215 de “Taartman” en medeverdachte Y. de verscheping van de 10.000 kg hasj naar Nederland hadden georganiseerd. In deze verklaringen kwam naar voren dat de “Taartman” in Sri Lanka in meubels en keramiek zou hebben gehandeld en meerdere containertransporten naar Nederland zou hebben geregeld, waarbij deze goederen werden vervoerd. Uit de verklaringen kwam ook naar voren dat deze goederen als legale deklading fungeerden voor hasj. Volgens een verklaring van Y. zou de “Taartman” in opdracht van een Nederlandse groepering hebben gehandeld. Hij zou hun “vertegenwoordiger” zijn geweest en ter verantwoording zijn geroepen voor de inbeslagname van de 10.000 kg. Hij zou toen ook bedreigd zijn. Door Noordhoek werd eind februari 1998 bij de rechter-commissaris in Amsterdam een gerechtelijk vooronderzoek gevorderd tegen de “Taartman” op grond van overtreding van de Opiumwet (import hasj). Op 10 maart 1998 werd hij aangehouden en verhoord. Hij ontkende alle betrokkenheid bij de handel in soft drugs. 10.3.3 De (strafrechtelijke) afloop Het 062-onderzoek bleek een betrekkelijk kort intermezzo voor het LRT. In beide zaken was voldoende bewijsmateriaal aanwezig. Zowel R. als de “Taartman” werden door de rechter veroordeeld. R. werd door de rechtbank te Haarlem op 26 mei 1998 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar in verband met de invoer van de partij cocaïne van 400 kilogram en een eerdere partij van 150 kilogram. Tevens werd hem op grond van art. 36e Sr. de verplichting opgelegd tot het betalen van 35.000 gulden in het kader van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Er werd geen hoger beroep ingesteld. De “Taartman” werd door de rechtbank te Amsterdam op 4 juni 1999 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar en een geldboete van 5 ton. Op 9 november 2000 werd hij door het Hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaar. Het Hof overwoog onder meer dat hij bij het transporteren en importeren van ongeveer 1500 kilo cocaïne vanuit Zuid-Amerika naar Nederland, een “bemiddelende, faciliterende – in het bijzonder financierende – en begeleidende rol” had gespeeld. In het organiseren van transporten met grote hoeveelheden hasj vanuit Sri Lanka had de “Taartman” naar het oordeel van het Hof een leidinggevende en initiërende rol vervuld. Hiermee had hij “bijgedragen aan het instandhouden van een, voor de samenleving schadelijk, illegaal geldcircuit, dat gepaard gaat met de handel in hasj”. De afloop was in strafrechtelijke zin dus succesvol. Maar de doelstelling van het 062-onderzoek was niet bereikt. Het 060-team had het onderzoek naar de “Taartman” overgenomen omdat verondersteld werd dat hij na zijn berechting verklaringen zou kunnen en willen afleggen over de mogelijke rol van L. en Van V.. De “Taartman” heeft echter zowel voor, tijdens als na zijn berechting geen enkele bereidheid getoond om hierover te verklaren. 10.4 De deal met R. Om de strategie te doen slagen dat de “Taartman” verklaringen zou gaan afleggen, zijn er eerst door Snijders en later door zijn collega Noordhoek initiatieven ondernomen om een “deal” te sluiten met R. De idee was dat R. veel zou kunnen verklaren over de “Taartman”. Wanneer de “Taartman” op basis van die verklaringen tot een (zware) straf zou zijn veroordeeld, zou hij een grote(re) bereidheid hebben om te gaan praten over L. en Van V. en over de wijze waarop cocaïnetransporten in de IRT- periode door de douane werden geloodst. Met name Snijders had bovendien de hoop dat R. zelf ook wetenschap had over L. en Van V. en hierover zou willen praten. Hoewel er uiteindelijk een deal met R. tot stand is gekomen, heeft deze – zoals zojuist al is gesteld – niet het beoogde effect gehad. De “Taartman” heeft weliswaar een zware straf gekregen, maar is niet gaan praten. De deal met R. heeft wel een onvoorzien effect gehad: de overeenkomst
229 dat een hernieuwd strafrechtelijk onderzoek naar de XTC-trajecten consequenties zou kunnen hebben voor de officier van justitie die destijds bij dat onderzoek betrokken was. Steenhuis heeft zich daarbij openlijk afgevraagd of het college een dergelijke stap wenselijk achtte. Ficq hamerde er bij die gelegenheid op dat het eigen nest moest worden schoongemaakt. “Als het moet, dan moet het”, zei hij bij die gelegenheid.” Het bovenstaande citaat vormt reeds een aanwijzing dat het voorstel voor een hernieuwd tactisch onderzoek naar het XTC-traject een belangrijk aandachtspunt is geweest tijdens de collegevergadering van 6 oktober 1998. Hoewel het een geheel ander traject betrof dan de vermeende parallel-transporten vanuit Zuid-Amerika, werd door de betrokkenen gehamerd op twee belangrijke overeenkomsten: niet alleen zou ook in dit geval sprake geweest kunnen zijn van een informant die een loopje had genomen met de overheid, maar ook de verdachtengroep in beide trajecten vertoonde een zekere overlap. In het volgende hoofdstuk zal worden bezien hoe de onderzoeksbevindingen door de verschillende teams op 6 oktober 1998 werden gepresenteerd en hoe deze door respectievelijk het college van procureurs-generaal en de minister van Justitie werden ontvangen. Tevens wordt ruimschoots aandacht besteed aan de besluiten die naar aanleiding van de presentaties werden genomen. 11.4 De ontwikkelingen in Amsterdam 11.4.1 Het onderzoek naar de XTC-zaak en de liquidatie van Van der Heiden Zoals reeds is vermeld in paragraaf 7.4.1, was het college op 3 september 1997 akkoord gegaan met het voorstel van de groep die belast was met de coördinatie van het onderzoek naar de bedreiging van een officier van justitie vanuit het criminele milieu. Kern van dit voorstel was dat gedeelten van het IRT-dossier na een grondige toets van de bruikbaarheid van het materiaal alsnog zouden worden gebruikt in een aantal strafrechtelijke onderzoeken. In de brief van Van Brummen aan het college van 14 augustus 1997 werden drie onderzoeken genoemd, waarbij het parket Amsterdam betrokken zou zijn, te weten509: — bedreiging van één of meer leden van het openbaar ministerie; dit onderzoek zou door Teeven worden uitgevoerd onder gezag van de hoofdofficier van justitie te Alkmaar; — liquidatie van der Heiden; ook dit onderzoek zou door Teeven worden uitgevoerd onder gezag van de hoofdofficier van justitie te Alkmaar; — XTC-zaak; de uitvoering zou plaatsvinden door Teeven onder gezag van de hoofdofficier van justitie te Amsterdam. Het eerste onderzoek kwam met het wegvallen in september 1997 van het dreigingsbeeld jegens de bewuste officier van justitie eigenlijk nooit van de grond. Teeven stelde weliswaar nog een analyse van de CID van het Kernteam Amsterdam (KTA) in het vooruitzicht van andere bedreigingsgevallen van officieren van justitie, maar deze analyse, aan de hand waarvan aan het eind van 1997 zou moeten worden besloten of een verkennend onderzoek gerechtvaardigd was, is niet in de stukken 509 Brief van H. van Brummen d.d. 14 augustus 1997 aan C. Ficq (D21).
244 “Na afloop van het verhaal van Noordhoek heeft Ficq getracht om te voorkomen dat ook ik mijn verhaal kon doen. Onder het mom van: “Peter, jouw verhaal zit toch hetzelfde in elkaar”, wilde Ficq door naar het volgende punt van de agenda. Ik heb mij tegen die gang van zaken fel verzet en heb alsnog mijn presentatie gehouden.”554 Het bovenstaande citaat uit het interview met Snijders geeft reeds aan dat hij, vanuit de overtuiging dat Ficq hem op voorhand de mond wilde snoeren, enigszins getergd aan zijn presentatie begon. Analoog aan de presentatie in het college een klein jaar eerder, maakten Snijders en Schouten bij het overbrengen van hun inzichten ruimschoots gebruik van beeldmateriaal. De presentatie omvatte maar liefst 81 dia’s, die vanwege tijdgebrek overigens niet allemaal vertoond konden worden. Daarnaast werd een schema van 3×5 meter aan de wand bevestigd, waarop de onderlinge relaties tussen de betrokkenen waren afgebeeld. De presentatie van Snijders en Schouten viel uiteen in drie gedeelten. Ook ten aanzien van de structuur werd de lijn van het jaar daarvoor doorgetrokken, zij het dat er toen sprake was van een gemengde presentatie met het LRT (zie hoofdstuk 8). De eerste twee onderdelen uit de presentatie van november 1997 kwamen ook in 1998 weer aan bod, te weten: 1. inlichtingentrajecten hoofdofficier van justitie Haarlem; 2. voortgang inventarisatie IRT-dossier. Hieraan werd nu een derde deelonderwerp toegevoegd: 3. Strategie in relatie tot informanten. Ad 1 Inlichtingentrajecten Onder deze noemer werd stilgestaan bij achtereenvolgens de parallel-importen en – in relatie daarmee – het NN-GVO. De presentatie van november 1997, getiteld “Colombiaans dubbelspel”, werd in herinnering geroepen en de belangrijkste conclusies daarvan werden nogmaals weergegeven. Op deze conclusies werd voortgeborduurd aan de hand van de verklaring van de bedreigde getuige NN1 en de bevindingen uit het parallel-pv. 554 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001.
258 Noch de 00-informatie noch de 01-informatie is uiteindelijk bij de CID van het LRT beland. In een aantal gevallen had dat te maken met een weigering van de afzenders om de informatie te verstrekken. Zo weigerde de FIOD om ten behoeve van het LRT een proces-verbaal op te maken omdat de door de FIOD vergaarde informatie afkomstig was van andere informatiebronnen en de dienst niet kon instaan voor haar betrouwbaarheid. Ook vanuit de RCID van de regio Gooi en Vechtstreek kreeg het LRT nul op het rekest. De gevraagde gegevens konden niet in de vorm van een proces-verbaal worden aangeleverd, omdat hierin informatie aanwezig was die door Teeven als onbetrouwbaar was gekwalificeerd. Een andere CID, niet bekend welke, had aangegeven dat de gevraagde CID-formulieren, waaruit informatie gehaald moest worden voor een tactisch proces- verbaal, niet meer voorradig waren.583 Behalve de bovengenoemde redenen lag volgens diverse betrokkenen aan de gebrekkige informatievoorziening ook een zekere lankmoedigheid ten grondslag van de zijde van de CID van het LRT. In diverse interviews werd aangegeven dat de bereidheid van de CID-LRT om informatie bij andere RCID’en op te vragen niet al te groot was. In de volgende citaten zien we dit standpunt terug: Van Brummen584: “Voor Haarlem is het nog steeds een grote vraag waarom de CID-sectie van het LRT niet gericht op zoek gegaan is naar de onderliggende informatie van het parallel-pv.” Schouten585: “Wij hebben dat parallel-pv gemaakt en zoals iedereen weet, die binnen de CID werkt, moet je voor het verkrijgen van onderliggende informatie met de code 00 en 01 terug naar de bron. Wij hebben er alles aan gedaan om zo snel en concreet mogelijk aan te geven voor welke informatie men naar welke bron toe moest. Daar hebben we hele dagen aan gewerkt. Het verbaasde me dan ook dat wij later vanuit het LRT te horen kregen dat wij niet meewerkten. Toen bleek dat de CID van het LRT, naar aanleiding van onze informatieoverzichten, een stapel informatierapporten (inclusief de 00 en 01 info’s) op het bureau van het tactische team had gegooid. Het tactische team had dit geweigerd en gezegd dat dit niet de manier was om om te gaan met CID informatie. Vervolgens gebeurde er weer lange tijd niets.” Van Stormbroek586: “Wij zeiden, Peter Snijders, ik en de anderen: “onze analyse is gebaseerd op allerlei bronnen, van zeer diverse CID-en. Wij kunnen jullie die informatie niet zo geven. Het is geen informatie van de CRI, de CRI moet er behoedzaam mee omgaan. Maar het is voor jullie wel goed mogelijk om die informatie her en der op te vragen”. Maar, zo is mijn indruk, het LRT was daar niet zo happig op. Zij wilden liever met grote stappen thuis zien te komen in plaats van bepaalde kwesties gedetailleerd uit te werken. Wij hebben ze heus wel aangegeven hoe zij de gegevens rond bepaalde mensen en rond bepaalde bronnen konden stapelen en op die manier een en ander konden uitzoeken, maar naar ons gevoel was dat toch eenrichtingsverkeer. Zij zagen er eigenlijk niet zo veel in. Het LRT had, denk ik, niet zoveel fiducie in de these van de parallel-importen. Zij wilden trouwens ook zogezegd schoon 583 Journaal over containeronderzoek n.a.v. parallel-proces-verbaal (C1). 584 Interview H. van Brummen d.d. 2 februari 2001. 585 Interview P. Schouten d.d. 9 februari 2001. 586 Interview A. van Stormbroek d.d. 23 januari 2001.
1.3 Methoden en opzet van het onderzoek
1.3.1 Deelonderzoeken
3.6 Kernteams
In de tweede helft van de jaren tachtig is de belangstelling
voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit toegenomen. In
dit kader ontstond de gedachte om permanente opsporingscapaciteit
vrij te maken ter bestrijding van dit type criminaliteit. Gezien
het feit dat de criminele activiteiten zich veelal uitstrekten over
grote delen van Nederland en het buitenland werd besloten tot de
oprichting van interregionale opsporingsteams. Aanvankelijk werd
gesproken van interregionale rechercheteams (IRT’s); vanaf 1994 van
kernteams. Het zijn thans zes kernteams, te weten
Noord-Oost-Nederland, Randstad-Noord en Midden, Zuid, Rotterdam,
Haaglanden en Amsterdam-Amstelland/Gooi en Vechtstreek. Van de
kernteams wordt een prominente rol verwacht bij de bestrijding van
de georganiseerde criminaliteit.
6.5 Gezag en toezicht op de opsporing
6.5.1 Openbaar ministerie
6.5.2 Openbaar ministerie landelijk
6.5.3 Rechters-commissarissen
6.5.4 Ministeries en korpsbeheerders
6.5.5 Parlement
6.6 Bijzondere bevindingen
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 13
13 september 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
woensdag 13 september 1995
in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
de heer W.C. van Amerongen
Aanvang 10.00 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 29
28 september 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
donderdag 28 september
1995 in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den
Haag
Verhoord wordt de heer W.J.A. Paulissen
Aanvang 10.00 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 45
9 oktober 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
maandag 9 oktober 1995 in de
vergaderzaal van de Eerste
Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt de
heer K. Langendoen
Zie ook: Tweede verhoor de heer K. Langendoen (red.)
Aanvang 11.55 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 61
19 oktober 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
donderdag 19 oktober 1995 in
de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
de heer K. Kuijper
Aanvang 14.30 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 77
2 november 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
donderdag 2 november 1995
in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
de heer J. van Vondel
Zie ook: Eerste verhoor de heer J. van Vondel (red.)
Aanvang 12.00 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 93
9 november 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
donderdag 9 november 1995
in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
de heer H.F. Dijkstal
Aanvang 17.11 uur
2.6. Slotbeschouwing
De advocaat heeft een moeilijk beroep: hij dient partijdig te
zijn, doch hierbij zijn onafhankelijkheid jegens de clint te
bewaren. De normering van – en controle op – de beroepsuitoefening
is sterk professioneel van karakter. Het beroep evolueert evenwel
steeds meer in de richting van een gewoon, commercieel beroep. Het
werkterrein van de advocaat (wat is eigenlijk des advocaten?) is
niet duidelijk afgegrensd, terwijl de beroepsbeoefenaar wel alle
parafernalia bezit van het klassieke, professionele beroep.
