• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • fort3_75

    263 definitief  doorgeknipt  toen  bleek  dat  de  verkrijging  van  de  onderliggende  CID-informatie  voor  de  CID- sectie  van  het  LRT  minder  vlot  verliep  dan  was  gehoopt.  Hoewel,  zoals  te  doen  gebruikelijk,  de diverse  betrokkenen  met  de  beschuldigende  vinger  naar  de  wederpartij  wijzen  om  het  uitblijven  van concrete resultaten in dezen te verklaren, is één ding zonneklaar: zodra de informatie over mogelijke actuele strafbare feiten van J. bij het LRT binnenkwam, had het uitrechercheren van de informatie de hoogste   prioriteit.   De   externe   impulsen   die   op   het   onderzoek   waren   losgelaten,   vielen   vanaf   dat moment   definitief   in   onvruchtbare   bodem.   Het   opsporingsonderzoek   richtte   zich   primair   op   een (Haags)  relatienetwerk  van  J.  dat  geen  raakvlakken  vertoonde  met  de  hoofdrolspelers  uit  de  IRT- affaire. In zekere zin vond een transformatie van het onderzoek plaats naar een “gewone” verdovende middelenzaak,   waarin   voor   hypothesen   omtrent   “platte   douaniers”,   parallel-importen   en   dergelijke geen  plaats  meer  was.  Het  enige  cocaïnetransport  waarop  de  politie  concreet  zicht  kreeg,  de  1200 kilo-zaak, deed zelfs geen enkele Nederlandse haven aan. Niettegenstaande  deze  tactische  omschakeling  bleef  het  strategische  doel  van  het  onderzoek overeind,   namelijk   inzicht   verwerven   in   de   werkelijke   gang   van   zaken   in   het   IRT-tijdperk.   De verwachting  bestond  onverkort  dat  J.,  indien  hij  strafrechtelijk  werd  vervolgd  en  veroordeeld  voor actuele  strafbare  feiten,  bereid  zou  zijn  om  te  verklaren  over  de  gebeurtenissen  aan  het  eind  van  de jaren  tachtig  en  het  begin  van  de  jaren  negentig.  Dit  was  dan  ook  de  reden  waarom  vanuit  het landelijk  parket  en  het  LRT  nog  steeds  werd  aangedrongen  op  de  verstrekking  van  CID-informatie door   het   regiokorps   Kennemerland.   De   discussie   dienaangaande   bleef   cirkelen   rondom   de   vraag onder welke condities de bewuste informatie kon worden verstrekt. In zekere zin was sprake van een “catch-22”:  het  LRT  wilde  een  bevestiging  van  het  vermoeden  dat  de  informant  met  de  codenaam  Q dezelfde  persoon  was  als  J.  en  vervolgens  de  informatie  hebben  die  Q  aan  de  RCID  Kennemerland had verstrekt; om de door de overheid toegezegde geheimhouding te doorbreken moest echter eerst worden  aangetoond  dat  Q  zich  niet  aan  de  afspraken  had  gehouden  en  dubbelspel  had  gespeeld; maar om dat aan te kunnen tonen, moest eerst bevestigd worden dat J. dezelfde persoon als Q was. Zie daar de “catch”. Noch   het   besluit   van   het   college   van   procureurs-generaal   van   6   oktober   1998   dat   de   00- informatie  van/over  J.  aan  het  LRT  moest  worden  overgedragen,  noch  de  latere  aanwijzing  van  Ficq aan Van Brummen en Holthuis met dezelfde strekking kon deze impasse doorbreken. Evenmin leidde de   meer   directe   betrokkenheid   van   het   college   van   procureurs-generaal   bij   het   verloop   van   het onderzoek   in   de   persoon   van   Van   Daalen   tot   een   betere   coördinatie   en   de   afstemming   van   de activiteiten van de diverse partijen. De “slag om de informatie” duurde onverminderd voort. Wat  sturing  en  toezicht  betreft  is  het  verder  opmerkelijk  dat  het  college  van  procureurs-generaal klaarblijkelijk voetstoots akkoord ging met de transformatie van het 061-onderzoek. Immers, tijdens de presentaties in oktober 1998 stonden – ook in de beschouwing van Noordhoek – de parallel-importen aan   het   begin   van   de   jaren   negentig   centraal.   Een   scenario   waarin   J.   in   beeld   kwam   als   een sleutelfiguur  in  een  Haags  crimineel  netwerk,  dat  niets  van  doen  had  met  de  gebeurtenissen  in  de IRT-affaire,  was  allesbehalve  voorzien.  Een  dergelijk  scenario  kon  overigens  ook  moeilijk  worden voorzien.  De  taps  en  tips  die  de  aanknopingspunten  vormden  voor  de  bewijsvoering  in  het  061- onderzoek  onderstrepen  het  feit  dat  er  in  strafrechtelijke  onderzoeken  vaak  veeleer  sprake  is  van “gestuurd  worden”  door  toevallige  omstandigheden  dan  van  “gericht  sturen”  door  leidinggevenden. Strafrechtelijke  onderzoeken  kennen  een  eigen  dynamiek  en  worden  als  gevolg  van  het  feit  dat  de inspanningen  uiteindelijk  juridisch  vertaald  moeten  worden  in  een  tenlastelegging  –  toegespitst  op bewijsbaar  geachte  feiten  –  gekenmerkt  door  een  reductie  van  de  werkelijkheid.  Het  streven  naar waarheidsvinding – het naar boven brengen van de “onderste steen” in de IRT-affaire – verdraagt zich slecht met deze intrinsieke beperking van strafrechtelijk onderzoek.

    fort3_74

    262 aangepakt.  Voorts  stelde  hij  “vanzelfsprekend  bereid  (te  zijn)  om  medewerking  te  verlenen  aan  het onderzoek”.  Op  het  verzoek  van  Holthuis  antwoordde  hij  echter  minder  positief.  In  de  eerste  plaats weigerde hij de identiteit te onthullen van de informant met de codenaam Q. Het was een kwestie van niet  willen  en  niet  kunnen.  Visser  deelde  mede  dat  hij  op  het  standpunt  stond  dat  door  de  RCID- Kennemerland geen mededelingen werden gedaan over de identiteit van informanten. Hij voegde hier aan  toe  dat  hij  ook  niet  de  beschikking  had  over  het  informantendossier  dat  op  de  informant  Q betrekking had. Hij concludeerde “derhalve niet in staat (te zijn) de door U gestelde vraag bevestigend te beantwoorden”. Vervolgens  stelde  Visser  evenmin  in  staat  en  bereid  te  zijn  om  verdere  informatie  over  Q  te verstrekken.  Onder  verwijzing  naar  de  eerdere  conclusies  van  het  Fort-onderzoek  wees  Visser  erop dat  er  binnen  de  RCID  geen  informantendossier  over  Q  aanwezig  was,  noch  een  administratie  van betalingen   door   de   RCID   aan   deze   informant. 598 Wel   waren   er   in   het   RCID-register   gegevens opgenomen  die  door  Q  aan  de  CID  waren  verstrekt.  Maar  Visser  stelde  dat  het  verstrekken  van  deze inlichtingen   alleen   zou   kunnen   plaatsvinden   als   het   LRT   zijn   vragen   en   bedoelingen   exacter   en specifieker zou formuleren. Hieraan voegde De Visser toe dat de gevraagde inlichtingen eigenlijk al bij het LRT bekend (zouden moeten) zijn.599 Naderhand zou blijken dat de opmerkingen van Visser hout sneden. Uit een door Don gemaakte vergelijking  bleek  dat  in  het  CID-bestand  Kennemerland  dezelfde  informatie  aanwezig  was  als  bij  het LRT.600 Van een meer gerichte vraagstelling vanuit het LRT is het nooit meer gekomen. De suggestie van  Visser  om  eens  te  kijken  in  de  “besmette”  IRT-ordners  zou  uiteindelijk  worden  opgevolgd,  maar weinig   opleveren.   De   feitelijke   beheerder   van   dit   bestand,   verschafte   na   de   instelling   van   het coördinatieonderzoek  in  juni  1999  (zie  hoofdstuk  15)  duidelijkheid  over  de  vraag  of  in  de  genoemde ordners  relevante  gegevens  aanwezig  waren.  Pas  in  de  loop  van  2000  zou  aan  het  LRT  een  kopie worden  verstrekt  van  de  ruim  dertig  IRT-ordners  en  volgens  Don,  die  de  ordners  reeds  daarvoor  had doorgenomen  in  relatie  tot  de  parallel-importen,  bevatten  deze  nauwelijks  bruikbare  informatie  over Q.601 Voor  wat  betreft  de  onthulling  van  de  identiteit  van  Q  bestaat  tot  op  de  dag  van  vandaag  een patstelling. Naar het oordeel van de huidige CID-officier van justitie van het 060-onderzoek Don is het maar   zeer   de   vraag   of   de   identiteit   onthuld   mag   worden.   Immers,   de   overheid   heeft   strikte geheimhouding  beloofd.  De  vraag  is  of  hiervan  kan  worden  afgeweken,  ook  als  zou  kunnen  worden bewezen  dat  de  informant  zich  niet  aan  de  afspraken  heeft  gehouden  en  dubbelspel  heeft  gespeeld. Maar om dat laatste aan te kunnen tonen, moet eerst de identiteit van de informant bekend zijn. Een    aantal    respondenten    gaf    tijdens    het    interview    te    kennen    dat    de    discussie    over    de verstrekking van CID-informatie – in het bijzonder in relatie tot het gebruik van de NN-verklaringen – in hun  ogen  te  ver  was  doorgeschoten.  Zo  typeerde  Holthuis  de  gang  van  zaken  als  “een  schimmige toestand met een erg hoog Kafka-gehalte”.602 13.7 Conclusie De   beschrijving   in   dit   hoofdstuk   van   het   verloop   van   het   061-onderzoek   maakt   duidelijk   dat   het onderzoek  vanaf  eind  1998  niet  alleen  in  een  stroomversnelling  geraakte,  maar  ook  steeds  verder  af kwam  te  staan  van  de  wegen  die  in  Haarlem  en  Amsterdam  werden  bewandeld.  Het  dunne  draadje dat nog met Haarlem bestond in de vorm van de nadere analyse van het parallel-proces-verbaal werd                                                 598 Rapport Fort-team, hoofdstuk 3, paragraaf 3.4. 599 Brief van B. Visser d.d. 4 mei 1999 aan H. Holthuis. 600 Mondelinge mededeling Don d.d. 30 januari 2001 aan één van de rapporteurs. De informatie bevond zich in het Fort- archief dat bij het LRT was opgeslagen. 601 Mondelinge mededeling Don d.d. 30 januari 2001 aan één van de rapporteurs. 602 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001.

    fort3_73

    261 Op  24  maart  1999  vond  overleg  plaats  tussen  Van  Daalen  en  de  betrokken  hoofdofficieren  en officieren  van  justitie  van  de  parketten  Haarlem  en  het  landelijk  parket,  waarin  mede  met  het  oog  op de  vraag  van  de  Commissie-Kalsbeek  de  voortgang  van  enkele  lopende  onderzoeken  (060,  062  en 063)  werd  besproken.  In  dit  overleg  onderschreven  alle  betrokkenen  (nogmaals)  dat  de  onderste steen  boven  diende  te  komen.  Maar  de  aanwezige  representanten  van  het  Haarlemse  parket  (Van Brummen,  Snijders  en  Van  Straelen)  lieten  onmiddellijk  daarop  weten  dat  zij  met  betrekking  tot  de gevraagde    CID-informatie    negatief    zouden    adviseren    aan    de    beheerder    van    het    CID-register Kennemerland, korpschef Visser.593 Om   de   patstelling   te   doorbreken   stelde   Van   Brummen   het   volgende   voor:   het   college    van procureurs-generaal zou enerzijds aan Holthuis de aanwijzing moeten geven om een formeel verzoek om  CID-informatie  in  te  dienen  bij  Visser  en  anderzijds  aan  Van  Brummen  de  aanwijzing  moeten geven  om  een  positief  advies  met  betrekking  tot  dat  verzoek  te  verstrekken.  De  verantwoordelijkheid werd  op  deze  manier  bij  het  college  gelegd.  Visser  zou  het  verzoek  om  CID-informatie  vervolgens marginaal toetsen. Het voorstel van Van Brummen werd door de overige aanwezigen aanvaard, maar daarmee was de  discussie  nog  niet  beslecht.  Blijkens  het  verslag  van  de  vergadering  van  24  maart  1999  ontstond een Babylonische spraakverwarring tussen Noordhoek en Snijders over de vraag welke informatie nu precies bij Visser moest worden opgevraagd. Uiteindelijk werd afgesproken dat Noordhoek zou starten met  een  vraagstelling,  gebaseerd  op  het  parallel-proces-verbaal,  beperkt  tot  verdachte  J.  Op  basis van de verkregen antwoorden kon om vervolginformatie worden gevraagd, en zo verder.594 Conform het voorstel van Van Brummen liet Ficq op 6 april 1999 een formele aanwijzing uitgaan naar de twee hoofdofficieren in kwestie. Holthuis werd gesommeerd om een verzoek tot afgifte van de bedoelde  CID-informatie  te  richten  aan  Visser;  Van  Brummen  moest  bevorderen  dat  Visser  aan  dit verzoek voldeed.595 Ficq   schaarde   zich   achter   het   standpunt   van   het   LRT   dat   er   voldoende   grond   was   om   de benodigde CID-informatie vrij te geven. Hij beschouwde het, zoals hij in het interview aangaf, “als een teken van zwakte dat zowel Van Brummen als Holthuis het op een aanwijzing van het college hadden laten aankomen”. Zijns inziens was de situatie klip en klaar596: “Hier is een juridisch technische discussie van gemaakt tussen Haarlem en het LBOM, maar er  lagen  hele  andere  dingen  aan  de  controverse  ten  grondslag.  Ik  ben  voorzitter  geweest van de begeleidingscommissie van de CID’en in Nederland en als zodanig ken ik het métier goed. Haarlem heeft zich op een formeel standpunt gebaseerd dat geen stand kan houden. Een    informant    die    de    boel    belazert,    zoals    in    dit    geval    dubbelspel    speelt,    levert    in civielrechtelijke  zin  een  wanprestatie.  De  oudste  wanprestatie  ontbindt;  hij  heeft  vervolgens geen enkel recht meer op bescherming. De argumenten van Haarlem om die CID-informatie niet te verstrekken waren dan ook gezocht.” Overeenkomstig   de   aanwijzing   zond   Holthuis   in   april   1999   een   verzoek   aan   korpschef   Visser. Laatstgenoemde reageerde bijna een maand later.597 Hij begon zijn antwoord met de mededeling dat ook  hij  vond  dat  het  van  het  grootste  belang  was  dat  het  onderzoek  060  met  voortvarendheid  werd                                                 593 Vastgesteld beknopt verslag van het overleg d.d. 24 maart 1999 inzake enkele lopende onderzoeken (A 4). 594 Vastgesteld beknopt verslag van het overleg d.d. 24 maart 1999 inzake enkele lopende onderzoeken (A 4). Dit verslag geeft  overigens  ook  in  een  ander  opzicht  een  aardig  inkijkje  in  de  onderlinge  verhoudingen.  Zo  vroeg  (sic)  en  kreeg Van Daalen de toezegging van Snijders om de meerdere informatie waarover hij zei te beschikken door te spelen aan het  LRT.  Naar  aanleiding  van  deze  vraag  werd  volgens  de  notulen  bevestigd  dat  Snijders  in  elk  geval  wezenlijke informatie zou doorspelen. 595 Brief van C. Ficq aan H. Holthuis en H. van Brummen d.d. 6 april 1999 (D25). 596 Interview C. Ficq d.d. 29 januari 2001. 597 Brief van B. Visser d.d. 4 mei 1999 aan H. Holthuis.

    fort3_72

    260 had ook niet de overtuiging dat het verhaal van de parallellen klopte. Het probleem met het parallel-pv  was  dat  het  een  juridisch  misbaksel  was,  een  parallel-verhaal.  Geen  feiten,  wel conclusies.” Het wederzijdse onbegrip over het toegankelijk maken van CID-informatie leidde tot een impasse. Het rapport,  zoals  opgemaakt  door  twee  rijksrechercheurs  op  24  maart  1999,  eindigde  dan  ook  met  het advies  om  het  team  van  de  rijksrecherche  terug  te  trekken  in  afwachting  van  de  beslissingen  die genomen moesten worden over de verstrekking van de CID-informatie. Dit advies werd opgevolgd en de onderzoeksactiviteiten werden gestaakt. 13.6 Problemen met toegang tot RCID-Kennemerland. De   in   de   vorige   paragraaf   beschreven   problemen   inzake   de   toegang   tot   relevant   geachte   CID- informatie in het kader van de onderbouwing van het parallel-proces-verbaal stonden niet op zichzelf. Immers,  in  hoofdstuk  9  is  in  het  kader  van  de  bespreking  van  de  discussies  die  ontstonden  omtrent het  gebruik  van  de  verklaringen  van  de  bedreigde  getuige  NN1  vastgesteld  dat  door  het  Haarlemse parket het gebruik van deze verklaringen gekoppeld werd aan de verstrekking van de door het LRT zo vurig gewenste CID-informatie door de registerbeheerder van het korps Kennemerland. In   hoofdstuk   12   is   vervolgens   geconstateerd   dat   het   college   van   procureurs-generaal   niet expliciet  van  een  directe  relatie  tussen  de  NN-verklaringen  en  het  verstrekken  van  CID-informatie uitging.  Het  college  besliste  uitsluitend  dat  de  00-informatie  over/van  de  groei-informant  bij  het  060- onderzoek diende te worden betrokken.590 Snijders interpreteerde dit besluit niettemin als een impliciete opdracht aan Noordhoek c.s. om de verklaringen uit het NN-GVO te gebruiken. In een schrijven aan zijn hoofdofficier stelde hij dat de CID- Kennemerland niet van zins was de 00-info prijs te geven.591 Was het volgens Snijders onontbeerlijk om gebruik te maken van de bedreigde getuigenverklaring  teneinde  de  mogelijke  dubbelrol  van  de  informant  aan  te  tonen,  het  LRT-team dacht  hier  anders  over.  Het  team  was  van  mening  dat  het  op  basis  van  de  beschikbare  gegevens (exclusief  de  bedreigde  getuigenverklaring)  wel  gerechtvaardigd  was  om  te  concluderen  dat  deze informant van de RCID Kennemerland  een dubbelrol had gespeeld. 13.6.1 Een ambtelijke aanwijzing en de weigering van Visser Het   verschil   van   inzicht   over   de   toegang   tot   de   informatie   die   zich   bij   de   RCID   van   de   regio Kennemerland  bevond,  bleef  dus  ook  na  de  collegevergadering  van  6  oktober  1998  voortduren.  De slepende kwestie werd door een brief van de Commissie-Kalsbeek d.d. 24 februari 1999 nog urgenter. In  deze  brief  verzocht  de  commissie  aan  de  minister  om  geïnformeerd  te  worden  over  de  uitkomsten van  de  post-Fort-onderzoeken.  Op  13  april  1999  zond  de  minister  aan  de  commissie  het  bericht  dat het  onderzoek  gestaag  vorderde.  In  de  laatste  zin  van  de  brief  verheelde  hij  evenwel  niet  dat  er problemen    waren:    “daar    waar    spanningen    optreden    nemen    de    betrokken    hoofdofficieren    en korpschefs  –  en  waar  nodig  het  college  –  hun  verantwoordelijkheid  en  treden  met  de  betrokkenen  in overleg  om  de  voortgang  van  het  onderzoek  te  bevorderen”.592   Met   deze   laatste   zinsnede   werd ongetwijfeld gedoeld op het conflict tussen het LRT/Landelijk Parket en “Haarlem” over het verkrijgen van de CID-informatie.                                                 590 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 6 oktober 1998 (A4). 591 Ambtsbericht van J. Snijders d.d. 21 december 1998 aan H. van Brummen (D21). 592 Brief   van   de   minister   van   justitie   d.d.   13   april   1999   aan   de   voorzitter   van   de   Tijdelijke   Commissie   Evaluatie Opsporingsmethoden (D25).

    fort3_71

    259 rechercheren en dan kwamen die “vuiltjes uit Haarlem” niet zo van pas, noch het parallel-pv noch de NN-verklaringen. Wij zeggen ook niet dat wat in het parallel-pv staat dat de enige en absolute  waarheid  is.  Het  kan  zeker  ook  een  variant  geweest  zijn  op  de  strategie  die  wij hebben  beschreven.  Maar  wij  hebben  wel  het  idee  dat  er  cocaïne  bij  deze  handel  was betrokken.   Binnen   onze   eigen   organisatie   en   breder   binnen   de   politie   en   het   openbaar ministerie voelden wij ons met de nek aangekeken, men zei regelmatig: “laat die zaak maar rusten, die hele IRT-affaire”, terwijl wij juist op het standpunt stonden dat het belangrijk was om uit te zoeken wat er precies was gebeurd, ook met het oog op de toekomst.” Vanuit  het  LRT  en  het  LBOM  bezien  had  men  een  geheel  andere  kijk  op  de  problematiek.  Entken schetste de situatie als volgt587: “Op een gegeven moment hebben wij rechercheurs daarop laten studeren om te zien of we een  en  ander  tactisch  konden  maken.  De  rijksrechercheurs  stelden  de  nodige  vragen  op, maar  het  was  onduidelijk  wie  de  beantwoording  van  die  vragen  op  zich  zou  nemen.  Peter Snijders zei dat Van Slobbe het moest doen, maar deze kende de achterliggende informatie niet. Hij is daarvoor wel bij Paul Schouten geweest en bij De Wit, maar wij kregen niets. Op een  gegeven  moment  zei  Peter  Snijders  dat  hij  de  achterliggende  informatie  had  gegeven aan Van Slobbe, maar die ontkende dit. Hij had nooit wat gehad. En ikzelf heb die informatie ook  nooit  gezien.  De  situatie  was  op  een  gegeven  moment  enorm  verward.  De  vraag:  “hoe gaan we hier in godsnaam nu mee om?”, is dan eigenlijk ook nooit beantwoord. Er ontstond “een soort van metaalmoeheid” rond deze hele kwestie.” Noordhoek wees op nog een ander probleem588: “In  de  analyse  van  Schouten  en  Van  Stormbroek  werd  in  een  aantal  gevallen  expliciet  een link  gelegd  met  de  CID  Kennemerland.  Maar  in  antwoord  op  vragen  van  de  rijksrecherche kwamen   we   helemaal   niet   uit   bij   de   RCID   Kennemerland,   maar   bij   de   FIOD,   Gooi   & Vechtstreek  en  Amsterdam.  Dat  deugt  dus  niet,  was  mijn  indruk.  Achteraf  moet  ik  zeggen dat   het   werk   van   de   rijksrecherche   nutteloos   werk   is   geweest,   in   de   zin   dat   het   geen onderbouwing heeft opgeleverd. Ik heb dat rijksrechercherapport aan allerlei mensen, die er qualitate qua iets mee te maken hadden, te lezen gegeven. Ik heb het ook zelf overhandigd aan   Steenhuis.   Mijn   credo   was:   “lees,   doe   er   maar   wat   mee”.   Bovendien   heb   ik   de betrokkenen  er  op  gewezen  dat  de  stellingen  in  het  parallel-pv  totaal  niet  spoorden  met  de antwoorden op de vragen die naar aanleiding van het proces-verbaal waren gesteld door de rijksrecherche.  Ik  vond  dat  het  college  vooral  met  die  constatering  iets  moest  doen.  Maar  ik was op dat moment, we spreken nu over het vroege voorjaar 1999, het strijden moe. Bij mij was de rek er wel uit.” Tot slot laten we Van Slobbe over het parallel-proces-verbaal aan het woord. In de hoedanigheid van chef   van   de   CID-sectie   van   het   LRT   was   hij   immers   een   sleutelfiguur   bij   de   analyse   van   het onderliggende  CID-materiaal.  Uit  de  woorden  van  Van  Slobbe  kan  in  ieder  geval  worden  opgemaakt dat de analyse van dit proces-verbaal geen hoge prioriteit had in het kader van het 060-onderzoek589: “Eerlijk  gezegd  had  het  niet  onze  hoogste  prioriteit  om  het  proces-verbaal  heel  goed  na  te lopen.  De  tijd  ontbrak  en  we  hadden  het  gevoel  te  worden  tegengewerkt  door  Snijders.  Ik                                                 587 Interview P. Entken d.d. 16 januari 2001. 588 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001. 589 Telefonisch interview J. van Slobbe d.d. 4 mei 2001.

    fort3_70

    258 Noch  de  00-informatie  noch  de  01-informatie  is  uiteindelijk  bij  de  CID  van  het  LRT  beland.  In  een aantal   gevallen   had   dat   te   maken   met   een   weigering   van   de   afzenders   om   de   informatie   te verstrekken.  Zo  weigerde  de  FIOD  om  ten  behoeve  van  het  LRT  een  proces-verbaal  op  te  maken omdat  de  door  de  FIOD  vergaarde  informatie  afkomstig  was  van  andere  informatiebronnen  en  de dienst   niet   kon   instaan   voor   haar   betrouwbaarheid.   Ook   vanuit   de   RCID   van   de   regio   Gooi   en Vechtstreek kreeg het LRT nul op het rekest. De gevraagde gegevens konden niet in de vorm van een proces-verbaal   worden   aangeleverd,   omdat   hierin   informatie   aanwezig   was   die   door   Teeven   als onbetrouwbaar  was  gekwalificeerd.  Een  andere  CID,  niet  bekend  welke,  had  aangegeven  dat  de gevraagde   CID-formulieren,   waaruit   informatie   gehaald   moest   worden   voor   een   tactisch   proces- verbaal, niet meer voorradig waren.583 Behalve   de   bovengenoemde   redenen   lag   volgens   diverse   betrokkenen   aan   de   gebrekkige informatievoorziening ook een zekere lankmoedigheid ten grondslag van de zijde van de CID van het LRT.  In  diverse  interviews  werd  aangegeven  dat  de  bereidheid  van  de  CID-LRT  om  informatie  bij andere RCID’en op te vragen niet al te groot was. In de volgende citaten zien we dit standpunt terug: Van Brummen584: “Voor  Haarlem  is  het  nog  steeds  een  grote  vraag  waarom  de  CID-sectie  van  het  LRT  niet gericht op zoek gegaan is naar de onderliggende informatie van het parallel-pv.” Schouten585: “Wij hebben dat parallel-pv gemaakt en zoals iedereen weet, die binnen de CID werkt, moet je  voor  het  verkrijgen  van  onderliggende  informatie  met  de  code  00  en  01  terug  naar  de bron.  Wij  hebben  er  alles  aan  gedaan  om  zo  snel  en  concreet  mogelijk  aan  te  geven  voor welke informatie men naar welke bron toe moest. Daar hebben we hele dagen aan gewerkt. Het   verbaasde   me   dan   ook   dat   wij   later   vanuit   het   LRT   te   horen   kregen   dat   wij   niet meewerkten.     Toen     bleek     dat     de     CID     van     het     LRT,     naar     aanleiding     van     onze informatieoverzichten,  een  stapel  informatierapporten  (inclusief  de  00  en  01  info’s)  op  het bureau   van   het   tactische   team   had   gegooid.   Het   tactische   team   had   dit   geweigerd   en gezegd dat dit niet de manier was om om te gaan met CID informatie. Vervolgens gebeurde er weer lange tijd niets.” Van Stormbroek586: “Wij   zeiden,   Peter   Snijders,   ik   en   de   anderen:   “onze   analyse   is   gebaseerd   op   allerlei bronnen, van zeer diverse CID-en. Wij kunnen jullie die informatie niet zo geven. Het is geen informatie van de CRI, de CRI moet er behoedzaam mee omgaan. Maar het is voor jullie wel goed  mogelijk  om  die  informatie  her  en  der  op  te  vragen”.  Maar,  zo  is  mijn  indruk,  het  LRT was daar niet zo happig op. Zij wilden liever met grote stappen thuis zien te komen in plaats van bepaalde kwesties gedetailleerd uit te werken. Wij hebben ze heus wel aangegeven hoe zij  de  gegevens  rond  bepaalde  mensen  en  rond  bepaalde  bronnen  konden  stapelen  en  op die    manier    een    en    ander    konden    uitzoeken,    maar    naar    ons    gevoel    was    dat    toch eenrichtingsverkeer.  Zij  zagen  er  eigenlijk  niet  zo  veel  in.  Het  LRT  had,  denk  ik,  niet  zoveel fiducie   in   de   these   van   de   parallel-importen.   Zij   wilden   trouwens   ook   zogezegd   schoon                                                 583 Journaal over containeronderzoek n.a.v. parallel-proces-verbaal (C1). 584 Interview H. van Brummen d.d. 2 februari 2001. 585 Interview P. Schouten d.d. 9 februari 2001. 586 Interview A. van Stormbroek d.d. 23 januari 2001.

    fort3_7

    195 Na  deze  maanden  van  tappen  begon  er  bij  het  team  weliswaar  een  beeld  te  ontstaan  van  de personen  met  wie  J.  kontakten  onderhield  en  kennelijk  ook  zaken  deed,  maar  erg  veel  duidelijkheid over  de  inhoud  van  de  zaken  bestond  er  nog  niet.  Zo  kwam  wel  de  gokscene  in  beeld  waarin  J.  als exploitant en verwoed speler verkeerde. Ook kwamen er enkele aanwijzingen dat J. betrokken was bij de  handel  in  drugs;  uit  een  telefoonprint  van  een  Oostenrijkse  hotelkamer  bleek  dat  hij  met  een nummer in Colombia had gebeld en uit reisbewegingen van J. bleek ook dat hij contacten onderhield in   Colombia.   Maar   over   de   aard   en   de   inhoud   van   de   Colombiaanse   contacten   werd   tot   op   dat moment niets bekend. De verdachte hield er trouwens rekening mee dat hij werd afgeluisterd. Hij uitte zich  in  cryptische  bewoordingen  en  maakte  frequent  afspraken  om  op  een  bepaalde  plaats  bijeen  te komen, maar waarover de beraadslagingen gingen en wat de inhoud ervan was, werd niet duidelijk. 9.3.2 Externe impulsen Het  is,  tegen  deze  achtergrond,  van  belang  te  vermelden  dat  er  van  buitenaf  drie  impulsen  aan  het onderzoek  werden  gegeven.  In  deze  paragraaf  worden  deze  externe  invloeden  kort  aangestipt.  De uitwerking  van  de  belangrijkste  twee,  het  NN-GVO  en  het  parallel-proces-verbaal,  vindt  plaats  in  de paragrafen 9.4 en 9.5. Zoals in het vorige deel is toegelicht, was in het najaar van 1997 rondom het onderzoek 060 een klankbordgroep  geformeerd.  Doel  van  dit  overlegorgaan  was  het  afstemmen  van  de  activiteiten  die elders,  door  andere  opsporingsteams  dan  het  LRT,  werden  verricht  met  datgene  wat  binnen  het “moederonderzoek”   060   –   en   de   daarvan   afgeleide   deelprojecten   –   plaatsvond.   Twee   impulsen werden door een lid van de klankbordgroep, in casu Snijders, ingebracht; de derde was afkomstig van Teeven,  die  overigens  van  deelname  aan  de  klankbordgroep  was  uitgesloten.  Zie  hierover  meer  in hoofdstuk 12. De  impuls  van  Teeven  aan  het  onderzoek  061  betrof  het  op  15  juni  1998  verstrekken  van  een proces-verbaal  van  de  RCID  Amsterdam-Amstelland  aan  zijn  collega  Noordhoek.  Dit  proces-verbaal bevatte   informatie   die   in   de   periode   mei   1997   tot   maart   1998   bij   de   hoofdstedelijke   RCID   was binnengekomen.  Deze  informatie  zou,  volgens  het  hoofd  van  de  RCID  Amsterdam-Amstelland,  uit doorgaans betrouwbare bron afkomstig zijn. In het bericht werd gesteld dat J. zou zijn geïntroduceerd bij enkele grote criminelen als de man die de douane “plat had”. Regelmatig zouden er door toedoen van   J.   grote   partijen   hasj   veilig   door   de   douane   geloodst   zijn   en   hiervoor   zou   hij   per   geslaagde aflevering  betaald  zijn  door  een  bepaalde  crimineel.  Tenslotte  werd  er  nog  over  gesproken  dat  J. enkele tientallen miljoenen guldens in Oostenrijk zou hebben. Kort   nadat   hij   het   CID-bericht   uit   Amsterdam   had   ontvangen,   bracht   Noordhoek   het   in   een klankbordgroepvergadering. De daar aanwezige officier Snijders reageerde hierop zeer verbolgen. Hij had twijfels over de herkomst van de informatie, aangezien de inhoud daarvan vrijwel letterlijk overeen stemde  met  CID-informatie  uit  het  IRT-dossier.411  Teamleider  Entken  omschreef  de  gang  van  zaken als volgt412: “Dit bericht werd ons aangereikt op een bepaalde dag om 15.45 uur en om 16.00 uur was er een vergadering van de klankbordgroep. Het was kennelijk een erg beladen bericht. Snijders ontplofte zo’n beetje. Wisten wij waar dat bericht vandaan kwam, wat de achtergrond ervan was? Snijders voelde zich geweldig in zijn kuif gepikt. Hij zag het als een dolkstoot in de rug en daarom is dit bericht wel wat blijven hangen.” Volgens een teamlid werd het bericht binnen het LRT vooral beschouwd als een steun in de rug. Het bevatte de aanwijzing dat J. een belangrijke verdachte was. Maar de koers van het onderzoek werd er                                                 411 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001. 412 Interview P. Entken d.d. 16 januari 2001.

    fort3_69

    257 Het opsporingsonderzoek tegen J. is, zoals reeds werd gesteld in paragraaf 6.4, gestart op basis van  onder  meer  een  BVD-ambtsbericht,  een  CID-bericht  en  diverse  MOT-meldingen,  waaruit  zou blijken dat J. betrokken was bij het Oostenrijkse bedrijf en in Nederland opbrengsten genoot uit illegale loterijen.   Nader   onderzoek   naar   de   Oostenrijkse   sporttotalisator   –   aanvankelijk   aan   de   hand   van gegevens  van  de  Kamer  van  Koophandel  in  Oostenrijk,  later  door  middel  van  beslaglegging  op  de bedrijfsinformatie  van  het  bedrijf  en  verhoren  van  de  Oostenrijkse  mededirecteur  –  wees  niet  in  de richting  van  de  eerder  uitgesproken  vermoedens  dat  via  de  onderneming  op  grote  schaal  geld  zou worden witgewassen en/of dat J. tientallen miljoenen guldens in de onderneming zou hebben zitten. Zaak 6 heeft betrekking op een onderzoek dat door de Rotterdamse politie werd ingebracht. Naar aanleiding   van   een   tip   dat   er   vermoedelijk   drugs   werden   gelost   in   een   loods,   werden   door   de Rotterdamse   politie   op   11   augustus   1999   50.000   XTC-pillen   in   beslaggenomen.   Op   basis   van observatie  en  vingerafdrukken  kon  de  betrokkenheid  van  een  aantal  medeverdachten  van  J.  worden vastgesteld. J. had zelf met deze zaak niets van doen. Zaak 7 is enigszins  vergelijkbaar  met  de  voorgaande  zaak.  Ook  in  deze  zaak  was  er  een  tip  dat er  drugs  zouden  worden  gelost;  het  bleek  om  3,5  kilo  cocaïne  te  gaan.  Het  betrof  de  eerste  tastbare actie, in maart 1999, tegen personen die tot de kring van de medeverdachten van J. behoorden. Maar het onderzoek werd noch geïnitieerd, noch uitgevoerd door het LRT. Het is zelfstandig verricht door de FIOD.  Proces-verbaal  werd  opgemaakt  tegen  een  aantal  medeverdachten  van  J.  en  J.  zelf.  De  voor deze   zaak   opgemaakte   processen-verbaal   werden   nadien   integraal   overgenomen   in   het   LRT- zaaksdossier. Zaak 8 ten slotte heeft betrekking op de vondst van ruim 500 kilo hasj in de woning van één van de op 15 februari 2000 aangehouden verdachten. De verdachte zou gekarakteriseerd kunnen worden als een medewerker van S. 13.5 De analyse van het parallel-proces-verbaal Naast het onderzoek naar J. werd door het onderzoeksteam 96061 ook nader onderzoek verricht naar het zogenaamde parallel-proces-verbaal. In paragraaf 9.5 is uiteengezet dat dit door Van Stormbroek en   Schouten   opgemaakte   proces-verbaal   in   juli   1998   het   licht   zag.   Het   document   bevatte   de beschrijving  van  negen  parallel-importen.  Later  werd  dit  aantal  teruggebracht  tot  acht.  In  dezelfde paragraaf   is   beschreven   hoe   een   klein   team   –   hoofdzakelijk   bestaande   uit   medewerkers   van   de rijksrecherche   –   trachtte   de   in   het   genoemde   proces-verbaal   aangedragen   parallel-importen   in recherchetactische  zin  van  een  steviger  fundament  te  voorzien.  Na  bestudering  van  de  voor  het  team toegankelijke   gegevens   bleek   de   onderbouwing   van   de   parallel-transporten   nog   te   zwak.   Het onderzoeksteam had echter de stellige indruk dat er CID-matig meer informatie over de 22 betrokken containers  en  onderzoeken  beschikbaar  moest  zijn.  Om  de  her  en  der  in  het  land  aanwezige  00-  en 01-informatie  tactisch  bruikbaar  te  maken  was  het  team  echter  afhankelijk  van  de  inzet  van  de  CID- sectie  van  het  LRT.  Aangezien  de  tijd  van  Van  Slobbe  c.s.  in  januari  1999  volledig  in  beslag  werd genomen    door    het    061-onderzoek,    hadden    de    teamleden    in    januari    1999    weinig    concrete onderzoeksactiviteiten om handen. Op verzoek van Entken ondersteunden zij gedurende deze maand de tapkamer van het 061-onderzoek. In een overleg dat plaatsvond op 27 januari 1999 – waarbij aanwezig waren Snijders, Noordhoek, Entken,  een  rijksrechercheur  en  een  vertegenwoordiger  van  de  CID  van  het  LRT  –  werd  de  afspraak gemaakt dat de CID-LRT zou proberen de 01 informatie bij de aanleverende instanties om te zetten in tactisch  bruikbare  informatie.  Het  gebruik  van  de  00-  informatie  was  problematischer.  Er  moest  eerst nog   nader   overleg   plaatsvinden   om   te   zien   op   welke   wijze   deze   informatie   eventueel   bruikbaar gemaakt kon worden.582                                                 582 Journaal over containeronderzoek n.a.v. parallel-proces-verbaal (C1).

    fort3_68

    256 Zaak 1 Zoals  gesteld  is  zaak  1  de  belangrijkste  zaak  uit  het  gehele  dossier  omdat  de  aanhouding  van  J.  en zijn  medeverdachten  hierop  is  gebaseerd.  In  een  container  die  bestemd  was  voor  een  speciaal  voor dit   doel   opgezet   (fake-)bedrijf   werd   in   24   vaten   met   bevroren   vruchtensap   1200   kilo   cocaïne verborgen.  In  Italië  werd  na  een  tip  van  de  Britse  politie  bijna  alle  cocaïne  door  de  politie  verwijderd. Men besloot de zending door te laten gaan, met nog maar enkele kilo’s cocaïne, om het spoor verder te volgen. Dit spoor leidde naar de haven van Thessaloniki in Griekenland, een tussenstation naar de eindbestemming   van   een   firma   in   Skopje,   Macedonië.   Uit   observaties   bleek   dat   de   container vruchtensap   daar   pas   na   twee   weken   werd   gelost.   Normaliter   pakt   de   douane   niet   opgehaalde containers al na drie dagen uit de koelcontainer, maar vanwege de politiële observatie besloot men af te  wachten.  Na  twee  weken  werden  de  circa  160  vaten  in  een  koelwagen  geladen  door  plaatselijk havenpersoneel, terwijl op dat moment enkele leden van de groep L. in Thessaloniki aanwezig waren. De Italiaanse politie bleek slordig werk geleverd te hebben. Zij hadden de vaten waar de cocaïne was uitgehaald,  niet  opnieuw  gevuld.  Na  vier  dagen  omzwervingen  kwam  de  koelwagen  op  23  augustus 1999  in  een  loods  in  Wenen  aan.  Daar  besloot  de  Oostenrijkse  politie  een  eind  te  maken  aan  de gecontroleerde   doorlevering.   Bij   de   koelwagen   in   de   loods   werden   in   totaal   negen   personen aangehouden, onder wie drie leden van de groep L. Volgens    een    van    de    rechercheurs,    die    vanaf    de    start    aan    het    LRT-onderzoek    tegen    J. deelgenomen  heeft,  was  de  1200  kilo-zaak  en  de  betrokkenheid  hierbij  van  J.  een  “toevalstreffer”.581 De  Britse  politie  was  ervan  op  de  hoogte  dat  de  Italiaanse  autoriteiten  een  schip  met  een  container cocaïne  hadden  ontdekt.  Via  de  Britse  liaison  in  Nederland  werd  ook  het  LRT  van  deze  tip  op  de hoogte  gesteld,  omdat  naar  voren  was  gekomen  dat  er  kontakten  bestonden  tussen  de  eigenaar  van de  firma  voor  wie  de  container  bestemd  was  en  L.  De  Britten  wisten  in  verband  met  een  eerder verzoek  van  juni  1999  om  rechtshulp  (het  observeren  van  L.  tijdens  diens  bezoek  aan  Engeland)  dat ook het LRT interesse had voor de zaak. De belangrijkste reden dat het LRT op het spoor van J. werd gezet, was gelegen in het feit dat er zich  ten  aanzien  van  de  financiering  van  het  vervoer  van  de  bewuste  container  problemen  hadden voorgedaan.   Via   de   afgeluisterde   telefoongesprekken   werd   vernomen   dat   J.   door   L.   over   de bestaande problemen werd ingelicht. Uit observaties en reisbewegingen kon vervolgens door het LRT- team worden afgeleid dat J. persoonlijk de gerezen problemen onderzocht en oploste. De overige zaken Zaak   2   betreft   een   dossier   van   activiteiten   waarin   wordt   gepoogd   meer   licht   te   werpen   op   de Colombiaanse  contacten  van  J.  en  de  inhoud  van  zijn  bemiddelende  activiteiten  aldaar.  Ook  in  dit onderzoek werd hoofdzakelijk op taps en observaties afgegaan. Een bijzonder incident was de moord op  de  Nederlander  Van  K.  op  25  mei  1999  in  Colombia.  Deze  zou  in  opdracht  van  J.  naar  Colombia zijn gestuurd. Maar over de portee hiervan en over de achtergronden en de toedracht van de moord is weinig bekend geworden in het onderzoek. Zaak  4  betreft  een  beperkt  onderzoek.  Op  basis  van  afgeluisterde  telefoongesprekken  werd  eind  juli 1999 duidelijk dat er circa 750 kilo hasj in een loods lag opgeslagen. Hoewel J. niet zelf bij deze zaak betrokken is, besloot men handelend op te treden en de partij in beslag te nemen. Zaak  5  heeft  betrekking  op  de  rol  van  J.  als  feitelijk  leidinggever  van  een  organisatie  die  in  een aantal  steden  een  illegale  stadslotto  exploiteert.  J.  is  mede-eigenaar  van  een  Oostenrijks  bedrijf,  dat een  legale  status  heeft  in  Oostenrijk  en  dat  weddenschappen  organiseert  rond  voetbalwedstrijden  in Europa.  In  Nederland  werd  als  het  ware  “meegelift”  met  deze  lotto,  doordat  de  wedlijsten  van  het bedrijf  gekopieerd  werden  en  verspreid  werden  in  een  aantal  grote  steden  in  Nederland  in  illegale gokcircuits.                                                 581 Het was een toevalstreffer, maar dit wil niet zeggen dat op basis van de lopende taps en observaties de container niet op eigen kracht getraceerd had kunnen worden. Dat zou een mogelijkheid geweest kunnen zijn.

    fort3_67

    255 13.4 Resultaten Uiteindelijk   kristalliseerde   het   061-onderzoek   door   toedoen   van   de   taps   en   door   de   inbreng   van externe    onderzoeken    en    andere    politiediensten    –    waarover    hieronder    meer    –    uit    in    acht deelonderzoeken. Zo vond in maart 1999 een eerste concrete actie plaats waarbij 3,5 kilo cocaïne in beslag    werd    genomen.    De    belangrijkste    zaak,    waarbij    sprake    was    van    de    identificatie    en inbeslagname  van  een  forse  partij  cocaïne  (1200  kilo),  speelde  echter  in  augustus  1999  en  leidde uiteindelijk in februari 2000 tot de aanhouding van J. en een aantal medeverdachten. Deze zaak wordt in het zaakdossier als zaak 1 aangeduid. Wij zullen de acht zaken hieronder kort beschrijven, waarbij de  volgorde  van  de  nummering  van  het  zaaksdossier  wordt  aangehouden.  Op  één  uitzondering  na: teneinde  het  criminele  netwerk  rondom  J.  en  diens  eigen  rol  daarin  te  verhelderen,  wordt  met  zaak  3 begonnen. Voordat  de  zaken  worden  beschreven  zij  nogmaals  benadrukt  –  zie  hiervoor  ook  hoofdstuk  1  – dat de omstandigheid dat jegens bepaalde personen op enig moment  verdenkingen hebben bestaan, dan  wel  dat  zij  als  “onderzoekssubjecten”  zijn  aangemerkt,  onverlet  laat  dat  redelijkerwijze  slechts gevolgtrekkingen over strafrechtelijke aansprakelijkheid kunnen worden verbonden aan de uitkomsten van  strafrechtelijk  onderzoek.  In  dit  verband  is  het  van  belang  er  op  te  wijzen  dat  op  6  april  2001  de rechtbank  Haarlem  vonnis  wees  in  de  zaak  J.  Op  vordering  van  het  openbaar  ministerie  sprak  de rechtbank J. vrij van de ten laste gelegde strafbare feiten (140 Sr; invoer harddrugs) met betrekking tot de   periode   1-1-1993   tot   31-12-1994.   De   rechtbank   veroordeelde   J.   wel   voor   deelname   aan   een criminele  organisatie  (over  de  periode  1-1-1997  tot  14-2-2000),  terwijl  hij  hiervan  de  bestuurder  en leider was. Ook werd hij veroordeeld voor het in georganiseerd verband overtreden van de Opiumwet door mee te werken aan het internationale transport en opslag van aanzienlijke hoeveelheden cocaine en hennep. Tenslotte werd hij veroordeeld voor het overtreden van de Wet op de Kansspelen. J. werd door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar onvoorwaardelijk en 1 miljoen gulden boete. Hij heeft tegen dit vonnis hoger beroep aangetekend. De belangrijkste zaak, die ook van grote invloed op de strafmaat is geweest, betrof de betrokkenheid bij de invoer van 1200 kilo cocaine. In   het   onderstaande   worden   de   resultaten   van   het   061-onderzoek   weergegeven.   Wij   gaan concreet  in  op  aard  van  de  zaken,  waarvan  J.  werd  verdacht,  omdat  op  deze  wijze  kan  worden verduidelijkt waartoe precies de activiteiten om de onderste steen boven te krijgen hebben geleid. Zaak 3 Zaak  3  is  het  zogeheten  art.  140-verbaal,  waarin  de  criminele  organisatie  rond  J.  wordt  beschreven. Deze   analyse   is   hoofdzakelijk   gebaseerd   op   de   inhoud   van   afgeluisterde   telefoongesprekken, reisbewegingen   van   J.   en   zijn   kompanen,   en   observaties   van   kontakten   die   tussen   verschillende personen  plaatsvonden.  Hieruit  zou  naar  het  oordeel  van  de  verbalisanten  naar  voren  zijn  gekomen dat J. een leidinggevende rol speelde in het organiseren van cocaïnetransporten vanuit Colombia naar Nederland. Deze rol van J. zou eruit bestaan dat hij bemiddelde tussen Colombiaanse leveranciers en Nederlandse   afnemers,   die   het   transport   naar   West-Europa   en   de   verdere   distributie   voor   hun rekening  namen.  Als  zodanig  zou  J.  deel  uitmaken  van  een  “vennootschap”  van  bemiddelaars  die tussen  de  Colombiaanse  leveranciers  en  het  distributienetwerk  in  zou  zitten.  De  vennoten  zouden onderling   afspraken   maken   over   het   delen   van   de   risico’s,   het   verdelen   en   aansturen   van   eigen distributienetwerken.  De  verdachten  die  in  het  onderzoek  naar  J.  via  taps  en  observaties  in  beeld kwamen,    zouden    ook    tot    het    distributienetwerk    van    J.    behoren.    Er    werden    drie    groepjes geïdentificeerd   rond   twee   Nederlanders   (S.   en   L.)   en   een   Zuid-Amerikaanse   contactpersoon   die gescheiden van elkaar werkten en die zich overigens ook zelfstandig, los van J., bezig hielden met de handel in drugs (cocaïne, XTC, hasj).

    fort3_66

    254 Figuur 2 13.3 Het verloop van het onderzoek Naarmate   de   taps   meer   informatie   opleverden   over   de   mogelijke   betrokkenheid   van   J.   en   zijn kompanen  bij  het  organiseren  van  cocaïnetransporten,  deed  de  betrekkelijk  geringe  omvang  van  het LRT-team zich in negatieve zin gevoelen. Zoals uit figuur 2 is af te leiden, was er vooral in het eerste half jaar van 1999 onvoldoende mankracht om relevante informatie “uit te rechercheren”. Het was, met andere  woorden,  nauwelijks  mogelijk  om  de  verkregen  informatie  te  verdiepen  door  de  inzet  van andere  methoden,  zoals  observatie  of  het  horen  van  personen.  Overigens  speelde  bij  dit  laatste  ook mee  dat  men  met  het  onderzoek  nog  niet  naar  buiten  wilde  treden.  Het  was  door  de  veelheid  van informatie  nauwelijks  meer  mogelijk  om  verkregen  tapgegevens  te  relateren  aan  drugstransporten. Een  complicatie  hierbij  was  dat  er  voortdurend  diverse  drugstrajecten  tegelijkertijd  liepen,  zodat  het moeilijk was te weten op welk transport een afgeluisterd gesprek betrekking had. Naast   taps   werden   er   ook   peilbakens   gezet   op   auto’s   waarmee   verdachten   reden   en   werd geregeld  het  observatieteam  ingezet  om  na  te  gaan  waar  en  met  wie  J.  en  zijn  medeverdachten kontakten  hadden.  Ook  werden  in  november  1998  de  eerste  strafrechtelijke  financiële  onderzoeken (SFO’s)   gestart   tegen   J.   en   enkele   medeverdachten.   Deze   SFO’s   waren   gericht   op   het   in   kaart brengen van bezittingen van onder meer J. (onroerend goed), en het traceren van gelden/bestedingen/stortingen  waarvan  de  herkomst  onduidelijk  was.  Deze  SFO’s  zouden  pas  na  de aanhouding van de verdachten in februari 2000 verder worden geactiveerd omdat de huiszoekingen in februari 2000 aanknopingspunten boden voor gerichter financieel onderzoek. Uit de SFO’s tegen J. en zijn echtgenote vloeiden twaalf rechtshulpverzoeken voort.580                                                 580 Volgens  de  financiële  rechercheurs  zou  tot  dusverre  (december  2000)  zo’n  10  tot  12  miljoen  gulden  aan  bestedingen (inclusief  investeringen)  door  J.  in  de  afgelopen  jaren  zichtbaar  zijn  te  maken.  In  de  uitvoering  van  het  financiële onderzoek lopen de rechercheurs tegen tal van problemen aan die  tijdvertragend werken, zoals rechtshulpverzoeken en vermeende schuilconstructies met rechtspersonen. Als gevolg van deze vertragingen loopt het financiële onderzoek qua timing uit de pas met het tactische onderzoek. TIJD 40 30 20 10

    fort3_65

    253 13 De afloop van het onderzoek 061 13.1 Inleiding Eerder  is  vastgesteld  dat  het  onderzoek  061  in  het  najaar  van  1998  in  een  impasse  verkeerde.  De oorspronkelijke  bronnen,  die  tot  de  start  van  het  onderzoek  hadden  geleid,  waren  “opgedroogd”. Noordhoek  weigerde  bovendien  –  om  de  in  hoofdstuk  9  beschreven  redenen  –  om  gebruik  te  maken van  de  door  Van  Straelen  en  Snijders  aangereikte  NN-verklaringen.  Het  verkrijgen  van  operationeel bruikbare informatie uit het parallel-proces-verbaal verliep moeizamer dan gedacht en ook het tappen van  telecomaansluitingen  van  de  vermeende  groei-informant,  teneinde  zicht  te  verkrijgen  op  diens actuele criminele gedragingen, had nog geen concreet resultaat opgeleverd. Kort na de presentaties bij de minister van Justitie en in het college van procureurs-generaal van oktober  1998  deed  zich  echter  de  doorbraak  voor  waarop  lange  tijd  was  gehoopt.  In  november  1998 kwam  een  in  Nederland  woonachtige  Colombiaan  “over  de  tap”  die  met  J.  over  cocaïne  sprak  en  in diezelfde  periode  werd  in  Colombia  een  relatie  van  J.  gegijzeld  in  verband  met  betalingsproblemen tussen Colombianen en Nederlanders over een partij cocaïne. Verdachte J. speelde in dit geschil een bemiddelende rol. Vanaf   dat   moment   werd   het   aftappen   van   telefoongesprekken   verder   geïntensiveerd.   Het afluisteren  van  lijnen  van  J.  zou  vanaf  november  1998  tot  september  1999  gecontinueerd  worden. Ook  anderen  met  wie  J.  kontakten  onderhield,  kwamen  onder  de  tap.  Sommigen  gedurende  enkele maanden. Enkele medeverdachten zouden, evenals J., tot september 1999 worden afgeluisterd. In   dit   hoofdstuk   worden   achtereenvolgens   het   verloop   van   de   laatste   fase   van   het   tactische onderzoek 061 en de problemen die zich in dit stadium hebben voorgedaan, beschreven. 13.2 Samenstelling van het team Het   opsporingsteam   werd   vanaf   november   1998   geleidelijk   aan   uitgebreid.   Het   aantal   tactische rechercheurs  nam  toe  van  7  naar  12  (oktober  1999),  en  zou  vervolgens  verder  worden  uitgebreid  tot circa 20 (februari 2000). Deze uitbreiding was het gevolg van een uitdrukkelijk verzoek van het hoofd van   het   LRT   om   de   formatie   van   het   060-team   uit   te   breiden   in   verband   met   te   verwachten aanhoudingen en verhoren. Inmiddels was wel de gehele leiding van het team gewijzigd. Noordhoek aanvaardde in de zomer 1999  op  eigen  initiatief  een  andere  functie.  Als  zaaksofficier  werd  hij  opgevolgd  door  Sta,  die  enkele maanden  daarvoor  overigens  al  als  tweede  officier  aan  het  onderzoek  was  toegevoegd.  Enige  tijd nadat Sta als zaaksofficier was benoemd werd Koelewijn als tweede officier van justitie aangewezen. In   maart   1999   werd   Crijns   het   nieuwe   hoofd   van   het   LRT.   Hij   volgde   Van   Gemert   op.   In   juli aanvaardde  het  hoofd  van  de  CID  van  het  LRT  Van  Slobbe  een  andere  functie,  hij  werd  opgevolgd door  Brenninkmeijer.  Ook  in  de  dagelijkse  leiding  van  het  opsporingsteam  was  er  sprake  van  een wijziging.   In   juni   1999   aanvaardde   Entken   een   andere   functie.   Hij   werd   op   1   december   1999 opgevolgd  door  Mostert,  die  evenwel  in  september  2000  als  gevolg  van  ziekte  de  functie  weer  neer moest  leggen.  Nadien  is  wederom  een  vacature  blijven  bestaan  en  vervulde  een  driemanschap  (de tactisch,  administratief  en  financieel  coördinator)  feitelijk  de  rol  van  teamchef.  De  teamsterkte  vanaf november 1998 is weergegeven (met een dikke lijn) in figuur 2.

    fort3_64

    252 uitvoering   geven   aan   parketafspraken   of   bevelen   van   hogerhand.   Deze   nadruk   op   de   individuele zelfstandigheid  wordt  ook  gereflecteerd  in  de  mate  van  tolerantie  jegens  onderlinge  verschillen  in  de aanpak van zaken: hoewel er in het post-Fort-traject ergernis bestond over de uiteenlopende strategische inzichten  overheerste  de  opvatting  –  althans  op  het  niveau  van  de  hoofdofficieren  –  dat  de  opvattingen van anderen moesten worden gerespecteerd. Zo werd er in onderling overleg de kool en de geit gespaard en bouwde de spanning zich nog verder op.

    fort3_63

    251 De   beschrijving   toont   allereerst   aan   dat   het   gedwongen   vertrek   van   Docters   van   Leeuwen nadrukkelijk  zijn  sporen  naliet  in  de  regie  van  het  post-Fort-traject.  Het  “gekortwiekte”  college  had  de handen   vol   aan   het   aanvullen   van   de   lacunes   die   als   gevolg   van   het   terugtreden   van   Docters   van Leeuwen waren ontstaan – in het bijzonder met betrekking tot het voltooien van de reorganisatie van het openbaar    ministerie    –    en    kon    onvoldoende    aandacht    besteden    aan    het    verloop    van    gevoelige opsporingsonderzoeken,  waaronder  de  onderzoeken  in  het  kader  van  het  post-Fort-traject.  Zelfs  op  het moment  dat  de  signalen  over  verregaande  problemen  tussen  de  betrokken  officieren  van  justitie  niet langer konden worden genegeerd, werden deze signalen niet vertaald in een voortvarende aanpak. In de optiek  van  Ficq  lag  het  niet  op  de  weg  van  het  college  van  procureurs-generaal  om  rechtstreeks  te interfereren in het verloop van de onderzoeken, laat staan in te grijpen in de personele bezetting daarvan. Tot op zekere hoogte valt een terughoudende opstelling van het college in personeelskwesties te billijken, maar  toen  in  de  zomer  van  1998  de  spanningen  tussen  Noordhoek  en  Snijders  dusdanig  opliepen,  dat van  een  werkbare  situatie  geen  sprake  meer  was,  had  direct  ingrijpen  vanuit  het  college  voor  de  hand gelegen. Een  verzachtende  omstandigheid  voor  het  college  van  procureurs-generaal  is  dat  het  op  gezette tijden  door  de  betrokken  hoofdofficieren  op  het  verkeerde  been  werd  gezet.  De  correspondentie  in  de zomer  en  de  herfst  van  1998,  waarin  het  beeld  werd  opgeroepen  dat  de  verhoudingen  weer  redelijk waren genormaliseerd, noopte bijvoorbeeld geenszins tot het nemen van straffe maatregelen. Met name Van  Brummen  en  Holthuis  camoufleerden  in  deze  periode  de  hoog  oplopende  spanningen  door  de complexiteit van het geschil te reduceren tot een verschil van inzicht in juridisch-technische kwesties. Ook de   presentatie   van   Noordhoek   op   6   oktober   1998   bij   de   minister   van   Justitie   en   het   college   van procureurs-generaal   zaaide   in   die   zin   verwarring   dat   door   openlijk   de   “Haarlemse”   hypotheses   te omarmen  de  indruk  werd  gewekt  dat  de  kloof  tussen  Haarlem  en  het  landelijk  parket  minder  groot  was dan  in  werkelijkheid  het  geval  was.  In  algemene  zin  werden  de  presentaties  gekenmerkt  door  een  erg rooskleurig beeld van de te verwachten resultaten en van de bereidheid om de onderzoeken eendrachtig tot  een  goed  einde  te  brengen.  Hier  wreekt  zich  overigens  ook  het  feit  dat  de  voorlichting  gepaard  ging met    een    bombardement    aan    beeldmateriaal,    variërend    van    tientallen    dia’s    tot    wandenvullende analyseschema’s.  Deze  visualisaties  leiden  in  de  regel  veeleer  af  dan  dat  zij  echt  meer  inzicht  in  de werkelijkheid bieden. De  bespreking  tussen  de  leden  van  het  college  van  procureurs-generaal  na  afloop  van  de  presentaties van Noordhoek en Snijders maakt echter zonneklaar dat het voltallige college zich zeer wel bewust was van  de  animositeit  tussen  bepaalde  officieren  van  justitie.  In  dat  licht  bezien  is  de  beslissing  van  begin november 1998 om juist Snijders als adviseur van Noordhoek aan te wijzen slecht te begrijpen. Ook op andere besluiten van het college aan het eind van 1998 valt het een en ander af te dingen. Zo werd noch de informatieplicht van Teeven aan het landelijk parket noch de opdracht aan Snijders om CID-activiteiten af  te  bouwen,  nader  gespecificeerd.  Het  besluit  om  Teeven  aan  de  klankbordgroep  toe  te  voegen, berustte  bovendien  op  een  verkeerde  inschatting  van  de  gevoeligheden  die  op  dit  punt  leefden  bij  de overige   leden   van   de   (oude)   klankbordgroep:   de   pre-deal   met   K.   had   in   de   ogen   van   een   aantal deelnemers aan dit gremium de participatie van Teeven definitief onmogelijk gemaakt. Het college liet door middel van de aanwijzing van Van Daalen als coördinerend procureur-generaal van  het  post-Fort-onderzoek  wel  de  bereidheid  zien  om  zich  nadrukkelijker  met  de  voortgang  te  gaan bemoeien.  Of  deze  aanpak  ook  vruchten  afwierp,  en  zo  ja  welke,  zal  in  de  komende  hoofdstukken worden bezien. Van Brummen legde in zijn int erview  terecht  een  verbinding  tussen  de  gebrekkige  wijze  waarop  de hoofdofficieren  en  de  leden  van  het  college  van  procureurs-generaal  hun  sturende  en  toezichthoudende rol vervulden en de cultuur van de OM-organisatie. Zijn analyse dat de leden van het openbaar ministerie conflictvermijdend gedrag vertonen en nalaten een conflict aan een hoger besluitvormend orgaan voor te leggen, komt sterk overeen met hetgeen in de literatuur omtrent de cultuur van het openbaar ministerie is vastgesteld.  Onverkort  geldt  binnen  de  staande  magistratuur  de  sociale  norm  van  het  bewaren  van afstand. Getracht wordt de schijn te vermijden dat officieren van justitie bij hun beslissingen zonder meer

    fort3_62

    250 Gezien de harde opstelling van Snijders wekt het geen verbazing dat het overleg tussen de twee procureurs-generaal  en  de  drie  hoofdofficieren  ook  nu  weinig  effect  sorteerde.  Dit  tot  grote  frustratie van de betrokken officieren van justitie. Noordhoek verwoordde zijn ergernis als volgt576: “Het    is    mij    opgevallen    dat    de    gesprekken    die    Ficq    heeft    gehouden    met    de    drie hoofdofficieren niets hebben geholpen. Waar Holthuis terugkoppelde dat alles nu weer goed was,  hoorde  ik  van  Teeven  dat  Vrakking  had  gezegd  dat  het  helemaal  niets  meer  zou worden.” Hoofdofficier  van  Brummen  gaf  de  volgende  verklaring  voor  het  gebrek  aan  daadkracht  in  het  beraad met zijn collega’s en de procureurs-generaal577: “Wellicht heeft het ons parten gespeeld dat Hans Holthuis en ik goede vrienden zijn. Ik heb bij  Hans  Holthuis  alles  neergelegd  wat  op  mijn  hart  lag.  Dat  laat  onverlet  dat  bepaalde problemen in zekere zin gemaskeerd werden. Je brengt dit – gegeven de sterke horizontale relaties   –   niet   gemakkelijk   “boven-over”.   Holthuis   ging   natuurlijk   achter   Rick   Noordhoek staan en ik stond achter Peter Snijders. Tijdens besprekingen over belangrijke onderwerpen beperkten  we  ons  vaak  tot  de  juridische  voetangels  en  klemmen.  Een  aantal  zaken,  zeker die  in  de  personele  sfeer,  kwam  niet  op  tafel.  Ook  niet  in  de  periodieke  overleggen  met Ficq.” Verderop  in  het  interview  lichtte  Van  Brummen  toe  wat  hij  precies  met  de  kracht  van  horizontale relaties binnen het openbaar ministerie bedoelde578: “Dat is een specifiek kenmerk van de OM-cultuur. Wij zijn er binnen het openbaar ministerie goed  in  om  de  dingen  niet  op  scherp  te  stellen.  Wanneer  wij  er  in  de  horizontale  collegiale relatie niet uitkomen, deinzen we er voor terug om het hogerop te spelen. Dat doen wij niet, daarvoor kennen wij elkaar allemaal te goed. En als het er dan om gaat om knopen door te hakken, dan is zo’n cultuur natuurlijk niet gunstig.” Hoe     moeizaam     de     samenwerking     eind     1998     verliep,     blijkt     ook     uit     de     notulen     van     de collegevergadering van 23 december 1998. Tijdens deze vergadering maakte Van Daalen gewag van een  bericht  dat  hij  vanuit  het  landelijk  parket  had  ontvangen  inzake  het  achterhouden  van  relevante informatie ten behoeve van het 060 onderzoek door het parket Haarlem. Dit bericht sloeg terug op de (weer  opgelaaide)  discussie  onder  welke  omstandigheden  het  LRT  de  beschikking  kon  krijgen  over CID-informatie   uit   Kennemerland.   In   het   volgende   hoofdstuk   zal   de   essentie   van   de   gerezen meningsverschillen  nader  uit  de  doeken  worden  gedaan.  Hier  volstaan  we  met  de  constatering  dat Van  Daalen  tijdens  de  collegevergadering  van  23  december  1998  de  toezegging  deed  hierover  met Holthuis en Van Brummen te gaan praten.579 12.6 Conclusie Dit hoofdstuk stond geheel in het teken van de informatievoorziening aan het college en de sturing op en toezicht van het post-Fort-traject in de periode november 1997 tot en met oktober 1998.                                                 576 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001. 577 Interview H. van Brummen d.d. 2 februari 2001. 578 Interview H. van Brummen d.d. 2 februari 2001. 579 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 23-12-1998 (B1).

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>