1.3 Methoden en opzet van het onderzoek
1.3.1 Deelonderzoeken
1.3 Methoden en opzet van het onderzoek
1.3.1 Deelonderzoeken
3.6 Kernteams
In de tweede helft van de jaren tachtig is de belangstelling
voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit toegenomen. In
dit kader ontstond de gedachte om permanente opsporingscapaciteit
vrij te maken ter bestrijding van dit type criminaliteit. Gezien
het feit dat de criminele activiteiten zich veelal uitstrekten over
grote delen van Nederland en het buitenland werd besloten tot de
oprichting van interregionale opsporingsteams. Aanvankelijk werd
gesproken van interregionale rechercheteams (IRT’s); vanaf 1994 van
kernteams. Het zijn thans zes kernteams, te weten
Noord-Oost-Nederland, Randstad-Noord en Midden, Zuid, Rotterdam,
Haaglanden en Amsterdam-Amstelland/Gooi en Vechtstreek. Van de
kernteams wordt een prominente rol verwacht bij de bestrijding van
de georganiseerde criminaliteit.
6.5 Gezag en toezicht op de opsporing
6.5.1 Openbaar ministerie
6.5.2 Openbaar ministerie landelijk
6.5.3 Rechters-commissarissen
6.5.4 Ministeries en korpsbeheerders
6.5.5 Parlement
6.6 Bijzondere bevindingen
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 13
13 september 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
woensdag 13 september 1995
in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
de heer W.C. van Amerongen
Aanvang 10.00 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 29
28 september 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
donderdag 28 september
1995 in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den
Haag
Verhoord wordt de heer W.J.A. Paulissen
Aanvang 10.00 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 45
9 oktober 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
maandag 9 oktober 1995 in de
vergaderzaal van de Eerste
Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt de
heer K. Langendoen
Zie ook: Tweede verhoor de heer K. Langendoen (red.)
Aanvang 11.55 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 61
19 oktober 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
donderdag 19 oktober 1995 in
de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
de heer K. Kuijper
Aanvang 14.30 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 77
2 november 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
donderdag 2 november 1995
in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
de heer J. van Vondel
Zie ook: Eerste verhoor de heer J. van Vondel (red.)
Aanvang 12.00 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 93
9 november 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
donderdag 9 november 1995
in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
de heer H.F. Dijkstal
Aanvang 17.11 uur
De notaris is een openbaar ambtenaar, die in de gevallen waarin
de wetgever zijn tussenkomst dwingend voorschrijft, een specifieke
overheidstaak uitoefent. De notaris wordt bij Koninklijk Besluit
benoemd. Aan hem wordt tevens een standplaats toegewezen. Hij is
geen gewoon ambtenaar want hij krijgt zijn inkomsten uit de
opbrengst van zijn dienstverlening. In die zin is hij ondernemer,
maar dan wel een die als monopolist opereert op een markt zonder
veel risico’s.
Wij hebben ter beantwoording van de beide onderzoeksvragen de
volgende bronnen gebruikt. In de eerste plaats zijn interviews
gehouden met enkele vertegenwoordigers van de beroepsgroepen en
genformeerde buitenstaanders (bijlage 1). In de tweede plaats zijn
tal van schriftelijke bronnen geraadpleegd: de tuchtrechtspraak
(1990-1995), zaken die via de landelijke inventarisatie van de CRI
1995 werden opgespoord of die tijdens onze deelstudies naar voren
kwamen, het bestand van Finpol (1992-1995) en het gegevensbestand
van de LCID. Het bestand van Finpol bevat de meldingen van
financile instellingen die na de screening door het Meldpunt
ongebruikelijke transacties (MOT) als verdachte transacties
naar Finpol worden doorgeleid. Voor de invoering van de wet MOT in
februari 1994 berustten de meldingen op onderlinge afspraken tussen
banken en het ministerie van Justitie. Het LCID-bestand, dat
doormeldingen bevat van de regionale CID’s, is door ons bevraagd op
de trefwoorden advocaat en notaris. In de derde plaats zijn vele
gesprekken gevoerd met leden van de recherche, de RCID, de afdeling
Finpol en het OM. Deze gesprekken dienden zowel als zelfstandige
bron van informatie als om informatie uit de schriftelijke bronnen
te checken en aan te vullen. Voorts zijn wetenschappelijke
literatuur, brochures en jaarverslagen van de diverse
beroepsgroepen bestudeerd.
In dit hoofdstuk is aandacht besteed aan de methoden van
afscherming die criminele groepen hanteren om zich gedupeerden en
controle- en opsporingsinstanties van het lijf te houden. Voor een
deel zijn de immuniseringsstrategien verweven met de aan de dag
gelegde modi operandi. Verschillende criminele groepen hebben
daarenboven met het oog op dreigende interventie van buitenaf
specifieke afweermechanismen ontwikkeld. Een aantal van de
bestudeerde dadergroepen bleek overigens nauwelijks te anticiperen
op een mogelijke ontrafeling van de fraudeconstructie.
In de literatuur wordt het begrip witwassen uiteenlopend
gedefinieerd, maar in de kern komen alle definities toch op
hetzelfde neer: witwassen is het omzetten van de verborgen, niet te
verantwoorden herkomst van inkomsten in een wel te verantwoorden
herkomst. De definities lopen uiteen in de wijze waarop niet te
verantwoorden herkomst (wel/niet synoniem met illegaal?) en
vermogen (geld of ook onroerend goed?) worden geoperationaliseerd.
Ook in het bereik van de definitie treden verschillen op; in
sommige definities wordt witwassen expliciet in verband gebracht
met de georganiseerde misdaad; daarnaast wordt door sommigen het
gebruik van financile instellingen als een kenmerkend onderdeel van
de witwastransactie gezien (vgl. Mul, 1995, pp. 83-88).
Fraude is een verschijnsel waaraan in de afgelopen decennia
velerlei connotaties verbonden zijn geweest. Brants en Brants
(1991) hebben de ontwikkeling van het fraudebegrip nauwgezet in
kaart gebracht. De auteurs omschrijven het stereotype fraudeur van
de jaren zestig als het slimme doch misdadige individu, dat zonder
enige scrupules te werk ging. Een decennium later werd het begrip
vooral in verband gebracht met steun- en belastingfraude, waarbij
de in die jaren welig tierende koppelbazerij de meeste justitile
aandacht kreeg. Het geruchtmakende rapport over de omvang van
belastingfraude van Van Bijsterveld (1980) zorgde vervolgens
opnieuw voor een aanzienlijke verschuiving in de beeldvorming. Dit
rapport maakte duidelijk dat niet alleen uitkeringstrekkers en
koppelbazen sjoemelden en knoeiden, maar dat ook de gewone burgers
en bedrijven zich regelmatig op hun belastingformulier verschreven.
Langzaam maar zeker deed het beeld opgeld dat fraude een
wijdverbreid maatschappelijk verschijnsel, was dat zich overal,
zelfs bij gerespecteerde bedrijven en overheden, manifesteerde. Het
begrip breidde zich uit naar machtsmisbruik, vertrouwensschennis en
naar het oneigenlijke gebruik van wetten in het grijze circuit.
Hele beroepsgroepen en bedrijfstakken raakten in opspraak. Ook kwam
een tot op dat moment nauwelijks belicht fenomeen in de
schijnwerpers te staan, te weten milieucriminaliteit.
Van de textielbranche kan men zeggen dat zij historisch verdacht
is wanneer het gaat om georganiseerde misdaad. De sweat
shops van New York vormden aan het begin van deze eeuw immers
het toneel van de Joodse onderwereld. De georganiseerde misdaad
controleerde de textielnijverheid door de vakbonden van haar
werknemers over te nemen na ernstige arbeidsconflicten (Block en
Chambliss, 1981). In Nederland heeft die associatie echter nooit
bestaan. Uitbuiting van arbeiders, jazeker! Maar georganiseerde
misdaad? In Nederland is de arbeidersbeweging daarvan volkomen vrij
geweest. Het zou ook raar zijn om thans zo’n relatie te leggen,
want de Nederlandse textielnijverheid is in de afgelopen dertig
jaar spectaculair ingekrompen. Werkten in 1963 nog 77.000 mensen in
de confectie-industrie, in 1985 waren er nog maar 12.000
arbeidsplaatsen over. Vooral in de periode tussen 1972 en 1982 ging
het hard achteruit. De produktie liep toen jaarlijks met ruim 7,5%
terug (Bloeme en Van Geuns, 1987). Amsterdam, zich nog steeds
noemend: confectiestad van Nederland, vormt geen uitzondering. In
1963 werkten er nog 12.000 mensen in de textiel, in 1985 waren dat
er minder dan 2.000.