IX – De illegale handel in nucleair materiaal – 3.
CONCLUSIESJanuary 1, 1999
3. CONCLUSIES
In deze studie van beperkte omvang zijn drie vragen gesteld:
1. welke criminele groepen maken zich schuldig aan de illegale
handel in nucleair materiaal? 2. Op wat voor manieren wordt deze
vorm van illegale handel gepleegd?
3. Hoe worden de opbrengsten uit deze illegale handel besteed?
De illegale handel in nucleair materiaal lijkt aan Nederland
voorbij te gaan. Er bestaat ook weinig aanleiding deze handel via
Nederland te laten verlopen, wanneer de markt voornamelijk in het
Midden-Oosten, Zuid-Amerika en in Azi ligt. Er zijn geen
aanwijzingen dat in Nederland zoiets als een atoommafia of zelfs
maar een serieus te nemen handel in dit materiaal bestaat. Zelfs de
Duitse berichten over de illegale handel moeten met enig wantrouwen
worden bejegend. Zij moeten eerder worden opgevat als een manier om
de publieke opinie te benvloeden en niet als betrouwbare informatie
over de werkelijke aard en omvang van de illegale handel in
nucleair materiaal.
lees meer
Eindrapport – TEN GELEIDEJanuary 1, 1999
TEN GELEIDE
De parlementaire enqutecommissie opsporingsmethoden presenteert
hierbij haar eindrapport Inzake opsporing.
Het rapport beschrijft de georganiseerde criminaliteit, de
opsporingsmethoden van justitie en politie en de organisatie van de
opsporing in Nederland. Het is de neerslag van een jaar onderzoek.
De conclusies en aanbevelingen van dit rapport geven een duidelijk
antwoord op de hoofdvraag in deze enqute: wat er moet, wat er mag
en wat er niet mag bij de opsporing en bestrijding van
georganiseerde criminaliteit in Nederland. Het is hoog tijd dat
iedereen weet waar men aan toe is.
lees meer
Eindrapport – 3.10 Verdiensten en criminele geldenJanuary 1, 1999
3.10 Verdiensten en criminele gelden
3.10.1 Verdiensten
Tijdens het onderzoek stuitte de commissie op het feit dat
informanten de gelden die zij verdienden met het binnenhalen van de
containers mochten behouden. De criminele organisaties betaalden de
informanten voor het binnenhalen van de containers. En informant
heeft de commissie meegedeeld dat hij per container gemiddeld 1
miljoen gulden verdiende. Dit geld behoefden de informanten niet af
te dragen aan de politie. Verschillende informanten hebben vele
miljoenen guldens verdiend aan deze activiteiten. De informanten
moesten wel zorgdragen voor het huren van een loods, de benodigde
papieren en het betalen van de chauffeur. De informant gaf het geld
voor deze betalingen aan de politie, die vervolgens de betalingen
verrichtte.
lees meer
Eindrapport – 4.5 CasusonderzoekJanuary 1, 1999
4.5 Casusonderzoek
4.5.1 De zaak Charles Z.
Een casus ter illustratie van de rechterlijke beoordeling van
bijzondere opsporingsmethoden
lees meer
Eindrapport – 7.4 Bestuurlijke rechtshandhavingJanuary 1, 1999
7.4 Bestuurlijke rechtshandhaving
7.4.1 Omschrijving
Onder bestuurlijke rechtshandhaving verstaat de commissie in het
kader van dit onderzoek het geheel van bestuurlijke maatregelen dat
mogelijk is ter beheersing van de (georganiseerde) criminaliteit
zoals het weigeren of verlenen van vergunningen, aanbestedingen of
subsidies en het treffen van maatregelen binnen
overheidsorganisaties. Noot
- De voorzitter:
- Wij hebben het alleen gehad over strafvordering. Vindt u ook
dat criminele inlichtingen van de politie gebruikt moeten kunnen
worden ten behoeve van het bestuur? Het komt dus niet tot een zaak,
maar de informatie is wel zodanig dat het bestuur er baat bij kan
hebben in het kader van bestuurlijke
rechtshandhaving.
- De heer Corstens:
- Ja, mijn antwoord daarop is een voorzichtig: ja. Het lijkt
mij uitermate nuttig, zeker als wij denken aan kwesties van
verwevenheid van onderwereld met bovenwereld, waarover vanochtend
gesproken is. Het gevaar van die verwevenheid, dat weet u beter dan
ik, is uitermate groot en uitermate bedreigend voor de samenleving.
Ik ben dan geneigd om te zeggen dat het onder omstandigheden en
onder bepaalde voorwaarden zou moeten kunnen.
Noot
7.4.2 Bevindingen
Verschillende overheidsorganen zijn bezig met maatregelen op het
terrein van de bestuurlijke rechtshandhaving. Het voorkomen en
bestrijden van integriteitsaantasting en het vergroten van de
weerbaarheid van overheidsorganisaties zijn daarbij een belangrijk
aandachtspunt. Het ministerie van Binnenlandse Zaken is het primair
verantwoordelijke departement. Noot Bestuurders kunnen
uit openbare bronnen informatie verzamelen ter voorbereiding van
een bestuursbesluit. Daarbij zijn met name het handelsregister en
het kadastrale register het meest belangrijk. In de praktijk zullen
deze gegevens geen overtuigende motivering opleveren voor het
weigeren van een vergunning, subsidie, ontheffing of gunning aan
een bepaalde inschrijver.
lees meer
Eindrapport – 9.7 Tweede KamerJanuary 1, 1999
9.7 Tweede Kamer
9.7.1 Bevindingen
Onderzoek commissie
lees meer
fort2_107January 1, 1999
171 mogelijk te maken.385 Op 7 oktober 1997 antwoordde Borghouts hem dat met ingang van 23 september de classificatie “stg.-geheim” was opgeheven en dat hij zich moest wenden tot Van Gemert en Holthuis; dezen zouden moeten toezien op het ter beschikking stellen van de benodigde stukken.386 De plaatsvervanger van Holthuis, De Groot, maakte op 9 oktober 1997 deze brief over aan Van Gemert met het verzoek om hem op de hoogte te houden van de afwikkeling van dit verzoek. In het verlengde van deze procedure vroeg Slits – hiertoe uitgenodigd door de betrokken rechter- commissaris – op 23 oktober 1997 aan Holthuis om een aantal stukken uit het Fort-archief in het kader van het eerstgenoemde onderzoek. Diens vervanger maakte dit verzoek eveneens over aan Van Gemert met het verzoek om overeenkomstig de zojuist genoemde procedure te handelen.387 Om welke stukken het in beide gevallen ging is hier niet relevant. Wel relevant is het feit dat de lange duur van deze onderzoeken een aanzienlijke hypotheek legde op de aanpak van het onderzoek naar L. en Van V. Mede om de loop van deze onderzoeken niet te verstoren zag het LRT-team immers alsmaar af van initiatieven in hun richting. 7.4.4 Het vervolg van de kwestie-Van T. Zoals eerder al werd gememoreerd formuleerde de advocaat van Van T., Korvinus, op 1 augustus 1997 in een brief aan Docters van Leeuwen een reeks concrete vragen met betrekking tot de rol van Van T. in het XTC-Engeland-traject van het IRT. Hij was hiertoe uitgenodigd door Gonsalves met het oog op de verkrijging van inlichtingen uit stukken in het Fort-archief. De kabinetschef van het college van procureurs-generaal stuurde dit verzoek op 20 augustus aan Noordhoek met het verzoek om liefst voor 14 september 1997 een voorstel voor afhandeling te doen. Dit kwam er echter niet van. Pas op 5 november 1997 bracht Noordhoek advies uit aan Holthuis. Het kwam erop neer dat het verzoek niet ontvankelijk was onder meer niet omdat er geen machtiging voorlag van Van T. zelf maar ook omdat het rechtstreeks had moeten worden gericht aan Van Gemert, de registerbeheerder.388 Verder wees hij erop dat, wanneer het verzoek wel juist zou zijn opgesteld, er toch nog heel wat obstakels te verwachten waren bij de feitelijke inwilliging ervan, zoals de toezeggingen die waren gedaan aan mensen in het Fort-onderzoek. Holthuis nam dit advies in zijn brieven d.d. 12 en 17 november 1997 aan respectievelijk de bedoelde kabinetschef en aan Ficq over.389 Daarna bleef het lange tijd stil. Zo stil dat Korvinus op 26 februari 1998 opnieuw een brief schreef aan Ficq waarin hij hem vroeg hem mee te delen waarom beantwoording van zijn verzoek tot heden was uitgebleven en wanneer het wel zou worden beantwoord. Hij herhaalde hierin nog eens zijn opvatting dat er in dit geval sprake was geweest van uitlokking, maar voegde er aan toe dat Zwerwer hem in december 1997 in een gesprek had medegedeeld dat hij ook vond dat Nederland verplicht was voor Van T. in actie te komen.390 7.5 Conclusie Eerst en vooral mag er in deze conclusie op worden gewezen dat spoor 2 waaraan een jaar voordien nog zoveel belang was toegekend, in de zomer van 1997 vrij geruisloos uit beeld verdween. In het algemeen riep de overdracht van de diverse deelprojecten geen problemen op, maar niet toevallig die 385 Brief F. Slits d.d. 15 augustus 1997 aan H. Borghouts (C8). 386 Brief H. Borghouts d.d. 7 oktober 1997 aan F. Slits (C8). 387 Brief F. de Groot d.d. 24 oktober 1997 aan W. van Gemert (C8). 388 Brief E. Noordhoek d.d. 5 november 1997 aan H. Holthuis (C8). 389 Brief H. Holthuis d.d. 12 november 1997 (D16). 390 Brief C. Korvinus d.d. 26 februari 1998 aan C. Ficq (D16).
fort2_16January 1, 1999
80 een goede vervanger kreeg op het parket te Leeuwarden.77 Holthuis schatte de opstelling van Zwerwer heel anders in78: “Ja, voor wat betreft de samenstelling is het zo dat Sieb Zwerwer heel eager was om ermee door te gaan. Hij was beschikbaar, hij wilde graag, hij had goede contacten met Docters, en hij kwam dus al snel op spoor 2 terecht.” Achteraf gezien pakte de aanwijzing van deze twee officieren minder gelukkig uit. De spanningen die tussen hen beiden ontstonden waren volgens Holthuis mede een gevolg van het feit dat de een niet zo’n ervaren officier van justitie was terwijl79: “(…) Zwerwer een enorme kennisvoorsprong op Noordhoek (had), en ook een senioruitstraling. Hij straalde uit precies te weten wat er gebeuren moest.” 3.4 Het gebruik van de archieven van het IRT en het Fort-team In het scenario werd er niet over gerept maar het was ondertussen wel een discussiepunt geworden dat later in het onderzoek voor heel wat problemen zou zorgen: het gebruik van het archief van zowel het IRT als van het Fort-team in het kader van, respectievelijk naar aanleiding van strafrechtelijk onderzoeken. Wat was het geval? 3.4.1 Het archief van het IRT Wat het archief van het IRT betreft moet hiervoor worden teruggegaan naar het voorjaar van 1994. Toen werd door een officier van justitie in een bericht d.d. 14 maart aan de ressortvergadering Amsterdam onder meer voorgesteld om een bepaald onderzoek door het kernteam Randstad Noord & Midden te laten verrichten op basis van geheel nieuw en “onbesmet” informatiemateriaal en dus – met andere woorden – bepaalde “besmette” gegevens niet hiervoor te gebruiken. In een departementale discussie over bepaalde openbare verhoren door de Commissie-Van Traa in het najaar van 1995 kwam deze kwestie opnieuw ter sprake. Hierop berichtte Vrakking op 23 oktober 1995 aan Van Randwijck (op diens verzoek) dat er bij zijn weten geen besluit van de ressortvergadering ten grondslag lag aan de beslissing om bepaalde gegevens “apart” te laten zetten. De Beaufort ging in zijn antwoord d.d. 24 oktober 1995 iets explicieter in op de gang van zaken: “Het is juist dat bedoelde gegevens apart zijn gezet en niet meer worden gebruikt (…). De beslissing is genomen in ressortelijk verband in de maanden februari en maart 1994. De ratio vormde dreigende procesrisico’s die een inktvlekwerking zouden hebben in het gehele land.” In zijn brief aan de minister d.d. 27 oktober 1995 gaf Van Randwijck nog wat meer tekst en uitleg: “De reden voor het apart zetten van de informatie is geweest de vrees voor eindeloze herhalingen door raadslieden in rechtszaken over vermeend gebruik van informatie afkomstig uit het Delta-onderzoek (…) en procesrisico’s zoals eventuele niet-ontvankelijk verklaringen indien mocht blijken dat informatie uit het Delta-onderzoek zou zijn gebruikt in een bepaalde strafzaak.” 77 Interview S. Zwerwer d.d. 16 januari 2001. 78 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001. 79 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001.
fort2_31January 1, 1999
95 het betrokken pand geschikt gemaakt voor de huisvesting van de beide teams. Op 28 oktober kon deze verdieping in gebruik worden genomen. Vaste telefoonverbindingen waren er op dat moment nog niet.102 Op 7 mei 1997 werd voor de huur van deze locatie met terugwerkende kracht voor de periode 1 november 1996 – 31 oktober 1997 een overeenkomst gesloten tussen de korpschef van het KLPD en de regionale directie van de domeinen.103 Ook de bemensing verliep bepaald niet gemakkelijk. Van Brummen – op dat moment verbonden aan de staf van het college van procureurs-generaal – sprak in de vergadering van het college van procureurs-generaal op 25 september zelfs nadrukkelijk zijn zorgen uit over het beschikbaar stellen van politiemensen.104 Het probleem speelde niet zozeer bij de samenstelling van het team voor spoor 1. Dit kon immers grotendeels worden bemand met leden van het LRT. Volgens het voortgangsverslag dat op 27 maart 1997 werd afgerond, bestond dit team in het najaar van 1996 uit de volgende “functionaliteiten”105: — vanuit het LRT: voltijds een teamleider, een projectvoorbereider, een seniorrechercheur fraude, een financieel specialist (econoom), een accountant (AA), en deeltijds het hoofd van de financieel-economische kerngroep, het hoofd van de CID en een medewerker van de CID; — en “anderen”: de zaaksofficier LBOM, een parketsecretaris en een administratief medewerker LBOM, een analist van de CRI (Schouten) en twee liaisons van de rijksrecherche. Omdat er nadien bij voortduring onduidelijk heeft bestaan over de plaats van Schouten in dit verband is het aangewezen hem hier zelf kort over aan het woord te laten106: “Mijn betrokkenheid begint bij spoor 1, daar was ik bij aangesteld. Ik was ervoor om als vraagbaak te dienen, omdat ik veel informatie had over wat er in het Fort-dossier zat. (…) Ik was geplaatst in spoor 1 maar was volgens afspraak ook beschikbaar voor vragen van spoor 2. Ik was ook samen met de analist van spoor 2, die de hele materie niet kende, op een kamer geplaatst.” Het LRT-team stond onder de directe leiding van Entken. Zoals Van Gemert zei107: “Hij was verantwoordelijk voor de uitvoering van het onderzoek. Mijn verantwoordelijkheid behelsde het functioneren van het LRT in het algemeen. Ik was verantwoordelijk voor de sturing aan en de samenwerking tussen de verschillende partijen. Ik moest er ook voor zorgen dat de randvoorwaarden voor het onderzoek goed vervuld waren.” Opmerkelijk is overigens dat er bij “de anderen” geen melding werd gemaakt van een CID-officier van justitie. Dit wil echter niet zeggen dat er geen was. Formeel trad namelijk De Groot, de CID-officier van het LBOM, als zodanig op. Maar, zo beweerde Entken108: 102 Vergelijk de mutaties in het persoonlijk dagrapport van P. Entken (F24). Ingevolge de vernieuwde regeling d.d. 18 september 1996 voor de toekenning van middelen uit de zogenaamde BOP-pot konden de aanvragen voor het jaar 1996 worden ingediend tot 25 oktober 1996. Zie de Brief van A. Docters van Leeuwen d.d. 2 oktober 1996 aan de procureurs-generaal bij de gerechtshoven (F18). Verder ook de brief van P. Entken d.d. 25 september 1996 aan H. van Brummen over nog een andere militaire locatie (B8). 103 “Akte van administratieve ingebruikgeving” d.d. 7 mei 1997 (F18). 104 Uittreksel vergadering college van procureurs-generaal d.d. 25 september 1996 (B7). Een van de procureurs-generaal wees erop dat de politie mensen moest leveren en dat de minister van Justitie ze desnoods kon opeisen. 105 Rapportage 96060 d.d. 27 maart 1997, blz. 5 (F23). 106 Interview P. Schouten d.d. 9 februari 2001. 107 Interview W. van Gemert d.d. 30 januari 2001. 108 Interview P. Entken d.d. 16 januari 2001.
fort2_46January 1, 1999
110 “gijzeling van de strafrechtsketen” door rapporteur aan de orde gesteld. Aan het eind van het gesprek bracht de heer Borghouts de informant (…) ter sprake. Het bleek toen dat Z. direct een invulling gaf van het scenario welk door rapporteur aan de minister was geschetst. Op verzoek van de minister is toen een onderzoek door rapporteur opgestart naar het gestelde in de door (…) verzonden brief. Voor zo’n onderzoek is het noodzakelijk dat men gebruik maakt van alle relevante, ook besmette, CID informatie. Rapporteur heeft daarbij op dezelfde wijze gewerkt als bij de ambtsberichten voor “Haagse Kees” hetwelk impliceert dat rapporteur kennis heeft genomen van veel informatie uit de IRT periode.” Op één nota van Snijders na aan de toenmalige hoofdofficier van justitie De Beaufort zijn er geen andere stukken over wat er tijdens deze belangrijke vergadering – belangrijk voor het verdere vervolg van het onderzoek – werd besproken en besloten.166 Hoe ruim of hoe eng het mondelinge verzoek van de minister moe(s)t worden begrepen valt op deze manier dus niet uit te maken. Wel is het zo dat Borghouts tegenspreekt dat in de loop van dit onderhoud Snijders werd gevraagd om een (nader) onderzoek in te stellen. Borghouts167: “Snijders heeft op voorspraak van Docters de gelegenheid gekregen zijn visie direct aan de minister te vertellen. Dat was het enige doel van het gesprek; er was geen sprake van dat het gesprek bedoeld was om hem te machtigen voor het doen van onderzoek naar groei- informanten. Ik weet zeker dat het doel van het overleg alleen was om Snijders zijn visie te laten geven. De minister vond het overigens ongeloofwaardig. Ik kan me niet herinneren dat er gesproken is over een opdracht.” Het feit evenwel dat er “veel informatie uit de IRT periode” werd geraadpleegd, suggereert dat Snijders zélf aan het onderhoud met de minister niet alleen een opdracht ontleende maar zijn taak ook breed opvatte. Op 7 oktober 1996 adviseerde hij Docters van Leeuwen en via deze de minister van Justitie uitvoerig hoe in zijn ogen moest worden omgegaan met het verzoek van een informant om financiële schadevergoeding en beveiliging. Samengevat kwam zijn advies erop neer dat er geen reden was om dit verzoek in te willigen.168 In zijn interview werd Snijders gevraagd naar zijn herinneringen aan vorenstaande bijeenkomst. Om te beginnen memoreerde hij hoe de bespreking van het geval van “Haagse Kees” was verlopen: “Tot mijn verrassing zei Docters van Leeuwen gedurende drie kwartier niet veel en was ik vrijwel alleen aan het woord”. Vervolgens nam het gesprek een andere wending169: “De minister en secretaris-generaal wilden wel weten waarom ik eigenlijk was doorgegaan na de beantwoording van de Kamervragen over “Haagse Kees”. Ik heb toen gezegd dat ik niet stop met mijn normale activiteiten op het moment dat in politieke zin de wind gaat liggen. Ik beschouw die activiteiten als een onderdeel van het inlichtingenwerk. En bedenk wel: ik was in die tijd informantenbestanden aan het opruimen. In de paar jaar dat ik daarmee bezig was, was me wel duidelijk geworden dat we als overheid gegijzeld dreigden te worden door voormalige informanten. Ik ben daarover, nadat het hoofdstuk “Haagse Kees” was gesloten, nog drie kwartier aan het woord geweest. Op een gegeven moment haalde Borghouts een brief uit zijn zak afkomstig van (…). Die brief vormde meteen een bevestiging van mijn 166 Nota J. Snijders d.d. 7 oktober 1996 aan L. de Beaufort (gevoegd bij interview). 167 Interview H. Borghouts d.d. 24 april 2001. 168 Brief J. Snijders d.d. 7 oktober 1996 aan A. Docters van Leeuwen (D6). Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat M. van Traa op 20 september 1996 over deze aangelegenheid een brief schreef aan de minister van Justitie en haar vroeg om te bezien “of het mogelijk is dat een vertegenwoordiger van Justitie met (…) in contact treedt om zijn problemen te bespreken. Hij heeft mij tevens gevraagd U bijgaande brief te overhandigen” (D6). 169 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001.
fort2_60January 1, 1999
124 “(…) de achtergronden van een aantal belangrijke CID-operaties in meer of minder recent verleden in relatie tot het handelen van overheidsfunctionarissen en dat een met het nader onderzoek te belasten opsporingsteam hiertoe kennis moet kunnen nemen van alle relevante (CID)-informatie, waar ook opgeslagen en hoe ook gerubriceerd.” Vervolgens werd in artikel 1, 1e bepaald dat het aangewezen was om een nader onderzoek in te stellen naar personen en/of instellingen “die, gewild of ongewild, actief of passief, bescherming verlenen of support bieden aan criminelen of hun organisaties”. In artikel 1, 3e werd gesteld dat de betrokken opsporingseenheid zou worden geplaatst onder het gezag van de procureur-generaal met de portefeuille “zware georganiseerde criminaliteit” die zich hierbij zou bedienen van het hoofd van het LBOM. En in artikel 1, 4e dat deze eenheid “in faciliterende zin” zou worden ondergebracht bij het KLPD. In artikel 2 werd ten eerste bepaald dat – gelet op artikel 18, 5e van de Wet op de politieregisters – voor de duur van het onderzoek alle hiervoor van belang zijnde gegevens uit registers gehouden bij de criminele inlichtingendiensten moesten worden verstrekt aan de personen die door de genoemde procureur-generaal waren belast met het doen van het onderzoek, en ten tweede dat iedereen die bij of krachtens de Wet op de politieregisters daartoe was gemachtigd, verplicht was om de hiervoor bedoelde gegevens te verstrekken aan de genoemde personen.201 De volgende dag – 9 januari 1997 – faxte Holthuis de door hem gewijzigde versie van dit concept naar het Argus-team. Opmerkelijk in deze versie is dat het doel van het onderzoek nergens wordt omschreven. En de rol van de procureur-generaal met de portefeuille “zware georganiseerde criminaliteit” werd tussen haakjes geplaatst. Voor het overige werd – op enkele kleine redactionele aanpassingen na – de tekst van het aangeleverde concept gevolgd.202 5.3.2 De gemengde reacties van het college en de minister van Justitie Op 10 januari 1997 liet Welschen telefonisch weten dat Holthuis akkoord was met het plan van onderzoek en het zou voorleggen aan Gonsalves. Na goedkeuring zou de instellingsbeschikking worden voorgelegd aan de minister van Justitie.203 Op 15 januari 1997, in de overlegvergadering met het college, werd de minister overigens reeds geïnformeerd over de voortgang van het post-Fort-team. Volgens de besluitenlijst sprak een van de procureurs-generaal bij deze gelegenheid uitvoerig over de stand van zaken met betrekking tot de onderzoeken I en II. Wat dit laatste onderzoek betreft werd het besluit opgetekend dat over de ophanging van het team en de regeling van (CID) bevoegdheden door de secretaris-generaal Borghouts het initiatief zou worden genomen tot een LRT-driehoek (De Wijs, Holthuis, Borghouts) waaraan ook door Gonsalves zou worden deelgenomen.204 De notulen van deze vergadering geven evenwel een beter en ten dele ook een ander beeld van hetgeen er werd besproken. Betreffende het onderzoek naar spoor I meldden de notulen dat de samenwerking tussen Kennemerland en Amsterdam goed was, dat er overleg werd gevoerd tussen Holthuis en Vrakking over samenwerking met het kernteam Amsterdam-Amstelland en dat ook het kernteam Haaglanden meewerkte. Organisatorisch was het onderzoek goed geregeld, zo was de conclusie. Uiteraard lag de zaak in Haarlem aanvankelijk gevoelig, maar de samenwerking tussen Holthuis en kernteamofficier Gonzales was ook goed. De voortgang van onderzoek II lag volgens de notulen gecompliceerder. De samenstelling van het team was wel verzekerd, maar toekenning van de CID-status was nodig om informatie te kunnen onderzoeken. Bovendien moest op korte termijn worden besloten hoe het team organisatorisch moest worden opgehangen: bij het LRT-team, ergens anders bij het KLPD, of nog 201 Het “Concept instellingsbeschikking” bevindt zich in F18. Hierbij kan worden opgemerkt dat S. Zwerwer reeds op 29 november 1996 een conceptbeschikking op grond van artikel 18 lid 5 van de Wet op de politieregisters aan H. Holthuis had overgemaakt (F18). 202 Ook deze “concept-instellingsbeschikking” bevindt zich in F18. 203 Dagjournaal “Argus team” d.d. 10 januari 1997 (F7). 204 Besluitenlijst van de overlegvergadering d.d. 15 januari 1997 (C7).
fort2_75January 1, 1999
139 punt na geen nieuwe inzichten waren verkregen in de zaak van “Haagse Kees” en dat er evenmin iemand een verwijt kon worden gemaakt betreffende zijn/haar optreden in deze zaak. Onder verwijzing naar andere “netelige dossiers van voormalige infiltranten en informanten” bracht Docters van Leeuwen verder naar voren dat in verband met deze dossiers, ondanks allerhande voorzorgsmaatregelen, toch “politiek/publicitair zeer gevoelige incidenten” konden ontstaan en dat een adequate verzameling van feiten tot op het hoogste niveau dus van groot belang was. Wat in dit verband nog ontbrak, zo meende Docters van Leeuwen, was “een efficiënte en effectieve aansluiting van college en minister” aan het platform van CID-officieren. Om dit tekort te repareren stelde hij voor om een beleidsgroep te vormen waarin ook een of meer medewerkers van het departement zouden zitten. Na het nodige vooroverleg op het departement schreef de minister van Justitie op 28 mei 1997 aan Docters van Leeuwen dat zij instemde met zijn voorstel om een “werkgroep” in te stellen. Op de andere punten in de laatstgenoemde brief kwam zij niet terug.264 Wel liet zij op dezelfde dag de voorzitter van de Tweede Kamer weten dat het nadere onderzoek dat zij had laten instellen naar aanleiding van Kamervragen over de verblijfplaats van een voormalige informant geen nieuwe inzichten hieromtrent had verschaft.265 5.7 De opkomst van het derde spoor De hevige aanvaring die zich in januari 1997 voordeed tussen Zwerwer en Noordhoek omtrent de contacten met een bepaalde informant vormde in zekere zin slechts de manifestatie van een veel belangrijkere ontwikkeling: de opkomst van een derde spoor ( afgezien nog van de activiteiten op het Amsterdamse parket die wellicht als een vierde spoor kunnen worden gekenschetst). Wat was er namelijk aan de hand? De betrokken informant had naar aanleiding van het verhoor van een overheidsfunctionaris bij de Commissie-Van Traa contact gezocht met het ministerie van Justitie. In de brief die hij – inmiddels “Fokker” gedoopt – aan de minister schreef beweerde hij te weten hoe het er in de IRT-tijd werkelijk aan toe was gegaan en dat hij bereid was om hierover verklaringen af te leggen, wanneer dit zou gebeuren in het bijzijn van een hoge ambtenaar. “Fokker” suggereerde in het bijzonder dat (iemand van) de FIOD een hoogstbedenkelijke rol had gespeeld in de drugstransporten. Een van de redenen waarom het parket Haarlem werd benaderd om met deze persoon aan de praat te gaan was de eerdere betrokkenheid van Snijders bij de afwikkeling van informantenkwesties.266 Naar zijn eigen zeggen kreeg hij namelijk van Borghouts zelf het verzoek om met betrokkene te gaan spreken. En het was Snijders die vervolgens Zwerwer aansprak om de rol van hoge ambtenaar te spelen. Verder betrok hij niet alleen De Wit maar ook Schouten bij de zaak. De Wit omdat hij wilde voorkomen dat de RCID Kennemerland in dit verband een rol zou gaan spelen.267 De aanwezigheid van Schouten vond hij nodig om een veiligheidsrisico-analyse te maken.268 Het is niet onbelangrijk om te weten waarom rondom het verhoor van deze briefschrijver zoveel onderzoeksactiviteiten werden ontplooid. Voor Holthuis was het duidelijk269: “Dat is eigenlijk helemaal absurd. Op een bepaald moment meldt een bron zich rechtstreeks bij de minister en zegt dat hij wel weet hoe het in de IRT-periode precies gegaan is. Omdat 264 Brief minister van Justitie (namens haar ondertekend door de secretaris-generaal) d.d. 28 mei 1997 aan A. Docters van Leeuwen (A5). 265 Brief minister van Justitie (namens haar ondertekend door de secretaris-generaal) d.d. 28 mei 1997 aan A. Docters van Leeuwen (A5). 266 Interview S. Zwerwer d.d. 16 januari 2001. 267 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001. 268 Interview P. Schouten d.d. 9 februari 2001. 269 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001.
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>