IX – De branches horeca en gokautomaten – 8.
CONCLUSIEJanuary 1, 1999
8. CONCLUSIE
In deze branche-beschrijving hebben we de nadruk gelegd op het
voorkomen van criminaliteit en de connecties met de georganiseerde
misdaad omdat deze vraag hier aan de orde is. De lezer zou uit
de
opsomming van problemen gemakkelijk kunnen begrijpen dat de
sectoren van de horeca en de gokautomaten geheel door de misdaad
worden beheerst. Dat is niet zo. De overgrote meerderheid van
ondernemers in beide branches hebben met georganiseerde misdaad
hoegenaamd niets van doen en dat geldt zeker voor bepaalde
deelsectoren zoals de hotels, restauranten en sociteiten. Maar
tegelijkertijd is er wel een serieus probleem ontstaan en dat is,
naar onze indruk, van betrekkelijk recente datum. De meeste
gesignaleerde problemen van georganiseerde criminaliteit zijn vijf
of hoogstens tien jaar oud. De branches als geheel lopen daardoor
schade op en dan bedoelen we niet in de eerste plaats de materile
schade van het slachtofferschap, maar veeleer het bezoedelen van de
goede naam van de branche. De gokkasten-exploitanten zien zich
geplaatst voor het probleem om de bedorven identiteit die de
branche aankleeft van zich af te schudden (morele bezwaren tegen
gokken en problemen van gokverslaving). De aanwezigheid van
misdaadondernemers in hun gelederen maakt dit extra moeilijk. De
horeca ondervindt in het algemeen ook hinder van de georganiseerde
misdaad, doordat deze oneerlijke concurrentie met zich
meebrengt.
lees meer
IX – De bouwnijverheid – 4.5. LiquidatiesJanuary 1, 1999
4.5. Liquidaties
Het zelfde als onder punt 4 geldt voor liquidaties. Ook daarvan
zijn geen aanwijzingen in de diverse ter beschikking staande
bronnen te vinden.
lees meer
IX – De bouwnijverheid – 2.3. De hevige onderlinge
concurrentieJanuary 1, 1999
2.3. De hevige onderlinge concurrentie
De concurrerende en gefragmenteerde economische omgeving draagt
bij aan de kwetsbaarheid van de bouwindustrie. De bouwindustrie
wordt gekenmerkt door een groot aantal algemene aannemers en een
nog groter aantal onderaannemers, die onderling in een felle
competitiestrijd zijn verwikkeld. In principe werken aannemers van
contract naar contract en zitten zo steeds in grote onzekerheid
over vervolgopdrachten. De combinatie van de felle competitie
tussen aannemers onderling en de controle die racketeers met hun
illegale middelen kunnen uitoefenen over cruciale en vitale
onderdelen van het bouwproces, vergroot de kwetsbaarheid van de
bouwnijverheid voor de georganiseerde criminaliteit. De grote
onderlinge concurrentie maakt ze tot een uiterst gemakkelijke prooi
voor afpersing: tegen betaling worden concurrenten uitgeschakeld en
wordt de orderportefeuille beter gevuld.
lees meer
IX – De afvalverwerkingsbranche – 6.2. De zaakanalyses van
de afvalverwerkingsbrancheJanuary 1, 1999
6.2. De zaakanalyses van de afvalverwerkingsbranche
Na de Tweede Wereldoorlog hebben zich op aarde grote
milieurampen voltrokken die de mensen met de neus op de (ernstige)
feiten drukten. Een deel van die rampen kan worden toegeschreven
aan ongelukken die het gevolg zijn van menselijk falen. Soms is het
een direct gevolg van onverschilligheid of onkunde. Voor een ander
deel is opzet aanwezig om met criminaliteit geld te verdienen. In
Nederland hebben wij niet met grote milieurampen zoals met de
Torrey Cannion te maken gehad maar werden wij in de jaren zeventig
wel geconfronteerd met enkele fikse bodemverontreinigingen in
woonwijken (in Hengelo) en op oude stortplaatsen en
fabrieksterreinen.
lees meer
IX – De verzekeringsbranche – 2.3. Ontwikkelingen in de
verzekeringsbrancheJanuary 1, 1999
2.3. Ontwikkelingen in de verzekeringsbranche
Behalve op de particuliere markt kunnen verzekeraars actief zijn
op de zakelijke markt (verzekeringen voor bedrijfsleven en
overheid), de financile markt (verzekeraars als beleggers) en de
schademarkt. In de loop der jaren werden verzekeraars uit
concurrentie-overwegingen gedwongen in te springen in de behoefte
aan nieuwe verzekeringsvormen. Door concessies te doen aan de
beschikbaarheid, de verkrijgbaarheid en de
betaalbaarheid ontstond meer ruimte in het totaal aan
verzekeringsmogelijkheden (zie hierna). Expansie werd ook gezocht
in het versoepelen van het acceptatiebeleid waardoor meer mensen in
de gelegenheid werden gesteld verzekeringsovereenkomsten aan te
gaan. Tegelijkertijd werd de vraag naar de verzekerbaarheid
relevant: ondanks de vlucht die het aanbod van verzekeringen nam,
werd de vraag naar het vastleggen van grenzen actueel. Bepaalde
onverwachte gebeurtenissen blijken onverzekerbaar. Dat komt in de
eerste plaats doordat niet voor alle verzekeringsbehoeften
verzekeringen worden aangeboden (beschikbaarheid). In de
tweede plaats stellen verzekeraars bepaalde verzekeringen niet of
slechts onder beperkende voorwaarden ter beschikking aan een kleine
groep mensen (verkrijgbaarheid). Tenslotte zijn sommige
verzekeringsvormen voor bepaalde groepen niet betaalbaar door de
hoge premiestelling (betaalbaarheid) (Welwezen, 1995, p. 6).
De mate van onverzekerbaarheid wordt benvloed door de mogelijkheid
het risico in te schatten dat door het afsluiten van een
verzekering wordt ondervangen (Faure, 1995, p. 24). Volgens de
verzekeringsbranche wordt als gevolg van veranderingen in de
maatschappij zoals individualisering, de voortschrijdende
wetenschap (en informatie-technologie), vergrijzing en toenemende
criminaliteit onverzekerbaarheid een optie waarmee ter dege
rekening moet worden gehouden. De vraag naar wat nog wel en wat
niet meer verzekerbaar is, staat in schril contrast met de
toegenomen toegankelijkheid van verzekeringen voor mensen uit alle
lagen van de bevolking.
lees meer
IX – De illegale handel in nucleair materiaal – 3.
CONCLUSIESJanuary 1, 1999
3. CONCLUSIES
In deze studie van beperkte omvang zijn drie vragen gesteld:
1. welke criminele groepen maken zich schuldig aan de illegale
handel in nucleair materiaal? 2. Op wat voor manieren wordt deze
vorm van illegale handel gepleegd?
3. Hoe worden de opbrengsten uit deze illegale handel besteed?
De illegale handel in nucleair materiaal lijkt aan Nederland
voorbij te gaan. Er bestaat ook weinig aanleiding deze handel via
Nederland te laten verlopen, wanneer de markt voornamelijk in het
Midden-Oosten, Zuid-Amerika en in Azi ligt. Er zijn geen
aanwijzingen dat in Nederland zoiets als een atoommafia of zelfs
maar een serieus te nemen handel in dit materiaal bestaat. Zelfs de
Duitse berichten over de illegale handel moeten met enig wantrouwen
worden bejegend. Zij moeten eerder worden opgevat als een manier om
de publieke opinie te benvloeden en niet als betrouwbare informatie
over de werkelijke aard en omvang van de illegale handel in
nucleair materiaal.
lees meer
Eindrapport – TEN GELEIDEJanuary 1, 1999
TEN GELEIDE
De parlementaire enqutecommissie opsporingsmethoden presenteert
hierbij haar eindrapport Inzake opsporing.
Het rapport beschrijft de georganiseerde criminaliteit, de
opsporingsmethoden van justitie en politie en de organisatie van de
opsporing in Nederland. Het is de neerslag van een jaar onderzoek.
De conclusies en aanbevelingen van dit rapport geven een duidelijk
antwoord op de hoofdvraag in deze enqute: wat er moet, wat er mag
en wat er niet mag bij de opsporing en bestrijding van
georganiseerde criminaliteit in Nederland. Het is hoog tijd dat
iedereen weet waar men aan toe is.
lees meer
Eindrapport – 3.10 Verdiensten en criminele geldenJanuary 1, 1999
3.10 Verdiensten en criminele gelden
3.10.1 Verdiensten
Tijdens het onderzoek stuitte de commissie op het feit dat
informanten de gelden die zij verdienden met het binnenhalen van de
containers mochten behouden. De criminele organisaties betaalden de
informanten voor het binnenhalen van de containers. En informant
heeft de commissie meegedeeld dat hij per container gemiddeld 1
miljoen gulden verdiende. Dit geld behoefden de informanten niet af
te dragen aan de politie. Verschillende informanten hebben vele
miljoenen guldens verdiend aan deze activiteiten. De informanten
moesten wel zorgdragen voor het huren van een loods, de benodigde
papieren en het betalen van de chauffeur. De informant gaf het geld
voor deze betalingen aan de politie, die vervolgens de betalingen
verrichtte.
lees meer
Eindrapport – 4.5 CasusonderzoekJanuary 1, 1999
4.5 Casusonderzoek
4.5.1 De zaak Charles Z.
Een casus ter illustratie van de rechterlijke beoordeling van
bijzondere opsporingsmethoden
lees meer
Eindrapport – 7.4 Bestuurlijke rechtshandhavingJanuary 1, 1999
7.4 Bestuurlijke rechtshandhaving
7.4.1 Omschrijving
Onder bestuurlijke rechtshandhaving verstaat de commissie in het
kader van dit onderzoek het geheel van bestuurlijke maatregelen dat
mogelijk is ter beheersing van de (georganiseerde) criminaliteit
zoals het weigeren of verlenen van vergunningen, aanbestedingen of
subsidies en het treffen van maatregelen binnen
overheidsorganisaties. Noot
- De voorzitter:
- Wij hebben het alleen gehad over strafvordering. Vindt u ook
dat criminele inlichtingen van de politie gebruikt moeten kunnen
worden ten behoeve van het bestuur? Het komt dus niet tot een zaak,
maar de informatie is wel zodanig dat het bestuur er baat bij kan
hebben in het kader van bestuurlijke
rechtshandhaving.
- De heer Corstens:
- Ja, mijn antwoord daarop is een voorzichtig: ja. Het lijkt
mij uitermate nuttig, zeker als wij denken aan kwesties van
verwevenheid van onderwereld met bovenwereld, waarover vanochtend
gesproken is. Het gevaar van die verwevenheid, dat weet u beter dan
ik, is uitermate groot en uitermate bedreigend voor de samenleving.
Ik ben dan geneigd om te zeggen dat het onder omstandigheden en
onder bepaalde voorwaarden zou moeten kunnen.
Noot
7.4.2 Bevindingen
Verschillende overheidsorganen zijn bezig met maatregelen op het
terrein van de bestuurlijke rechtshandhaving. Het voorkomen en
bestrijden van integriteitsaantasting en het vergroten van de
weerbaarheid van overheidsorganisaties zijn daarbij een belangrijk
aandachtspunt. Het ministerie van Binnenlandse Zaken is het primair
verantwoordelijke departement. Noot Bestuurders kunnen
uit openbare bronnen informatie verzamelen ter voorbereiding van
een bestuursbesluit. Daarbij zijn met name het handelsregister en
het kadastrale register het meest belangrijk. In de praktijk zullen
deze gegevens geen overtuigende motivering opleveren voor het
weigeren van een vergunning, subsidie, ontheffing of gunning aan
een bepaalde inschrijver.
lees meer
Eindrapport – 9.7 Tweede KamerJanuary 1, 1999
9.7 Tweede Kamer
9.7.1 Bevindingen
Onderzoek commissie
lees meer
fort2_107January 1, 1999
171 mogelijk te maken.385 Op 7 oktober 1997 antwoordde Borghouts hem dat met ingang van 23 september de classificatie “stg.-geheim” was opgeheven en dat hij zich moest wenden tot Van Gemert en Holthuis; dezen zouden moeten toezien op het ter beschikking stellen van de benodigde stukken.386 De plaatsvervanger van Holthuis, De Groot, maakte op 9 oktober 1997 deze brief over aan Van Gemert met het verzoek om hem op de hoogte te houden van de afwikkeling van dit verzoek. In het verlengde van deze procedure vroeg Slits – hiertoe uitgenodigd door de betrokken rechter- commissaris – op 23 oktober 1997 aan Holthuis om een aantal stukken uit het Fort-archief in het kader van het eerstgenoemde onderzoek. Diens vervanger maakte dit verzoek eveneens over aan Van Gemert met het verzoek om overeenkomstig de zojuist genoemde procedure te handelen.387 Om welke stukken het in beide gevallen ging is hier niet relevant. Wel relevant is het feit dat de lange duur van deze onderzoeken een aanzienlijke hypotheek legde op de aanpak van het onderzoek naar L. en Van V. Mede om de loop van deze onderzoeken niet te verstoren zag het LRT-team immers alsmaar af van initiatieven in hun richting. 7.4.4 Het vervolg van de kwestie-Van T. Zoals eerder al werd gememoreerd formuleerde de advocaat van Van T., Korvinus, op 1 augustus 1997 in een brief aan Docters van Leeuwen een reeks concrete vragen met betrekking tot de rol van Van T. in het XTC-Engeland-traject van het IRT. Hij was hiertoe uitgenodigd door Gonsalves met het oog op de verkrijging van inlichtingen uit stukken in het Fort-archief. De kabinetschef van het college van procureurs-generaal stuurde dit verzoek op 20 augustus aan Noordhoek met het verzoek om liefst voor 14 september 1997 een voorstel voor afhandeling te doen. Dit kwam er echter niet van. Pas op 5 november 1997 bracht Noordhoek advies uit aan Holthuis. Het kwam erop neer dat het verzoek niet ontvankelijk was onder meer niet omdat er geen machtiging voorlag van Van T. zelf maar ook omdat het rechtstreeks had moeten worden gericht aan Van Gemert, de registerbeheerder.388 Verder wees hij erop dat, wanneer het verzoek wel juist zou zijn opgesteld, er toch nog heel wat obstakels te verwachten waren bij de feitelijke inwilliging ervan, zoals de toezeggingen die waren gedaan aan mensen in het Fort-onderzoek. Holthuis nam dit advies in zijn brieven d.d. 12 en 17 november 1997 aan respectievelijk de bedoelde kabinetschef en aan Ficq over.389 Daarna bleef het lange tijd stil. Zo stil dat Korvinus op 26 februari 1998 opnieuw een brief schreef aan Ficq waarin hij hem vroeg hem mee te delen waarom beantwoording van zijn verzoek tot heden was uitgebleven en wanneer het wel zou worden beantwoord. Hij herhaalde hierin nog eens zijn opvatting dat er in dit geval sprake was geweest van uitlokking, maar voegde er aan toe dat Zwerwer hem in december 1997 in een gesprek had medegedeeld dat hij ook vond dat Nederland verplicht was voor Van T. in actie te komen.390 7.5 Conclusie Eerst en vooral mag er in deze conclusie op worden gewezen dat spoor 2 waaraan een jaar voordien nog zoveel belang was toegekend, in de zomer van 1997 vrij geruisloos uit beeld verdween. In het algemeen riep de overdracht van de diverse deelprojecten geen problemen op, maar niet toevallig die 385 Brief F. Slits d.d. 15 augustus 1997 aan H. Borghouts (C8). 386 Brief H. Borghouts d.d. 7 oktober 1997 aan F. Slits (C8). 387 Brief F. de Groot d.d. 24 oktober 1997 aan W. van Gemert (C8). 388 Brief E. Noordhoek d.d. 5 november 1997 aan H. Holthuis (C8). 389 Brief H. Holthuis d.d. 12 november 1997 (D16). 390 Brief C. Korvinus d.d. 26 februari 1998 aan C. Ficq (D16).
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>