192 daarbij gereserveerd voor de toegang tot CID-informatie, een probleem dat ook in deze fase de gemoederen bezig hield. Het vervolg in de 063-zaak – de XTC-trajecten naar Engeland – staat centraal in hoofdstuk 14. In het bijzonder wordt daarbij ingegaan op de discussies rondom de vraag of dit onderzoek al niet moest worden uitgebreid naar mogelijke strafbare handelingen van overheidsfunctionarissen. In hoofdstuk 15 ten slotte wordt beknopt weergegeven welke gevolgen het rapport van de Commissie-Kalsbeek heeft gehad voor de organisatie van de post-Fort-onderzoeken. Bovendien wordt aan de hand van de eerder genoemde ambtsberichten van Vrakking, Van Brummen en Holthuis in kaart gebracht hoe binnen de verschillende parketten tegen het post-Fort-traject en de toekomst daarvan werd aangekeken. Voordat de bevindingen worden gepresenteerd, is het van belang te wijzen op enkele belangrijke veranderingen in de organisatorische context waarbinnen het onderzoek plaatsvond. Allereerst moet worden vermeld dat de rol van Snijders in de Haarlemse parketorganisatie eind 1997 was veranderd. Tot die tijd combineerde hij reguliere CID-taken in het arrondissement Haarlem met de bijzondere taken die aan hem waren toevertrouwd in het kader van het post-Fort-traject. Vanaf eind 1997 hield hij zich uitsluitend nog met de laatstgenoemde taken bezig. De belangrijkste reden voor Van Brummen om Snijders te ontheffen van zijn reguliere CID-activiteiten was dat deze activiteiten als gevolg van de bijzondere taken die Snijders vervulde in de knel waren geraakt. Bovendien hoopte Van Brummen met de verandering in de taakomschrijving van Snijders de spanningen die waren ontstaan tussen laatstgenoemde en de toenmalige officier van het kernteam Randstad Noord- en Midden (KTR) verminderen. Snijders maakte in de nieuwe constructie in formatieve zin nog wel deel uit van het team specialismen, maar rapporteerde uitsluitend nog aan Van Brummen. De twee hadden in dat verband intensief contact met elkaar.407 Afgezien van de veranderde rol van Snijders vonden in deze periode ook enkele belangrijke wijzigingen plaats binnen het college van procureurs-generaal. De afwikkeling van de “affaire Bakkenist” en het daaropvolgende vertrek van de voorzitter van het college van procureurs-generaal Docters van Leeuwen zorgden niet alleen in politieke zin en binnen het openbaar ministerie voor de nodige onrust, maar hadden ook consequenties voor het sturende vermogen van het college van procureurs-generaal ten aanzien van grootschalige onderzoeken, waaronder het 060-traject.408 Vanaf januari 1998 fungeerde Ficq als waarnemend voorzitter van het college. Pas met de komst op 1 april 1999 van De Wijkerslooth was het college van procureurs-generaal weer op sterkte en beschikte het over een vaste voorzitter. Een andere belangrijk gegeven in 1998 was de installatie van het tweede Paarse kabinet en het aantreden – in augustus van dat jaar – van een nieuwe minister van Justitie in de persoon van B. Korthals. Zoals in hoofdstuk 12 zal worden toegelicht, werd Korthals reeds spoedig na zijn ambtsaanvaarding door Ficq, Holthuis en Noordhoek op hoofdlijnen over de onderzoeken bijgepraat. Dit gegeven onderstreept het belang dat de departementsleiding hechtte aan tijdige informatievoorziening van de minister met betrekking tot dit – ook in politiek opzicht – gevoelige dossier. 407 Interview H. van Brummen d.d. 2 februari 2001. 408 Voor een nadere uiteenzetting over deze affaire en het daar op volgende vertrek van Docters van Leeuwen, zie hoofdstuk 2 (paragraaf 2.4).
227 in het zwaarste in Engeland bestaande regiem. Vanaf 25 augustus 1999 is hij ingedeeld in een iets minder zwaar regiem. De activiteiten die door Snijders c.s. met betrekking tot Van T. zijn ontplooid, vinden hun oorsprong in twee andere ontwikkelingen. Allereerst bracht de onder het gezag van Snijders plaatshebbende analyse van het IRT-materiaal Schouten en hemzelf tot de overtuiging dat het XTC- traject gekenmerkt werd door een reeks van opsporingshandelingen waarbij niet moest worden uitgesloten dat runners en eventueel toezichthoudenden, respectievelijk leidinggevenden de gang van zaken bewust op zijn beloop hadden gelaten.499 De tweede belangrijke aanleiding vormde de briefwisseling tussen de advocaat van Van T., Korvinus, en het openbaar ministerie en het departement van Justitie. Deze uit 1996 daterende briefwisseling met betrekking tot het in gang zetten van een procedure in het kader van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (WOTS) is reeds beschreven in respectievelijk de paragrafen 4.4.4 en 7.4.4. In maart 1998 werd Snijders tijdens een bezoek aan het parket-generaal geattendeerd op een herinnering die advocaat Korvinus op 26 februari 1998 aan het college van procureurs-generaal had gezonden. Het college werd door Korvinus herinnerd aan een brief d.d. 1 augustus 1997, waarin hij (nogmaals) om medewerking had gevraagd bij een WOTS-verzoek. In de beleving van Korvinus had de overheid een morele plicht om zich voor zijn cliënt in te spannen, aangezien hij indirect het slachtoffer zou zijn van ongeoorloofde opsporingsmethoden in het XTC-traject.500 Vanuit het parket-generaal werd Snijders vanwege zijn bekendheid met de materie – op grond van de analyse van het IRT-materiaal – verzocht een bijdrage te leveren aan de beantwoording van de vragen die Korvinus in zijn brief had opgeworpen. Aanvankelijk voelde hij hier weinig voor. Bij aangelegenheden in de sfeer van de WOTS diende in zijn optiek het Bureau Internationale Rechtshulp in Strafzaken (BIRS) van het ministerie van Justitie een voortrekkersrol te vervullen.501 Kort hierna vernam Snijders van advocaat-generaal Zwerwer dat die het standpunt huldigde dat Van T. onterecht in Engelse detentie terecht was gekomen. Hij bleek dit standpunt ook te hebben overgebracht aan Korvinus.502 Snijders kaartte de zaak vervolgens op 14 april 1998 aan bij Van Brummen. Afgesproken werd dat Van Brummen de kwestie zou bespreken met Ficq. Van Brummen meldde aan Ficq dat Snijders, ondanks zijn reeds genoemde reserves, bereid was een adviesrol te vervullen op voorwaarde dat Ficq zou instemmen met het voornemen van Snijders om een gesprek met Van T. aan te gaan. Bij dit gesprek zou behalve Snijders ook Korvinus aanwezig moeten zijn. Ficq verklaarde zich akkoord met deze voorwaarde, waarna Snijders contact zocht met de raadsman om de te volgen werkwijze nader te bespreken. Tijdens het gesprek met Korvinus werd door Snijders benadrukt dat van de kant van het openbaar ministerie te Haarlem geen enkele garantie of toezegging kon worden gedaan.503 11.3.2 Het verloop van het onderzoek Op 18 mei 1998 brachten Snijders en Schouten, in aanwezigheid van Korvinus, een eerste, verkennend bezoek aan de penitentiaire inrichting in Engeland waarin Van T. verbleef. Snijders benadrukte het informele karakter van het bezoek en gaf aan dat het belangrijkste doel van de bijeenkomst was om vast te stellen of Van T. de waarheid sprak. Verder werd Van T. te verstaan gegeven dat alleen volledige openheid van zijn kant aan Snijders de mogelijkheid bood om zijn verklaringen te toetsen aan de dossiers die hij tot zijn beschikking had. Van T. zette hierop in grote 499 Voortgangsrapportage XTC-traject/Van T., J. Snijders, d.d. 15 mei 1999 (D14). 500 Voortgangsrapportage onderzoek 98063 d.d. 5 oktober 1998 (D15). 501 Voortgangsrapportage XTC-traject/Van T., J. Snijders, d.d. 15 mei 1999 (D14). 502 Voortgangsrapportage XTC-traject/Van T., J. Snijders, d.d. 15 mei 1999 (D14). 503 Voortgangsrapportage XTC-traject/Van T., J. Snijders, d.d. 15 mei 1999 (D14).
226 goedkeuringsbesluit officieel was genomen. Op voorspraak van Ficq, na een advies dienaangaande van Holthuis en Van Brummen, hield ook Noordhoek zich in de omgeving van de uitvoerders op. De informatiebronnen met de codenamen “Van Gogh” en “Vermeer” hadden eerder aangegeven over corruptie en gebruikte methodieken bij het transporteren van cocaïne naar Nederland te willen praten. Het doel van de reis was om vast te stellen of deze informatiebronnen nader moesten worden geëxploiteerd. Duidelijk moest worden waarover de bronnen konden en wilden verklaren en onder welke condities dat moest gebeuren. In verhouding tot de maatregelen die ter voorbereiding moesten worden getroffen – zoals het opstellen van rogatoire commissies, het afschermen van de gehele operatie, het treffen van veiligheidsmaatregelen et cetera, leverden de gesprekken te weinig op om, zoals door het college van procureurs-generaal was gesteld496, van de oriëntatiefase over te gaan naar de exploitatiefase. Een betrokkene keek op ons verzoek terug op het “Schilderstraject”497: “Wij hadden het idee dat deze mensen weinig te verliezen hadden, maar dat het wel in zekere zin hun blazoen kon oppoetsen als ze ons zouden helpen met het verwerven van inzicht in de betrekkingen tussen Colombia en Nederland in de sfeer van de drugshandel. En zij waren goed geplaatst, zij konden veel weten en hebben ook veel moeten weten van de drugshandel op Nederland. In elk geval één van hen kende veel details en had ook veel te zeggen over het doorgaan van individuele transporten. In totaal hebben wij, of in elk geval ik, drie keer met hen gesproken. De eerste keer was een soort voorbereidingsgesprek om af te tasten wat de mogelijkheden waren. Zij wilden over ons voorstel nadenken en zij wilden eveneens het een en ander laten uitzoeken. En ze lieten dat naar ons idee uitzoeken door iemand die daarvoor een geschikt persoon was. Wat het tweede gesprek betreft is het zo dat zij ons wel wat vertelden over een aantal zaken en over mensen die daarbij betrokken waren. En wij konden vaststellen dat die dingen die ze ons vertelden ook klopten. Maar aan de andere kant was het zo dat er eigenlijk weinig uit kwam, terwijl er een hele hoop heisa was om met hen in gesprek te komen. Tal van veiligheidsmaatregelen moest worden gepasseerd. Er werd door hen verwezen naar een drietal tussenpersonen, waarvan ons bekend was dat zij een cruciale rol speelden en vrijwel zeker over relevante informatie beschikten over de drugstransporten tijdens de IRT-periode. Door allerlei omstandigheden is het daar uiteindelijk niet meer van gekomen.” Het Schilderstraject kwam derhalve al snel stil te liggen. Tijdens de vergadering van het college van procureurs-generaal van 6 oktober 1998 zou het onderwerp nog even zijdelings aan bod komen – zie verder hoofdstuk 12 – maar reeds nu kan worden vermeld dat dit traject in het kader van het post-Fort- onderzoek verder geen rol van betekenis meer zou spelen.498 11.3 Het traject Van T. in Engeland 11.3.1 De aanleiding tot het onderzoek Zoals reeds is aangestipt in paragraaf 4.4.4, werd op 6 mei 1993 de Nederlandse chauffeur Van T. in het Verenigd Koninkrijk aangehouden wegens het importeren van een grote hoeveelheid XTC. De betrokkene werd in hoger beroep veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf. Van mei 1993 tot eind augustus 1999 had Van T. de status van “high risk prisoner category A” en onderging hij zijn detentie 496 Brief van A. Docters van Leeuwen d.d. 10 december 1997 aan H. van Brummen (B1, D21). 497 Interview (…) d.d. (…) 2001. 498 Het derde gesprek met de “Schilders” waaraan in het citaat wordt gerefereerd, was het zogenaamde afbouwgesprek dat later in de tijd plaatsvond.
225 11 De ontwikkeling van andere onderzoeken 11.1 Inleiding In de periferie van het 060-onderzoek speelden ook de parketten Amsterdam en Haarlem een belangrijke rol. Zoals uit het voorgaande duidelijk is geworden, was in het bijzonder het parket Haarlem nadrukkelijk bij een aantal post-Fort-activiteiten betrokken. Zo is in deel I gewezen op de rol van Snijders bij de afbouw van informanten uit het IRT-tijdperk, op het rapport dat hij samen met Teeven schreef naar aanleiding van de bedreiging van een officier van justitie en – in hoofdstuk 9 – op het dossier “Rollaag”. Het laatstgenoemde dossier bevat de aanwijzingen – onder meer gebaseerd op de twee besproken NN-verklaringen en het parallel-proces-verbaal – omtrent het bestaan van de parallel-importen. Snijders c.s. hadden in het najaar van 1997 ook een begin gemaakt met het zogenaamde “Schilderstraject”. Aan het einde van het eerste deel van dit rapport (hoofdstuk 8) is reeds vastgesteld dat het college van procureurs-generaal en de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie eind 1997 hun toestemming verleenden om de oriëntatiefase van dit traject – dat kort gezegd neerkwam op het voeren van gesprekken met een aantal buitenlandse ingewijden in de cocaïnehandel – in te gaan. De activiteiten van Snijders c.s. beperkten zich echter niet tot cocaïnetransporten in relatie tot Zuid-Amerika. Naast het dossier “Rollaag” en het “Schilderstraject” vormde het zogenaamde XTC/Van T.-dossier een andere belangrijke hoofdactiviteit. Ook inventariseerde het “team-Snijders” aanwijzingen over allerhande vormen van corruptie en/of compromitterende kwesties. Een deel van dit materiaal was afkomstig uit het “besmette” IRT-dossier. Het parket Amsterdam was op een andere wijze bij de post-Fort-activiteiten betrokken. In hoofdstuk 9 is reeds vermeld dat Teeven medio 1998 een proces-verbaal met operationeel bruikbare informatie over J. aan het LRT ter beschikking stelde. Aan het parket Amsterdam was evenwel ook een zelfstandige rol toebedeeld in het kader van het post-Fort-traject. Eind 1997 was immers besloten – zie paragraaf 7.4 – dat Teeven als zaaksofficier leiding zou geven aan een nader onderzoek in de XTC-zaak en aan het onderzoek naar de liquidatie van Van der Heiden. De laatste activiteit die in het kader van dit rapport van belang is, betreft de pre-deal die door het Amsterdamse parket werd gesloten met K. In dit hoofdstuk wordt het verloop van de hierboven aangestipte onderzoeken nader beschreven. Paragraaf 11.2 staat in het teken van het verloop van het “Schilderstraject”. Paragraaf 11.3 is gereserveerd voor het onder gezag van Snijders samengestelde XTC/Van T.-dossier. De relatie met het 063-onderzoek van het LRT komt in deze paragraaf ook aan bod. In paragraaf 11.4 wordt aandacht besteed aan de activiteiten die onder auspiciën van het parket Amsterdam werden geïnitieerd. 11.2 Het “Schilderstraject” In hoofdstuk 8 is vastgesteld dat eind 1997 zowel het college van procureurs-generaal als secretaris- generaal Borghouts toestemming gaven voor de oriënterende fase van het zogenaamde “Schilderstraject”. Langs informele weg was vanuit het college het licht reeds eerder op groen gezet, getuige het feit dat een delegatie van Nederlandse opsporingsambtenaren en officieren van justitie reeds naar Zuid-Amerika was afgereisd om dit traject nader vorm te geven voordat het
223 aanvaring kwamen, maar botste Noordhoek frontaal met Van Brummen. Noordhoek verspeelde als gevolg van dit incident niet alleen het laatste restje krediet dat hij in Haarlem nog had, maar ondervond ook in een tweetal andere opzichten nadelige gevolgen van het incident. In de eerste plaats voelde hij zich onvoldoende gedekt door zijn eigen hoofdofficier Holthuis; in de tweede plaats werd hij berispt door het college van procureurs-generaal. Het misverstand dat tussen “Haarlem” en het landelijk parket ontstond over het al dan niet intrekken van het hoger beroep, stond uiteraard niet op zelf. Het onderlinge wantrouwen was inmiddels zo groot geworden, dat de bereidheid om goed naar elkaar te luisteren en uit te gaan van de zuiverheid van elkaars argumenten, gering was. Het onderzoek tegen De J. stond eigenlijk in de schaduw van het grote onderzoek tegen J. Dat is op zichzelf merkwaardig, omdat het onderzoek tegen J. indertijd strategisch bedoeld was om meer klaarheid te brengen in mogelijke strafbare feiten, gepleegd door De J., L. en Van V. Opmerkelijk is ook dat enkele rijksrechercheurs, kennelijk ongestuurd door superieuren495, wekenlang De J. bestookten met een vraag over een in het geheel der feiten bezien volkomen ondergeschikt punt: het origineel van de machtiging om vuurwapens te mogen hebben. De confrontaties leidden tot een definitieve verwijdering tussen het 061-team en De J. Wellicht had een andere benadering van De J. in de aanvangsfase tot een meer coöperatieve houding van zijn kant geleid. Afgezien van het stilvallen van het onderzoek naar De J. is het opmerkelijk te noemen dat er in deze periode geen activiteiten werden ontplooid inzake de overige subjecten. Deze observatie betreft in het bijzonder Van V. In deel I van dit rapport is immers vastgesteld dat gedurende enige tijd het vaste voornemen bestond om Van V. tot subject van nader strafrechtelijk onderzoek te maken, maar in de praktijk werd dit voornemen niet in daden omgezet. Capaciteitsgebrek, maar in het bijzonder een gebrek aan voldoende aanwijzingen, waren hier debet aan. 495 De op het LRT werkzame rijksrechercheurs werden overigens niet aangestuurd door de leider van het 060-team, maar door de unitcoördinator van de rijksrecherche uit Amsterdam.
222 uitlevering bij een aantal banken van alle bescheiden op naam van De J. en van een stichting, waarvan De J. lid was van de kascommissie.491 Op 17 april 1998 werd door de rechter-commissaris toestemming gegeven om de telefoonaansluiting van De J. voor de duur van een maand af te tappen. In die periode werden veel gesprekken opgenomen, maar hieronder bevonden zich geen gesprekken die voor het onderzoek van belang waren.492 Na deze periode werd de termijn op verzoek van de officier van justitie met een maand verlengd. Ook de telefoongesprekken die in deze periode werden afgeluisterd leverden geen bruikbare informatie op. Het tappen werd vervolgens gestaakt.493 Het onderzoek kwam in de zomer van 1998 langzaam maar zeker tot stilstand. Er werd niet verder actie ondernomen op basis van de bevindingen van het rechtshulpverzoek en evenmin werd besloten om getuigen te gaan horen. Enerzijds stagneerde het onderzoek omdat het tot dan toe onvoldoende resultaat had opgeleverd. Anderzijds wilde de teamleiding niet met het onderzoek naar buiten treden, gezien de belangen van het tegelijkertijd lopende onderzoek tegen J.494 Dat is bijvoorbeeld de reden geweest waarom niet met getuigen is gesproken. Opmerkelijk is wel dat er geen expliciete besluitvorming aan de tijdelijke opschorting van het onderzoek ten grondslag lag. Pas in november 2000 werd door een ervaren rechercheur, die zelf niet bij het onderzoek tegen De J. betrokken was geweest, een inventarisatie gemaakt van de stand van zaken en van de mogelijke aanknopingspunten voor een vervolg van het onderzoek. Het gerechtelijk vooronderzoek is overigens tot op heden niet gesloten. 10.6 Conclusie Het onderzoek tegen de “Taartman” vormde tot op zekere hoogte een inbreuk op de strategie van het 060-team. Immers, de “Taartman” behoorde niet tot de zes oorspronkelijke onderzoeksubjecten. De rechtvaardiging van de bijstelling van de strategie was gelegen in het feit dat met het aanpakken van de “Taartman” mede werd beoogd om hem te laten verklaren over tenminste twee of drie van de onderzoeksubjecten. In strafrechtelijke zin werd het onderzoek succesvol afgesloten. De “Taartman” werd door het hof veroordeeld tot een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Mede dankzij enkele getuigenverklaringen, in het bijzonder die van R., werden gedetailleerde gegevens bekend over de wijze waarop enkele cocaïnetransporten vanuit Colombia naar Nederland zijn verlopen. Deze transporten vonden echter plaats in de periode na de opheffing van het IRT en leverden derhalve weinig informatie op over de rol van de onderzoeksubjecten van het LRT. De “Taartman” weigert tot op heden verklaringen af te leggen over zijn wetenschap inzake de cocaïnehandel en de eventuele rol hierin van de onderzoeksubjecten. Zo beschouwd heeft het onderzoek nauwelijks aan de bedoelingen en verwachtingen voldaan. De casus van de “Taartman” is in het kader van deze evaluatie vooral van belang vanwege de gang van zaken rondom de deal met R. Hoewel alle betrokkenen vooraf de toegevoegde waarde inzagen van het sluiten van deze deal, ging het in de uitvoeringsfase mis. Een verschil van opvatting over de vraag of het al dan niet oorbaar is om het instellen van hoger beroep als drukmiddel te hanteren en een ernstig misverstand over wat het standpunt dienaangaande was van de Haarlemse hoofdofficier van Brummen, zetten in oktober 1998 de verhoudingen tussen Noordhoek en “Haarlem” (verder) op scherp. Dit keer waren het overigens niet Snijders en Noordhoek die openlijk met elkaar in 491 Proces-verbaal ten behoeve van de aanvraag gerechtelijk vooronderzoek tegen De J., opgemaakt op 30 maart 1998 (F23). 492 Proces-verbaal ten behoeve van een verzoek tot het verlengen van het aftappen van gegevensverkeer, LRT ordner, 96.061, ordner 2, opgemaakt op 14 mei 1998. 493 Proces-verbaal tot beëindiging van het aftappen van gegevensverkeer, opgemaakt op 11 juni 1998 (F16). 494 Nota van een medewerker van het LRT d.d. 14 november 2000.
221 wilde niet meer zo vlotten en nadat de beide rechercheurs De J. gevraagd hadden of hij zijn machtiging van de FIOD om de vuurwapens in bezit te hebben wilde tonen, vertrokken zij. Zij maakten op dat moment nog wel de afspraak om over enige tijd opnieuw met elkaar te praten. Het zou op die 17e februari evenwel het eerste en tevens laatste gesprek met De J. zijn. Twee dagen later belde De J.: zijn vrouw had de machtiging gevonden, hij kon worden opgehaald. Tijdens het telefoongesprek werd De J. onwel en zijn vrouw nam het gesprek over en vertelde dat de wapens bij de drie koffers instructiemateriaal hadden gezeten. Op 24 februari 1998 werd een kopie van de vuurwapenmachtiging opgehaald bij het huis van De J. Zijn vrouw overhandigde de kopie; De J. zou zelf te ziek zijn om de rechercheurs te woord te staan. Vervolgens werd in de weken erna door de rijksrechercheurs ettelijke malen naar De J. gebeld met de vraag of hij het origineel van de machtiging zou kunnen tonen en bereid zou zijn tot een gesprek om zijn visie op de zaak van de vuurwapens te geven. Op 23 maart 1998 had een rechercheur telefonisch contact met de vrouw van De J. Zij meldde dat haar man niet bestand was tegen het feit dat hij na jaren van trouwe dienst nu in de verdachtenbank dreigde te belanden. De rijksrechercheur toonde blijkens zijn mutatie in het dagjournaal weinig compassie en drong nogmaals aan op de overdracht van het origineel van de ontheffing. Een dag later werd opnieuw met de vrouw van De J. gebeld, maar tot concrete resultaten leidde ook dit telefoongesprek niet. Op 31 maart 1998 belde De J. zelf en er werd een afspraak gemaakt voor een gesprek bij hem thuis de volgende ochtend. Op die dag verstuurde De J. echter een fax, waarin hij het toegezegde gesprek annuleerde met een beroep op zijn zwijgrecht en zijn slechte gezondheid. In de fax gaf hij tevens aan de confrontatie met de rijksrecherche niet aan te kunnen. Op 9 april 1998 was er een laatste telefonisch contact. Op de vraag van een rijksrechercheur hoe en wanneer hij het toegezegde origineel van de ontheffing zou kunnen krijgen, antwoordde De J.: “via mijn raadsman”… 10.5.4 Het gerechtelijk vooronderzoek tegen De J. Op 30 maart 1998 werd een vordering tot opening van een gerechtelijk vooronderzoek tegen De J. ingediend bij een rechter-commissaris te Haarlem. In de vordering werden drie typen strafbare feiten omschreven, die de verdachte in de periode vanaf 1 januari 1990 tot en met 30 maart 1998 zou hebben gepleegd. Kort weergegeven werd De J. ervan verdacht: 1. lid te zijn van een criminele organisatie die zich bezighield met het importeren en verhandelen van hard en/of soft drugs en/of met het plegen van heling; 2. alleen of samen met anderen soft en/of hard drugs te hebben geïmporteerd en te hebben verhandeld; 3. uit misdaad verkregen geld te hebben aangenomen (heling), dan wel geld te hebben ontvangen in ruil voor ambtsstrijdig handelen (ambtelijke corruptie, art. 363 Sr.) en de geheimhoudingsplicht te hebben geschonden (art. 272 Sr.). De vordering werd onderbouwd met een verwijzing naar het BVD-ambtsbericht en naar het onderzoek dat naar aanleiding hiervan op basis van enkele bronnen, zoals delen van de administratie van De J., was ingesteld. Ook werd gerefereerd aan het feit dat op naam van het familielid van De J. enkele rechtspersonen stonden en dat diens naam ook in bestanden van Interpol voorkwam. De rechter-commissaris te Haarlem besloot de vordering te honoreren. Het gerechtelijk vooronderzoek werd geopend en tegelijkertijd gelastte de rechter-commissaris op 3 april 1998 de
220 10.5.2 Onderzoek op basis van enkele open en gesloten bronnen In augustus 1997 begonnen enkele rechercheurs van het LRT op basis van een aantal open bronnen – zoals het Kadaster en het Handelsregister van de Kamers van Koophandel – en gesloten bronnen – zoals gegevens van het Meldpunt MOT en de belastingdienst – met een onderzoek naar de vraag hoe groot het vermogen van De J. was en waaruit dat vermogen bestond. Van meet af aan leverde dit onderzoek weinig bijzonderheden op. In een teamoverleg op 7 januari 1998 werd dan ook bij het opmaken van de tussenbalans geconcludeerd dat er nog geen opvallende resultaten naar voren waren gekomen betreffende De J.486 Maar er bleef nog wel het een en ander aan onderzoek te doen. Het resterende onderzoek werd in zes deelprojecten opgeknipt. Deze deelprojecten hadden onder meer betrekking op het onderzoek naar drie vuurwapens die in het bezit waren van De J., het vaststellen van zijn rol bij sigarettensmokkel naar Duitsland (het bekijken van reeds afgelegde verklaringen van de bij deze smokkel betrokken chauffeur M.), de bedrijvigheid van het familielid in het buitenland en de afwerking van het onderzoek naar de administratie van De J.487 Begin februari 1998 werd een rechtshulpverzoek gericht aan een ander land om meer klaarheid te verkrijgen omtrent de justitiële antecedenten van het familielid van De J., diens precieze betrokkenheid bij rechtspersonen – de eerste onderzoekingen hadden uitgewezen dat hij bij tenminste vier ondernemingen als aandeelhouder en/of directeur betrokken was – de aanwezigheid van meldingen van ongebruikelijke transacties, et cetera.488 Reeds op 9 maart 1998 werd door de buitenlandse autoriteiten antwoord gegeven.489 10.5.3 Pogingen om De J. te verhoren Terwijl het onderzoek naar De J. vanaf augustus 1997 behoedzaam werd opgezet – teneinde te voorkomen dat het bronnenonderzoek bij hem of in zijn omgeving bekend zou worden – gebeurde er iets wat met deze stille strategie geheel in strijd was. Wat was het geval? Bij zijn uitdiensttreding bij de FIOD had De J. aan twee FIOD-ambtenaren drie wapens meegegeven die hij nog thuis had liggen. De drie wapens zouden De J. jaren tevoren zijn verstrekt in zijn hoedanigheid van schietinstructeur bij de FIOD, een nevenfunctie van hem. De FIOD-ambtenaren gaven de wapens af bij hun chef en vervolgens ontstond hierover bij de FIOD grote consternatie: hoe kon De J. aan dergelijke wapens komen? Was het wapenbezit een bewijs dat hij in crimineel vaarwater verzeild was geraakt? De zaak werd op het Haarlemse parket besproken en de hoofdofficier was van mening dat een onderzoek noodzakelijk was. Het onderzoek werd uitgevoerd door twee rechercheurs van de rijksrecherche, die naderhand op het LRT te werk gesteld zouden worden. Nadat onderzoek naar de interne FIOD-procedures over het verstrekken van wapens aan schietinstructeurs en naar de feitelijke gang van zaken in het concrete geval niet veel duidelijkheid had gebracht, besloten de betrokken rechercheurs om bij De J. zelf te rade te gaan. Op basis van het dagjournaal van het 061-team kon worden gereconstrueerd hoe de contacten in deze maanden zijn verlopen. Voor zover wij konden nagaan bezochten de twee rijksrechercheurs op 17 februari 1998 De J. voor het eerst. Naar eigen zeggen begonnen de beide rechercheurs gemoedelijk aan tafel te praten totdat de vrouw van De J. opheldering vroeg over de ware aard van het bezoek. De rechercheurs konden in hun eigen beleving toen niet veel anders doen dan De J. de cautie te geven.490 Het gesprek 486 Deelproject De J., niet gedateerd (C3). 487 Deelproject De J., niet gedateerd (C3). 488 Rechtshulpverzoek van het LBOM (E. Noordhoek) d.d. 30-1-1998. (LRT 96061, ordner 02, ambtshandelingen). 489 Hiervan werd op 31 augustus 1998 een samenvatting gemaakt door één van de rijksrechercheurs, die betrokken was bij het onderzoek tegen De J. ( LRT 96061, ordner 02, ambtshandelingen). 490 M utatie in dagjournaal 061-team d.d. 17-2-1998. Alle overige gegevens uit deze subparagraaf zijn eveneens ontleend aan het dagjournaal.
219 deal hield in dat het openbaar ministerie een positief advies zou gaan uitbrengen ten aanzien van een door R. in te dienen gratieverzoek en dat zou worden geadviseerd om een derde van de door de rechtbank Haarlem opgelegde gevangenisstraf kwijt te schelden. Het openbaar ministerie zou voorts in het kader van de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel een schikkingsvoorstel doen, inhoudende een geldbedrag van 200.000 gulden. Ten derde zou het openbaar ministerie in beslag genomen goederen (ter waarde van circa 19.000 gulden) aan R. teruggeven. 10.4.3 De inhoud van de verklaringen van R. Na het bereikte akkoord met Noordhoek485 legde R. een aantal gedetailleerde verklaringen af over de wijze waarop enkele cocaïnetransporten waren verlopen en over de betrokkenheid daarin van onder andere de “Taartman”. Deze verklaringen werden toegevoegd aan het proces-verbaal dat tegen de laatstgenoemde was opgemaakt. De rechtbank oordeelde in het vonnis in de zaak van de “Taartman” dat R. ten aanzien van alle transporten “volledig, consistent en gedetailleerd” had verklaard. De verklaringen van R. gaven inzicht in de wijze waarop de cocaïnetransporten werden georganiseerd. Hij verklaarde over vijf transporten (zes containers) die hadden plaatsgevonden in de periode 1994-1997, dus na de opheffing van het IRT. Uit deze verklaringen kwam naar voren dat de cocaïne via een ogenschijnlijk legale handelslijn werd getransporteerd. Vandaar de rol van de “Belgische Sapman”. Zijn bedrijf was een ogenschijnlijk logisch adres voor sinaasappelen en vruchtensappen uit Zuid-Amerika. Soms werden deze producten gebruikt als deklading, waaronder goed verpakte partijen cocaïne verborgen waren, dan weer werden de containers zodanig geprepareerd (dak, deur) dat daarin cocaïne kon worden verborgen. Van de aanwezigheid van parallelle zendingen (marihuana en cocaïne) bleek niets in de verklaringen van R. In geen van de cocaïnetransporten bleek er sprake te zijn van corruptie bij douane of politie bij het inklaren van de partijen. Over de rol van L. en Van V. bevatten de verklaringen van R. nauwelijks informatie. Veel verder dan een enkele opmerking over beiden kwam R. niet. Ook werden er geen concrete feiten genoemd waaruit zou kunnen blijken dat de “Taartman” L. en Van V. kende. 10.5 Het onderzoek naar De J. 10.5.1 Het BVD-ambtsbericht Zoals reeds beschreven is in deel I (paragraaf 7.3), ontving het LRT-team op 31 juli 1997 een ambtsbericht van de BVD waarin over de rol van De J. werd gesproken bij het doorleveren van drugscontainers. Volgens het ambtsbericht zou De J. op twee manieren hierbij betrokken zijn. Hij zou, in de eerste plaats, door een familielid getipt worden over lopende drugstransporten en zou vervolgens de betrokken drugshandelaren tippen en tegen forse betaling bereid zijn te zwijgen. In de tweede plaats zou hij, volgens het ambtsbericht, met een aantal belangrijke Nederlandse drugsdealers zaken doen. Dankzij zijn betrokkenheid bij de zogeheten Delta-methode zou hij in staat zijn om te bereiken dat bepaalde zendingen drugs ongemoeid werden gelaten door de douane. De J. zou zijn illegaal verkregen inkomsten in de sportwereld een legale bestemming hebben gegeven. 485 Deze verklaringen werden in juli 1998 afgelegd, dus ruim voor het tijdstip dat de deal, na de goedkeuring van de CTC, formeel gesloten kon worden.
218 In hun vergadering van 6 oktober 1998 besteedden de leden van het college van procureurs-generaal opnieuw aandacht aan de voorgenomen deal met R. Het college besliste dat de zaak opnieuw aan de CTC moest worden voorgelegd en dat de deal met R. binnen de wettelijke marges zou dienen te blijven. Als gevolg van de afwijzende CTC-beslissing ontstond er druk op het hoger beroep. Noordhoek trad in overleg met “Haarlem” om te vragen of zij bereid waren om – los van de deal – het hoger beroep in te trekken. Vanaf dat moment ging het mis in de communicatie. Noordhoek meende van Van Brummen begrepen te hebben dat het hoger beroep zou worden ingetrokken. De laatste zou dit in een overleg, waarbij Van Gemert en Holthuis aanwezig waren, hebben gezegd en nadien zou Van Brummen dit Haarlemse voornemen hebben bevestigd in een telefoongesprek met Noordhoek. Noordhoek hierover482: “Ik heb toen overleg gevoerd met Haarlem om te vragen of ze bereid waren het hoger beroep in te trekken. Ik had gehoord dat in een overleg, waar ik niet bij was, maar wel Wil van Gemert en Hans Holthuis, dat van Brummen had gezegd dat als de CTC het van belang vond om het intrekken van het appèl los te koppelen van de deal, hij tot intrekken van het appèl opdracht zou geven. Voor de zekerheid heb ik toen nog Van Brummen gebeld met de vraag: is Haarlem bereid het appèl in te trekken? Van Brummen zei dat Haarlem dat wilde doen. Ik heb toen ten tweede male een verzoek gericht tot de CTC en heb daarin vermeld dat Haarlem de bereidheid had uitgesproken om het hoger beroep in te trekken. Van Brummen heeft vervolgens Manschot, de voorzitter van de CTC, gebeld en verteld dat Haarlem absoluut niet van plan was om het hoger beroep in te trekken, omdat men destijds over het instellen van het hoger beroep goed had nagedacht en men van mening was dat het alle kans van slagen had. Toen werd ik erop aangekeken dat ik de CTC onjuist zou hebben ingelicht. Ik heb toen tegen Holthuis gezegd: “weet je dan niet meer dat Van Brummen in dat overleg heeft gezegd dat ze het zouden intrekken?” Maar Holthuis zei: “dat weet ik niet meer”. Gelukkig konden enkele anderen het zich nog wel herinneren. Maar toch kreeg ik een officiële schrobbering van Ficq. Ook Hans Holthuis kreeg een “veeg uit de pan”. Daarna is er nog iets van een halfbakken rectificatie gekomen.”483 Van Brummen had een andere lezing over de gang van zaken484: “Toen Rick Noordhoek werd teruggefloten door de CTC is er druk gekomen op het appèl; het idee was dat het appèl maar moest worden ingetrokken. Er is toen overleg geweest en ik heb toen tegen Holthuis gezegd dat ik bereid was om het al of niet intrekken van het appèl afhankelijk te laten zijn van het oordeel van de advocaat-generaal in Amsterdam. Het was dus wachten op het oordeel van de advocaat-generaal. Dat was het bereikte compromis. Ik heb nooit beweerd in dat overleg dat Haarlem het appèl zou intrekken, dat zou ook niet logisch zijn want waarom zou dan nog advies gevraagd worden aan de advocaat-generaal?” De advocaat-generaal beoordeelde de zaak en kwam tot de conclusie dat het om strafmaattechnische en bewijstechnische redenen geen zin had om het hoger beroep door te zetten. Op grond hiervan besloot de Haarlemse zaaksofficier om het hoger beroep in te trekken. Uiteindelijk nam het college op 20 oktober 1998 een positief besluit over het tweede, door Noordhoek, ingediende voorstel. De overeenkomst werd op 6 november 1998 met R. gesloten. De 482 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001. 483 De “halfbakken rectificatie” vond plaats nadat was gebleken dat over de opvatting van Van Brummen kennelijk een misverstand was ontstaan. 484 Interview H. van Brummen d.d. 2 februari 2001.
191 Algemene inleiding Het vorige deel eindigt met de beschrijving van de presentaties die eind november 1997 ten overstaan van het college van procureurs-generaal werden gehouden en van de besluitvorming die daarop volgde. Anderhalf jaar later, in juni 1999, werd aan de hand van de ambtsberichten, die Vrakking, Van Brummen en Holthuis na het verschijnen van het rapport van de Commissie-Kalsbeek hadden opgesteld, in het college van procureurs-generaal de balans opgemaakt van drie jaar post-Fort- onderzoek. In deel II wordt beschreven welke onderzoeksactiviteiten in de tussenliggende periode werden verricht, hoe die werden aangestuurd en tot welke resultaten de inspanningen hebben geleid. Het 060-onderzoek vormt daarbij het hoofdspoor. Reeds in september 1996 was immers besloten dat alle relevante informatie ter beschikking moest worden gesteld van het LRT. Een en ander laat onverlet dat ook in de periode november 1997 – juni 1999 in Amsterdam en Haarlem diverse aanpalende onderzoeksactiviteiten plaatsvonden. Ook deze krijgen een plaats in deel II. Hoofdstuk 12 moet in dit deel worden beschouwd als een scharnierpunt. In dat hoofdstuk wordt uitgebreid ingegaan op de presentaties over de voortgang van de diverse onderzoeken die op 6 oktober 1998 werden verzorgd bij het college van procureurs-generaal en bij de minister van Justitie. De hoofdstukken 9 tot en met 11 beslaan de periode die aan deze presentaties voorafging. De hoofdstukken 13 tot en met 15 hebben betrekking op de periode daarna. De beslissingen die naar aanleiding van de presentaties op 6 oktober 1998 werden genomen, vormen de opmaat voor de beschrijving in de laatste drie hoofdstukken. Het onderzoek 060 dient te worden beschouwd als het overkoepelende onderzoek, waarvan gaandeweg een aantal deelonderzoeken is afgescheiden. Zo richtte het deelonderzoek 061 richtte zich op strafbare feiten, gepleegd door J. Deelonderzoek 062 stond in het teken van de “Taartman”, terwijl de code 063 werd gereserveerd voor het onderzoek naar de rol van een informant in het XTC- traject naar Engeland. In hoofdstuk 9 wordt allereerst in kaart gebracht hoe het team 060 er qua samenstelling en taakverdeling in de periode november 1997 – oktober 1998 uitzag. Vervolgens wordt inzichtelijk gemaakt hoe er uitvoering werd gegeven aan het plan van aanpak dat na afloop van de oriënterende fase voor het 061-opsporingsonderzoek was vastgesteld. Na deze blik op de interne gang van zaken in het 061-traject wordt het vizier gericht op enkele relevante externe impulsen die in 1998 op het onderzoek werden losgelaten. Voor twee van deze impulsen, te weten het in Haarlem geopende NN- GVO en het onder auspiciën van CID-officier Snijders tot stand gekomen parallel-proces-verbaal, zijn aparte paragrafen ingeruimd. In deel I is reeds aangestipt dat door het LRT in het kader van de doelstellingen van het 060- onderzoek tevens een onderzoek werd ingesteld naar een ander subject, de “Taartman”. Van het verloop van dit onderzoek, dat de code 062 meekreeg, wordt in hoofdstuk 10 verslag gedaan. In dit hoofdstuk wordt tevens stilgestaan bij de stand van zaken in het onderzoek naar een (voormalige) FIOD-beambte, dat ook onder de noemer van het 060-project werd verricht. In hoofdstuk 11 wordt de aandacht gericht op enkele activiteiten die weliswaar in respectievelijk het Haarlemse en Amsterdamse parket werden ontplooid, maar die wel doorwerkten op het 060- traject. Gedoeld wordt respectievelijk op het in najaar van 1997 in gang gezette “Schilderstraject”, het onderzoek naar het XTC-traject in de richting van Engeland en de door Amsterdam gesloten pre-deal met K. Het onderzoek naar het XTC-traject zou, zoals gezegd, eind 1998 onder de rubricering 063 ook een plaats krijgen in de overkoepelende 060-zaak. Nadat in hoofdstuk 12 is beschreven hoe de informatievoorziening in de richting van het college van procureurs-generaal plaatsvond en welke besluiten in dit gremium werden genomen naar aanleiding van de reeds genoemde presentaties van 6 oktober 1998, worden in hoofdstuk 13 het verdere verloop en de afloop van het 061-onderzoek onder de loep genomen. Speciale aandacht is
217 toneel verdwenen en liet R. zich bijstaan door een nieuwe raadsman. Zowel Snijders als Noordhoek verwachtten veel van een dergelijke deal. Noordhoek477: “Vooral Snijders was erg enthousiast. Hij sprak er altijd over dat de “Taartman”, wanneer hij een fikse straf zou krijgen, zou leeglopen op de achterbank van de politieauto”. Noordhoek verklaarde in het interview dat hij het niet zo gek vond om het hoger beroep als drukmiddel te gebruiken. Bij de onderhandelingen over de voorwaarden van de deal zou het hoger beroep dan één van de tegemoetkomingen kunnen zijn aan R.478 Volgens Van Brummen stond de beslissing van de Haarlemse zaaksofficier van justitie om hoger beroep aan te tekenen echter geheel los van de deal479: “Zij wist helemaal niets van de deal en het was voor haar geen overweging bij het instellen van het hoger beroep. Zij vindt overigens, en dat vinden ik en de CTC ook, dat het intrekken van het appèl geen onderdeel van een deal kan zijn.” Noordhoek kwam met R. en diens advocaat begin juli 1998 tot een akkoord. Overeenkomstig de geldende procedures legde Noordhoek zijn onderhandelingsresultaat ter goedkeuring voor aan de Centrale Toetsingscommissie (CTC). Het resultaat behelsde dat in ruil voor verklaringen van R. over de cocaïnetransporten waarbij hij betrokken was geweest, door Justitie enkele tegemoetkomingen zouden worden gedaan. De belangrijkste hiervan waren dat het hoger beroep zou worden ingetrokken, dat het openbaar ministerie positief zou adviseren op een verzoek tot partiële gratie (1/3 deel van de gevangenisstraf) en dat de ontnemingsvordering jegens R. beperkt van omvang zou zijn. Bovendien werd hem een sepot in het vooruitzicht gesteld omtrent door hem gepleegde strafbare feiten waarover hij zou gaan verklaren. De CTC oordeelde evenwel negatief en het college van procureurs-generaal berichtte op 27 augustus 1998 aan Noordhoek dat van een positieve beslissing van het college geen sprake kon zijn. Enkele belangrijke overwegingen hierbij waren480: 1. dat het verzoek onvoldoende informatie bevatte voor een goede beoordeling van de proportionaliteit en de subsidiariteit van de deal; cruciaal was daarbij de vraag of de deal essentieel was voor de opsporing en vervolging van de door de “Taartman” gepleegde feiten; 2. dat de tegemoetkomingen aan R. verder gingen dan in het wetsvoorstel omtrent afspraken met criminelen werd voorzien; in het wetsvoorstel werd uitsluitend gesproken over een vermindering van de vrijheidsstraf met maximaal 1/3 deel; 3. dat de door Noordhoek gegeven informatie geen uitsluitsel had gegeven of er overleg was geweest over de vraag of het Haarlemse parket bereid was mee te werken aan de gratiëring; dit parket was hiertoe op grond van de Gratiewet immers bevoegd. Bij de onder 2 geformuleerde overweging werd onder meer gerefereerd aan het intrekken van het hoger beroep. Hiermee keerde het “drukmiddel” zich tegen Noordhoek zelf 481: “Ik had juist het appèl als drukmiddel willen gebruiken, nu werkte het als het ware tegen mij toen gezegd werd dat ik te veel concessies deed.” 477 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001. 478 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001. 479 Interview H. van Brummen d.d. 2 februari 2001. 480 Brief van C. Ficq d.d. 27 augustus 1998 aan H. Holthuis (B1). 481 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001.
216 heeft bijgedragen aan een verdere verwijdering tussen twee hoofdrolspelers, Noordhoek en Van Brummen. 10.4.1 De mislukte deal van Snijders Reeds bij zijn aanhouding in juni 1997 gaf R. te kennen dat hij bereid was een deal te sluiten met justitie. In ruil voor strafvermindering zou hij verklaringen willen afleggen over de organisatie van de cocaïnetransporten en over de betrokkenheid van de verschillende verdachten hierin. De betrokken CID-officier in deze Zaanse zaak was Snijders. Hij hoopte dat door gesprekken met R. meer duidelijkheid kon worden verkregen over de financiers en leidinggevenden van de cocaïnetransporten, onder wie de “Taartman”. Deze informatie zou dan in het tactische onderzoek tegen de “Taartman” gebruikt kunnen worden. Daarnaast had Snijders, zo verklaarde hij in het interview, de hoop dat R. “CID-matig uitgemolken zou kunnen worden over Van V. en L..”473 Uiteindelijk zouden de contacten tussen R. en Snijders op niets uitlopen. De transcripten van de gesprekken die inmiddels waren gehouden zouden nooit worden gebruikt. Het breekpunt tussen Snijders en R. vormde diens raadsman. Deze advocaat was, zo wist Snijders, al jarenlang de raadsman van de “Taartman”.474 Snijders was van oordeel dat het niet juist en niet werkbaar was om tot een overeenkomst te komen met R. zolang hij een advocaat had die ook de belangen behartigde van de verdachte tegen wie R. juist als “kroongetuige” zou moeten optreden. Zoals Snijders het tijdens het interview uitdrukte475: “Met R. zijn twee of drie gesprekken gevoerd. Onmiddellijk heb ik aangegeven dat hij een andere advocaat moest nemen. Hij had namelijk dezelfde advocaat als de “Taartman”. R. kwam in dezen zijn afspraken niet na. Het werd mij bijvoorbeeld duidelijk dat hij direct na afloop van een gesprek de advocaat van de inhoud op de hoogte bracht. (…)Toen bleek dat R. zijn afspraken niet nakwam heb ik in overleg met de zaaksofficier in het Carex-onderzoek, besloten om de contacten met R. te verbreken.” R. voelde zich door Snijders onheus bejegend en weigerde nog langer verklaringen af te leggen. In januari 1998 werd hij naar België gebracht, om aldaar te worden verhoord in het onderzoek dat tegen de “Belgische Sapman” liep. Deze verhoren leverden geen nieuwe informatie op. R. werd weer naar Nederland teruggestuurd en verbleef tot aan zijn berechting in preventieve hechtenis. Hij werd in mei 1998 door de Haarlemse rechtbank veroordeeld tot 8 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf. 10.4.2 De geslaagde deal van Noordhoek Ondanks de hoogte van de straf besloot de Haarlemse zaaksofficier van justitie hoger beroep in te stellen. De rechtbank had R. voor een cocaïnetransport vrijgesproken. De zaaksofficier meende dat de kans op veroordeling door het hof voor dit transport betrekkelijk groot was en dat derhalve een hogere strafmaat tot de mogelijkheden behoorde. Intussen brachten twee rechercheurs van het LRT R. twee weken na zijn vonnis een bezoek in zijn cel. Het “aanlopen” van veroordeelden is volgens één van de betrokken rechercheurs een gebruikelijke manier van doen. R. gaf in het gesprek te kennen dat “de deur op een kier” stond.476 Hij zou, anders gezegd, wel willen meewerken aan een deal. Inmiddels was R.’s oude advocaat van het 473 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001. 474 Naderhand zou inderdaad blijken dat de “Taartman” de bewuste advocaat in de hand nam ten behoeve van zijn verdediging in de strafzaak. 475 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001. 476 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001.
215 de “Taartman” en medeverdachte Y. de verscheping van de 10.000 kg hasj naar Nederland hadden georganiseerd. In deze verklaringen kwam naar voren dat de “Taartman” in Sri Lanka in meubels en keramiek zou hebben gehandeld en meerdere containertransporten naar Nederland zou hebben geregeld, waarbij deze goederen werden vervoerd. Uit de verklaringen kwam ook naar voren dat deze goederen als legale deklading fungeerden voor hasj. Volgens een verklaring van Y. zou de “Taartman” in opdracht van een Nederlandse groepering hebben gehandeld. Hij zou hun “vertegenwoordiger” zijn geweest en ter verantwoording zijn geroepen voor de inbeslagname van de 10.000 kg. Hij zou toen ook bedreigd zijn. Door Noordhoek werd eind februari 1998 bij de rechter-commissaris in Amsterdam een gerechtelijk vooronderzoek gevorderd tegen de “Taartman” op grond van overtreding van de Opiumwet (import hasj). Op 10 maart 1998 werd hij aangehouden en verhoord. Hij ontkende alle betrokkenheid bij de handel in soft drugs. 10.3.3 De (strafrechtelijke) afloop Het 062-onderzoek bleek een betrekkelijk kort intermezzo voor het LRT. In beide zaken was voldoende bewijsmateriaal aanwezig. Zowel R. als de “Taartman” werden door de rechter veroordeeld. R. werd door de rechtbank te Haarlem op 26 mei 1998 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar in verband met de invoer van de partij cocaïne van 400 kilogram en een eerdere partij van 150 kilogram. Tevens werd hem op grond van art. 36e Sr. de verplichting opgelegd tot het betalen van 35.000 gulden in het kader van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Er werd geen hoger beroep ingesteld. De “Taartman” werd door de rechtbank te Amsterdam op 4 juni 1999 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar en een geldboete van 5 ton. Op 9 november 2000 werd hij door het Hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaar. Het Hof overwoog onder meer dat hij bij het transporteren en importeren van ongeveer 1500 kilo cocaïne vanuit Zuid-Amerika naar Nederland, een “bemiddelende, faciliterende – in het bijzonder financierende – en begeleidende rol” had gespeeld. In het organiseren van transporten met grote hoeveelheden hasj vanuit Sri Lanka had de “Taartman” naar het oordeel van het Hof een leidinggevende en initiërende rol vervuld. Hiermee had hij “bijgedragen aan het instandhouden van een, voor de samenleving schadelijk, illegaal geldcircuit, dat gepaard gaat met de handel in hasj”. De afloop was in strafrechtelijke zin dus succesvol. Maar de doelstelling van het 062-onderzoek was niet bereikt. Het 060-team had het onderzoek naar de “Taartman” overgenomen omdat verondersteld werd dat hij na zijn berechting verklaringen zou kunnen en willen afleggen over de mogelijke rol van L. en Van V.. De “Taartman” heeft echter zowel voor, tijdens als na zijn berechting geen enkele bereidheid getoond om hierover te verklaren. 10.4 De deal met R. Om de strategie te doen slagen dat de “Taartman” verklaringen zou gaan afleggen, zijn er eerst door Snijders en later door zijn collega Noordhoek initiatieven ondernomen om een “deal” te sluiten met R. De idee was dat R. veel zou kunnen verklaren over de “Taartman”. Wanneer de “Taartman” op basis van die verklaringen tot een (zware) straf zou zijn veroordeeld, zou hij een grote(re) bereidheid hebben om te gaan praten over L. en Van V. en over de wijze waarop cocaïnetransporten in de IRT- periode door de douane werden geloodst. Met name Snijders had bovendien de hoop dat R. zelf ook wetenschap had over L. en Van V. en hierover zou willen praten. Hoewel er uiteindelijk een deal met R. tot stand is gekomen, heeft deze – zoals zojuist al is gesteld – niet het beoogde effect gehad. De “Taartman” heeft weliswaar een zware straf gekregen, maar is niet gaan praten. De deal met R. heeft wel een onvoorzien effect gehad: de overeenkomst
