Bijlage XI – 2.3. De reorganisatie van het Amsterdamse
politiekorpsJanuary 1, 1999
2.3. De reorganisatie van het Amsterdamse politiekorps
Bij de bespreking van de waarde van de politiebronnen die door
ons zijn geraadpleegd, werd er al op gewezen dat de informatie die
zij bevatten, niet alleen veel zegt over de georganiseerde
criminaliteit in de stad, maar zeker ook over het politile beleid
dat ten aanzien van deze criminaliteit is gevoerd. Hierom past het
om in dit hoofdstuk over de historische context van de actuele
ontwikkelingen ook stil te staan bij de reorganisatie van het
Amsterdamse politiekorps in de voorbije jaren, althans voorzover
die raakt aan de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.
Immers, de mate waarin haar bestrijding tot prioriteit is verheven
en ook in de organisatie van het korps tot uitdrukking is gebracht,
is in hoge mate bepalend voor het politile beeld van de
georganiseerde criminaliteit in Amsterdam.
lees meer
3.1.1. De stad EnschedeJanuary 1, 1999
3.1.1. De stad Enschede Noot
De ontwikkeling van Enschede is nauw verbonden met de opkomst
van de textielindustrie. Deze industrie heeft vanaf 1850 geleid tot
een snelle groei van de werkgelegenheid. Als gevolg daarvan kwam er
een grote toeloop van voornamelijk ongeschoolde arbeiders en hun
gezinnen van het platteland naar de stad op gang. Tussen 1900 en
1950 nam het aantal werknemers in de textielfabrieken in Enschede
toe van ongeveer 8.000 tot 20.000. De namen van textielbaronnen als
Van Heek en Schuttersveld zijn onlosmakelijk verbonden met
Enschede. De totale bevolkingsomvang nam tussen 1900 en 1950 toe
van circa 35.000 tot rond 110.000. De economische groei van
Enschede in de jaren vijftig en een deel van de jaren zestig is
vooral te danken aan de florerende textiel- en kledingindustrie. Na
1965 ging het snel bergafwaarts met de textielindustrie als gevolg
van de zware concurrentie uit Azi, waar veel goedkoper en sneller
kleding werd vervaardigd. De werkgelegenheid daalde hierdoor in
Enschede sterk. Alleen al binnen de textielsector gingen tussen
1960 en 1977 circa 13.500 arbeidsplaatsen verloren. Andere
industrile sectoren, zoals de metaalindustrie en de optische
industrie, wisten wel enige groei te bewerkstelligen maar deze was
onvoldoende om de terugval op te vangen. Onder leiding van de
toenmalige burgemeester Thomassen is met veel kracht sinds het
midden van de jaren zestig de dienstensector in Twente uitgebreid,
in het bijzonder in Enschede. Maar de vestiging van de Universiteit
Twente en de uitbreiding van de (technologische) dienstensector
hebben de achterstand van Twente ten opzichte van de rest van
Nederland echter niet kunnen verkleinen. In Enschede is al jaren
sprake van een zorgelijke economische situatie. Het percentage
werklozen in Enschede is sinds de jaren zestig steeds hoger dan het
landelijke percentage. In 1990 was in Enschede 14,4% van de
beroepsbevolking zonder werk. Dat is bijna 5% hoger dan het
landelijke gemiddelde (7,5%). Op 1 januari 1994 is dat percentage
gedaald naar 13,1. Voorts kampt de stad met een relatief groot
aantal arbeidsongeschikten. In totaal zijn 25% van de Enscheders
afhankelijk van een uitkering. Ongeveer 60% van de Enschedese
bevolking heeft een inkomen lager dan het modale van Nederland. De
bevolking in Enschede is na de Tweede Wereldoorlog toegenomen met
zo’n 50%. In 1950 had de stad een kleine 110.000 inwoners en in
1995 ruim 147.000. Desondanks is Enschede qua bevolkingsgroei
achtergebleven bij de rest van Nederland. De bevolking in Enschede
telt relatief veel bejaarden en veel jonge mensen onder de
vijfentwintig jaar (studenten van de Hogeschool en van de
Universiteit). Veel (vooral jonge) gezinnen zijn de laatste vijf
jaar naar nieuwbouwwijken in het zuiden van Enschede getrokken. In
het centrum wonen, net als in veel andere grote steden, veel
alleenstaanden en twee-persoonshuishoudens.
lees meer
Bijlage I – 4.1 Interne onderzoekenJanuary 1, 1999
HOOFDSTUK 4 HET ONDERZOEK
Bij het inrichten van haar onderzoek koos de commissie voor twee
– parallel lopende – onderzoekstrajecten: de interne en externe
onderzoeken. De interne onderzoeken werden door de commissie en
haar staf uitgevoerd; de externe onderzoeken werd uitbesteed aan
wetenschappers.
lees meer
Bijlage I – HOOFDSTUK 8 HET ARCHIEFJanuary 1, 1999
HOOFDSTUK 8 HET ARCHIEF
Het archief van de commissie bestaat uit het archief van de
onderzoeksgroep-Fijnaut en het archief van de commissie. Het
archief-Fijnaut is, conform de afspraken met de ministers van
Justitie en Binnenlandse Zaken, ondergebracht bij de Centrale
recherche informatiedienst. De stukken die de commissie zelf heeft
verzameld, bevinden zich in de ruimten van de enqutecommissie in
het gebouw van de Eerste Kamer. De enqutecommissie heeft in de loop
van haar onderzoek zeer veel documenten verzameld. Het archief
bestaat uit documenten verkregen op grond van artikel 3 van de Wet
op de Parlementaire Enqute, spontaan toegestuurde stukken en de
door haar zelf geproduceerde stukken. Daarnaast beschikt de
commissie over een bibliotheek, bestaande uit onder meer
wetenschappelijke literatuur, jurisprudentie, beleidsrapporten en
officile publicaties.
lees meer
Bijlage V – 10.3 Informatie-uitwisselingJanuary 1, 1999
10.3 Informatie-uitwisseling
10.3.1 Algemeen
Informatie-uitwisseling via de formele weg verloopt traag. De
inwilliging van rechtshulpverzoeken verloopt (te) langzaam, zowel
door Nederland als door het buitenland. Doorgaans moet een
rechtshulpverzoek in het buitenland eerst naar een centrale
autoriteit en door deze autoriteit in handen worden gesteld aan een
uitvoeringsinstantie. Er bestaan overigens wel grote verschillen.
In Nederland scheelt dit van regio tot regio; in sommige
arrondissementen zijn mensen voor internationale assistentie
speciaal vrijgesteld. Wat betreft uitgaande verzoeken kan van de
diverse vreemde staten hetzelfde worden gezegd; in het algemeen
zijn de Europese landen het snelst.
lees meer
Bijlage V – Schaduw-arresten I en IIJanuary 1, 1999
Schaduw-arresten I en II
HR 14 oktober 1986, NJ 1987, 511 m.nt. ThWvV en HR 14 oktober
1986, NJ 1987, 564 (Artt. 55 en 311 Sr, 27 Sv en 28 Politiewet
(oud))
‘s Nachts signaleerden verbalisanten in een auto twee bekenden en
besloten die auto te gaan volgen. Toen even later deze auto ergens
werd geparkeerd en de inzittenden vertrokken, bleven de
verbalisanten deze auto in de gaten houden. Enkele uren later zagen
zij drie personen weer in de auto stappen en besloten zij die auto
wederom te volgen. Enkele minuten later kwam bij hen een bericht
binnen van een inbraak, welke had plaatsgevonden in een winkel nog
geen 250 meter van de plaats waar de auto die zij hadden
geobserveerd, had gestaan. De achtervolging werd ingezet.
lees meer
Bijlage V – EdwardsJanuary 1, 1999
Edwards
EHRM 16 december 1992, NJCM Bulletin 1993, p. 449-453 met
commentaar Myer (Art. 6 EVRM)
De veroordeling van Edwards was hoofdzakelijk gebaseerd op door de
politie verzameld bewijsmateriaal. Edwards bestreed dat hij het
plegen van de tenlastegelegde delicten (one count of robbery and
two counts of burglary) zou hebben bekend. Vervolgens kwam aan het
licht dat bepaalde feiten niet door de politie aan de verdediging
bekend waren gemaakt, zodat het voor de verdediging niet mogelijk
was de geloofwaardigheid en juistheid van de politieverklaringen
aan te vechten.
lees meer
Bijlage V – AH Oosterbeek/Jehova’s GetuigenJanuary 1, 1999
AH Oosterbeek/Jehova’s Getuigen
Rechtbank Arnhem 18 april 1995, nr. 05/075.090/92
(Artt. 8, 9 EVRM, 6 Grondwet, 123 Sv (inmiddels vervangen door
art. 12 Algemene Wet op het binnentreden)) Verdachte wordt
tenlastegelegd meerdere overvallen te hebben gepleegd, waaronder de
overval op het Albert Heijn filiaal te Oosterbeek in mei
1990. Daarbij zijn twee personen met behulp van een riot-gun om het
leven gebracht en is een persoon zwaar gewond geraakt (zie voor een
uitgebreide beschrijving van feiten en omstandigheden hoofdstuk
5 Infiltratie).
lees meer
Bijlage V – 4.5 Tegenprestaties voor informatieJanuary 1, 1999
4.5 Tegenprestaties voor informatie: geld en deals
De tegenprestaties kunnen worden geleverd in geld of andere
prestaties. Er dient hier op te worden gewezen dat tegenover
geleverde inlichtingen niet steeds een tegenprestatie behoeft te
staan. Te denken valt bijvoorbeeld aan incidentele tipgevers uit de
bovenwereld die hun informatie om niet ter beschikking van de
politie stellen. Maar ook criminele informanten stellen soms hun
informatie ter beschikking van de politie zonder dat het hen (in de
eerste plaats) gaat om het geld dat er mee te verdienen is. Ze
hebben bijvoorbeeld de verwachting dat het hen wat zal opleveren
als ze worden aangehouden voor een gepleegd strafbaar feit;
lees meer
Bijlage V – 6.5 ControleJanuary 1, 1999
6.5 Controle
De verantwoordelijkheid voor de beslissing om tot
misdaadanalyse, fenomeenonderzoek of financile recherche over te
gaan ligt verspreid. Operationele misdaadanalyse en financile
recherche lijken vooral te worden aangevangen op verzoek van een
tactische recherchechef of een CID-chef. Wie opdracht geeft tot het
verrichten van een strategische misdaadanalyse in de regio’s of een
fenomeenonderzoek kan verschillen, behalve voor zover het gaat om
respectievelijk de landelijke inventarisaties criminele
groeperingen dan wel de verdeling van fenomeenonderwerpen over de
diverse kernteams: deze geschiedde door het CBO. De korpsbeheerder
heeft in deze feitelijk, noch als zodanig noch als beheerder van
het politieregister, een
controlerende rol van betekenis (zie bijlage 6 Organisaties,
hoofdstuk 3 Criminele inlichtingendiensten). Hoewel,
zoals hiervoor reeds is gebleken, sommige leden van het OM eisen
stellen aan deze vormen van informatie-inwinning (verdenking en/of
toestemming openbaar ministerie om bij derden inlichtingen in te
winnen), is dit bepaald geen algemene bevinding. Integendeel, de
politie lijkt in deze een grote vrijheid te hebben. De CTC heeft
naar aanleiding van het Fieccom-onderzoek het gebruik van openbare
bronnen toelaatbaar geacht, en het ook toelaatbaar geacht om
politieregisters (zoals daar ook zijn de CID-registers) bij het
fenomeenonderzoek te betrekken op het moment waarop de verdenking
ontstaat. In dat laatste geval werd geen scherp onderscheid gemaakt
tussen het fenomeenonderzoek en het opsporingsonderzoek; er kan
evenwel uit worden opgemaakt dat de CTC geen bezwaren ziet aan het
gebruik van deze registers bij een (strategische)
misdaadanalyse.
lees meer
Bijlage V – 8.3 Beheer van registers, sturing en
controleJanuary 1, 1999
8.3 Beheer van registers, sturing en controle
8.3.1 Politieregisters
Beheer, sturing en controle houden in de eerste plaats in
voorafgaand toezicht, aanwijzing van de met uitvoering belaste
functionarissen, reguliere en incidentele controle, uitoefening van
het gezag en de uitoefening van rechten door de registreerden.
lees meer
Bijlage VI – 11.2 OrganisatieJanuary 1, 1999
11.2 Organisatie
11.2.1 Burgemeester-korpsbeheerder: beheerstaken
De burgemeester van de grootste gemeente in de politieregio is
korpsbeheerder, Noot bij wie het beheer over het
regionale politiekorps berust. De korpsbeheerder dient
verantwoording af te leggen aan het regionale college,
Noot waarvan hij zelf voorzitter is. Het college stelt
jaarlijks de organisatie, de formatie, de begroting, de
jaarrekening en het beleidsplan voor het regiokorps vast. De
korpsbeheerder is eindverantwoordelijke voor de uitvoering van het
beleidsplan (artikel 31 Politiewet 1993). Hij kan de korpschef
uitnodigen inlichtingen te verstrekken aan het regionale college.
Noot
lees meer
Bijlage VI – 3.2 Organisatie CIDJanuary 1, 1999
3.2 Organisatie CID
3.2.1 Taak
Taakomschrijving CID
lees meer
Bijlage VI – 5.4 Samenwerking en uitvoering op landelijk
niveauJanuary 1, 1999
5.4 Samenwerking en uitvoering op landelijk niveau
De specialisatie van de hier besproken afdelingen heeft tot
gevolg dat de inhoudelijke sturing van en controle op de
werkzaamheden vooral uitgaan van vaktechnische specialisten. Binnen
de politie-organisaties zijn dat de leidinggevenden van het OT, AT,
BFO, STO en PIT.
lees meer
Bijlage VI – 7.6 Het MilieubijstandsteamJanuary 1, 1999
7.6 Het Milieubijstandsteam
7.6.1 De organisatie
Het Milieubijstandsteam (MBT) valt onder de Inspectie
milieuhygine die een onderdeel is van het Directoraat-generaal
milieubeheer van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer (VROM). Het MBT is opgericht in 1985. De
Inspectie milieuhygine bestaat uit een hoofdinspectie en negen
regionale inspecties. De hoofdinspectie bestaat onder meer uit de
Hoofdafdeling handhaving milieuwetgeving die is belast met de
centrale cordinatie van toezicht- en opsporingsactiviteiten van
alle inspecties. Deze hoofdafdeling bestaat onder meer uit de
Afdeling toezicht afvalstoffen, de Afdeling toezicht straling,
stoffen en produkten en de Afdeling milieudelicten. Het hoofd van
deze laatste afdeling is tevens hoofd van het MBT.
Noot
lees meer
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>