69 3 De discussie over de inrichting van het onderzoek in de zomer van 1996 3.1 Inleiding Al tijdens het parlementaire onderzoek van de Commissie-Van Traa en het feitenonderzoek van het Fort-team dat deze commissie voorzag van heel wat belangrijke informatie over het spel en de spelers in de IRT-affaire, zag het college van procureurs-generaal zich geconfronteerd met de vraag: wat te doen na afloop van deze onderzoeken die alle twee lang niet op alle vragen omtrent de werkelijke toedracht van deze affaire een bevredigend antwoord hebben gegeven. Al vlug kwam het college tot de conclusie dat een vervolgonderzoek niet alleen onontkoombaar maar ook wenselijk was. Maar deze conclusie riep op haar beurt een aantal nieuwe vragen op: waarom precies een onderzoek? En wat voor onderzoek dan? Waarnaar? En wie zou het kunnen en/of moeten uitvoeren? Met welke middelen en onder welke condities? Op welke termijn? Het zijn deze en nog andere belangrijke vragen die het stramien vormen van het hiernavolgende hoofdstuk.. 3.2 De aanloop van de discussie In maart 1996 bereidden het college van procureurs-generaal en het ministerie van Justitie zich voor op de openbaarmaking van het Fort-rapport. Een van de belangrijke vragen hierbij was wat er zou (moeten) worden gedaan met de bevindingen. Dit punt kwam voor het eerst formeel ter sprake in de vergadering van de Regiegroep Kennemerland op 6 maart 1996. Informeel was het al eerder aan de orde gesteld. Voor de eerste keer tijdens een bezoek van Docters van Leeuwen en Gonsalves aan het Fort-team. Docters van Leeuwen zei hierover het volgende36: “Halverwege dat onderzoek zijn Gonsalves en ik op bezoek geweest bij het Fort-team en heeft er een indringend gesprek plaatsgevonden met de heren Zwerwer en Cremers. Eigenlijk is toen de basis gelegd voor het post-Fort-traject. Want er bestond toen een zeer sterk vermoeden dat het hier om meer ging dan de escapades van de direct betrokkenen: Van V., L. en De J. Het idee was zeer sterk aanwezig dat er meer structurele zaken achter zouden moeten schuilen. We hadden slechts een klein deel van de olifant in beeld. De kernvragen die toen opdoemden betroffen eigenlijk twee zaken. Waar komt het geld vandaan? Waar gaat het geld naartoe? (…) Het einde van het Fort-rapport werd gemarkeerd door een aantal vragen. Doelbewust zijn die vragen zo open mogelijk geformuleerd om vooral niet – dit is met instemming van het college zo gebeurd – de schijn te wekken dat men op dat moment alles al wist, want dat deden we op dat moment zeker niet.” Maar dit was niet het enige strategische doel: “Met het bovenhalen van die onderste steen kom ik bij het tweede belang dat ik voor ogen had. Het moest onvermijdelijk gepaard gaan met het onder druk zetten van diverse politieke partijen om de voorzieningen te creëren die je in staat stellen om daadwerkelijk datgene te 36 Interview A. Docters van Leeuwen d.d. 17 januari 2001.
113 augustus 1996 de Kamer had laten weten dat zij een diskette met CID-informatie niet wilde overleggen aan het Parlement. Verder raadde hij aan om iemand die goed thuis was in de WOB te laten onderzoeken hoe houdbaar zijn standpunt was.176 Gonsalves volgde deze laatste aanbeveling op en verzocht op 9 december 1996 de landsadvocaat om hem met spoed van advies te dienen. De landsadvocaat maakte inderdaad haast. Op 17 december 1996 liet hij Gonsalves weten dat kon worden vastgesteld dat er grote bezwaren bestonden tegen het verstrekken van de gevraagde informatie. Zo zou openbaarmaking inzicht geven in de wetenschap die bestaat omtrent het handelen van een aantal criminele groeperingen en zouden lopende onderzoeken daardoor in het gedrang kunnen worden gebracht. Ook zou zij zicht geven op de door politie en justitie gehanteerde werkwijzen, onder andere die van observatieteams. En openbaarmaking zou ook inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van mensen. Wel zou kunnen worden bezien of Korvinus toch niet enigszins tegemoet kon worden gekomen door hem de gelegenheid te bieden gerichte vragen te stellen en hierop dan te reageren. 177 Dit advies werd door Gonsalves in zijn geheel overgenomen. Op 31 december 1996 schreef hij een brief van deze strekking aan Korvinus. Concrete vragen diende hij te richten aan het hoofd van het LBOM.178 Korvinus deed dit – als gevolg van zijn drukke werkzaamheden, zoals hij schreef – pas op 1 augustus 1997. Verderop in dit rapport zal dan ook worden teruggekomen op de beantwoording van deze vragen. Korvinus drong wel aan op een uitgebreide beantwoording in verband met de procedures die hij zowel in Engeland (revisie) als in Nederland (civiele procedure) wilde starten want hij was van mening dat zijn cliënt het slachtoffer was geworden van de activiteiten van de CID- Kennemerland. En ook graag een spoedige beantwoording omdat Van T. reeds vier jaar in een Engelse gevangenis verbleef waarvan het grootste deel onder “high security regime”.179 Het is overigens niet alleen aangewezen om hier op het begin van de kwestie Van T. te wijzen vanwege het feit dat zij eens te meer bewijst hoe belangrijk het in het najaar van 1996 was om de uiteenlopende onderzoeken te coördineren, maar ook omdat in april 1998 Snijders – ondanks zijn bezwaren tegen een dergelijke opdracht – door Ficq werd belast met een nader onderzoek naar de toedracht van de zaak. Dit naar aanleiding van (een herinnering d.d. 26 februari 1998 aan) de laatstgenoemde brief van Korvinus.180 Zijn rol in het post-Fort-onderzoek werd hierdoor nog groter dan zij op dat moment al was. Zie verder hierover hoofdstuk 11. 4.5 Een poging tot coördinatie door Holthuis Gelet op niet alleen het aantal en de aard van de onderzoeken maar ook op de onderhuidse spanningen tussen de diverse onderzoeksgroepen/onderzoekers was er dus alle reden om de onderlinge coördinatie ervan stevig ter hand te nemen. Hierom is het opmerkelijk dat er van de coördinatievergadering die op 2 december plaatsvond, geen verslag werd opgemaakt. Zodoende valt moeilijk te achterhalen waarover precies werd gesproken en welke concrete afspraken er (eventueel) werden gemaakt. Dat dit laatste in elk geval wel de bedoeling van de vergadering is geweest blijkt uit de agenda die op 29 oktober werd klaargemaakt. Hierin staat met zoveel woorden immers: “3. Nadere bepaling van doelstelling onderzoek LRT 060-01 in relatie tot de elders lopende onderzoeken. Eventuele bijstelling van onderzoeksdoelen van andere onderzoeksgroepen” en “4. Bepaling welke onderzoeken dienen te worden afgestemd en gecoördineerd”. Hoe er door de vertegenwoordigers van spoor 1 (Noordhoek) en spoor 2 (Zwerwer) tegen (de uitkomst van) deze vergadering werd 176 Brief D. Pijl d.d. 5 december 1996 aan R. Gonsalves (B8). 177 Brief landsadvocaat d.d. 17 december 1996 aan R. Gonsalves (B8). 178 Brief R. Gonsalves d.d. 31 december 1996 aan C. Korvinus (B8). 179 Brief C. Korvinus d.d. 1 augustus 1997 aan A. Docters van Leeuwen (C8). 180 Nota J. Snijders d.d. 10 mei 1999 aan H. van Brummen (D24) over het XTC-traject Engeland/Van T.-CID onderzoek Thunderbird.
112 Tenslotte past het om naar aanleiding van de behandeling van de zaak van “Haagse Kees” op het departement van Justitie te wijzen op het feit dat dit ministerie op dat moment bepaald niet was toegerust voor een adequate aanpak van zulke zaken. Sorgdrager vertelde ons173: “Het departement was in die tijd onvoldoende toegerust om de verwikkelingen van een complex onderzoek als dit goed te kunnen volgen en plaatsen. Te weinig mensen hadden kennis van en ervaring met hetgeen zich in de IRT-periode had voorgedaan. Er waren achteraf gezien ook te weinig mensen ingezet om de IRT-enquête en de onderzoeken die ermee verwant waren te begeleiden. Ook Borghouts had die achtergrond niet, maar voor een SG geldt in wezen hetzelfde als voor een minister: hij hoeft niet steeds tot in detail op de hoogte te zijn. Wel moeten de minister en de SG tijdig geïnformeerd worden wanneer dat nodig is. Eigenlijk konden de officieren van justitie die bij het departement gedetacheerd waren de situatie het beste beoordelen.” 4.4.4 De kwestie – Van T. Terwijl de teams 060 zich volop aan het installeren waren schreef de advocaat C. Korvinus – op 12 november 1996 – een brief aan de toenmalige hoofdofficier van justitie L. de Beaufort te Haarlem waarin hij vroeg om de beschikking te krijgen over het dossier waarop het Fort-team zich had gebaseerd bij de analyse van één van de zaken die het nader had onderzocht en die het ook had weergegeven in zijn rapport. Deze zaak betrof een zekere Van T. die – zo stelde Korvinus – in het begin van 1993 onder verantwoordelijkheid van de politie, in het bijzonder de CID, en het openbaar ministerie in Haarlem enkele malen als chauffeur had opgetreden van drugstransporten (XTC-pillen en amfetamine) naar Engeland onder de regie van een informant. In maart 1993 had de betrokken officier van justitie aangegeven dat hij slechts door wilde gaan met deze actie als de chauffeur en de auto ertussenuit werden gehaald omdat er ten aanzien van de chauffeur sprake was van uitlokking: de informant had hem op een gegeven moment een veel hoger bedrag geboden om door te gaan met de genoemde transporten. En nadien, zo citeerde Korvinus het Fort-rapport, “werden dan ook onder regie van politie en justitie nog meerdere transporten door deze chauffeur uitgevoerd”. Op 6 mei 1993 werd de chauffeur evenwel op Engelse bodem aangehouden en werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaar. Zijn aanhouding zou volgens het rapport een toevalstreffer zijn geweest en niet zijn veroorzaakt door een tip van de Nederlandse politie. Maar dit nam niet weg, volgens Korvinus althans, dat zijn cliënt in Nederland nimmer zou zijn vervolgd voor de betrokken feiten omdat er sprake was van “regelrechte uitlokking”. Hij had met de hulp van het ministerie van Justitie al geprobeerd om gedaan te krijgen van de Britse regering dat Van T. zijn straf mocht uitzitten in Nederland maar vanwege de hoogte van de straf waren de Engelse autoriteiten daartoe niet bereid. Hierom onderzocht hij thans de mogelijkheden om revisie van de zaak te bekomen in het Verenigd Koninkrijk en had daartoe het gevraagde dossier nodig zodat hij zich een beeld kon vormen van de CID- activiteiten die uiteindelijk tot de aanhouding van zijn cliënt hadden geleid”.174 De Beaufort maakte dit verzoek over naar Gonsalves en deze vroeg op 25 november de bewaarder van het dossier, Pijl, of de gevraagde gegevens zich in het dossier bevonden en na te gaan of aan het verzoek van Korvinus geheel of ten dele kon worden voldaan, en zo ja, onder welke voorwaarden.175 Op 5 december 1996 liet Pijl Gonsalves weten dat tot nu toe slechts leden van het openbaar ministerie toegang werd verleend tot de stukken en dat het hem ongewenst voorkwam het verzoek van een raadsman te honoreren. Hij bracht hierbij in herinnering dat de minister van Justitie in 173 Interview W. Sorgdrager d.d. 1 mei 2001. 174 Brief C. Korvinus d.d. 12 november 1996 aan L. de Beaufort (B8). 175 Brief R. Gonsalves d.d. 25 november 1996 aan D. Pijl (B 8). R. Gonsalves bracht C. Korvinus op dezelfde dag op de hoogte van zijn verzoek aan D. Pijl (B8).
111 verhaal. Borghouts vroeg mij of ik dat geval van (…) zelf wilde uitzoeken. “Kunt u dit oplossen?”, vroeg Borghouts. Ik herinner mij ook nog dat de minister mij gevraagd heeft hoe wij dit probleem van een overheid, die gegijzeld wordt door informanten, zouden kunnen tackelen. Ik heb toen gezegd: “geef me een klein team van specialisten, anderhalf jaar en reserveer een bedrag van 10 miljoen”. Dit bedrag kwam uit de losse pols en was gekscherend gebaseerd op de afkoopprijs van “Haagse Kees”. Ik gaf aan dat, als we de jongens een vette worst voorhouden, ze wel een boekje open doen over wat zich in het IRT- tijdperk nu daadwerkelijk heeft afgespeeld.” Ook op dit punt lopen de herinneringen van de betrokkenen echter zeer uiteen. Sorgdrager verklaarde tegenover ons dat zij Snijders in het geheel geen opdracht had gegeven en dat zij zich ook niets kon herinneren van een brief170: “Ik kan me die bijeenkomst nog wel voor de geest halen, ik zie die twee zo weer zitten. Docters van Leeuwen had voorgesteld om Snijders mee te nemen. De inhoud van het gesprek staat me niet helemaal meer helder voor de geest. Het was in ieder geval een behoorlijk ingewikkeld verhaal. Dat Borghouts een brief van (…) uit de binnenzak toverde, herinner ik mij niet. Snijders heeft van mij in ieder geval geen mandaat gekregen om zich langs de weg van de afbouw van informanten indringend bezig te gaan houden met de opheldering van de IRT-affaire.” Hoe dan ook, begin november 1996 was op het departement van Justitie niet duidelijk wat er nu precies was afgesproken op 24 september 1996.171 Aan deze onduidelijkheid kwam een einde door de brief die de minister van Justitie op 11 november 1996 aan Docters van Leeuwen stuurde. Onder verwijzing naar het feit dat zij tijdens dat gesprek had medegedeeld dat een en ander nader moest worden onderzocht en dat zij zich nog zou beraden op de vraag wie dit onderzoek moest doen, liet zij hem weten dat zij, gelet op de noodzakelijke distantie, had besloten dat dit onderzoek door de rijksrecherche diende te worden verricht. Vervolgens somde zij acht vragen op waarop dit onderzoek een antwoord moest geven en voegde hieraan toe dat zij er geen bezwaar tegen had dat de vragen 2- 8 werden meegenomen in het project dat naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek naar de RCID Kennemerland was gestart. De vragen waarom het ging hadden onder meer betrekking op de kwaliteit van de dreigingsanalyse die indertijd was gemaakt en op de kwaliteit en de tijdigheid van de aanpak van het onderzoek dat de betrokken hoofdofficier van justitie in april 1996 had laten instellen. De vraag (1) die hier buiten moest blijven was de vraag of de betrokken informant zich na de ontvangst van de twee miljoen ook daadwerkelijk in het buitenland had gevestigd. Deze vraag moest door de rijksrecherche apart worden beantwoord. En gelet op het politieke belang van de zaak verzocht zij Docters van Leeuwen om haar uiterlijk medio december 1996 te informeren over de resultaten van dit onderzoek. In het licht van het voorafgaande is het overigens opmerkelijk dat in deze brief met geen woord wordt gesproken over een opdracht aan Snijders. Zijn naam wordt in dit verband in het geheel niet genoemd.172 Dit gegeven vormt dus een bevestiging van de lezing die Borghouts en Sorgdrager op dit punt hebben gegeven van het onderhoud met Docters van Leeuwen en Snijders op 24 september 1996. 170 Interview W. Sorgdrager d.d. 1 mei 2001. 171 Nota d.d. 6 november 1996 aan de minister van Justitie (A5). 172 Brief minister van Justitie (namens haar ondertekend door de secretaris-generaal H. Borghouts) d.d. 11 november 1996 aan A. Docters van Leeuwen (A5).
110 “gijzeling van de strafrechtsketen” door rapporteur aan de orde gesteld. Aan het eind van het gesprek bracht de heer Borghouts de informant (…) ter sprake. Het bleek toen dat Z. direct een invulling gaf van het scenario welk door rapporteur aan de minister was geschetst. Op verzoek van de minister is toen een onderzoek door rapporteur opgestart naar het gestelde in de door (…) verzonden brief. Voor zo’n onderzoek is het noodzakelijk dat men gebruik maakt van alle relevante, ook besmette, CID informatie. Rapporteur heeft daarbij op dezelfde wijze gewerkt als bij de ambtsberichten voor “Haagse Kees” hetwelk impliceert dat rapporteur kennis heeft genomen van veel informatie uit de IRT periode.” Op één nota van Snijders na aan de toenmalige hoofdofficier van justitie De Beaufort zijn er geen andere stukken over wat er tijdens deze belangrijke vergadering – belangrijk voor het verdere vervolg van het onderzoek – werd besproken en besloten.166 Hoe ruim of hoe eng het mondelinge verzoek van de minister moe(s)t worden begrepen valt op deze manier dus niet uit te maken. Wel is het zo dat Borghouts tegenspreekt dat in de loop van dit onderhoud Snijders werd gevraagd om een (nader) onderzoek in te stellen. Borghouts167: “Snijders heeft op voorspraak van Docters de gelegenheid gekregen zijn visie direct aan de minister te vertellen. Dat was het enige doel van het gesprek; er was geen sprake van dat het gesprek bedoeld was om hem te machtigen voor het doen van onderzoek naar groei- informanten. Ik weet zeker dat het doel van het overleg alleen was om Snijders zijn visie te laten geven. De minister vond het overigens ongeloofwaardig. Ik kan me niet herinneren dat er gesproken is over een opdracht.” Het feit evenwel dat er “veel informatie uit de IRT periode” werd geraadpleegd, suggereert dat Snijders zélf aan het onderhoud met de minister niet alleen een opdracht ontleende maar zijn taak ook breed opvatte. Op 7 oktober 1996 adviseerde hij Docters van Leeuwen en via deze de minister van Justitie uitvoerig hoe in zijn ogen moest worden omgegaan met het verzoek van een informant om financiële schadevergoeding en beveiliging. Samengevat kwam zijn advies erop neer dat er geen reden was om dit verzoek in te willigen.168 In zijn interview werd Snijders gevraagd naar zijn herinneringen aan vorenstaande bijeenkomst. Om te beginnen memoreerde hij hoe de bespreking van het geval van “Haagse Kees” was verlopen: “Tot mijn verrassing zei Docters van Leeuwen gedurende drie kwartier niet veel en was ik vrijwel alleen aan het woord”. Vervolgens nam het gesprek een andere wending169: “De minister en secretaris-generaal wilden wel weten waarom ik eigenlijk was doorgegaan na de beantwoording van de Kamervragen over “Haagse Kees”. Ik heb toen gezegd dat ik niet stop met mijn normale activiteiten op het moment dat in politieke zin de wind gaat liggen. Ik beschouw die activiteiten als een onderdeel van het inlichtingenwerk. En bedenk wel: ik was in die tijd informantenbestanden aan het opruimen. In de paar jaar dat ik daarmee bezig was, was me wel duidelijk geworden dat we als overheid gegijzeld dreigden te worden door voormalige informanten. Ik ben daarover, nadat het hoofdstuk “Haagse Kees” was gesloten, nog drie kwartier aan het woord geweest. Op een gegeven moment haalde Borghouts een brief uit zijn zak afkomstig van (…). Die brief vormde meteen een bevestiging van mijn 166 Nota J. Snijders d.d. 7 oktober 1996 aan L. de Beaufort (gevoegd bij interview). 167 Interview H. Borghouts d.d. 24 april 2001. 168 Brief J. Snijders d.d. 7 oktober 1996 aan A. Docters van Leeuwen (D6). Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat M. van Traa op 20 september 1996 over deze aangelegenheid een brief schreef aan de minister van Justitie en haar vroeg om te bezien “of het mogelijk is dat een vertegenwoordiger van Justitie met (…) in contact treedt om zijn problemen te bespreken. Hij heeft mij tevens gevraagd U bijgaande brief te overhandigen” (D6). 169 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001.
109 adres in X. aan een nader onderzoek te laten onderwerpen teneinde vast te stellen wie er feitelijk woonden en of aan dat adres CID-subjecten gekoppeld waren. Op 10 mei 1996, zo vervolgde Docters van Leeuwen, liet Van der Voort Snijders telefonisch het resultaat van het onderzoek weten. Vanwege de eerdere commotie rond deze zaak en de eerdere persoonsverwisseling achtte Snijders het evenwel wenselijk om de informatie nogmaals te verifiëren, zodat onomstotelijk kon worden vastgesteld wie op dat adres woonden. Hiertoe stuurde Van der Voort op 28 juni 1996 aan Snijders een fax met daarop een foto die vermoedelijk die van de “man van twee miljoen” was. Gelet op de gevoeligheid van de hele kwestie bij de RCID-Kennemerland wilde Snijders deze foto toen echter niet bij deze dienst verifiëren. Hij wachtte tot zich een gelegenheid voordeed op basis waarvan onomstotelijk kon worden vastgesteld dat degene die op het adres in X. woonde de voormalige informant was.158 Na nog weer nieuwe berichten over deze zaak verzocht Borghouts op 9 augustus 1996 de korpschef van het KLPD om hem voor 26 augustus 1996 te informeren over wat er bij de CRI bekend was betreffende de verblijfplaats van de informant.159 Aan Docters van Leeuwen verzocht hij op dezelfde dag om hem nader te informeren over de verblijfplaats van de informant.160 Ondertussen bleven er maar Kamervragen binnenkomen met als gevolg dat de (plv.) secretaris- generaal van het ministerie van Justitie op 4 september 1996 Docters van Leeuwen opnieuw moest vragen om zo spoedig mogelijk een ambtsbericht te schrijven over de gestelde vragen.161 Mede naar aanleiding van deze brief stuurde Docters van Leeuwen de minister van Justitie op 5 september 1996 echter niet alleen conceptantwoorden op die vragen maar lichtte hij haar ook meer in detail in over de stappen die het openbaar ministerie eind april/begin mei 1996 had gezet.162 Deze nadere mededeling kwam erop neer dat Snijders naar aanleiding van de vragen van Sipkes en berichten in de krant over de vermeende aanhouding van de betrokkene het strafdossier van deze zaak had gelicht en samen met de hoofdofficier had bekeken of het waar was wat de kranten schreven. Uit deze controle bleek dat er sprake was van een persoonsverwisseling. Snijders trof in het dossier echter een combinatie van namen aan die hem bekend waren uit het criminele milieu waarin de voormalige informant verkeerde en die nog steeds contacten onderhielden met de betrokkene. Dit kon volgens hem duiden op mogelijke betrokkenheid van de informant bij drugshandel en op zijn mogelijke verblijf in Nederland. Hierop had hij eerst een nader onderzoek ingesteld bij de NCID en nadat hem was gebleken dat de informant in december 1995 was ingeschreven in X. had hij hierover Van der Voort geïnformeerd en hem gevraagd een nader onderzoek te laten doen. Dit onderzoek had – gelet op de gevoeligheid van de materie – omzichtig plaatsgevonden met als enig doel verscheidene mogelijk traceerbare handelingen voor het criminele milieu af te schermen. De opeenvolgende ambtsberichten riepen op het departement enige wrevel op over het trage tempo waarin het openbaar ministerie in zo’n gevoelig politiek dossier onderzoek liet doen.163 Hierom belegde de minister op 24 september 1996 een vergadering met Docters van Leeuwen, Snijders en Borghouts.164 Volgens het ambtsbericht dat Snijders op 12 juni 1999 aan Van Brummen schreef over de informatie die hij had verstrekt aan de Commissie-Kalsbeek werd de minister op deze vergadering geïnformeerd165: “(…) over de te verwachten problemen met de afbouw van deze informanten (uit de IRT- affaire, auteurs) en hun invloed op (lopende) strafzaken. Voor het eerst is toen de term 158 Brief A. Docters van Leeuwen d.d. 2 september 1996 aan de minister van Justitie (A5). 159 Brief H. Borghouts d.d. 9 augustus 1996 aan J. De Wijs (A5). 160 Brief H. Borghouts d.d. 9 augustus 1996 aan A. Docters van Leeuwen (A5). 161 Brief d.d. 4 september 1996 aan A. Docters van Leeuwen (A5). 162 Brief A. Docters van Leeuwen d.d. 5 september 1996 aan de minister van Justitie (A5). 163 Nota d.d. 10 september 1996 aan de minister van Justitie (A5). 164 Memo d.d. 5 november 1996 aan H. Borghouts (A5). 165 Nota J. Snijders d.d. 12 juni 1999 aan H. Van Brummen (C5).
108 4.4.2 De meineedzaak tegen L. en Van V. Op 28 augustus 1996 schreef Blok, op dat moment hoofdofficier te Den Haag, een brief aan Docters van Leeuwen waarin hij hem aan de hand van een nota van de betrokken zaaksofficier Slits op de hoogte bracht van de stand van het strafrechtelijk onderzoek naar vermoedelijke meineed tegen L. en Van V.153 Naar hun mening leek een succesvolle vervolging en veroordeling van beiden haalbaar indien het aanwezige bewijsmateriaal ten volle bruikbaar was en door de rechter als zodanig zou worden geaccepteerd. Wat de bruikbaarheid van het bewijsmateriaal betrof wierpen zij op dat een deel van de verklaringen die waren afgelegd tegenover het Fort-team wellicht van het bewijs zouden worden uitgesloten omdat zij in strijd met de gedane toezegging dit niet te zullen doen, toch waren ingebracht. En ten derde vroegen zij aandacht voor de mogelijke politieke implicaties, vooral ook wanneer de beide verdachten – in geval van een dreigende veroordeling – het achterste van hun tong zouden laten zien. Hierdoor zouden wellicht meer personen in de kring van politie en openbaar ministerie met wie zij hadden samengewerkt in de problemen kunnen komen. Op de vergadering van het college op 4 september 1996 kwam ook deze brief aan de orde. De beslissing van het college was dat de vervolging moest worden doorgezet.154 Een van de punten die in dit verband direct van belang was betrof een verzoek van Slits om terbeschikkingstelling van een bepaald stuk uit het Fort-archief. Na overleg met Zwerwer verleende Gonsalves op 12 september hier de toestemming voor.155 Ook dit voorval onderstreepte nog eens dat het 060-onderzoek, of toch in elk geval het Fort-archief, inderdaad (al dan niet vermeende) raakvlakken had en heeft met allerhande andere onderzoeken. 4.4.3 De affaire met “Haagse Kees” Op 22 augustus 1994 werd door de minister van Justitie ingestemd met het voorstel van de top van justitie – openbaar ministerie en departement – om een informant van de RCID-Kennemerland, bijgenaamd “Haagse Kees”, op een veilige manier af te bouwen. Deze operatie kostte 2 miljoen – een bedrag dat met name hierom zo hoog was omdat men er vanuit ging dat de betrokkene alleen in het buitenland een veilig bestaan kon opbouwen.156 Deze deal lekte in oktober 1995 via het weekblad Vrij Nederland uit en zorgde direct voor heel wat commotie. In april 1996 verschenen berichten in de pers dat de betrokkene eigenlijk Nederland helemaal niet had verlaten maar rustig in X. woonde. Ook deze berichten wekten weer de nodige beroering op in Haagse kringen en leidden tot een aantal vragen van het Kamerlid Sipkes. De minister van Justitie liet hierop door de landsadvocaat nagaan of het mogelijk was om de overeenkomst te ontbinden die met de informant was gesloten. Deze zag daar echter geen aanknopingspunten voor. Als de man had gekozen voor terugkeer naar Nederland dan was dat in beginsel zijn keuze en geen omstandigheid om de overeenkomst te ontbinden tenzij zou komen vast te staan dat de overheid door de informant werd misleid.157 Langs een andere weg kwam kort daarop de speurtocht naar de betrokken informant toch op gang. Onder verwijzing naar een eerder ambtsbericht (d.d. 1 mei 1996) waarin melding was gemaakt van een persoonsverwisseling met een neef van “Haagse Kees” in verband met een aanhouding terzake van een verkeersmisdrijf begin 1995, schreef Docters van Leeuwen op 2 september 1996 aan de minister van Justitie dat de betrokken CID-officier Snijders (na het ambtsbericht d.d. 1 mei 1996) zelfstandig het onderzoekstraject had voortgezet. Daaruit was gebleken dat de betrokkene in december 1995 was ingeschreven in de gemeente X. Begin mei 1996 had Snijders hierover de CID- officier Van der Voort van het parket Den Haag geïnformeerd en hem gevraagd het desbetreffende 153 Brief J. Blok d.d. 28 augustus 1996 aan A. Docters van Leeuwen (met nota F. Slits) (B6). 154 Uittreksel uit de notulen van de collegevergadering d.d. 4 september 1996 (B7). 155 Brief R. Gonsalves d.d. 12 september 1996 aan F. Slits (B6). 156 Memo wnd. DGPC d.d. 19 augustus 1994 aan secretaris-generaal (A5). 157 Brief landsadvocaat d.d. 26 april 1996 aan ministerie van Justitie (A5).
107 4.4.1 De zaak–Swennen Op 14 maart 1996 werd in een Amsterdams café een Belgische man doodgeschoten: M. Swennen. De dader werd kort daarop aangehouden. Uit het nadere onderzoek bleek dat genoemde Swennen belastende verklaringen had afgelegd over een politieman uit Antwerpen die betrokken zou zijn bij de invoer van containers met verdovende middelen. Deze containers kwamen binnen in de haven van Antwerpen en waren bestemd voor criminele organisaties in België en Nederland. Op 15 maart 1996 zou bedoelde Swennen foto’s en bandjes over zijn ontmoetingen met die politieman hebben overhandigd aan de Belgische justitie maar zover is het dus niet gekomen. Het parket Amsterdam had in dit verband interesse voor het traject van een welbepaalde container en vermoedde dat dit traject reeds in kaart was gebracht door het Fort-team. Hierom vroeg Vrakking bij brief van 3 oktober 1996 aan Gonsalves om de zaaksofficier inzage te verlenen in de analyse van dit traject.147 Deze stuurde de brief van Vrakking direct door aan Pijl met het verzoek na te willen (doen) gaan of de gevraagde gegevens zich bevonden in het Fort-archief en of er al dan niet bezwaar bestond tegen verstrekking en, zo ja, onder welke voorwaarden.148 Pijl reageerde ruim twee weken later met de mededeling dat in samenspraak met de Amsterdamse (politiële) teamleider – deze kreeg dus ook niet zelf toegang – het Fort-archief was bekeken en dat er geen relevante informatie in was aangetroffen.149 Gonsalves schreef dit op 20 november 1996 weer aan Vrakking. Wat deze briefwisseling natuurlijk niet laat zien is dat het verzoek van Amsterdam om inzage in het Fort-archief bij het team van spoor 1 onmiddellijk de wenkbrauwen deed fronsen. Van Gemert noteerde bij 3 oktober 1996 in zijn journaal dat hij over het verzoek van Amsterdam uitgebreid had overlegd met Noordhoek en Entken.150 Wat hen vooral verbaasde was dat het verzoek met Docters van Leeuwen was besproken en dat die akkoord was gegaan, want dit druiste toch in tegen de beslissing van het college dat alle trajecten bij het LRT moesten worden gedraaid. Zij spraken af dat dit voorval hen alert moest maken voor de toekomst. Tevens werd volgens dit journaal afgesproken dat zij nog een keer een vergadering met Pijl zouden beleggen en dat zij na een aantal weken de samenwerking met Zwerwer zouden evalueren en daaruit óók hun conclusies zouden trekken. Deze aantekening laat dus zien dat de betrokken partijen in de praktijk erg op hun hoede waren voor elkaar en in het bijzonder scherp in de gaten hielden hoe het college in het licht van zijn beslissing van 4 september 1996 te werk ging. Dat de argwaan van Van Gemert niet misplaatst was blijkt trouwens uit het interview met Teeven. “Amsterdam” zag in de zaak-Swennen inderdaad een mogelijkheid om de ware toedracht van de IRT- affaire te achterhalen151: “In elk geval wat Amsterdam betreft, en dan bedoel ik Vrakking en mij, moet men in dit verband natuurlijk niet vergeten, dat wij toch wel door de Commissie-Wierenga zwaar waren aangepakt en dat wij het gevoel hadden dat de onderste steen niet boven was gekomen. En dat fameuze telefoontje van mr. Van der Veen aan mr. Brilman gaf ons helemaal het gevoel dat de deksel op de put moest blijven.152 Ik bedoel dat telefoontje dat ik beter van de zaak K. zou afblijven. Maar dat telefoontje heeft wel de trend gezet voor 5 à 6 jaar en onze aandacht helemaal op K. gespitst. Kennelijk was dat de sleutel tot de “schatkamer”. En om bij hem te komen hebben wij in het najaar van ’96 de zaak-Swennen opgepakt. Ik heb toen echt wel van Vrakking de ruimte gekregen om dat helemaal uit te zoeken, de deksel van de put te lichten.” 147 Brief H. Vrakking d.d. 3 oktober 1996 aan R. Gonsalves (B8). 148 Brief R. Gonsalves d.d. 3 oktober 1996 aan D. Pijl (B8). 149 Brief D. Pijl d.d. 22 oktober 1996 aan R. Gonsalves (B8). 150 Dagboek W. van Gemert (F24). 151 Interview F. Teeven d.d. 7 februari 2001. 152 Mr. Brilman was op dat moment hoofd van de unit zware criminaliteit bij het Amsterdamse parket.
106 voor een strafrechtelijk onderzoek. Naar verwachting zal die voorbereidende fase begin 1997 zijn afgerond. Dan kunnen beslissingen worden genomen over het verdergaande tactische onderzoek.” Op de daaropvolgende vraag van Kamerlid H. Hillen of de minister ook bereid was de antwoorden op de 35 vragen uit het rijksrechercherapport aan de Kamer te sturen, antwoordde zij dat dit ervan afhing: als het strafrechtelijk materiaal was zou dat niet kunnen. Hierop repliceerde Hillen dat dit in een groot aantal gevallen niet zo hoefde te zijn en dat het antwoord op heel veel feitelijke vragen best naar de Kamer zou kunnen worden gestuurd. De minister zegde hierop toe dat ze die vragen zou beantwoorden als zij geen doorkruising vormden van een strafrechtelijk onderzoek. Dit zou misschien vertrouwelijk moeten gebeuren, afhankelijk van de aard van de gegevens.144 4.4 De aanpa lende onderzoeken Hiervoor werd reeds enkele keren aangehaald dat het 060-onderzoek, zeker voor insiders, raakvlakken had met diverse andere onderzoeken respectievelijk inlichtingen. Dit was natuurlijk ook het LBOM niet onbekend. Met het oog op de “afstemming in dit explosieve onderzoeksveld” nodigde Holthuis op 6 november de hoofdofficieren van justitie te Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Haarlem uit om de meest betrokken CID-officieren van justitie en/of zaaksofficieren van justitie af te vaardigen naar een vergadering waarop hieromtrent afspraken konden worden gemaakt.145 Met het oog op deze vergadering die uiteindelijk op 2 december 1996 plaatsvond bij het LBOM te Rotterdam werd door dit bureau een overzicht vervaardigd van de onderzoeken en berichten waarom het ging. Op dit overzicht prijkten in totaal 14 onderzoeken respectievelijk berichten. Uit de persoonlijke aantekeningen van een van de deelnemers aan deze vergadering – waarvan geen algemeen verslag werd gemaakt volgens de beschikbare archieven – kan worden opgemaakt dat niet alle onderzoeken meer actueel waren respectievelijk niet alle berichten op dat moment werden geëxploiteerd. Des te opmerkelijker is in zekere zin dat een van de voornaamste verdachten niet alleen werd aangemerkt als een object van onderzoek bij spoor 2 (onder de naam “MOT”) maar ook als object van onderzoek te boek stond bij de CID in Haarlem (“Diamant”) en bij de CID Haaglanden (“Pluto”).146 Bij dit overzicht moeten verder twee dingen worden aangetekend. Ten eerste dat het natuurlijk geen inzicht geeft in de omvang en/of diepgang van de betreffende onderzoeken respectievelijk gegevensstromen. En ten tweede dat het niet een volledige opgave bevat van alle relevante kwesties die in de omgeving van het 060-onderzoek speelden in die tijd. Juist omdat zij op het eerste oog weinig of niets te maken lijken te hebben met het 060- onderzoek is het van belang om hierna kort stil te staan bij de zaak-Swennen, het meineedonderzoek tegen L. en Van V., de affaire met “Haagse Kees” en de kwestie -Van T. Daarna zal worden bezien hoe het afliep met deze poging van Holthuis tot coördinatie van alle gerelateerde onderzoeken. 144 Tweede Kamer, 7 november 1996, TK 23, 23-1809/23-1810 (A1). 145 Brief H. Holthuis d.d. 6 november 1996 aan (de genoemde hoofdofficieren). Hij stuurde een kopie van deze brief aan A. Docters van Leeuwen en R. Gonsalves (B8). 146 Het betrokken overzicht kreeg geen bepaalde naam. Er staat alleen op dat het door LBOM werd vervaardigd. In de tekst is gebruik gemaakt van de versie van 2 december 1996 (C7). Dezelfde versie van dit overzicht bevindt zich in C1. Bij deze versie zit ook de versie van de agenda voor deze vergadering d.d. 29 oktober 1996.
105 het college door tussenkomst van Holthuis en Gonsalves. Belangrijk is ook dat in de vergadering werd vastgesteld dat het feit dat het hier ging om een zogenaamd verkennend opsporingsonderzoek, betekende dat de verkregen informatie in beginsel zou worden gebruikt in het opsporingsonderzoek van het LRT, spoor 1. Voor het verkennend onderzoek zou verder commitment worden gevraagd bij de betrokken hoofdofficieren van justitie en politiechefs in daartoe te organiseren bijeenkomsten. Mocht dit niet lukken, dan zou dat worden voorgelegd aan het college. Tenslotte werd besloten dat de minister in de overlegvergadering van 4 december 1996 zou worden geïnformeerd over de voortgang van spoor 1 en spoor 2. Het hoofd van het LBOM en de procureur-generaal die als portefeuillehouder fungeerde, zouden hiervoor een notitie aanleveren.140 Met het oog op deze vergadering stuurde Holthuis bij brief van 28 november 1996 de voortgangsrapportages betreffende “het strafrechtelijk onderzoek 060 spoor I en spoor II” naar de secretaris van deze vergadering.141 De rapportages waarom het ging waren aan de ene kant de hiervoor besproken startnotitie van 27/29 november van Godlieb voor het onderzoek van spoor 2 en aan de andere kant een korte (niet-gedateerde) nota van Noordhoek betreffende het onderzoek van spoor 1. In deze (korte) laatste nota werden slechts enkele punten aangestipt: de problemen met de start, de geplande fasering van het onderzoek en de toezegging dat de fase van de projectvoorbereiding zou worden afgesloten met de vaststelling van een of meerdere, concrete operationele doelstellingen, waarbij tevens zou worden onderzocht in hoeverre de verklaringen in het Fort-dossier konden worden gebruikt voor de bewijsvoering van de (mogelijke) strafbare feiten. De landsadvocaat zou in verband met deze vraag om advies worden gevraagd. Hierna zou de volgende fase van het strafrechtelijk onderzoek van start kunnen gaan. Wat de startnotitie van Godlieb betreft is het niet onbelangrijk te vermelden dat Zwerwer in zijn aanbiedingsbriefje aan Holthuis erop wees dat het team nog slechts aarzelend had kunnen starten, maar dat de eerste externe contacten de verwachting wettigden dat de samenwerking met het openbaar ministerie en de (grote) politiekorpsen goed zou verlopen.142 Tot een bespreking van deze stukken in de overlegvergadering van 4 december kwam het echter niet. Tijdens de vergadering van 3 december 1996 had het college namelijk besloten om de voortgangsnotitie over het post-Fort-team van de agenda van de overlegvergadering te halen, teneinde deze eerst in het college te kunnen bespreken. Zij werd op de agenda gezet voor de vergadering van het college op 11 december 1996.143 4.3.5 De discussie in de Kamer Bij het voorgaande mag overigens niet uit het oog worden verloren dat het toenmalige Kamerlid Kalsbeek bij de bespreking van de reactie van de regering op het rapport van de Commissie–Van Traa in de Kamer een vraag had gesteld over “de appendix” van het rijksrechercherapport. Minister Sorgdrager antwoordde hierop dat er: “(…) binnen het landelijk recherche team een team (is) samengesteld onder leiding van een specifiek daarvoor aangewezen officier van justitie. Dat team werkt onder het gezag van het hoofd van het landelijk bureau. Dat team is bezig met een analyse van de resultaten van het rijksrechercheonderzoek. Daarbij worden juist de onbeantwoorde vragen die in het rijksrechercherapport zijn opgenomen, betrokken. Het rijksrechercheonderzoek was een zogenaamd fact-findingonderzoek. Daardoor is de informatie uit dat onderzoek slechts ten dele bruikbaar voor strafrechtelijk onderzoek. Vandaar dat er nu een voorbereidende fase is 140 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 5 november 1996 (C7). 141 Brief H. Holthuis d.d. 28 november 1996 aan ministerie van Justitie (B1). 142 Brief S. Zwerwer d.d. 29 november 1996 aan H. Holthuis (B1). 143 Vergelijk de betreffende oplegnotitie in B7.
104 “(…) dat wij geen toegang hadden tot CID-informatie en het onmogelijk (bleek) om ook toegang te krijgen. Daar zat natuurlijk ook meteen een van de problemen met spoor 1. Want als wij toegang zouden krijgen tot de CID zaten we, weliswaar met een andere opdracht, natuurlijk onmiddellijk in dezelfde doelgroep als van spoor 1. En dit probleem van de CID- status is eigenlijk heel het onderzoek door gebleven en heeft ons enorm parten gespeeld. Het onderzoek kon op deze manier werkelijk niet slagen.” 4.3.3 De structurering van het overleg tussen de beide teams Naast het overleg in de twee teams vond er in de loop van november ook driemaal overleg tussen de beide teamleidingen plaats (op 6, 12 en 19 november 1996). Afgezien van een aantal materiële en technische kwesties kwamen er met name in de eerstgenoemde vergadering een paar punten aan de orde die rechtstreeks de operationele werking en samenwerking van de beide teams betroffen. In de beide laatstgenoemde vergaderingen werd over en weer gepraat over de voortgang van de bestudering van het Fort-archief en over de contacten die her en der in het land waren gelegd. Het eerste belangrijke punt dat in het overleg van 6 november aan de orde kwam was de mededeling dat Zwerwer en Godlieb in het college van procureurs-generaal “het fiat” hadden gekregen met betrekking tot de geformuleerde doelstelling van spoor 2. Het onderzoek van dit spoor had, zo werd opgetekend, “de status van een voorbereidend opsporingsonderzoek”. Verder werd afgesproken dat het exploiteren van contacten/benaderen va n informanten, ter voorkoming van doublures, in de teamleidersvergadering ter tafel zou komen. In het verlengde van deze afspraak werd eveneens vastgelegd dat de teamleidingen echt “open” naar elkaar (zouden) zijn; er zou geen sprake zijn van een embargo tussen de beide sporen. Vertrouwelijke informatie zou worden vastgelegd in een apart journaal dat alleen toegankelijk was voor de teamleiding met vermeldingen in het algemene journaal dat er nadere (vertrouwelijke) informatie was. Voor elk team zou een aparte kluis worden aangeschaft. Tenslotte werd overeengekomen dat de beide sporen elkaar zouden blijven informeren door de wederzijdse participatie van de analisten in de teamvergaderingen. 4.3.4 De reactie van het college van procureurs-generaal Gelet op de beslissende rol van het college van procureurs-generaal in de opzet van het gehele onderzoek is het van belang om ook hier de nodige aandacht te schenken aan de manier waarop het, al dan niet in samenspraak met de minister van Justitie, was betrokken bij de verdere concretisering van de onderzoeksplannen. In het overleg met de minister van Justitie op 9 oktober 1996 stond ook het 060-onderzoek op de agenda. Een van de procureurs-generaal deelde mee dat de formatie van het project 060 rond was maar dat het probleem van de huisvesting nog niet geheel was opgelost.139 Op 5 november 1996 stond de eerder aangehaalde nota van Zwerwer d.d. 1 november 1996 op de agenda van het college. Deze werd – zoals ook werd gememoreerd in het teamleidingenoverleg van 6 november – in aanwezigheid van Zwerwer en Godlieb (maar niet van Holthuis) besproken. Blijkens de notulen vond het college dat de formulering van de opdracht nog vaag bleef: zij omvatte geen concrete beschrijving van de aanpak, het tijdpad en de begroting. De teamleiding van haar kant zette uiteen dat het ging om een nader, verkennend onderzoek door een team dat nog maar net was begonnen. Er werd afgesproken dat het verkennend onderzoek rond 1 maart 1997 moest uitmonden in een concreet onderzoeksvoorstel, en dat het team tussentijds, in januari 1997, zou rapporteren aan 139 Notulen van de overlegvergadering van de minister van Justitie en het college van procureurs-generaal d.d. 9 oktober 1996 (C1).
68 Fort-dossier niet zonder meer konden aangewend in het eigen onderzoek. En het team van spoor 2 kon niet uit de voeten als gevolg van het al eerder gesignaleerde gebrek aan bevoegdheden en mogelijkheden. Daarenboven raakten de beide teams – mede als gevolg van de herformulering van de opdracht van het Zwerwer-team – meer en meer met elkaar in conflict. Wederzijdse ergernissen over de omgang met (mogelijke) informanten bewerkstelligden een breuk in hun onderlinge verhoudingen. Het gevolg hiervan was uiteindelijk dat het spoor 2-team in juni 1997 werd opgeheven. Ongeveer op hetzelfde moment als waarop het LRT-team via verschillende kanalen informatie ontving die het in staat stelden een strafrechtelijk onderzoek te starten. Maar tezelfdertijd kregen de Randstadparketten Haarlem – in de persoon van Snijders, gesteund door Van Brummen – en Amsterdam – in de persoon van Teeven, gesteund door Vrakking – de kans om alsnog hun eigen opties en belangen in het onderzoek naar de IRT-affaire door te zetten. Deze kans werd hen geboden in de vorm van een onderzoek naar (berichten over) de bedreiging van een officier van justitie in Noord-Holland. De verwikkelingen in de zomer en het najaar van 1997 worden besproken in hoofdstuk 7. Zij behelzen aan de ene kant gerichte opsporingsactiviteiten met betrekking tot twee van de vier personen tegen wie bij voorrang verdenkingen bestonden van betrokkenheid bij allerhande strafbare feiten. Deze acties liepen in de winter van 1997-1998, zij het ook op verschillende tijdstippen, uit op vorderingen van een gerechtelijk vooronderzoek tegen hen beiden die door een rechter-commissaris in Haarlem werden ingewilligd. De vraag die hierbij voor de hand ligt is natuurlijk waarom de andere twee onderzoekssubjecten buiten schot bleven. Aan de andere kant omvatten die verwikkelingen de negatieve afloop van het onderzoek naar de zo-even genoemde bedreiging door de officieren van justitie uit Amsterdam en Haarlem en de voorbereiding van een gewaagd initiatief van Snijders richting het buitenland: het zogenaamde “Schilderstraject”. Hoofdstuk 8 tenslotte is helemaal gewijd aan de vergadering die het college van procureurs- generaal op 26 november 1997 speciaal heeft besteed aan de onderzoeken naar de IRT-affaire. Hierbij zal eerst de presentatie van de onderscheiden onderzoeken worden besproken. Vervolgens zal worden ingegaan op de besluitvorming van het college omtrent hun voortzetting. En tenslotte wordt de nasleep van dit beraad in ogenschouw genomen.
103 Met betrekking tot de methode van onderzoek werd tot slot opgemerkt dat de aard van de te onderzoeken materie het nog niet mogelijk maakte “om een fraai ingekaderde en zich beperkende onderzoeksopdracht te formuleren”. Het team zou gaandeweg en in wisselwerking met spoor 1 het pad verder moeten verkennen. Bij deze verkenning zouden naast de hiervoor al genoemde onderzoeksactiviteiten ook een rol kunnen spelen: contacten met wetenschappers, het maken van een overzicht van liquidaties in relatie tot het onderzoeksveld, het maken van een inventarisatie van ex-politiemensen die in de privé-sector werkzaam zijn en het doorlichten van dossiers in enkele recente grote zaken.133 De notities van 1 november en 29 november 1996 zouden de indruk kunnen wekken dat team 2 zich in deze maand enkel bezighield met de bestudering van het Fort-archief. Uit het journaal van wat inmiddels ook wel het “Argus”-team werd genoemd, blijkt echter dat er meer gebeurde. In het bijzonder Zwerwer had in deze weken vrij intensief contact met Snijders over informatie en informanten in de sfeer van de drugshandel tussen Zuid-Amerika en Europa/Nederland en met hoofden van diverse RCID’en in het land over (de liquidatie van) informanten en bedenkelijke contacten van een politieman. Ook had hij een uitvoerig gesprek met wijlen Maarten Van Traa. Martena bracht op 27 november een uitvoerig bezoek aan het kernteam van Amsterdam. Op 4 december confereerden Zwerwer en Godlieb met de leiding van de CRI en kwamen volgens het journaal tot de conclusie: “spoor 2 en de CRI zijn zeer gebaat bij een innige samenwerking, hetgeen over en weer is toegezegd”. Er werd afgesproken dat waar nodig tussentijds overleg zou plaatsvinden en verder dat conceptrapportages zouden worden voorbesproken. Daarenboven werd de afspraak gemaakt dat er naast De Wit nog een tweede liaison bij het team zou worden geplaatst om de bij het team binnenkomende informatie frequent te kunnen matchen met CRI-bestanden.134 De contacten zoals die in de loop van november her en der in het land plaatsvonden deden de behoefte aan een reguliere toegang tot de CID-registers alleen nog maar scherper gevoelen. Zwerwer stuurde op 29 november 1996 een brief aan Holthuis met het verzoek om ervoor te zorgen dat alle leden van spoor 2 (voorzover nodig) een beschikking van de minister van Justitie zouden ontvangen op grond van art. 18, lid 5 Wet politieregisters. Een model voor een dergelijke beschikking had hij bijgevoegd.135 Docters van Leeuwen herinnert zich nog heel goed dat136: “Zwerwer een soort BVD-achtige status (wilde) hebben (…). Ze wilden in spoor 2 steeds meer bevoegdheden en ik hamerde er maar op in hun richting: “Begin nou maar gewoon en dan zien we wel waar het schip strandt”. Binnen spoor 2 had men veel moeite met het feit dat men geen rechtstreekse toegang had tot CID-registers.” Dit laatste was en is niet onbegrijpelijk als men weet wat Holthuis in dit verband naar voren bracht137: “Een van de problemen van spoor 2 was dat men niet binnen kwam bij de CID. Als men daar aan kwam dan werd gezegd dat de teamleden geen CID-status hadden, whatever it may be. Uiteindelijk kregen zij geen toegang tot de CID-bestanden. Ik denk dat de CID-chefs daartegen waren. Het team werd beschouwd als een bedreiging voor velen. De term pottenkijkers en matennaaiers werd al vrij snel gebruikt.” En ook Godlieb moest vaststellen138: 133 Een belangrijk deel van deze punten kwam al aan de orde in het teamoverleg dat plaatsvond op 19 november 1996. Zie “Besprekingspunten teamoverleg spoor 2 op 19/11//1996” (F11). 134 Journaal “Argus team” 1996/1997 (F7). 135 Brief S. Zwerwer d.d. 29 november 1996 aan H. Holthuis (F18). 136 Interview A. Docters van Leeuwen d.d. 17 januari 2001. 137 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001. 138 Interview A. Godlieb d.d. 1 februari 2001.
102 randvoorwaarden mogelijk was.131 De belangrijkste was wel het krijgen van toegang tot alle informatiebronnen. Dat dit niet zomaar zou lukken was hem duidelijk: “Dit heeft te maken met enerzijds het spanningsveld dat nu eenmaal door integriteitvragen wordt opgeroepen en anderzijds de vertrouwensvraag.” De actieve medewerking van het openbaar ministerie, de politie en korpsbeheerders aan het onderzoek achtte hij dan ook essentieel. Het hoofd van het LBOM zou hier de nodige stappen voor moeten ondernemen. De bronnen waarom het ging waren in de ogen van Godlieb niet alleen zogenaamde open bronnen maar onder meer ook het geheime onderzoeksmateriaal van de Commissie-Van Traa en relevante CID-gegevens. Hij sprak de hoop uit dat het team door de minister van Justitie zou worden geautoriseerd om kennis te nemen van de desbetreffende registers. Wat de planning van het onderzoek betreft werd in de startnotitie gesteld dat eerst en vooral commitment moest worden georganiseerd door het hoofd van het LBOM en de voorzitter van het college van procureurs-generaal bij de genoemde autoriteiten. Vervolgens moest aan de hand van het bronnenonderzoek, de monitoring van lopende onderzoeken en gesprekken met deskundige mensen uit de ambtelijke sfeer (openbaar ministerie, politie, bijzondere opsporingsdiensten, koninklijke marechaussee) worden gepoogd de hypotheses te onderbouwen. Hierbij zou de aandacht moeten worden toegespitst op de zogenaamde Hollandse netwerken. Omdat juist in verband met de verzameling van informatie geen onduidelijkheden mochten bestaan met betrekking tot de positionering van het team moesten alle leden formeel worden gedetacheerd bij het LBOM en daarmee rechtstreeks onder het gezag en beheer van het hoofd hiervan worden geplaatst. Het team zag er op het moment dat de startnotitie werd geschreven – tenminste op papier – als volgt uit: — Teamleiding: A. Godlieb (commissaris van politie), coördinatoren R. Martena en J. Reinbergen (hoofdinspecteur respectievelijk inspecteur van politie); — Tactisch onderzoek: Twee onderzoekers (nog te leveren door de regiokorpsen Utrecht en Amsterdam-Amstelland), een accountant, twee adviseurs van de rijksrecherche; — Analyse en administratie: Een analist, een administratief medewerkster en een adviseur: P. Schouten (bij het LRT ingedeeld vanuit CRI ten behoeve van spoor 1)132; — Liaisons: J. de Wit (LCID), BVD, inlichtingendienst rijksrecherche, FIOD en ECD; — Een chef de bureau (samen met spoor 1). In feite zag het team er heel anders uit. Diverse functies waren op dat moment niet ingevuld. De regiokorpsen hadden nog niemand geleverd, er was nog geen accountant en evenmin waren er medewerkers van de FIOD en ECD aan het team verbonden. Daarenboven kan erop worden gewezen dat Zwerwer eind november 1996 een wat ander team voor ogen stond dan in de zomer van 1996 (zie paragraaf 3.5.2). Van de BVD, de FIOD en de ECD was toen nog geen sprake. 131 In het teamoverleg van spoor 2 d.d. 26 november 1996 rees bij sommigen de nodige twijfel over de helderheid van deze doelstelling: “Het grote probleem bij de beantwoording van deze vragen is dat een heldere onderzoeksopdracht ontbreekt”. De discussie leidde tot de slotsom “dat we de grote lijnen moeten pakken en dat alleen de kern hard gemaakt moet worden”. S. Zwerwer voegde er volgens de notulen nog aan toe dat men zich niet al te zeer moest vermoeien met de juiste formulering van de doelstelling en de onderbouwing van de stellingen. Een beperkte doorlichting van het Fort-materiaal en een onderbouwing met recente informatie uit andere onderzoeken waren in zijn ogen voldoende voor een rapportage. Zie “Team vergadering spoor 2, 26 november 1996” (F11). 132 Het is wel belangrijk om er hier op te wijzen dat P. Schouten in zijn interview d.d. 9 februari 2001 zelf vertelde:” Mijn betrokkenheid begint bij spoor 1, daar was ik bij aangesteld. Ik was ervoor om als vraagbaak te dienen, omdat ik veel informatie had over wat er in het Fort-dossier zat. Men was toen in die tijd bezig om verwonderpunten op te stellen. Ik was er allen maar voor spoor 1, voor spoor 2 heb ik eigenlijk niks gedaan. Al was het zo dat ik mij voor spoor 2 beschikbaar zou hebben moeten houden”.
101 ongewild, actief of passief bescherming verleenden of steun boden aan criminelen of hun organisaties. Deze opdracht werd nader geconcretiseerd in een vijftiental beknopte substellingen, in de geest van: “Infiltranten worden gerund met de ogen gesloten voor de criminele nevenactiviteiten van deze personen” of “Criminelen worden geholpen bij de opzet van (semi)criminele frontstores” of “Er worden netwerken gebouwd die voorkomen dat corruptiesignalen ter bestemder plaatse doordringen” of ook nog “Overheidsdienaren hebben zichzelf verrijkt”. Qua werkwijze stelde Zwerwer dat het team als volgt dacht te werk te gaan: “Het materiaal verzameld door het Fort-team wordt geanalyseerd, aangevuld en vergeleken met (…) aanwezige CID-informatie, waar ook aanwezig en hoe ook geclassificeerd (geheime) info Commissie-Van Traa, info van de BVD, mogelijke bevraging nieuwe bronnen.” De teamleiding dacht, zo besloot Zwerwer, een viertal maanden nodig te hebben ten behoeve van de onderbouwing van de verschillende stellingen. Rond 1 maart zou er worden gerapporteerd en zou worden aangegeven hoe het onderzoek het beste zou kunnen worden gecontinueerd. Op 29 november 1996 stuurde Zwerwer ten behoeve van de overlegvergadering tussen het college van procureurs-generaal en de minister van Justitie (zie verderop) een uitgebreide startnotitie van het “onderzoek 60/2” naar Holthuis. Hij schreef erbij dat het team in verband met een noodzakelijke andere samenstelling nog niet geheel op sterkte was en nog slechts aarzelend had kunnen starten. Begin januari hoopte de teamleiding echter opnieuw te rapporteren en dan iets meer te laten zien van de kant die het onderzoek uitging.130 Wat behelsde deze startnotitie? Uitgaande van het Leitmotiv dat Zwerwer al in zijn nota van 1 november had geformuleerd en dat in deze startnotitie werd vertaald in de vraag: “In welke mate er bij de overheid, maar ook bij sleutelpersonen in andere belangrijke maatschappelijke sectoren, sprake is van “non-integriteit” in relatie tot georganiseerde criminaliteit”, werden vier stellingen omschreven en nader uitgewerkt. Deze stellingen waren de volgende: — Criminelen worden al dan niet langs legale weg geholpen bij hun criminele activiteiten; — Aan criminelen worden beschermingsconstructies geboden; — Het ambtelijk/bestuurlijk apparaat wordt misbruikt; — Criminele organisaties hanteren offensieve strategieën tegen personen. Verder werd nog een dringende vraag opgeworpen, namelijk die naar de financiële trajecten, een vraag die in het Fort-onderzoek was opengebleven. Bij deze vraag moest volgens de auteur worden gedacht aan kwesties als de betaling van illegale goederen, de kosten die in dit verband worden gemaakt, en het veilig stellen van de inkomsten via sponsoractiviteiten, witwasconstructies en kansspelen. Het doel van het onderzoek – dat deze keer expliciet werd betiteld als een “verkennend opsporingsonderzoek” met in een voetnoot de aantekening dat er inmiddels eveneens verkennend onderzoek gaande was naar mogelijkheden voor een tactisch vervolgonderzoek op basis van het Fort- materiaal – was om te onderzoeken in hoeverre deze stellingen een brede geldigheid hadden. Vervolgens zouden op basis van de uitkomsten aanbevelingen worden gedaan over de manier waarop een en ander in operationeel/tactisch opzicht een en ander verder kon worden aangepakt. Godlieb tekende hierbij aan dat het halen van deze doelstelling maar binnen bepaalde 130 Brief S. Zwerwer d.d. 29 november 1996 aan H. Holthuis (F 18). De uitgebreide startnotitie draagt de titel “LBOM:onderzoek 96060-spoor 2”. Zij dateert van 27 november 1996 en werd geschreven door A. Godlieb. H. Holthuis kreeg de versie die is gedateerd op 29 november 1996.
