadden gezorgd voor de kennis met betrekking tot de parallel-importen bij het onderzoek betrokken zouden blijven. Het onderzoek werd vervolgens geheel bij het LRT neergelegd en wij werden erbuiten gehouden. Wij zijn nooit gevraagd de minister of procureur generaal De Wijkerslooth uitvoerig voor te lichten.” Snijders640: “Wat  mij  ronduit  heeft  verbijsterd  betreft  het  feit  dat  het  college  ons  na  het  verschijnen  van het  rapport  van  de  Commissie-Kalsbeek  als  een  baksteen  heeft  laten  vallen.  Eigenlijk  heeft men sindsdien niets anders gedaan dan te trachten om onze hypothesen te weerleggen. Het probleem  moest  worden  weggedefinieerd.  Het  college  deed  het  ook  voorkomen  alsof  men van niets wist. Alle procureurs-generaal waren echter uitstekend geïnformeerd.” Een ander besluit van het college betrof het formeren van een begeleidingsteam rondom coördinerend officier  van  justitie  Haverkate.  Dit  begeleidingsteam,  bestaande  uit  Van  Daalen,  Steenhuis,  Holthuis, Van Brummen, Vrakking en Van Gend, werd ook een voortrekkersrol toebedeeld bij het uitpraten van onderlinge onenigheden tussen de betrokken officieren van justitie.641 Het laatste besluit dat in het kader van deze evaluatie van belang is, betrof het afbouwen van de gesprekken  die  Teeven  voerde  met  K.  Vrakking  deelde  op  18  juni  1999  mee  dat  er  nog  één  gesprek zou  plaatsvinden,  tenzij  de  coördinerend  officier  van  justitie  anders  wilde.  Het  college  ging  met  dit voorstel akkoord.642  Overigens  liet  Teeven  pas  op  15  september  1999,  in  uitdrukkelijke  opdracht  van de   voorzitter   van   het   college   van   procureurs-generaal,   aan   de   advocaat   van   K.   weten   dat   de gesprekken   met   K.   van   de   zijde   van   het   parket   te   Amsterdam   met   onmiddellijke   ingang   werden beëindigd en dat de gesloten overeenkomst zou worden gerespecteerd.643 15.5 Conclusie De   vragen   die   in   het   voorjaar   van   1999   vanuit   het   ministerie   van   Justitie   werden   opgeworpen, verraden dat ten tijde van de publicatie van het rapport van de Commissie-Kalsbeek de kennis over de actuele  stand  van  zaken  in  de  post-Fort-onderzoeken  gering  was.  In  het  eerste  deel  van  dit  rapport                                                 639 Interview P. Schouten d.d. 9 februari 2001. 640 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001. 641 Besluitenlijst van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 18 juni 1999. 642 Besluitenlijst van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 18 juni 1999 (B2). 643 Ambtsbericht van F. Teeven d.d. 25 september 1999 aan J. Vrakking (B4).

    Gecontroleerde drro- en afleveringen

    > 2.4 Gecontroleerde afleveringen doorlaten

    2.4.1 Vragen naar aanleiding van de beslispunten

    lees meer

    Openbaar ministerie landelijk

    4.3 Openbaar ministerie landelijk

    Het recent aanvaarde wetsvoorstel Reorganisatie openbaar
    ministerie geeft een formele basis aan zowel het Landelijk parket
    als het College van procureurs-generaal. Om het openbaar ministerie
    als één organisatie te laten functioneren wordt in
    het wetsvoorstel de landelijke leiding over het openbaar ministerie
    in handen gelegd van het College van procureur-generaal. Het
    College laat zich hierbij – behalve door het eigen Parketgeneraal –
    ondersteunen en adviseren door tal van landelijke werkgroepen en
    commissies. Een deel van die overlegstructuren is actief op het
    onderzoeksgebied van de parlementaire enquêtecommissie
    opsporingsmethoden. Een bijzondere rol is weggelegd voor het
    Landelijk parket in de aansturing van het Landelijk rechercheteam
    en delen van het KLPD en in de beleidsontwikkeling met betrekking
    tot de bestrijding van de (inter)nationale zware georganiseerde
    criminaliteit.

    lees meer

    Verhoren – de heer J. Wilzing

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 3

    6 september 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    woensdag 6 september 1995
    in de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    de heer J. Wilzing
    Aanvang 14.30 uur

    lees meer

    Verhoren – de heer P.C. van Duijne

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 19

    14 september 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    donderdag 14 september
    1995 in de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den
    Haag

    Verhoord wordt de heer P.C. van Duijne
    Aanvang 11.30 uur

    lees meer

    Verhoren – mr. A.C. Maan

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 35

    29 september 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    vrijdag 29 september 1995 in
    de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    mr. A.C. Maan
    Aanvang 14.30 uur

    lees meer

    Verhoren – jhr. mr. L.A.R.J. de Beaufort

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 51

    12 oktober 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    donderdag 12 oktober 1995 in
    de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    jhr. mr. L.A.R.J. de Beaufort
    Aanvang 10.00 uur

    lees meer

    Verhoren – mevrouw mr. J.M.E. in ‘t Velt-Meijer

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 67

    23 oktober 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    maandag 23 oktober 1995 in
    de vergaderzaal van de Eerste
    Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    mevrouw mr. J.M.E. in ‘t Velt-Meijer
    Aanvang 10.00 uur

    lees meer

    Verhoren – mr. A.W.H. Docters van Leeuwen

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 83

    6 november 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    maandag 6 november 1995 in
    de vergaderzaal van de Eerste
    Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt mr.
    A.W.H. Docters van Leeuwen
    Aanvang 13.00 uur

    lees meer

    Bijlage X – 4.1. Kerngegevens

    4. ACCOUNTANCY

    4.1. Kerngegevens

    4.1.1. De accountant als vertrouwenspersoon van onderneming en
    publiek

    De accountant stelt de betrouwbaarheid van financile gegevens
    vast. Deze controlerende taak kan hij uitoefenen in dienst van een
    bedrijf ten behoeve van dit bedrijf (interne accountant), als
    accountant-administratieconsulent of als openbaar accountant,
    veelal in dienst van een van de accountantskantoren. In deze
    laatste functie heeft hij de exclusieve bevoegdheid de jaarrekening
    van een onderneming van een verklaring te voorzien, die gebruikt
    mag worden in het maatschappelijke verkeer. Dit houdt in dat derden
    op de betrouwbaarheid van deze verklaring af moeten kunnen gaan en
    dat derhalve hoge eisen worden gesteld aan de onafhankelijkheid van
    de openbaar accountant.

    lees meer

    Bijlage X – Voorwoord

    Henk van de Bunt (VU/WODC)
    Hans Nelen (WODC)

    Voorwoord

    Tal van personen zijn van onschatbare betekenis geweest bij de
    gegevensverzameling ten behoeve van deze studie. Wij zijn veel dank
    verschuldigd aan de personen en diensten die in bijlage 1 staan
    vermeld. Onze speciale dank gaat uit naar Frank Erkens van de
    afdeling forensische accountancy van de CRI die vele waardevolle
    suggesties voor het derde deel van het rapport heeft gedaan.

    lees meer

    Bijlage X – 6.5. Recapitulatie

    6.5. Recapitulatie

    Het schatten van de omvang van de schade die frauduleuze
    praktijken teweegbrengen, is om uiteenlopende redenen een
    moeilijke, en ten aanzien van een aantal fraudevormen zelfs een
    onmogelijke opgave. Niettemin kan op basis van de beschikbare
    gegevens worden geconcludeerd dat georganiseerde fraude diep
    ingrijpt in het economische verkeer, waarbij in het geval van
    fraudes met een symbiotische component niet alleen gedacht moet
    worden aan de materile schade die teweeg wordt gebracht, maar ook
    aan de verstoorde concurrentieverhoudingen die door toedoen van de
    fraudeurs ontstaan. Hoewel dit op basis van het empirische
    materiaal moeilijk in harde cijfers is uit te drukken, staat ook de
    winstgevendheid van frauduleuze praktijken buiten kijf. In
    combinatie met de relatief geringe pakkans in dit type van zaken –
    aan fraudebestrijding wordt, zoals is uiteengezet in hoofdstuk 2,
    geen hoge prioriteit toegekend – mag worden verondersteld dat het
    (brede) fraudeterrein onverminderd aantrekkingskracht op criminele
    groepen – en op legale bedrijven in het kader van
    organisatiecriminaliteit – zal blijven uitoefenen.

    lees meer

    Bijlage X – 11.1. Inleiding

    11. WITWASSEN

    11.1. Inleiding

    Witwassen, zo werd in hoofdstuk 9 gesteld, is het omzetten van
    de verborgen, niet te verantwoorden herkomst van inkomsten in een
    wel te verantwoorden herkomst. In het vorige hoofdstuk is duidelijk
    geworden dat misdaadgeld in een land zonder financile, fiscale of
    strafrechtelijke controle op de herkomst van geld, gemakkelijk
    genvesteerd kan worden in de legale economie. Wanneer een criminele
    organisatie misdaadgeld dat in Nederland is verdiend, wil
    investeren in een dergelijk land is het voldoende dat het geld
    verplaatst wordt. Aangezien veel misdaadgeld wordt verdiend met de
    handel in herone en cocane door Turkse en Zuidamerikaanse
    organisaties (zie het rapport over de allochtone groepen), die
    nauwelijks in ons land investeren, komt het verplaatsen van
    misdaadgeld veel vaker voor dan de andere fasen in het
    witwasproces.

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>