• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • fort3_27

    215 de  “Taartman”  en  medeverdachte  Y.  de  verscheping  van  de  10.000  kg  hasj  naar  Nederland  hadden georganiseerd.  In  deze  verklaringen  kwam  naar  voren  dat  de  “Taartman”  in  Sri  Lanka  in  meubels  en keramiek   zou   hebben   gehandeld   en   meerdere   containertransporten   naar   Nederland   zou   hebben geregeld, waarbij deze goederen werden vervoerd. Uit de verklaringen kwam ook naar voren dat deze goederen als legale deklading fungeerden voor hasj. Volgens een verklaring van Y. zou de “Taartman” in opdracht van een Nederlandse groepering hebben gehandeld. Hij zou hun “vertegenwoordiger” zijn geweest  en  ter  verantwoording  zijn  geroepen  voor  de  inbeslagname  van  de  10.000  kg.  Hij  zou  toen ook bedreigd zijn. Door    Noordhoek    werd    eind    februari    1998    bij    de    rechter-commissaris    in    Amsterdam    een gerechtelijk    vooronderzoek    gevorderd    tegen    de    “Taartman”    op    grond    van    overtreding    van    de Opiumwet  (import  hasj).  Op  10  maart  1998  werd  hij  aangehouden  en  verhoord.  Hij  ontkende  alle betrokkenheid bij de handel in soft drugs. 10.3.3 De (strafrechtelijke) afloop Het   062-onderzoek   bleek   een   betrekkelijk   kort   intermezzo   voor   het   LRT.   In   beide   zaken   was voldoende    bewijsmateriaal    aanwezig.    Zowel    R.    als    de    “Taartman”    werden    door    de    rechter veroordeeld.    R.    werd    door    de    rechtbank    te    Haarlem    op    26    mei    1998    veroordeeld    tot    een gevangenisstraf  van  8  jaar  in  verband  met  de  invoer  van  de  partij  cocaïne  van  400  kilogram  en  een eerdere partij van 150 kilogram. Tevens werd hem op grond van art. 36e  Sr.  de  verplichting  opgelegd tot   het   betalen   van   35.000   gulden   in   het   kader   van   de   ontneming   van   wederrechtelijk   verkregen voordeel. Er werd geen hoger beroep ingesteld. De   “Taartman”   werd   door   de   rechtbank   te   Amsterdam   op   4   juni   1999   veroordeeld   tot   een gevangenisstraf  van  6  jaar  en  een  geldboete  van  5  ton.  Op  9  november  2000  werd  hij  door  het  Hof veroordeeld   tot   een   gevangenisstraf   van   9   jaar.   Het   Hof   overwoog   onder   meer   dat   hij   bij   het transporteren en importeren van ongeveer 1500 kilo cocaïne vanuit Zuid-Amerika naar Nederland, een “bemiddelende,  faciliterende  –  in  het  bijzonder  financierende  –  en  begeleidende  rol”  had  gespeeld.  In het  organiseren  van  transporten  met  grote  hoeveelheden  hasj  vanuit  Sri  Lanka  had  de  “Taartman” naar   het   oordeel   van   het   Hof   een   leidinggevende   en   initiërende   rol   vervuld.   Hiermee   had   hij “bijgedragen aan het instandhouden van een, voor de samenleving schadelijk, illegaal geldcircuit, dat gepaard gaat met de handel in hasj”. De  afloop  was  in  strafrechtelijke  zin  dus  succesvol.  Maar  de  doelstelling  van  het  062-onderzoek was    niet    bereikt.    Het    060-team    had    het    onderzoek    naar    de    “Taartman”    overgenomen    omdat verondersteld  werd  dat  hij  na  zijn  berechting  verklaringen  zou  kunnen  en  willen  afleggen  over  de mogelijke  rol  van  L.  en  Van  V..  De  “Taartman”  heeft  echter  zowel  voor,  tijdens  als  na  zijn  berechting geen enkele bereidheid getoond om hierover te verklaren. 10.4 De deal met R. Om de strategie te doen slagen dat de “Taartman” verklaringen zou gaan afleggen, zijn er eerst door Snijders en later door zijn collega Noordhoek initiatieven ondernomen om een “deal” te sluiten met R. De idee was dat R. veel zou kunnen verklaren over de “Taartman”. Wanneer de “Taartman” op basis van   die   verklaringen   tot   een   (zware)   straf   zou   zijn   veroordeeld,   zou   hij   een   grote(re)   bereidheid hebben om te gaan praten over L. en Van V. en over de wijze waarop cocaïnetransporten in de IRT- periode door de douane werden geloodst. Met name Snijders had bovendien de hoop dat R. zelf ook wetenschap had over L. en Van V. en hierover zou willen praten. Hoewel  er  uiteindelijk  een  deal  met  R.  tot  stand  is  gekomen,  heeft  deze  –  zoals  zojuist  al  is gesteld  –  niet  het  beoogde  effect  gehad.  De  “Taartman”  heeft  weliswaar  een  zware  straf  gekregen, maar  is  niet  gaan  praten.  De  deal  met  R.  heeft  wel  een  onvoorzien  effect  gehad:  de  overeenkomst

    fort3_41

    229 dat   een   hernieuwd   strafrechtelijk   onderzoek   naar   de   XTC-trajecten   consequenties   zou kunnen  hebben  voor  de  officier  van  justitie  die  destijds  bij  dat  onderzoek  betrokken  was. Steenhuis heeft zich daarbij openlijk afgevraagd of het college een dergelijke stap wenselijk achtte.    Ficq    hamerde    er    bij    die    gelegenheid    op    dat    het    eigen    nest    moest    worden schoongemaakt. “Als het moet, dan moet het”, zei hij bij die gelegenheid.” Het  bovenstaande  citaat  vormt  reeds  een  aanwijzing  dat  het  voorstel  voor  een  hernieuwd  tactisch onderzoek naar het XTC-traject een belangrijk aandachtspunt is geweest tijdens de collegevergadering   van   6   oktober   1998.   Hoewel   het   een   geheel   ander   traject   betrof   dan   de vermeende  parallel-transporten  vanuit  Zuid-Amerika,  werd  door  de  betrokkenen  gehamerd  op  twee belangrijke  overeenkomsten:  niet  alleen  zou  ook  in  dit  geval  sprake  geweest  kunnen  zijn  van  een informant  die  een  loopje  had  genomen  met  de  overheid,  maar  ook  de  verdachtengroep  in  beide trajecten vertoonde een zekere overlap. In    het    volgende    hoofdstuk    zal    worden    bezien    hoe    de    onderzoeksbevindingen    door    de verschillende  teams  op  6  oktober  1998  werden  gepresenteerd  en  hoe  deze  door  respectievelijk  het college   van   procureurs-generaal   en   de   minister   van   Justitie   werden   ontvangen.   Tevens   wordt ruimschoots   aandacht   besteed   aan   de   besluiten   die   naar   aanleiding   van   de   presentaties   werden genomen. 11.4 De ontwikkelingen in Amsterdam 11.4.1 Het onderzoek naar de XTC-zaak en de liquidatie van Van der Heiden Zoals reeds is vermeld in paragraaf 7.4.1, was het college op 3 september 1997 akkoord gegaan met het  voorstel  van  de  groep  die  belast  was  met  de  coördinatie  van  het  onderzoek  naar  de  bedreiging van een officier van justitie vanuit het criminele milieu. Kern van dit voorstel was dat gedeelten van het IRT-dossier  na  een  grondige  toets  van  de  bruikbaarheid  van  het  materiaal  alsnog  zouden  worden gebruikt in een aantal strafrechtelijke onderzoeken. In   de   brief   van   Van   Brummen   aan   het   college   van   14   augustus   1997   werden   drie   onderzoeken genoemd, waarbij het parket Amsterdam betrokken zou zijn, te weten509: — bedreiging  van  één  of  meer  leden  van  het  openbaar  ministerie;  dit  onderzoek  zou  door  Teeven worden uitgevoerd onder gezag van de hoofdofficier van justitie te Alkmaar; — liquidatie  van  der  Heiden;  ook  dit  onderzoek  zou  door  Teeven  worden  uitgevoerd  onder  gezag van de hoofdofficier van justitie te Alkmaar; — XTC-zaak;  de  uitvoering  zou  plaatsvinden  door  Teeven  onder  gezag  van  de  hoofdofficier  van justitie te Amsterdam. Het  eerste  onderzoek  kwam  met  het  wegvallen  in  september  1997  van  het  dreigingsbeeld  jegens  de bewuste  officier  van  justitie  eigenlijk  nooit  van  de  grond.  Teeven  stelde  weliswaar  nog  een  analyse van  de  CID  van  het  Kernteam  Amsterdam  (KTA)  in  het  vooruitzicht  van  andere  bedreigingsgevallen van  officieren  van  justitie,  maar  deze  analyse,  aan  de  hand  waarvan  aan  het  eind  van  1997  zou moeten  worden  besloten  of  een  verkennend  onderzoek  gerechtvaardigd  was,  is  niet  in  de  stukken                                                 509 Brief van H. van Brummen d.d. 14 augustus 1997 aan C. Ficq (D21).

    fort3_56

    244 “Na  afloop  van  het  verhaal  van  Noordhoek  heeft  Ficq  getracht  om  te  voorkomen  dat  ook  ik mijn verhaal kon doen. Onder het mom van: “Peter, jouw verhaal zit toch hetzelfde in elkaar”, wilde Ficq door naar het volgende punt van de agenda. Ik heb mij tegen die gang van zaken fel verzet en heb alsnog mijn presentatie gehouden.”554 Het  bovenstaande  citaat  uit  het  interview  met  Snijders  geeft  reeds  aan  dat  hij,  vanuit  de  overtuiging dat  Ficq  hem  op  voorhand  de  mond  wilde  snoeren,  enigszins  getergd  aan  zijn  presentatie  begon. Analoog aan de presentatie in het college een klein jaar eerder, maakten Snijders en Schouten bij het overbrengen van hun inzichten ruimschoots gebruik van beeldmateriaal. De presentatie omvatte maar liefst  81  dia’s,  die  vanwege  tijdgebrek  overigens  niet  allemaal  vertoond  konden  worden.  Daarnaast werd  een  schema  van  3×5  meter  aan  de  wand  bevestigd,  waarop  de  onderlinge  relaties  tussen  de betrokkenen waren afgebeeld. De  presentatie  van  Snijders  en  Schouten  viel  uiteen  in  drie  gedeelten.  Ook  ten  aanzien  van  de structuur  werd  de  lijn  van  het  jaar  daarvoor  doorgetrokken,  zij  het  dat  er  toen  sprake  was  van  een gemengde  presentatie  met  het  LRT  (zie  hoofdstuk  8).  De  eerste  twee  onderdelen  uit  de  presentatie van november 1997 kwamen ook in 1998 weer aan bod, te weten: 1. inlichtingentrajecten hoofdofficier van justitie Haarlem; 2. voortgang inventarisatie IRT-dossier. Hieraan werd nu een derde deelonderwerp toegevoegd: 3. Strategie in relatie tot informanten. Ad 1    Inlichtingentrajecten Onder   deze   noemer   werd   stilgestaan   bij   achtereenvolgens   de   parallel-importen   en   –   in   relatie daarmee – het NN-GVO. De presentatie van november 1997, getiteld “Colombiaans dubbelspel”, werd in  herinnering  geroepen  en  de  belangrijkste  conclusies  daarvan  werden  nogmaals  weergegeven.  Op deze conclusies werd voortgeborduurd aan de hand van de verklaring van de bedreigde getuige NN1 en de bevindingen uit het parallel-pv.                                                 554 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001.

    fort3_70

    258 Noch  de  00-informatie  noch  de  01-informatie  is  uiteindelijk  bij  de  CID  van  het  LRT  beland.  In  een aantal   gevallen   had   dat   te   maken   met   een   weigering   van   de   afzenders   om   de   informatie   te verstrekken.  Zo  weigerde  de  FIOD  om  ten  behoeve  van  het  LRT  een  proces-verbaal  op  te  maken omdat  de  door  de  FIOD  vergaarde  informatie  afkomstig  was  van  andere  informatiebronnen  en  de dienst   niet   kon   instaan   voor   haar   betrouwbaarheid.   Ook   vanuit   de   RCID   van   de   regio   Gooi   en Vechtstreek kreeg het LRT nul op het rekest. De gevraagde gegevens konden niet in de vorm van een proces-verbaal   worden   aangeleverd,   omdat   hierin   informatie   aanwezig   was   die   door   Teeven   als onbetrouwbaar  was  gekwalificeerd.  Een  andere  CID,  niet  bekend  welke,  had  aangegeven  dat  de gevraagde   CID-formulieren,   waaruit   informatie   gehaald   moest   worden   voor   een   tactisch   proces- verbaal, niet meer voorradig waren.583 Behalve   de   bovengenoemde   redenen   lag   volgens   diverse   betrokkenen   aan   de   gebrekkige informatievoorziening ook een zekere lankmoedigheid ten grondslag van de zijde van de CID van het LRT.  In  diverse  interviews  werd  aangegeven  dat  de  bereidheid  van  de  CID-LRT  om  informatie  bij andere RCID’en op te vragen niet al te groot was. In de volgende citaten zien we dit standpunt terug: Van Brummen584: “Voor  Haarlem  is  het  nog  steeds  een  grote  vraag  waarom  de  CID-sectie  van  het  LRT  niet gericht op zoek gegaan is naar de onderliggende informatie van het parallel-pv.” Schouten585: “Wij hebben dat parallel-pv gemaakt en zoals iedereen weet, die binnen de CID werkt, moet je  voor  het  verkrijgen  van  onderliggende  informatie  met  de  code  00  en  01  terug  naar  de bron.  Wij  hebben  er  alles  aan  gedaan  om  zo  snel  en  concreet  mogelijk  aan  te  geven  voor welke informatie men naar welke bron toe moest. Daar hebben we hele dagen aan gewerkt. Het   verbaasde   me   dan   ook   dat   wij   later   vanuit   het   LRT   te   horen   kregen   dat   wij   niet meewerkten.     Toen     bleek     dat     de     CID     van     het     LRT,     naar     aanleiding     van     onze informatieoverzichten,  een  stapel  informatierapporten  (inclusief  de  00  en  01  info’s)  op  het bureau   van   het   tactische   team   had   gegooid.   Het   tactische   team   had   dit   geweigerd   en gezegd dat dit niet de manier was om om te gaan met CID informatie. Vervolgens gebeurde er weer lange tijd niets.” Van Stormbroek586: “Wij   zeiden,   Peter   Snijders,   ik   en   de   anderen:   “onze   analyse   is   gebaseerd   op   allerlei bronnen, van zeer diverse CID-en. Wij kunnen jullie die informatie niet zo geven. Het is geen informatie van de CRI, de CRI moet er behoedzaam mee omgaan. Maar het is voor jullie wel goed  mogelijk  om  die  informatie  her  en  der  op  te  vragen”.  Maar,  zo  is  mijn  indruk,  het  LRT was daar niet zo happig op. Zij wilden liever met grote stappen thuis zien te komen in plaats van bepaalde kwesties gedetailleerd uit te werken. Wij hebben ze heus wel aangegeven hoe zij  de  gegevens  rond  bepaalde  mensen  en  rond  bepaalde  bronnen  konden  stapelen  en  op die    manier    een    en    ander    konden    uitzoeken,    maar    naar    ons    gevoel    was    dat    toch eenrichtingsverkeer.  Zij  zagen  er  eigenlijk  niet  zo  veel  in.  Het  LRT  had,  denk  ik,  niet  zoveel fiducie   in   de   these   van   de   parallel-importen.   Zij   wilden   trouwens   ook   zogezegd   schoon                                                 583 Journaal over containeronderzoek n.a.v. parallel-proces-verbaal (C1). 584 Interview H. van Brummen d.d. 2 februari 2001. 585 Interview P. Schouten d.d. 9 februari 2001. 586 Interview A. van Stormbroek d.d. 23 januari 2001.

    fort3_85

    Methoden en opzet van het onderzoek

    1.3 Methoden en opzet van het onderzoek

    1.3.1 Deelonderzoeken

    lees meer

    Kernteams

    3.6 Kernteams

    In de tweede helft van de jaren tachtig is de belangstelling
    voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit toegenomen. In
    dit kader ontstond de gedachte om permanente opsporingscapaciteit
    vrij te maken ter bestrijding van dit type criminaliteit. Gezien
    het feit dat de criminele activiteiten zich veelal uitstrekten over
    grote delen van Nederland en het buitenland werd besloten tot de
    oprichting van interregionale opsporingsteams. Aanvankelijk werd
    gesproken van interregionale rechercheteams (IRT’s); vanaf 1994 van
    kernteams. Het zijn thans zes kernteams, te weten
    Noord-Oost-Nederland, Randstad-Noord en Midden, Zuid, Rotterdam,
    Haaglanden en Amsterdam-Amstelland/Gooi en Vechtstreek. Van de
    kernteams wordt een prominente rol verwacht bij de bestrijding van
    de georganiseerde criminaliteit.

    lees meer

    Gezag en toezicht op de opsporing

    6.5 Gezag en toezicht op de opsporing

    6.5.1 Openbaar ministerie
    6.5.2 Openbaar ministerie landelijk
    6.5.3 Rechters-commissarissen
    6.5.4 Ministeries en korpsbeheerders
    6.5.5 Parlement
    6.6 Bijzondere bevindingen

    lees meer

    Verhoren – de heer W.C. van Amerongen

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 13

    13 september 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    woensdag 13 september 1995
    in de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    de heer W.C. van Amerongen
    Aanvang 10.00 uur

    lees meer

    Verhoren – de heer W.J.A. Paulissen

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 29

    28 september 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    donderdag 28 september
    1995 in de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den
    Haag

    Verhoord wordt de heer W.J.A. Paulissen
    Aanvang 10.00 uur

    lees meer

    Verhoren – de heer K. Langendoen

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 45

    9 oktober 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    maandag 9 oktober 1995 in de
    vergaderzaal van de Eerste
    Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt de
    heer K. Langendoen
    Zie ook: Tweede verhoor de heer K. Langendoen (red.)
    Aanvang 11.55 uur

    lees meer

    Verhoren – de heer K. Kuijper

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 61

    19 oktober 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    donderdag 19 oktober 1995 in
    de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    de heer K. Kuijper
    Aanvang 14.30 uur

    lees meer

    Verhoren – de heer J. van Vondel

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 77

    2 november 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    donderdag 2 november 1995
    in de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    de heer J. van Vondel
    Zie ook: Eerste verhoor de heer J. van Vondel (red.)
    Aanvang 12.00 uur

    lees meer

    Verhoren – de heer H.F. Dijkstal

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 93

    9 november 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    donderdag 9 november 1995
    in de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    de heer H.F. Dijkstal
    Aanvang 17.11 uur

    lees meer

    Bijlage X – 2.6. Slotbeschouwing

    2.6. Slotbeschouwing

    De advocaat heeft een moeilijk beroep: hij dient partijdig te
    zijn, doch hierbij zijn onafhankelijkheid jegens de clint te
    bewaren. De normering van – en controle op – de beroepsuitoefening
    is sterk professioneel van karakter. Het beroep evolueert evenwel
    steeds meer in de richting van een gewoon, commercieel beroep. Het
    werkterrein van de advocaat (wat is eigenlijk des advocaten?) is
    niet duidelijk afgegrensd, terwijl de beroepsbeoefenaar wel alle
    parafernalia bezit van het klassieke, professionele beroep.

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>