Bijlage V – NiemietzJanuary 1, 1999
Niemietz
Europees Hof voor de Rechten van de Mens 16 december 1992, NJ
1993, 400 m.nt. EJD (Artikel 8 EVRM)
Tegen Klaus Wegener werd in januari 1986 in Mnchen een procedure
gestart wegens belediging. In een brief aan de rechtbank van
Freising, ondertekend door ene Klaus W., werd namelijk de
handelwijze van een rechter, tijdens een proces tegen een werkgever
die uit overtuiging had geweigerd voor zijn werknemers
kerkbelasting af te dragen, ondemocratisch en terroristisch
genoemd. In het kader van dit onderzoek was een huiszoekingsbevel
uitgevaardigd dat betrekking had op het kantoor van de advocaat
Niemietz. Niemietz was een aantal jaren voorzitter geweest van de
Antiklerikaler Arbeitskreis, een werkgroep van de Freiburgse partij
Bunte Liste, waaraan Klaus Wegener verbonden was geweest (de
voornoemde brief was blijkens het onderschrift geschreven in naam
van Antiklerikale Arbeitskreis geschreven). Tot eind 1985 werd de
post voor de Bunte Liste, naar het kantoor van Niemietz (klager in
dit geding) gestuurd. Door middel van deze huiszoeking hoopten de
autoriteiten meer over Wegener te weten te komen.
lees meer
Bijlage V – Ambtelijk bevelJanuary 1, 1999
Ambtelijk bevel
HR 3 mei 1988, NJ 1989, 165 en NJB 1988 (33), nr. 240, p. 1207
e.v.
(Artt. 43 Sr en 2 lid 1 onder b Opiumwet)
Met de informatie dat verdachte een aanbod had gedaan op zeer korte
termijn elke gewenste hoeveelheid amfetamine te kunnen leveren en
dat hij te kennen had gegeven al vijf jaar in de business te
zitten, ging een informant (nummer 32) naar de politie.
Daaruit vloeide een vertrouwensaankoop van 1 kilo en een tweede
definitieve aankoop van een grotere hoeveelheid door de
burger-infiltrant (informant) voort.
Rechtsvragen:
lees meer
Bijlage V – 3.6 ConclusiesJanuary 1, 1999
3.6 Conclusies
1. Traditionele observatie – vanuit een vast punt of door volgerij
– levert onder omstandigheden een inbreuk op het recht op privacy
op.
2. De telefoontap – meer algemeen het tappen van gegevensverkeer
via de telecommunicatie-infrastructur – is wettelijk geregeld. Deze
wettelijke regeling en de wijze waarop daarmee wordt gewerkt worden
algemeen in de rechtspraak in overeenstemming met het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden
geacht.
lees meer
Bijlage V – 5.7 ConclusiesJanuary 1, 1999
5.7 Conclusies
1. Infiltratie is het met het oog op opsporing en vervolging
onder regie en gezag van politie en openbaar ministerie
binnendringen in een criminele organisatie of groep, het ervan deel
uitmaken, het gebruik maken van personen die er reeds deel van
uitmaken en het (desgevraagd) ondersteunen ervan, indien dit
optreden gepaard gaat met I) het aannemen van een valse identiteit
en/of II) het plegen van strafbare feiten en/of III) bieden van
steun aan de criminele organisatie of groep.
lees meer
Bijlage V – 7.7 Betrokkenheid FIOD/douanerechercheJanuary 1, 1999
7.7 Betrokkenheid FIOD/douanerecherche
7.7.1 Doorlaten van containers
De douane en de douanerecherche waren van wezenlijk belang voor
de uitvoering van deze methode. De douane diende op verzoek van de
politie controle van bepaalde containers achterwege te laten, ook
al waren er signalen dat zich in de containers drugs bevonden. Het
Douane Informatie Centrum (DIC) selecteerde de containers waarmee
mogelijk iets aan de hand was. Ongeveer 30 tot 40 % van de
geselecteerde containers werd op verzoek van de politie
doorgelaten.
lees meer
Bijlage VI – 10.2 Taak en organisatieJanuary 1, 1999
10.2 Taak en organisatie
10.2.1 De taak van de rechter-commissaris
De rechter-commissaris heeft twee hoofdtaken. Hij dient
allereerst het gebruik van ingrijpende dwangmiddelen te bewaken,
dat wil zeggen te beslissen of in het belang van het
strafrechtelijk onderzoek inbreuken op vrijheid
en privacy van verdachten en andere personen kunnen worden gemaakt.
Deze bevoegdheid hangt samen met de onafhankelijkheid van de
rechter-commissaris. Hij wordt beter dan de officier van justitie
in staat geacht een onpartijdig oordeel te vellen. Als de officier
van justitie zulke ingrijpende maatregelen nodig acht, zal hij
daarvoor altijd de toestemming van de rechter-commissaris moeten
vragen. De toepassing van de klassieke dwangmiddelen wordt door de
officier gevorderd en de rechter-commissaris beslist op die
vordering. De tweede hoofdtaak is het instellen en verrichten van
het gerechtelijk vooronderzoek door het verhoren van verdachten en
getuigen (artt. 181, 184 lid 2, 185, 200 en 210 Sv), het
onderzoeken van plaatsen (artt. 112 en 192 Sv) en andere
onderzoekswerkzaamheden. De rechter-commissaris voert zijn taken in
beginsel uit in aanwezigheid van de verdachte of diens raadsman,
die hij steeds de gelegenheid moet geven vragen te stellen en
opmerkingen te maken.
lees meer
Bijlage VI – 2.2 Politie, openbaar ministerie en
rechter-commissarisJanuary 1, 1999
2.2 Politie, openbaar ministerie en
rechter-commissaris
2.2.1 Taken politie en openbaar ministerie
De taak van de politie is de daadwerkelijke handhaving van de
rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven
(artikel 2 Politiewet 1993). Deze taak dient in overeenstemming met
de geldende rechtsregels te worden uitgeoefend. Voor zover het
betreft de opsporing van strafbare feiten zijn bevoegdheden van de
politie daartoe vastgelegd in het Wetboek van Strafvordering en in
andere wetten, zoals bijvoorbeeld de Opiumwet, de Wet wapens en
munitie en de Wet op de economische delicten. Van oudsher
geschieden evenwel handelingen waartoe in de wet niet uitdrukkelijk
een bevoegdheid is verleend, zoals sporenonderzoek en het horen van
getuigen.
lees meer
4.5.3 Het openbaar ministerie (OM)January 1, 1999
4.5.3 Het openbaar ministerie (OM)
Noot
Buiten de Randstad (bijvoorbeeld in het regiokorps Limburg-Noord
en in Drenthe) worden door politie en OM pogingen ondernomen om het
medebeheer van het OM gestalte te geven; binnen de Randstad zijn de
verhoudingen tussen politie en OM daar niet goed genoeg voor. Dat
betekent dat in een aantal niet-randstedelijke regiokorpsen het OM
wordt geraadpleegd bij benoemingen van recherchechefs. Bij andere
beheersonderwerpen zoals de omvang van afdelingen, de vorming en
opleiding van personeel en de materile omstandigheden is het OM
niet echt betrokken. Voor dergelijke onderwerpen is de
belangstelling bij het OM minder groot, terwijl de politie op die
gebieden haar autonomie wil behouden. Hoewel het OM in verreweg de
meeste gewone strafzaken geen directe bemoeienis heeft met de
opsporing, worden grote onderzoeken van tactische teams soms zeer
intensief geleid door de zaaksofficier van justitie. Zo bezoekt
de zaaksofficier voor een van de grote onderzoeken van de
centrale recherche-afdeling in het regiokorps Utrecht een aantal
keren per week het politiebureau, en andersom bezoekt de politie
de zaaksofficier een aantal keren per week op het parket. De
Utrechtse recherche streeft ernaar de zaaksofficier zodanig
te informeren dat hij alle risico’s van een bepaalde koerswijziging
kan beoordelen. In de meeste gewone strafzaken heeft het
openbaar ministerie, ondanks zijn directe verantwoordelijkheid,
geen bemoeienis met de opsporing. Dit is in het veld als probleem
gesignaleerd, maar sommigen zijn beducht voor een te grote
betrokkenheid van het openbaar ministerie bij de praktijk van de
opsporing. Tussen het openbaar ministerie en de politie heerst een
cultuur van wederzijds vertrouwen waarbij feitelijke sturing en
controle van
het openbaar ministerie op de politie ongebruikelijk zijn.
Over de vraag of en in welke mate een zaaksofficier van justitie op
de hoogte moet zijn van datgene wat in de proactieve fase gebeurt,
wordt verschillend gedacht. De praktijk varieert van enerzijds: de
zaaksofficier moet evenveel weten als de CID-officier van justitie
tot anderzijds: de zaaksofficier behoeft slechts te weten wat
volgens de CID-officier relevant is. De tendens is de zaaksofficier
en de CID-officier over dezelfde informatie te doen beschikken.
lees meer
Bijlage VI – 7.1 InleidingJanuary 1, 1999
7 BIJZONDERE OPSPORINGSDIENSTEN
7.1 Inleiding
In het rapport van de Werkgroep vooronderzoek
opsporingsmethoden, Opsporing gezocht, zijn de volgende
vragen gerezen over de betrokkenheid van de bijzondere
opsporingsdiensten bij de bestrijding van georganiseerde misdaad.
Noot
lees meer
Bijlage VI – 9.3 Zaken en werkwijzeJanuary 1, 1999
9.3 Zaken en werkwijze
9.3.1 Sturing en controle van de politie
Artikel 13, eerste lid Politiewet 1993 bepaalt dat de politie
onder het gezag van de officier van justitie staat, indien zij
optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel
diensten verricht ten dienste van justitie (onder andere
vreemdelingentoezicht en uitvoering van de wet-Mulder). Onder
strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde wordt verstaan:
lees meer
Bijlage VII – III.4. De landelijke onderzoekenJanuary 1, 1999
III.4. De landelijke onderzoeken
Er zijn op landelijk niveau vijf verschillende onderzoeken
uitgevoerd. Twee onderzoeken zijn geschreven vanuit het perspectief
van de autochtone, allochtone en buitenlandse groepen, n onderzoek
vanuit het perspectief van een aantal branches. Verder is er op dit
niveau n onderzoek uitgevoerd naar de betrokkenheid van de
beoefenaren van de vrije beroepen bij georganiseerde criminaliteit,
en een ander naar belangrijke vormen van fraude en van witwassen.
Hoe al deze onderzoeken precies zijn uitgevoerd kan in elk
deelrapport worden nagelezen. Hier moet met een algemene kenschets
worden volstaan.
lees meer
Bijlage VII – V.7. De textielnijverheidJanuary 1, 1999
V.7. De textielnijverheid
Van de textielnijverheid kan men zeggen dat zij historisch
verdacht is wanneer het gaat om georganiseerde criminaliteit. De
georganiseerde criminaliteit kreeg greep op de textielnijverheid in
New York door de vakbonden van textielwerknemers over te nemen na
ernstige arbeidsconflicten (Block en Chambliss, 1981). In Nederland
is echter van een dergelijke ontwikkeling nooit sprake geweest. Na
de ineenstorting van de textielindustrie in de jaren zestig en
zeventig als gevolg van de concurrentie van de lage-lonen-landen in
Azi, verschenen op diverse plaatsen in het midden van de jaren
tachtig wel allerlei naaiateliers. Deze ateliers kwamen op als
gevolg van de internationale ontwikkelingen in de
confectie-industrie waarin om een flexibele en snelle produktie
wordt gevraagd. Zij werden veelal door Turken als zelfstandige
ondernemers opgezet en waren gevestigd in Amsterdam, de Achterhoek,
Brabant, Limburg en Twente. Het aantal bedrijven in Nederland steeg
spectaculair, van 28 in 1981 tot ongeveer 1.000 in 1993 (Van
Vondelen, 1993). In het begin waren de confectie-ateliers bijna
allemaal legaal, maar toen de prijzen gingen dalen en de
concurrentie toenam, terwijl het aanbod aan illegale werkers in
Nederland alsmaar groter werd, gleden de meeste van de legale
ateliers af naar een gedeeltelijk en later zelfs naar een volledig
illegale bedrijfsvoering. Zwarte loonbetalingen, werken met
illegale vreemdelingen, handel in valse facturen waren instrumenten
om het hoofd boven water te houden. Na verloop van tijd drong tot
de buitenwereld door dat er met illegale werkneem(st)ers onder
uiterst slechte arbeidsomstandigheden werd gewerkt en deden
geruchten de ronde dat de (Turkse) georganiseerde criminaliteit
daarbij zou zijn betrokken.
lees meer
Bijlage VIII – VoorwoordJanuary 1, 1999
Voorwoord
Dit rapport voor de Parlementaire Enqutecommissie
Opsporingsmethoden vormt het eerste deel in de reeks van rapporten
die voor deze Enqutecommissie zijn vervaardigd over de aard, ernst
en omvang van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Het
heeft betrekking op de rol die autochtone groepen spelen in dit
soort van criminaliteit. Het rapport dat door Frank Bovenkerk en
ondergetekende werd geschreven over de rol van buitenlandse en
allochtone groepen vormt als het ware het complement van dit
rapport. De lezer van het onderhavige rapport doet er dus goed aan
dat andere rapport – en natuurlijk ook het eindrapport – te
betrekken in zijn beschouwingen over het onderzoek dat aan al deze
rapporten ten grondslag ligt. Ook voor de vervaardiging van dit
rapport werd niet tevergeefs een beroep gedaan op een heel aantal
mensen. Bij de Divisie Centrale Recherche Informatie (CRI): B.
Barendregt, H. Theeuwes, M. van der Plas, P. Groenhout, L. Weeda,
N. Nierop, N. van de Ven, M. Ribberink en H. Hagen. Verder bedank
ik ook A. Middendorp en H. Brombeeck (regiopolitie
Brabant-Zuid-Oost), C. van Doorn, J. van de Wetering en J. van den
Biggelaar (regiopolitie Brabant-Noord), en R. van Vught
(regiopolitie Rotterdam-Rijnmond). Yvonne de Adelhart Toorop en
Marjolein Ribberink, CRI, leverden ook deze keer de onontbeerlijke
administratieve ondersteuning.
lees meer
Bijlage VIII – 5.2. De situatie in RotterdamJanuary 1, 1999
5.2. De situatie in Rotterdam
Vanuit de regio Rotterdam-Rijnmond bereikten ons in totaal 38
rapportages. Gelet op de aard, omvang en ontwikkeling van de
criminaliteit in de Rotterdamse regio in het algemeen, ligt het
voor de hand dat de zaken die in deze rapportages aan de orde zijn,
gemiddeld een zwaarder kaliber hebben dan de zaken die door de
regio Midden- en West-Brabant zijn aangeleverd. Wanneer men dan op
de Rotterdamse zaken dezelfde selectiecriteria toepast als die
hiervoor voor de Midden- en West-Brabantse zaken zijn gehanteerd,
dan blijven er maar tien van de 38 zaken over die in dit rapport
thuishoren.
lees meer
Bijlage VIII – II.6. Corruptie onder Nederlandse
overheidsdienaren van Surinaamse afkomstJanuary 1, 1999
II.6. Corruptie onder Nederlandse overheidsdienaren van
Surinaamse afkomst
Aan het einde van de jaren tachtig bereikte de politie de eerste
mededeling over een marechaussee die dienst deed op luchthaven
Schiphol en die aan de Surinaamse kant uitstekende betrekkingen
onderhield met een manager bij de Surinaamse Luchtvaart
Maatschappij die betrokken was bij de handel in drugs, en aan de
Nederlandse kant met een grote Hindoestaans-Surinaamse importfirma.
Het bericht luidde dat de marechaussee drugskoeriers opving en
doorsluisde en dat hij via een dienstvoertuig partijen cocane
overdroeg aan zijn zakenvriend. Over een ambtenaar in dienst van
een Amsterdamse deelraad kwam informatie binnen dat deze zich bezig
hield met fraude van gesloten cheques en handelde in Nederlandse
paspoorten. Haar positie stelde haar in staat de afgegeven
paspoorten in het register van de burgelijke stand te registreren.
Er kwamen berichten binnen over verschillende corrupte Surinaamse
agenten in dienst van de regiopolitie te Amsterdam. Ook zij zouden
met paspoortfraude te maken hebben, met heling, met het omkatten
van gestolen auto’s en met het doorspelen van strafrechtelijke
onderzoeksinformatie naar criminele organisaties. Voor ambtenaren
van de rijksrecherche die deze informatie verwerken, is het
aanleiding om in 1991 te vragen om justitieel onderzoek. Het
onderwerp lag politiek uiterst gevoelig: was er werkelijk reden om
te veronderstellen dat er speciaal met Surinamers in
overheidsdienst iets niet in orde zou zijn? In 1990 kwam een hele
groep Surinaamse politiemensen naar Nederland toe nadat Herman
Gooding was vermoord. Zij vertelden dat ze van de militaire politie
gevaar te duchten hadden en boden zich in Nederland aan om in
politiedienst te gaan. De Nederlandse politie was juist op dat
moment volop bezig om in het kader van haar positieve-actie-beleid
Surinamers te werven en getrainde collega’s kon men op zichzelf
goed gebruiken. Het was jammer dat hun antecedenten niet konden
worden nagetrokken omdat er geen formele contacten bestonden tussen
de Nederlandse en de Surinaamse politie. Nadat een aantal van hen
in dienst was genomen, rees ten aanzien van sommige agenten de
twijfel dat het vluchtverhaal was verzonnen en dat het om
politiemensen ging die in Suriname zelf wegens wangedrag uit het
korps waren gezet en die met uitdrukkelijk medeweten van de
Surinaamse legerleider in Nederland waren geplant. De functionaris
die toen bij de Amsterdamse politie het minderhedenbeleid
cordineerde, heeft in de instroom van de Surinaamse politiemensen
een actief aandeel gehad. Dit deel van het verhaal wordt in ons
rapport over de georganiseerde misdaad in de hoofdstad in detail
verteld. Hier volstaan we met de constatering dat een rapport,
opgemaakt door de BVD over de betrekkingen die deze functionaris
met Bouterse onderhield, voor de burgemeester en de korpschef reden
was hem onmiddellijk te ontslaan. Het had onder andere bevreemding
gewekt dat de betrokkene in de periode dat hij nog over een
connectie bij de Surinaamse politie beschikte via welke hij de
antecedenten van sollicitanten kon natrekken, geen alarm had
geslagen bij een notoir geval. Rijksrechercheurs verzamelden de
namen van Surinaamse agenten die op deze verdachte manier waren
aangenomen en verzochten de procureur-generaal in Amsterdam om
nader onderzoek. In 1993 werd een nieuwe groep Surinaamse
werknemers op Schiphol aangetroffen die hand- en spandiensten
verichtten voor drugssmokkelaars. Er kwamen meer berichten binnen
over Surinaamse ambtenaren in dienst van de gemeente Amsterdam, de
sociale dienst en bij de huisvestingsdienst die corrupt waren. De
Amsterdamse politie had inmiddels zelf onderzoek ingesteld en vier
agenten van Surinaamse afkomst
ontslagen. Een daarvan werkte in een andere stad als portier bij
een discotheek en trad op als priv-chauffeur van n van de grotere
autochtone drugshandelaren van Nederland. Ook in drie andere steden
(onder andere Utrecht) worden corrupte Surinaamse politiemensen
ontslagen. Een agent deed opvallend veel moeite om te kunnen werken
als vertaler bij van de telefoon afgeluisterde gesprekken en was
daarbij succesvol. Toen bleek dat hij nauwe contacten onderhield
met een Surinaamse drugshandelaar. Er rezen verdenkingen tegen vier
Surinamers die in opleiding waren bij verschillende korpsen en van
nog eens vier afgewezen sollicitanten was van meet af aan duidelijk
dat zij een groot risico op zouden leveren. Ook onder het
bewakingspersoneel in een penitentiaire inrichting zou zich zo
iemand bevinden, die een indrukwekkende carrire als sadist in
dienst van de Surinaamse politie achter de rug had. In 1994 bedroeg
het aantal verdenkingen tegen corrupte marechaussees op Schiphol al
vijf. Het was moeilijk om werkelijk corruptieve handelingen te
bewijzen, maar de connecties (familie, vrienden) met tal van
bekende drugshandelaren waren evident. Een marechaussee die ten
onrechte iemands paspoort van een toelatingsstempel voorzag,
verontschuldigde zich bij ontdekking met de (waarschijnlijk juiste)
mededeling vriendendienst! Van al deze verdenkingen kwam maar
weinig naar buiten, maar het verlamde op verschillende plaatsen het
politiewerk, omdat politiemensen niet wensten samen te werken met
enkele collega’s die oorspronkelijk uit Suriname afkomstig waren.
Ruim 15 jaar geleden interviewde Bovenkerk alle gekleurde
politiemensen die Nederland rijk was. Het waren er toen op de kop
af twintig en hij publiceerde daarover in een door de Federatie van
Surinaamse Welzijnsinstellingen uitgegeven boekje met de titel: Als
ze allemaal zo waren als jij! (Bovenkerk en Luning, 1979). Die
titel sloeg op het vooroordeel van blanke politieagenten tegenover
Surinamers in het algemeen. De genterviewden vertelden bij die
gelegenheid hoe moeilijk het was om je als Surinamer (of
Antilliaan) te onttrekken aan de aanspraken uit eigen etnische
kring. Hun gemeenschappen waren klein en iedereen had in zijn
familie of kennissenkring wel mensen die met politie en justitie in
aanraking waren gekomen en die aanklopten om hulp. Je kon je
natuurlijk helemaal losmaken van je etnische groep, maar dat
betekende niet enkel een persoonlijke tragedie, het potentile
voordeel voor de politie om zulke mensen in dienst te hebben, zou
er mee verloren gaan. Het werd moeilijk afwegen waar de grens lag
van de loyaliteit van familie, etnische groep en nationale afkomst.
Ze vertelden dat zij met dit dilemma in een maatschappelijk
krachtenveld moesten opereren dat fundamenteel anders was dan dat
van hun Hollandse collega’s. Dat hun positie ook corruptiegevoelig
zou kunnen zijn kwam bij de onderzoekers in 1979 niet eens op en
daar hebben ze toen ook niet naar gevraagd (wat trouwens toch niet
veel zou hebben opgeleverd). Thans mag de Nederlandse politie zich
gelukkig prijzen met vele honderden Surinamers, Antillianen en
Arubanen (en leden van andere etnische groepen) in haar dienst. Het
verstevigt haar informatiepositie en legitimeert het korps als
geheel bij het Surinaamse volksdeel. Positieve actie is nergens
populair, maar bij de politie is zij goed aangeslagen. Het
geschetste loyaliteitsdilemma heeft echter een corruptieprobleem
opgeleverd, in elk geval bij de politie. De aanwijzingen die
hierboven zijn genoemd, zijn zo overtuigend dat we gerust mogen
zeggen dat het een echt probleem is en geen kunstmatig produkt van
racistische waarneming of selectieve aandacht. Een Amsterdamse
advocaat die zeer veel grote drugszaken in Surinaamse kring doet,
beweert dat de Nederlandse overheid lek is. Zijn clinten hebben hem
laten weten goede connecties bij de politie te hebben, zegt hij, en
als er iets nodig is voor de verdediging, moest hij het maar laten
weten. In de tijd dat er over ethische normen in de advocatuur nog
niet zo veel werd gediscussieerd als thans kon hij, volgens eigen
zeggen, over het uitgewerkte plan voor de pro-actieve fase van een
groot politieonderzoek beschikken.
lees meer
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>