• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • Bijlage V – Niemietz

    Niemietz

    Europees Hof voor de Rechten van de Mens 16 december 1992, NJ
    1993, 400 m.nt. EJD (Artikel 8 EVRM)
    Tegen Klaus Wegener werd in januari 1986 in Mnchen een procedure
    gestart wegens belediging. In een brief aan de rechtbank van
    Freising, ondertekend door ene Klaus W., werd namelijk de
    handelwijze van een rechter, tijdens een proces tegen een werkgever
    die uit overtuiging had geweigerd voor zijn werknemers
    kerkbelasting af te dragen, ondemocratisch en terroristisch
    genoemd. In het kader van dit onderzoek was een huiszoekingsbevel
    uitgevaardigd dat betrekking had op het kantoor van de advocaat
    Niemietz. Niemietz was een aantal jaren voorzitter geweest van de
    Antiklerikaler Arbeitskreis, een werkgroep van de Freiburgse partij
    Bunte Liste, waaraan Klaus Wegener verbonden was geweest (de
    voornoemde brief was blijkens het onderschrift geschreven in naam
    van Antiklerikale Arbeitskreis geschreven). Tot eind 1985 werd de
    post voor de Bunte Liste, naar het kantoor van Niemietz (klager in
    dit geding) gestuurd. Door middel van deze huiszoeking hoopten de
    autoriteiten meer over Wegener te weten te komen.

    lees meer

    Bijlage V – Ambtelijk bevel

    Ambtelijk bevel

    HR 3 mei 1988, NJ 1989, 165 en NJB 1988 (33), nr. 240, p. 1207
    e.v.
    (Artt. 43 Sr en 2 lid 1 onder b Opiumwet)
    Met de informatie dat verdachte een aanbod had gedaan op zeer korte
    termijn elke gewenste hoeveelheid amfetamine te kunnen leveren en
    dat hij te kennen had gegeven al vijf jaar in de business te
    zitten, ging een
    informant (nummer 32) naar de politie.
    Daaruit vloeide een vertrouwensaankoop van 1 kilo en een tweede
    definitieve aankoop van een grotere hoeveelheid door de

    burger-infiltrant (informant) voort.
    Rechtsvragen:

    lees meer

    Bijlage V – 3.6 Conclusies

    3.6 Conclusies

    1. Traditionele observatie – vanuit een vast punt of door volgerij
    – levert onder omstandigheden een inbreuk op het recht op privacy
    op.
    2. De telefoontap – meer algemeen het tappen van gegevensverkeer
    via de telecommunicatie-infrastructur – is wettelijk geregeld. Deze
    wettelijke regeling en de wijze waarop daarmee wordt gewerkt worden
    algemeen in de rechtspraak in overeenstemming met het Europees
    Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden
    geacht.

    lees meer

    Bijlage V – 5.7 Conclusies

    5.7 Conclusies

    1. Infiltratie is het met het oog op opsporing en vervolging
    onder regie en gezag van politie en openbaar ministerie
    binnendringen in een criminele organisatie of groep, het ervan deel
    uitmaken, het gebruik maken van personen die er reeds deel van
    uitmaken en het (desgevraagd) ondersteunen ervan, indien dit
    optreden gepaard gaat met I) het aannemen van een valse identiteit
    en/of II) het plegen van strafbare feiten en/of III) bieden van
    steun aan de criminele organisatie of groep.

    lees meer

    Bijlage V – 7.7 Betrokkenheid FIOD/douanerecherche

    7.7 Betrokkenheid FIOD/douanerecherche

    7.7.1 Doorlaten van containers

    De douane en de douanerecherche waren van wezenlijk belang voor
    de uitvoering van deze methode. De douane diende op verzoek van de
    politie controle van bepaalde containers achterwege te laten, ook
    al waren er signalen dat zich in de containers drugs bevonden. Het
    Douane Informatie Centrum (DIC) selecteerde de containers waarmee
    mogelijk iets aan de hand was. Ongeveer 30 tot 40 % van de
    geselecteerde containers werd op verzoek van de politie
    doorgelaten.

    lees meer

    Bijlage VI – 10.2 Taak en organisatie

    10.2 Taak en organisatie

    10.2.1 De taak van de rechter-commissaris

    De rechter-commissaris heeft twee hoofdtaken. Hij dient
    allereerst het gebruik van ingrijpende dwangmiddelen te bewaken,
    dat wil zeggen te beslissen of in het belang van het
    strafrechtelijk onderzoek inbreuken op vrijheid
    en privacy van verdachten en andere personen kunnen worden gemaakt.
    Deze bevoegdheid hangt samen met de onafhankelijkheid van de
    rechter-commissaris. Hij wordt beter dan de officier van justitie
    in staat geacht een onpartijdig oordeel te vellen. Als de officier
    van justitie zulke ingrijpende maatregelen nodig acht, zal hij
    daarvoor altijd de toestemming van de rechter-commissaris moeten
    vragen. De toepassing van de klassieke dwangmiddelen wordt door de
    officier gevorderd en de rechter-commissaris beslist op die
    vordering. De tweede hoofdtaak is het instellen en verrichten van
    het gerechtelijk vooronderzoek door het verhoren van verdachten en
    getuigen (artt. 181, 184 lid 2, 185, 200 en 210 Sv), het
    onderzoeken van plaatsen (artt. 112 en 192 Sv) en andere
    onderzoekswerkzaamheden. De rechter-commissaris voert zijn taken in
    beginsel uit in aanwezigheid van de verdachte of diens raadsman,
    die hij steeds de gelegenheid moet geven vragen te stellen en
    opmerkingen te maken.

    lees meer

    Bijlage VI – 2.2 Politie, openbaar ministerie en rechter-commissaris

    2.2 Politie, openbaar ministerie en
    rechter-commissaris

    2.2.1 Taken politie en openbaar ministerie

    De taak van de politie is de daadwerkelijke handhaving van de
    rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven
    (artikel 2 Politiewet 1993). Deze taak dient in overeenstemming met
    de geldende rechtsregels te worden uitgeoefend. Voor zover het
    betreft de opsporing van strafbare feiten zijn bevoegdheden van de
    politie daartoe vastgelegd in het Wetboek van Strafvordering en in
    andere wetten, zoals bijvoorbeeld de Opiumwet, de Wet wapens en
    munitie en de Wet op de economische delicten. Van oudsher
    geschieden evenwel handelingen waartoe in de wet niet uitdrukkelijk
    een bevoegdheid is verleend, zoals sporenonderzoek en het horen van
    getuigen.

    lees meer

    4.5.3 Het openbaar ministerie (OM)

    4.5.3 Het openbaar ministerie (OM)
    Noot

    Buiten de Randstad (bijvoorbeeld in het regiokorps Limburg-Noord
    en in Drenthe) worden door politie en OM pogingen ondernomen om het
    medebeheer van het OM gestalte te geven; binnen de Randstad zijn de
    verhoudingen tussen politie en OM daar niet goed genoeg voor. Dat
    betekent dat in een aantal niet-randstedelijke regiokorpsen het OM
    wordt geraadpleegd bij benoemingen van recherchechefs. Bij andere
    beheersonderwerpen zoals de omvang van afdelingen, de vorming en
    opleiding van personeel en de materile omstandigheden is het OM
    niet echt betrokken. Voor dergelijke onderwerpen is de
    belangstelling bij het OM minder groot, terwijl de politie op die
    gebieden haar autonomie wil behouden. Hoewel het OM in verreweg de
    meeste gewone strafzaken geen directe bemoeienis heeft met de
    opsporing, worden grote onderzoeken van tactische teams soms zeer
    intensief geleid door de zaaksofficier van justitie. Zo bezoekt
    de
    zaaksofficier voor een van de grote onderzoeken van de
    centrale recherche-afdeling in het regiokorps Utrecht een aantal
    keren per week het politiebureau, en andersom bezoekt de politie
    de
    zaaksofficier een aantal keren per week op het parket. De
    Utrechtse recherche streeft ernaar de
    zaaksofficier zodanig
    te informeren dat hij alle risico’s van een bepaalde koerswijziging
    kan beoordelen.
    In de meeste gewone strafzaken heeft het
    openbaar ministerie, ondanks zijn directe verantwoordelijkheid,
    geen bemoeienis met de opsporing. Dit is in het veld als probleem
    gesignaleerd, maar sommigen zijn beducht voor een te grote
    betrokkenheid van het openbaar ministerie bij de praktijk van de
    opsporing. Tussen het openbaar ministerie en de politie heerst een
    cultuur van wederzijds vertrouwen waarbij feitelijke sturing en
    controle van
    het openbaar ministerie op de politie ongebruikelijk zijn.
    Over de vraag of en in welke mate een zaaksofficier van justitie op
    de hoogte moet zijn van datgene wat in de proactieve fase gebeurt,
    wordt verschillend gedacht. De praktijk varieert van enerzijds: de
    zaaksofficier moet evenveel weten als de CID-officier van justitie
    tot anderzijds: de zaaksofficier behoeft slechts te weten wat
    volgens de CID-officier relevant is. De tendens is de zaaksofficier
    en de CID-officier over dezelfde informatie te doen beschikken.

    lees meer

    Bijlage VI – 7.1 Inleiding

    7 BIJZONDERE OPSPORINGSDIENSTEN

    7.1 Inleiding

    In het rapport van de Werkgroep vooronderzoek
    opsporingsmethoden, Opsporing gezocht, zijn de volgende
    vragen gerezen over de betrokkenheid van de bijzondere
    opsporingsdiensten bij de bestrijding van georganiseerde misdaad.
    Noot

    lees meer

    Bijlage VI – 9.3 Zaken en werkwijze

    9.3 Zaken en werkwijze

    9.3.1 Sturing en controle van de politie

    Artikel 13, eerste lid Politiewet 1993 bepaalt dat de politie
    onder het gezag van de officier van justitie staat, indien zij
    optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel
    diensten verricht ten dienste van justitie (onder andere
    vreemdelingentoezicht en uitvoering van de wet-Mulder). Onder
    strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde wordt verstaan:

    lees meer

    Bijlage VII – III.4. De landelijke onderzoeken

    III.4. De landelijke onderzoeken

    Er zijn op landelijk niveau vijf verschillende onderzoeken
    uitgevoerd. Twee onderzoeken zijn geschreven vanuit het perspectief
    van de autochtone, allochtone en buitenlandse groepen, n onderzoek
    vanuit het perspectief van een aantal branches. Verder is er op dit
    niveau n onderzoek uitgevoerd naar de betrokkenheid van de
    beoefenaren van de vrije beroepen bij georganiseerde criminaliteit,
    en een ander naar belangrijke vormen van fraude en van witwassen.
    Hoe al deze onderzoeken precies zijn uitgevoerd kan in elk
    deelrapport worden nagelezen. Hier moet met een algemene kenschets
    worden volstaan.

    lees meer

    Bijlage VII – V.7. De textielnijverheid

    V.7. De textielnijverheid

    Van de textielnijverheid kan men zeggen dat zij historisch
    verdacht is wanneer het gaat om georganiseerde criminaliteit. De
    georganiseerde criminaliteit kreeg greep op de textielnijverheid in
    New York door de vakbonden van textielwerknemers over te nemen na
    ernstige arbeidsconflicten (Block en Chambliss, 1981). In Nederland
    is echter van een dergelijke ontwikkeling nooit sprake geweest. Na
    de ineenstorting van de textielindustrie in de jaren zestig en
    zeventig als gevolg van de concurrentie van de lage-lonen-landen in
    Azi, verschenen op diverse plaatsen in het midden van de jaren
    tachtig wel allerlei naaiateliers. Deze ateliers kwamen op als
    gevolg van de internationale ontwikkelingen in de
    confectie-industrie waarin om een flexibele en snelle produktie
    wordt gevraagd. Zij werden veelal door Turken als zelfstandige
    ondernemers opgezet en waren gevestigd in Amsterdam, de Achterhoek,
    Brabant, Limburg en Twente. Het aantal bedrijven in Nederland steeg
    spectaculair, van 28 in 1981 tot ongeveer 1.000 in 1993 (Van
    Vondelen, 1993). In het begin waren de confectie-ateliers bijna
    allemaal legaal, maar toen de prijzen gingen dalen en de
    concurrentie toenam, terwijl het aanbod aan illegale werkers in
    Nederland alsmaar groter werd, gleden de meeste van de legale
    ateliers af naar een gedeeltelijk en later zelfs naar een volledig
    illegale bedrijfsvoering. Zwarte loonbetalingen, werken met
    illegale vreemdelingen, handel in valse facturen waren instrumenten
    om het hoofd boven water te houden. Na verloop van tijd drong tot
    de buitenwereld door dat er met illegale werkneem(st)ers onder
    uiterst slechte arbeidsomstandigheden werd gewerkt en deden
    geruchten de ronde dat de (Turkse) georganiseerde criminaliteit
    daarbij zou zijn betrokken.

    lees meer

    Bijlage VIII – Voorwoord

    Voorwoord

    Dit rapport voor de Parlementaire Enqutecommissie
    Opsporingsmethoden vormt het eerste deel in de reeks van rapporten
    die voor deze Enqutecommissie zijn vervaardigd over de aard, ernst
    en omvang van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Het
    heeft betrekking op de rol die autochtone groepen spelen in dit
    soort van criminaliteit. Het rapport dat door Frank Bovenkerk en
    ondergetekende werd geschreven over de rol van buitenlandse en
    allochtone groepen vormt als het ware het complement van dit
    rapport. De lezer van het onderhavige rapport doet er dus goed aan
    dat andere rapport – en natuurlijk ook het eindrapport – te
    betrekken in zijn beschouwingen over het onderzoek dat aan al deze
    rapporten ten grondslag ligt. Ook voor de vervaardiging van dit
    rapport werd niet tevergeefs een beroep gedaan op een heel aantal
    mensen. Bij de Divisie Centrale Recherche Informatie (CRI): B.
    Barendregt, H. Theeuwes, M. van der Plas, P. Groenhout, L. Weeda,
    N. Nierop, N. van de Ven, M. Ribberink en H. Hagen. Verder bedank
    ik ook A. Middendorp en H. Brombeeck (regiopolitie
    Brabant-Zuid-Oost), C. van Doorn, J. van de Wetering en J. van den
    Biggelaar (regiopolitie Brabant-Noord), en R. van Vught
    (regiopolitie Rotterdam-Rijnmond). Yvonne de Adelhart Toorop en
    Marjolein Ribberink, CRI, leverden ook deze keer de onontbeerlijke
    administratieve ondersteuning.

    lees meer

    Bijlage VIII – 5.2. De situatie in Rotterdam

    5.2. De situatie in Rotterdam

    Vanuit de regio Rotterdam-Rijnmond bereikten ons in totaal 38
    rapportages. Gelet op de aard, omvang en ontwikkeling van de
    criminaliteit in de Rotterdamse regio in het algemeen, ligt het
    voor de hand dat de zaken die in deze rapportages aan de orde zijn,
    gemiddeld een zwaarder kaliber hebben dan de zaken die door de
    regio Midden- en West-Brabant zijn aangeleverd. Wanneer men dan op
    de Rotterdamse zaken dezelfde selectiecriteria toepast als die
    hiervoor voor de Midden- en West-Brabantse zaken zijn gehanteerd,
    dan blijven er maar tien van de 38 zaken over die in dit rapport
    thuishoren.

    lees meer

    Bijlage VIII – II.6. Corruptie onder Nederlandse overheidsdienaren van Surinaamse afkomst

    II.6. Corruptie onder Nederlandse overheidsdienaren van
    Surinaamse afkomst

    Aan het einde van de jaren tachtig bereikte de politie de eerste
    mededeling over een marechaussee die dienst deed op luchthaven
    Schiphol en die aan de Surinaamse kant uitstekende betrekkingen
    onderhield met een manager bij de Surinaamse Luchtvaart
    Maatschappij die betrokken was bij de handel in drugs, en aan de
    Nederlandse kant met een grote Hindoestaans-Surinaamse importfirma.
    Het bericht luidde dat de marechaussee drugskoeriers opving en
    doorsluisde en dat hij via een dienstvoertuig partijen cocane
    overdroeg aan zijn zakenvriend. Over een ambtenaar in dienst van
    een Amsterdamse deelraad kwam informatie binnen dat deze zich bezig
    hield met fraude van gesloten cheques en handelde in Nederlandse
    paspoorten. Haar positie stelde haar in staat de afgegeven
    paspoorten in het register van de burgelijke stand te registreren.
    Er kwamen berichten binnen over verschillende corrupte Surinaamse
    agenten in dienst van de regiopolitie te Amsterdam. Ook zij zouden
    met paspoortfraude te maken hebben, met heling, met het omkatten
    van gestolen auto’s en met het doorspelen van strafrechtelijke
    onderzoeksinformatie naar criminele organisaties. Voor ambtenaren
    van de rijksrecherche die deze informatie verwerken, is het
    aanleiding om in 1991 te vragen om justitieel onderzoek. Het
    onderwerp lag politiek uiterst gevoelig: was er werkelijk reden om
    te veronderstellen dat er speciaal met Surinamers in
    overheidsdienst iets niet in orde zou zijn? In 1990 kwam een hele
    groep Surinaamse politiemensen naar Nederland toe nadat Herman
    Gooding was vermoord. Zij vertelden dat ze van de militaire politie
    gevaar te duchten hadden en boden zich in Nederland aan om in
    politiedienst te gaan. De Nederlandse politie was juist op dat
    moment volop bezig om in het kader van haar positieve-actie-beleid
    Surinamers te werven en getrainde collega’s kon men op zichzelf
    goed gebruiken. Het was jammer dat hun antecedenten niet konden
    worden nagetrokken omdat er geen formele contacten bestonden tussen
    de Nederlandse en de Surinaamse politie. Nadat een aantal van hen
    in dienst was genomen, rees ten aanzien van sommige agenten de
    twijfel dat het vluchtverhaal was verzonnen en dat het om
    politiemensen ging die in Suriname zelf wegens wangedrag uit het
    korps waren gezet en die met uitdrukkelijk medeweten van de
    Surinaamse legerleider in Nederland waren geplant. De functionaris
    die toen bij de Amsterdamse politie het minderhedenbeleid
    cordineerde, heeft in de instroom van de Surinaamse politiemensen
    een actief aandeel gehad. Dit deel van het verhaal wordt in ons
    rapport over de georganiseerde misdaad in de hoofdstad in detail
    verteld. Hier volstaan we met de constatering dat een rapport,
    opgemaakt door de BVD over de betrekkingen die deze functionaris
    met Bouterse onderhield, voor de burgemeester en de korpschef reden
    was hem onmiddellijk te ontslaan. Het had onder andere bevreemding
    gewekt dat de betrokkene in de periode dat hij nog over een
    connectie bij de Surinaamse politie beschikte via welke hij de
    antecedenten van sollicitanten kon natrekken, geen alarm had
    geslagen bij een notoir geval. Rijksrechercheurs verzamelden de
    namen van Surinaamse agenten die op deze verdachte manier waren
    aangenomen en verzochten de procureur-generaal in Amsterdam om
    nader onderzoek. In 1993 werd een nieuwe groep Surinaamse
    werknemers op Schiphol aangetroffen die hand- en spandiensten
    verichtten voor drugssmokkelaars. Er kwamen meer berichten binnen
    over Surinaamse ambtenaren in dienst van de gemeente Amsterdam, de
    sociale dienst en bij de huisvestingsdienst die corrupt waren. De
    Amsterdamse politie had inmiddels zelf onderzoek ingesteld en vier
    agenten van Surinaamse afkomst
    ontslagen. Een daarvan werkte in een andere stad als portier bij
    een discotheek en trad op als priv-chauffeur van n van de grotere
    autochtone drugshandelaren van Nederland. Ook in drie andere steden
    (onder andere Utrecht) worden corrupte Surinaamse politiemensen
    ontslagen. Een agent deed opvallend veel moeite om te kunnen werken
    als vertaler bij van de telefoon afgeluisterde gesprekken en was
    daarbij succesvol. Toen bleek dat hij nauwe contacten onderhield
    met een Surinaamse drugshandelaar. Er rezen verdenkingen tegen vier
    Surinamers die in opleiding waren bij verschillende korpsen en van
    nog eens vier afgewezen sollicitanten was van meet af aan duidelijk
    dat zij een groot risico op zouden leveren. Ook onder het
    bewakingspersoneel in een penitentiaire inrichting zou zich zo
    iemand bevinden, die een indrukwekkende carrire als sadist in
    dienst van de Surinaamse politie achter de rug had. In 1994 bedroeg
    het aantal verdenkingen tegen corrupte marechaussees op Schiphol al
    vijf. Het was moeilijk om werkelijk corruptieve handelingen te
    bewijzen, maar de connecties (familie, vrienden) met tal van
    bekende drugshandelaren waren evident. Een marechaussee die ten
    onrechte iemands paspoort van een toelatingsstempel voorzag,
    verontschuldigde zich bij ontdekking met de (waarschijnlijk juiste)
    mededeling vriendendienst! Van al deze verdenkingen kwam maar
    weinig naar buiten, maar het verlamde op verschillende plaatsen het
    politiewerk, omdat politiemensen niet wensten samen te werken met
    enkele collega’s die oorspronkelijk uit Suriname afkomstig waren.
    Ruim 15 jaar geleden interviewde Bovenkerk alle gekleurde
    politiemensen die Nederland rijk was. Het waren er toen op de kop
    af twintig en hij publiceerde daarover in een door de Federatie van
    Surinaamse Welzijnsinstellingen uitgegeven boekje met de titel: Als
    ze allemaal zo waren als jij! (Bovenkerk en Luning, 1979). Die
    titel sloeg op het vooroordeel van blanke politieagenten tegenover
    Surinamers in het algemeen. De genterviewden vertelden bij die
    gelegenheid hoe moeilijk het was om je als Surinamer (of
    Antilliaan) te onttrekken aan de aanspraken uit eigen etnische
    kring. Hun gemeenschappen waren klein en iedereen had in zijn
    familie of kennissenkring wel mensen die met politie en justitie in
    aanraking waren gekomen en die aanklopten om hulp. Je kon je
    natuurlijk helemaal losmaken van je etnische groep, maar dat
    betekende niet enkel een persoonlijke tragedie, het potentile
    voordeel voor de politie om zulke mensen in dienst te hebben, zou
    er mee verloren gaan. Het werd moeilijk afwegen waar de grens lag
    van de loyaliteit van familie, etnische groep en nationale afkomst.
    Ze vertelden dat zij met dit dilemma in een maatschappelijk
    krachtenveld moesten opereren dat fundamenteel anders was dan dat
    van hun Hollandse collega’s. Dat hun positie ook corruptiegevoelig
    zou kunnen zijn kwam bij de onderzoekers in 1979 niet eens op en
    daar hebben ze toen ook niet naar gevraagd (wat trouwens toch niet
    veel zou hebben opgeleverd). Thans mag de Nederlandse politie zich
    gelukkig prijzen met vele honderden Surinamers, Antillianen en
    Arubanen (en leden van andere etnische groepen) in haar dienst. Het
    verstevigt haar informatiepositie en legitimeert het korps als
    geheel bij het Surinaamse volksdeel. Positieve actie is nergens
    populair, maar bij de politie is zij goed aangeslagen. Het
    geschetste loyaliteitsdilemma heeft echter een corruptieprobleem
    opgeleverd, in elk geval bij de politie. De aanwijzingen die
    hierboven zijn genoemd, zijn zo overtuigend dat we gerust mogen
    zeggen dat het een echt probleem is en geen kunstmatig produkt van
    racistische waarneming of selectieve aandacht. Een Amsterdamse
    advocaat die zeer veel grote drugszaken in Surinaamse kring doet,
    beweert dat de Nederlandse overheid lek is. Zijn clinten hebben hem
    laten weten goede connecties bij de politie te hebben, zegt hij, en
    als er iets nodig is voor de verdediging, moest hij het maar laten
    weten. In de tijd dat er over ethische normen in de advocatuur nog
    niet zo veel werd gediscussieerd als thans kon hij, volgens eigen
    zeggen, over het uitgewerkte plan voor de pro-actieve fase van een
    groot politieonderzoek beschikken.

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>