IX – De branches horeca en gokautomaten – 6.6. De
VANJanuary 1, 1999
6.6. De VAN
De VAN – de Vereniging Automatenhandel Nederland – bestaat sinds
1971 en verenigt iets meer dan de helft van alle
speelautomatenhandelaren (400 van de 850). Samen exploiteren de
VAN-leden tachtig procent van
alle speelautomaten in Nederland, wat er op wijst dat de meeste
grotere bedrijven bij de VAN zijn aangesloten. De organisatie
streeft vooral naar eenduidigheid in het beleid; de huidige grote
gemeentelijke beslissingsbevoegdheid in de regels rond het gokken
leidt volgens de VAN tot willekeur en rechtsongelijkheid. Voorts
wil de organisatie dat de speelautomatenwereld een politiek
aanvaarde en maatschappelijk geaccepteerd en gerespecteerde branche
wordt. De vereniging begon enkele jaren terug een sterke lobby om
de negatieve beeldvorming die aan de sector kleeft te bestrijden.
De branche moet en wil de verantwoordelijkheid nemen voor haar
eigen vuil, zo schrijft de organisatie in haar beleidsplan
(VAN, 1989: 13). De VAN-leden verplichten zich tot het handhaven
van strengere voorwaarden rond de exploitatie van speelautomaten
dan door de overheid wordt geist; zelfregulering. Zo geldt er bij
de amusementshallen van VAN-leden een minimumleeftijd van 18 jaar,
in plaats van 16 jaar elders. Ook is de VAN organisator van de
cursus vroegsignalering van problematisch gokken aan de
Jellinek-kliniek. Daarnaast probeert de VAN gemeentelijke
convenanten af te sluiten omtrent het gokbeleid.
lees meer
IX – De bouwnijverheid – 3.3. De vakbondenJanuary 1, 1999
3.3. De vakbonden
Juist in zo’n arbeidsintensieve bedrijfstak als de
bouwnijverheid is het niet verwonderlijk dat vakbonden van
werknemers een prominente plaats innemen. In Nederland heeft de
vakbond een lange historie achter zich. Zij heeft zich een
legitieme en invloedrijke positie verworven die voor een belangrijk
deel binnen een verzuilde samenleving gestalte heeft gekregen. In
1872 werd de eerste vakcentrale opgericht: het Algemeen Nederlands
Werkliedenverbond (ANWV). Deze organisatie heeft de kiem gelegd
voor drie belangrijke stromingen in de vakbeweging: de
socialistische, de katholieke en de protestantse. De eerste
afsplitsing van de ANWV kwam in 1881 bij de oprichting van de SDB
van Domela Nieuwenhuis en resulteerde in 1906 in het NVV. De eerste
protestants-christelijke vakbond was het Patrimonium van Klaas
Kater, waarna na drie jaar het CNV werd opgericht dat een meer
interconfessioneel karakter had. De katholieke evenknie werd vlak
voor de pauselijke Encycliek Rerum Novarum in 1888
opgericht. In 1925 werden verschillende katholieke vakbonden
samengevoegd tot het Rooms Katholiek Werkliedenverbond (het latere
NKV). Tijdens de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog legden de
werknemersorganisaties en werkgeversorganisaties, ieder vanuit hun
eigen verantwoordelijkheid, zich toe op samenwerking. Die
samenwerking resulteerde onder andere in de oprichting van de SER
en van de invoering van een geleide loonpolitiek. In tegenstelling
tot de VS is van een harde, laat staan gewelddadige strijd in
Nederland nooit sprake geweest. Vakbonden zijn er in Nederland
altijd op uit geweest via onderhandelingen met werkgevers hun
doelen te bereiken. Stakingen, werkonderbrekingen, enzovoort werden
zo lang mogelijk uitgesteld en als uiterste pressiemiddel gezien en
ingezet. En was er sprake van een staking dan werd die altijd
gecordineerd door de vakbonden. Wilde stakingen wilden kaderleden
en bestuurders van vakbonden altijd zo veel voorkomen. In
tegenstelling tot de Verenigde Staten is van het toepassen van
geweld als strategie nimmer sprake geweest.
lees meer
IX – De bouwnijverheid – 7.2. Infiltratie en afpersing van
vakbondenJanuary 1, 1999
7.2. Infiltratie en afpersing van vakbonden
In Nederland hebben de vakbonden een belangrijke en legitieme
positie in de samenleving verworven als belangenbehartiger van de
werknemers. Deze positie is voornamelijk verkregen door een
jarenlange coperatieve opstelling ten opzichte van de overheid en
de werkgevers in Nederland, zonder overigens de eigen
verantwoordelijkheid en de eigen belangen uit het oog te verliezen.
De vakbonden, ook die in de bouwnijverheid actief zijn, hebben geen
gewelddadige historie achter zich. Er bestaat een hoge
organisatiegraad van de beide bouwbonden van het FNV en het CNV.
Meer dan de helft van alle bouwvakkers in Nederland is lid van een
van de bonden.
lees meer
IX – De afvalverwerkingsbranche – 5.6. De invloed van de
branche-organisatiesJanuary 1, 1999
5.6. De invloed van de branche-organisaties
In paragraaf 5.1 is aangegeven dat de overheid de laatste jaren
steeds grotere waarde is gaan hechten aan onderhandelingen met
ondernemingen om de afvalverwerking beter te organiseren. Daartoe
heeft de overheid het doelgroepenbeleid ontwikkeld waarbij zij als
gelijkwaardige partner met vertegenwoordigers van elke
afzonderlijke doelgroep onderhandelt over doelstellingen in het
milieubeleid. Deze vertegenwoordigers worden ook nadrukkelijk in
hun hoedanigheid van disciplineerder van hun tak van de
afvalbranche tegemoet getreden. Deze onderhandelingen gebeuren op
basis van consensus, wat inhoudt dat de overheid altijd water bij
de wijn moet doen omdat de branche-vertegenwoordigers zeggen dat
bepaalde wensen op dat moment (nog) niet kunnen worden
gerealiseerd. Deze benvloeding door de branche-organisaties gaat
verder. Ook de beleidsvoorbereiding van de overheid krijgt te maken
met hun invloed. Zo mag het volgende voorbeeld een en ander
verduidelijken.Een bedrijf ziet wel wat in de recycling van plastic
koffiebekertjes. Om winst te kunnen behalen is de aanvoer van grote
hoeveelheden koffiebekertjes gewenst. Hoe kan zo’n bedrijf de
aanvoer garanderen? In ieder geval moet het bedrijf op de n of
andere manier er voor zorgen dat koffiebekertjes niet meer mogen
worden gestort. In het overleg met de overheid en zijn
branche-organisatie wordt door de branche-organisatie (waarvan de
directeur van het bedrijf in het bestuur zit) er bij de overheid op
aangedrongen dat de stort van koffiebekertjes uit milieuhyginisch
standpunt onverantwoord is en dat er een inzamelingssysteem moet
komen. De overheid moet dit idee wel overnemen (want het is goed
voor het milieu!) en laat het in de beleidsnota’s opnemen en stelt
vervolgens de afgifte aan het bedrijf verplicht omdat dit bedrijf
de enige is die zulke hoeveelheden bekertjes kan verwerken. Zo
heeft het bedrijf via de branche-organisatie zijn zin gekregen door
een probleem te creren en direct een oplossing aan te bieden.
Misschien krijgt het van die zelfde overheid daarvoor ook nog
subsidie!
lees meer
IX – De verzekeringsbranche – VOORWOORDJanuary 1, 1999
Gerben Bruinsma Universiteit Twente
VOORWOORD
De verzekeringsmaatschappijen klagen al jaren steen en been over
het feit dat zij de financile gevolgen van de toenemende
criminaliteit voor hun rekening moeten nemen. In diverse
publikaties melden vertegenwoordigers van
verzekeringsmaatschappijen dat Nederlandse burgers het niet zo nauw
meer nemen met het indienen van een schadeclaim. Zij zouden
majoreren, fingeren of valse claims indienen om wat geld te
verdienen ten koste van een onpersoonlijk slachtoffer. Als gevolg
van fraudes op grote schaal zijn de verzekeringsmaatschappijen
gedwongen de premies elk jaar weer te verhogen om de toenemende
uitgaven op te kunnen vangen.
lees meer
IX – De wildlifebranche – 3.2. Soorten van criminele
activiteitenJanuary 1, 1999
3.2. Soorten van criminele activiteiten
Om de illegale handel in wildlife produkten vorm te geven moeten
verschillende soorten criminele handelingen worden verricht: 1) het
smokkelen van dieren en/of planten; 2) het valselijk opmaken of
vervalsen van vereiste CITES-documenten en het gebruik daarvan en
3) het omkopen van overheidsvertegenwoordigers. De smokkel
van levende dieren vereist veel vernuft, creativiteit en kennis bij
de smokkelaars. Handelaren moeten goed op de hoogte zijn van de
CITES-lijsten. Zij moeten beschikken over kennis van het produkt
(tropische vissen, reptielen, vogels, katachtigen en primaten), zij
moeten op de hoogte zijn van de zwakke plekken in het
internationale wildlife- beleid, de internationale wetgeving en van
de verschillen daarin tussen landen en, ten slotte, van de
opsporingsinstanties en hun werkwijzen.
lees meer
Eindrapport – 10.4 De Delta-methodeJanuary 1, 1999
10.4 De Delta-methode
10.4.1 Uitvoering Delta-methode
A. Delta-methode onverantwoord
lees meer
Eindrapport – 2.5 Autochtone groepenJanuary 1, 1999
2.5 Autochtone groepen
Het onderzoek naar criminele groepen in Nederland is
onderverdeeld in twee delen: autochtone groepen en allochtone en
buitenlandse groepen. Dit onderscheid is gemaakt omdat belangrijke
verschillen bestaan tussen deze soorten groepen. De Hollandse
netwerken hebben hun basis in Nederland zelf, terwijl in allochtone
gemeenschappen in Nederland criminaliteit voorkomt die direct
verbonden is met de drugeconomie in het land van herkomst, te weten
Suriname, Turkije en Marokko. De verbinding met de drugeconomie in
deze landen heeft duidelijk andere effecten op de allochtone
gemeenschappen in Nederland dan op de Hollandse netwerken, waarin
allochtonen overigens ook een rol kunnen vervullen. Daarnaast zijn
er buitenlandse criminele groepen die nauwelijks een binding hebben
met personen van die nationaliteit in Nederland. In deze paragraaf
komen de autochtone criminele groepen aan de orde.
lees meer
Eindrapport – 3.8 Beveronderzoek RotterdamJanuary 1, 1999
3.8 Beveronderzoek Rotterdam
In de zomer van 1992 werd in Rotterdam het
Haveninformatieproject gestart. Het doel van het project was de
informatie van verschillende diensten over de georganiseerde
criminaliteit in de haven bij elkaar te brengen. Uit het
Haveninformatieproject bleek dat een aantal personen zich in
georganiseerd verband bezig hield met strafbare feiten. De
Rotterdamse recherche en CID startten mede naar aanleiding hiervan
een onderzoek tegen een handelaar in verdovende middelen die al
meermalen veroordeeld was. Onder de codenaam Bever werd zodoende
eind 1993 een onderzoek gestart door het kernteam
Rotterdam-Rijnmond. De RCID Rotterdam had contact met de RCID
Kennemerland. Uit dit contact bleek dat de RCID Kennemerland een
informant runde die voor het Beveronderzoek belangrijke informatie
zou kunnen bieden (hier verder informant 3 genoemd).
lees meer
Eindrapport – 9.1 InleidingJanuary 1, 1999
HOOFDSTUK 9 STURING EN CONTROLE VAN DE
OPSPORING
9.1 Inleiding
De sturing en controle van de opsporing zijn in het voorgaande
hoofdstuk kort aan de orde gekomen. De commissie heeft onderzoek
gedaan naar de functionarissen en de organisaties die de sturing en
controle van de opsporing moeten uitvoeren. De Werkgroep
vooronderzoek opsporingsmethoden heeft vele vragen gesteld die
betrekking hebben op deze organisaties. De commissie besteedt in
dit hoofdstuk aandacht aan het openbaar ministerie, de
rechters-commissarissen, de zittingsrechters, de burgemeesters en
korpsbeheerders, de ministeries van Justitie en van Binnenlandse
Zaken en de Tweede Kamer. De commissie heeft deze organisaties en
instanties onderzocht voorzover zij betrokkenheid hebben bij de
sturing en controle van opsporingsmethoden.
lees meer
fort2_101January 1, 1999
165 Entken vulde deze redengeving aan met het argument dat men ook het eigen onderzoek zo lang mogelijk geheim wilde houden 359: “De linking pin tussen ons team en het meineedonderzoek was een lid van de rijksrecherche. Wij waren van dat onderzoek op de hoogte (…). Bovendien hoopten wij ons onderzoek zo lang mogelijk onder de roos te kunnen houden. Wanneer wij zelf betrokken zouden zijn bij het meineedonderzoek, dan zou bekend zijn dat het landelijk rechercheteam met een onderzoek tegen L. en Van V. bezig was. En dat wilden wij zo lang mogelijk geheim houden.” Waarbij men niet uit het oog mag verliezen dat ook deze beslissing de nodige vragen opriep bij de andere sporen. Zo zei Teeven360: “Het LRT heeft allerlei dingen onderzocht. Met name heeft het zich ook in de financiën van J. verdiept, maar wat ik nu zo vreemd vind is dat men niet heeft gekeken naar de financiën van betrokkenen, naar het kasboek, naar de verantwoording in Haarlem van de gelden die werden besteed; daar is bij mijn weten helemaal niet naar gekeken. En dat had toch eigenlijk ook heel goed gepast in de opdracht, want die was met name gericht op de financiële kant van de zaak, om die boven water te krijgen. Maar kennelijk heeft men daar vanaf gezien. Waarom? Ik weet het niet.” Van de drie deelonderzoeken die wel ter hand werden genomen kan in het algemeen worden gezegd dat zij in twee fasen en projectmatig werden uitgevoerd. De eerste fase liep van 18 augustus tot 12 september, de tweede van 15 september tot eind 1997. Per deel onderzoek en per fase werd vrij gedetailleerd bepaald welke kwesties moesten worden onderzocht.361 Het meest uitgebreide onderzoek was ongetwijfeld dat naar J. Zowel via een aantal diensten – in het bijzonder de CRI, de Kamer van Koophandel, het Kadaster en de Belastingdienst (FIOD), andere rechercheteams – als via diverse gegevensbestanden – onder meer het Herkenningsdienst Systeem (HKS), het Bedrijfsprocessen Systeem (BPS) en de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) – werd gepoogd zo onopgemerkt mogelijk informatie te verzamelen over de criminele antecedenten en activiteiten van deze verdachte, zijn familiale en sociale netwerk, zijn persoonlijke eigendommen en bemoeienissen met bepaalde bedrijven – in het bijzonder een buitenlandse onderneming -, zijn financiën en financiële transacties, zijn betrokkenheid bij een bepaalde sportclub, et cetera.362 Deze informatievergaring gebeurde grotendeels in Nederland zelf, met machtigingen van de betrokken officieren van justitie. Meer informatie over het dat bedrijf werd verkregen via internationale rechtshulp. Bovendien werden er enkele kortlopende observatie-acties uitgevoerd om een beter beeld te krijgen van bepaalde situaties. De resultaten van dit informatieve onderzoek werden neergelegd in een proces-verbaal van 13 november 1997 dat was bedoeld als een aanvraag om een gerechtelijk vooronderzoek tegen de verdachte te verkrijgen. Het behelst niet alleen een overzicht van de ondernomen acties maar somt ook de bevindingen op. In concluderende zin werd enerzijds gesteld dat een deel van de informatie zoals die in juni 1997 was verstrekt door de CID en de BVD werd bevestigd door de gegevens, en anderzijds dat op grond van deze gegevens het vermoeden was 359 Interview P. Entken d.d. 16 januari 2001. 360 Interview F. Teeven d.d. 7 februari 2001. 361 Vergelijk de nota “Project 060, Versie 2.0, tactische fase” d.d. 4 september 1997 (C3). Een groot aantal van de projecten is opgenomen in C3. 362 De vorenstaande en navolgende beschrijving is met name gebaseerd op het proces-verbaal d.d. november 1997 betreffende de aanvraag van een gerechtelijk vooronderzoek inzake de verdachte (F16), de mutaties in het journaal van het team (F23) en de mappen bij het LRT met de processen-verbaal van ambtshandelingen uit de betrokken periode, en de mappen bij hetzelfde team met rapporten over onder meer de CID-berichten en de observatie.