• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • fort2_42

    106 voor   een   strafrechtelijk   onderzoek.   Naar   verwachting   zal   die   voorbereidende   fase   begin 1997   zijn   afgerond.   Dan   kunnen   beslissingen   worden   genomen   over   het   verdergaande tactische onderzoek.” Op de daaropvolgende vraag van Kamerlid H. Hillen of de minister ook bereid was de antwoorden op de 35 vragen uit het rijksrechercherapport aan de Kamer te sturen, antwoordde zij dat dit ervan afhing: als het strafrechtelijk materiaal was zou dat niet kunnen. Hierop repliceerde Hillen dat dit in een groot aantal  gevallen  niet  zo  hoefde  te  zijn  en  dat  het  antwoord  op  heel  veel  feitelijke  vragen  best  naar  de Kamer    zou    kunnen    worden    gestuurd.    De    minister    zegde    hierop    toe    dat    ze    die    vragen    zou beantwoorden als zij geen doorkruising vormden van een strafrechtelijk onderzoek. Dit zou misschien vertrouwelijk moeten gebeuren, afhankelijk van de aard van de gegevens.144 4.4 De aanpa lende onderzoeken Hiervoor    werd    reeds    enkele    keren    aangehaald    dat    het    060-onderzoek,    zeker    voor    insiders, raakvlakken  had  met  diverse  andere  onderzoeken  respectievelijk  inlichtingen.  Dit  was  natuurlijk  ook het  LBOM  niet  onbekend.  Met  het  oog  op  de  “afstemming  in  dit  explosieve  onderzoeksveld”  nodigde Holthuis   op   6   november   de   hoofdofficieren   van   justitie   te   Amsterdam,   Rotterdam,   Den   Haag   en Haarlem  uit  om  de  meest  betrokken  CID-officieren  van  justitie  en/of  zaaksofficieren  van  justitie  af  te vaardigen naar een vergadering waarop hieromtrent afspraken konden worden gemaakt.145 Met het oog op deze vergadering die uiteindelijk op 2 december 1996 plaatsvond bij het LBOM te Rotterdam werd door dit bureau een overzicht vervaardigd van de onderzoeken en berichten waarom het   ging.   Op   dit   overzicht   prijkten   in   totaal   14   onderzoeken   respectievelijk   berichten.   Uit   de persoonlijke   aantekeningen   van   een   van   de   deelnemers   aan   deze   vergadering   –   waarvan   geen algemeen verslag werd gemaakt volgens de beschikbare archieven – kan worden opgemaakt dat niet alle   onderzoeken   meer   actueel   waren   respectievelijk   niet   alle   berichten   op   dat   moment   werden geëxploiteerd.  Des  te  opmerkelijker  is  in  zekere  zin  dat  een  van  de  voornaamste  verdachten  niet alleen  werd  aangemerkt  als  een  object  van  onderzoek  bij  spoor  2  (onder  de  naam  “MOT”)  maar  ook als  object  van  onderzoek  te  boek  stond  bij  de  CID  in  Haarlem  (“Diamant”)  en  bij  de  CID  Haaglanden (“Pluto”).146 Bij  dit  overzicht  moeten  verder  twee  dingen  worden  aangetekend.  Ten  eerste  dat  het  natuurlijk geen   inzicht   geeft   in   de   omvang   en/of   diepgang   van   de   betreffende   onderzoeken   respectievelijk gegevensstromen. En ten tweede dat het niet een volledige opgave bevat van alle relevante kwesties die in de omgeving van het 060-onderzoek speelden in die tijd. Juist   omdat   zij   op   het   eerste   oog   weinig   of   niets   te   maken   lijken   te   hebben   met   het   060- onderzoek is het van belang om hierna kort stil te staan bij de zaak-Swennen, het meineedonderzoek tegen L. en Van V., de affaire met “Haagse Kees” en de kwestie -Van T. Daarna  zal  worden  bezien  hoe  het  afliep  met  deze  poging  van  Holthuis  tot  coördinatie  van  alle gerelateerde onderzoeken.                                                 144 Tweede Kamer, 7 november 1996, TK 23, 23-1809/23-1810 (A1). 145 Brief H. Holthuis d.d. 6 november 1996 aan (de genoemde hoofdofficieren). Hij stuurde een kopie van deze brief aan A. Docters van Leeuwen en R. Gonsalves (B8). 146 Het betrokken overzicht kreeg geen bepaalde naam. Er staat alleen op dat het door LBOM werd vervaardigd. In de tekst is gebruik gemaakt van de versie van 2 december 1996 (C7). Dezelfde versie van dit overzicht bevindt zich in C1. Bij deze versie zit ook de versie van de agenda voor deze vergadering d.d. 29 oktober 1996.

    fort2_41

    105 het college door tussenkomst van Holthuis en Gonsalves. Belangrijk is ook dat in de vergadering werd vastgesteld   dat   het   feit   dat   het   hier   ging   om   een   zogenaamd   verkennend   opsporingsonderzoek, betekende  dat  de  verkregen  informatie  in  beginsel  zou  worden  gebruikt  in  het  opsporingsonderzoek van  het  LRT,  spoor  1.  Voor  het  verkennend  onderzoek  zou  verder  commitment  worden  gevraagd  bij de   betrokken   hoofdofficieren   van   justitie   en   politiechefs   in   daartoe   te   organiseren   bijeenkomsten. Mocht dit niet lukken, dan zou dat worden voorgelegd aan het college. Tenslotte  werd  besloten  dat  de  minister  in  de  overlegvergadering  van  4  december  1996  zou worden  geïnformeerd  over  de  voortgang  van  spoor  1  en  spoor  2.  Het  hoofd  van  het  LBOM  en  de procureur-generaal die als portefeuillehouder fungeerde, zouden hiervoor een notitie aanleveren.140 Met   het   oog   op   deze   vergadering   stuurde   Holthuis   bij   brief   van   28   november   1996   de voortgangsrapportages  betreffende  “het  strafrechtelijk  onderzoek  060  spoor  I  en  spoor  II”  naar  de secretaris   van   deze   vergadering.141  De  rapportages  waarom  het  ging  waren  aan  de  ene  kant  de hiervoor  besproken  startnotitie  van  27/29  november  van  Godlieb  voor  het  onderzoek  van  spoor  2  en aan  de  andere  kant  een  korte  (niet-gedateerde)  nota  van  Noordhoek  betreffende  het  onderzoek  van spoor  1.  In  deze  (korte)  laatste  nota  werden  slechts  enkele  punten  aangestipt:  de  problemen  met  de start,     de     geplande     fasering     van     het     onderzoek     en     de     toezegging     dat     de     fase     van     de projectvoorbereiding   zou   worden   afgesloten   met   de   vaststelling   van   een   of   meerdere,   concrete operationele doelstellingen, waarbij tevens zou worden onderzocht in hoeverre de verklaringen in het Fort-dossier  konden  worden  gebruikt  voor  de  bewijsvoering  van  de  (mogelijke)  strafbare  feiten.  De landsadvocaat  zou  in  verband  met  deze  vraag  om  advies  worden  gevraagd.  Hierna  zou  de  volgende fase van het strafrechtelijk onderzoek van start kunnen gaan. Wat de startnotitie van Godlieb betreft is het  niet  onbelangrijk  te  vermelden  dat  Zwerwer  in  zijn  aanbiedingsbriefje  aan  Holthuis  erop  wees  dat het   team   nog   slechts   aarzelend   had   kunnen   starten,   maar   dat   de   eerste   externe   contacten   de verwachting wettigden dat de samenwerking met het openbaar ministerie en de (grote) politiekorpsen goed zou verlopen.142 Tot een bespreking van deze stukken in de overlegvergadering van 4 december kwam het echter niet.   Tijdens   de   vergadering   van   3   december   1996   had   het   college   namelijk   besloten   om   de voortgangsnotitie   over   het   post-Fort-team   van   de   agenda   van   de   overlegvergadering   te   halen, teneinde   deze   eerst   in   het   college   te   kunnen   bespreken.   Zij   werd   op   de   agenda   gezet   voor   de vergadering van het college op 11 december 1996.143 4.3.5 De discussie in de Kamer Bij  het  voorgaande  mag  overigens  niet  uit  het  oog  worden  verloren  dat  het  toenmalige  Kamerlid Kalsbeek  bij  de  bespreking  van  de  reactie  van  de  regering  op  het  rapport  van  de  Commissie–Van Traa  in  de  Kamer  een  vraag  had  gesteld  over  “de  appendix”  van  het  rijksrechercherapport.  Minister Sorgdrager antwoordde hierop dat er: “(…) binnen het landelijk recherche team een team (is) samengesteld onder leiding van een specifiek daarvoor aangewezen officier van justitie. Dat team werkt onder het gezag van het hoofd van het landelijk bureau. Dat team is bezig met een analyse van de resultaten van het rijksrechercheonderzoek.    Daarbij    worden    juist    de    onbeantwoorde    vragen    die    in    het rijksrechercherapport   zijn   opgenomen,   betrokken.   Het   rijksrechercheonderzoek   was   een zogenaamd  fact-findingonderzoek.  Daardoor  is  de  informatie  uit  dat  onderzoek  slechts  ten dele bruikbaar voor strafrechtelijk onderzoek. Vandaar dat er nu een voorbereidende fase is                                                 140 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 5 november 1996 (C7). 141 Brief H. Holthuis d.d. 28 november 1996 aan ministerie van Justitie (B1). 142 Brief S. Zwerwer d.d. 29 november 1996 aan H. Holthuis (B1). 143 Vergelijk de betreffende oplegnotitie in B7.

    fort2_40

    104 “(…)  dat  wij  geen  toegang  hadden  tot  CID-informatie  en  het  onmogelijk  (bleek)  om  ook toegang te krijgen. Daar zat natuurlijk ook meteen een van de problemen met spoor 1. Want als  wij  toegang  zouden  krijgen  tot  de  CID  zaten  we,  weliswaar  met  een  andere  opdracht, natuurlijk  onmiddellijk  in  dezelfde  doelgroep  als  van  spoor  1.  En  dit  probleem  van  de  CID- status  is  eigenlijk  heel  het  onderzoek  door  gebleven  en  heeft  ons  enorm  parten  gespeeld. Het onderzoek kon op deze manier werkelijk niet slagen.” 4.3.3 De structurering van het overleg tussen de beide teams Naast het overleg in de twee teams vond er in de loop van november ook driemaal overleg tussen de beide  teamleidingen  plaats  (op  6,  12  en  19  november  1996).  Afgezien  van  een  aantal  materiële  en technische kwesties kwamen er met name in de eerstgenoemde vergadering een paar punten aan de orde  die  rechtstreeks  de  operationele  werking  en  samenwerking  van  de  beide  teams  betroffen.  In  de beide    laatstgenoemde    vergaderingen    werd    over    en    weer    gepraat    over    de    voortgang    van    de bestudering van het Fort-archief en over de contacten die her en der in het land waren gelegd. Het   eerste   belangrijke   punt   dat   in   het   overleg   van   6   november   aan   de   orde   kwam   was   de mededeling   dat   Zwerwer   en   Godlieb   in   het   college   van   procureurs-generaal   “het   fiat”   hadden gekregen  met  betrekking  tot  de  geformuleerde  doelstelling  van  spoor  2.  Het  onderzoek  van  dit  spoor had, zo werd opgetekend, “de status van een voorbereidend opsporingsonderzoek”. Verder   werd   afgesproken   dat   het   exploiteren   van   contacten/benaderen   va n   informanten,   ter voorkoming  van  doublures,  in  de  teamleidersvergadering  ter  tafel  zou  komen.  In  het  verlengde  van deze afspraak werd eveneens vastgelegd dat de teamleidingen echt “open” naar elkaar (zouden) zijn; er  zou  geen  sprake  zijn  van  een  embargo  tussen  de  beide  sporen.  Vertrouwelijke  informatie  zou worden   vastgelegd   in   een   apart   journaal   dat   alleen   toegankelijk   was   voor   de   teamleiding   met vermeldingen  in  het  algemene  journaal  dat  er  nadere  (vertrouwelijke)  informatie  was.  Voor  elk  team zou een aparte kluis worden aangeschaft. Tenslotte  werd  overeengekomen  dat  de  beide  sporen  elkaar  zouden  blijven  informeren  door  de wederzijdse participatie van de analisten in de teamvergaderingen. 4.3.4 De reactie van het college van procureurs-generaal Gelet  op  de  beslissende  rol  van  het  college  van  procureurs-generaal  in  de  opzet  van  het  gehele onderzoek is het van belang om ook hier de nodige aandacht te schenken aan de manier waarop het, al  dan  niet  in  samenspraak  met  de  minister  van  Justitie,  was  betrokken  bij  de  verdere  concretisering van de onderzoeksplannen. In het overleg met de minister van Justitie op 9 oktober 1996 stond ook het 060-onderzoek op de agenda.  Een  van  de  procureurs-generaal  deelde  mee  dat  de  formatie  van  het  project  060  rond  was maar dat het probleem van de huisvesting nog niet geheel was opgelost.139 Op  5  november  1996  stond  de  eerder  aangehaalde  nota  van  Zwerwer  d.d.  1  november  1996  op de  agenda  van  het  college.  Deze  werd  –  zoals  ook  werd  gememoreerd  in  het  teamleidingenoverleg van  6  november  –  in  aanwezigheid  van  Zwerwer  en  Godlieb  (maar  niet  van  Holthuis)  besproken. Blijkens  de  notulen  vond  het  college  dat  de  formulering  van  de  opdracht  nog  vaag  bleef:  zij  omvatte geen concrete beschrijving van de aanpak, het tijdpad en de begroting. De teamleiding van haar kant zette uiteen dat het ging om een nader, verkennend onderzoek door een team dat nog maar net was begonnen.  Er  werd  afgesproken  dat  het  verkennend  onderzoek  rond  1  maart  1997  moest  uitmonden in een concreet onderzoeksvoorstel, en dat het team tussentijds, in januari 1997, zou rapporteren aan                                                 139 Notulen van de overlegvergadering van de minister van Justitie en het college van procureurs-generaal d.d. 9 oktober 1996 (C1).

    fort2_4

    68 Fort-dossier  niet  zonder  meer  konden  aangewend  in  het  eigen  onderzoek.  En  het  team  van  spoor  2 kon  niet  uit  de  voeten  als  gevolg  van  het  al  eerder  gesignaleerde  gebrek  aan  bevoegdheden  en mogelijkheden.  Daarenboven  raakten  de  beide  teams  –  mede  als  gevolg  van  de  herformulering  van de  opdracht  van  het  Zwerwer-team  –  meer  en  meer  met  elkaar  in  conflict.  Wederzijdse  ergernissen over    de    omgang    met    (mogelijke)    informanten    bewerkstelligden    een    breuk    in    hun    onderlinge verhoudingen. Het gevolg hiervan was uiteindelijk dat het spoor 2-team in juni 1997 werd opgeheven. Ongeveer op hetzelfde moment als waarop het LRT-team via verschillende kanalen informatie ontving die   het   in   staat   stelden   een   strafrechtelijk   onderzoek   te   starten.   Maar   tezelfdertijd   kregen   de Randstadparketten   Haarlem   –   in   de   persoon   van   Snijders,   gesteund   door   Van   Brummen   –   en Amsterdam  –  in  de  persoon  van  Teeven,  gesteund  door  Vrakking  –  de  kans  om  alsnog  hun  eigen opties en belangen in het onderzoek naar de IRT-affaire door te zetten. Deze kans werd hen geboden in  de  vorm  van  een  onderzoek  naar  (berichten  over)  de  bedreiging  van  een  officier  van  justitie  in Noord-Holland. De  verwikkelingen  in  de  zomer  en  het  najaar  van  1997  worden  besproken  in  hoofdstuk  7.  Zij behelzen   aan   de   ene   kant   gerichte   opsporingsactiviteiten   met   betrekking   tot   twee   van   de   vier personen  tegen  wie  bij  voorrang  verdenkingen  bestonden  van  betrokkenheid  bij  allerhande  strafbare feiten.  Deze  acties  liepen  in  de  winter  van  1997-1998,  zij  het  ook  op  verschillende  tijdstippen,  uit  op vorderingen  van  een  gerechtelijk  vooronderzoek  tegen  hen  beiden  die  door  een  rechter-commissaris in  Haarlem  werden  ingewilligd.  De  vraag  die  hierbij  voor  de  hand  ligt  is  natuurlijk  waarom  de  andere twee  onderzoekssubjecten  buiten  schot  bleven.  Aan  de  andere  kant  omvatten  die  verwikkelingen  de negatieve  afloop  van  het  onderzoek  naar  de  zo-even  genoemde  bedreiging  door  de  officieren  van justitie uit Amsterdam en Haarlem en de voorbereiding van een gewaagd initiatief van Snijders richting het buitenland: het zogenaamde “Schilderstraject”. Hoofdstuk  8  tenslotte  is  helemaal  gewijd  aan  de  vergadering  die  het  college  van  procureurs- generaal  op  26  november  1997  speciaal  heeft  besteed  aan  de  onderzoeken  naar  de  IRT-affaire. Hierbij zal eerst de presentatie van de onderscheiden onderzoeken worden besproken. Vervolgens zal worden ingegaan op de besluitvorming van het college omtrent hun voortzetting. En tenslotte wordt de nasleep van dit beraad in ogenschouw genomen.

    fort2_39

    103 Met  betrekking  tot  de  methode  van  onderzoek  werd  tot  slot  opgemerkt  dat  de  aard  van  de  te onderzoeken  materie  het  nog  niet  mogelijk  maakte  “om  een  fraai  ingekaderde  en  zich  beperkende onderzoeksopdracht  te  formuleren”.  Het  team  zou  gaandeweg  en  in  wisselwerking  met  spoor  1  het pad    verder    moeten    verkennen.    Bij    deze    verkenning    zouden    naast    de    hiervoor    al    genoemde onderzoeksactiviteiten  ook  een  rol  kunnen  spelen:  contacten  met  wetenschappers,  het  maken  van een  overzicht  van  liquidaties  in  relatie  tot  het  onderzoeksveld,  het  maken  van  een  inventarisatie  van ex-politiemensen   die   in   de   privé-sector   werkzaam   zijn   en   het   doorlichten   van   dossiers   in   enkele recente grote zaken.133 De notities van 1 november en 29 november 1996 zouden de indruk kunnen wekken dat team 2 zich in deze maand enkel bezighield met de bestudering van het Fort-archief. Uit het journaal van wat inmiddels   ook   wel   het   “Argus”-team   werd   genoemd,   blijkt   echter   dat   er   meer   gebeurde.   In   het bijzonder    Zwerwer    had    in    deze    weken    vrij    intensief    contact    met    Snijders    over    informatie    en informanten   in   de   sfeer   van   de   drugshandel   tussen   Zuid-Amerika   en   Europa/Nederland   en   met hoofden   van   diverse   RCID’en   in   het   land   over   (de   liquidatie   van)   informanten   en   bedenkelijke contacten   van   een   politieman.   Ook   had   hij   een   uitvoerig   gesprek   met   wijlen   Maarten   Van   Traa. Martena   bracht   op   27   november   een   uitvoerig   bezoek   aan   het   kernteam   van   Amsterdam.   Op   4 december   confereerden   Zwerwer   en   Godlieb   met   de   leiding   van   de   CRI   en   kwamen   volgens   het journaal  tot  de  conclusie:  “spoor  2  en  de  CRI  zijn  zeer  gebaat  bij  een  innige  samenwerking,  hetgeen over en weer is toegezegd”. Er werd afgesproken dat waar nodig tussentijds overleg zou plaatsvinden en  verder  dat  conceptrapportages  zouden  worden  voorbesproken.  Daarenboven  werd  de  afspraak gemaakt dat er naast De Wit nog een tweede liaison bij het team zou worden geplaatst om de bij het team binnenkomende informatie frequent te kunnen matchen met CRI-bestanden.134 De  contacten  zoals  die  in  de  loop  van  november  her  en  der  in  het  land  plaatsvonden  deden  de behoefte aan een reguliere toegang tot de CID-registers alleen nog maar scherper gevoelen. Zwerwer stuurde  op  29  november  1996  een  brief  aan  Holthuis  met  het  verzoek  om  ervoor  te  zorgen  dat  alle leden  van  spoor  2  (voorzover  nodig)  een  beschikking  van  de  minister  van  Justitie  zouden  ontvangen op  grond  van  art.  18,  lid  5  Wet  politieregisters.  Een  model  voor  een  dergelijke  beschikking  had  hij bijgevoegd.135 Docters van Leeuwen herinnert zich nog heel goed dat136: “Zwerwer  een  soort  BVD-achtige  status  (wilde)  hebben  (…).  Ze  wilden  in  spoor  2  steeds meer bevoegdheden en ik hamerde er maar op in hun richting: “Begin nou maar gewoon en dan  zien  we  wel  waar  het  schip  strandt”.  Binnen  spoor  2  had  men  veel  moeite  met  het  feit dat men geen rechtstreekse toegang had tot CID-registers.” Dit laatste was en is niet onbegrijpelijk als men weet wat Holthuis in dit verband naar voren bracht137: “Een van de problemen van spoor 2 was dat men niet binnen kwam bij de CID. Als men daar aan kwam dan werd gezegd dat de teamleden geen CID-status hadden, whatever it may be. Uiteindelijk   kregen   zij   geen   toegang   tot   de   CID-bestanden.   Ik   denk   dat   de   CID-chefs daartegen   waren.   Het   team   werd   beschouwd   als   een   bedreiging   voor   velen.   De   term pottenkijkers en matennaaiers werd al vrij snel gebruikt.” En ook Godlieb moest vaststellen138:                                                 133 Een belangrijk deel van deze punten kwam al aan de orde in het teamoverleg dat plaatsvond op 19 november 1996. Zie “Besprekingspunten teamoverleg spoor 2 op 19/11//1996” (F11). 134 Journaal “Argus team” 1996/1997 (F7). 135 Brief S. Zwerwer d.d. 29 november 1996 aan H. Holthuis (F18). 136 Interview A. Docters van Leeuwen d.d. 17 januari 2001. 137 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001. 138 Interview A. Godlieb d.d. 1 februari 2001.

    fort2_38

    102 randvoorwaarden   mogelijk   was.131   De   belangrijkste   was   wel   het   krijgen   van   toegang   tot   alle informatiebronnen. Dat dit niet zomaar zou lukken was hem duidelijk: “Dit  heeft  te  maken  met  enerzijds  het  spanningsveld  dat  nu  eenmaal  door  integriteitvragen wordt opgeroepen en anderzijds de vertrouwensvraag.” De   actieve   medewerking   van   het   openbaar   ministerie,   de   politie   en   korpsbeheerders   aan   het onderzoek  achtte  hij  dan  ook  essentieel.  Het  hoofd  van  het  LBOM  zou  hier  de  nodige  stappen  voor moeten   ondernemen.   De   bronnen   waarom   het   ging   waren   in   de   ogen   van   Godlieb   niet   alleen zogenaamde   open   bronnen   maar   onder   meer   ook   het   geheime   onderzoeksmateriaal   van   de Commissie-Van Traa en relevante CID-gegevens. Hij sprak de hoop uit dat het team door de minister van Justitie zou worden geautoriseerd om kennis te nemen van de desbetreffende registers. Wat  de  planning  van  het  onderzoek  betreft  werd  in  de  startnotitie  gesteld  dat  eerst  en  vooral commitment  moest  worden  georganiseerd  door  het  hoofd  van  het  LBOM  en  de  voorzitter  van  het college van procureurs-generaal bij de genoemde autoriteiten. Vervolgens moest aan de hand van het bronnenonderzoek, de monitoring van lopende onderzoeken en gesprekken met deskundige mensen uit   de   ambtelijke   sfeer   (openbaar   ministerie,   politie,   bijzondere   opsporingsdiensten,   koninklijke marechaussee)  worden  gepoogd  de  hypotheses  te  onderbouwen.  Hierbij  zou  de  aandacht  moeten worden   toegespitst   op   de   zogenaamde   Hollandse   netwerken.   Omdat   juist   in   verband   met   de verzameling    van    informatie    geen    onduidelijkheden    mochten    bestaan    met    betrekking    tot    de positionering   van   het   team   moesten   alle   leden   formeel   worden   gedetacheerd   bij   het   LBOM   en daarmee rechtstreeks onder het gezag en beheer van het hoofd hiervan worden geplaatst. Het  team  zag  er  op  het  moment  dat  de  startnotitie  werd  geschreven  –  tenminste  op  papier  –  als volgt uit: — Teamleiding:  A.  Godlieb  (commissaris  van  politie),  coördinatoren  R.  Martena  en  J.  Reinbergen (hoofdinspecteur respectievelijk inspecteur van politie); — Tactisch   onderzoek:   Twee   onderzoekers   (nog   te   leveren   door   de   regiokorpsen   Utrecht   en Amsterdam-Amstelland), een accountant, twee adviseurs van de rijksrecherche; — Analyse   en   administratie:   Een   analist,   een   administratief   medewerkster   en   een   adviseur:   P. Schouten (bij het LRT ingedeeld vanuit CRI ten behoeve van spoor 1)132; — Liaisons: J. de Wit (LCID), BVD, inlichtingendienst rijksrecherche, FIOD en ECD; — Een chef de bureau  (samen met spoor 1). In  feite  zag  het  team  er  heel  anders  uit.  Diverse  functies  waren  op  dat  moment  niet  ingevuld.  De regiokorpsen  hadden  nog  niemand  geleverd,  er  was  nog  geen  accountant  en  evenmin  waren  er medewerkers   van   de   FIOD   en   ECD   aan   het   team   verbonden.   Daarenboven   kan   erop   worden gewezen dat Zwerwer eind november 1996 een wat ander team voor ogen stond dan in de zomer van 1996 (zie paragraaf 3.5.2). Van de BVD, de FIOD en de ECD was toen nog geen sprake.                                                 131 In het teamoverleg van spoor 2 d.d. 26 november 1996 rees bij sommigen de nodige twijfel over de helderheid van deze doelstelling:   “Het   grote   probleem   bij   de   beantwoording   van   deze   vragen   is   dat   een   heldere   onderzoeksopdracht ontbreekt”.  De  discussie  leidde  tot  de  slotsom  “dat  we  de  grote  lijnen  moeten  pakken  en  dat  alleen  de  kern  hard gemaakt  moet  worden”.  S.  Zwerwer  voegde  er  volgens  de  notulen  nog  aan  toe  dat  men  zich  niet  al  te  zeer  moest vermoeien   met   de   juiste   formulering   van   de   doelstelling   en   de   onderbouwing   van   de   stellingen.   Een   beperkte doorlichting van het Fort-materiaal en een onderbouwing met recente informatie uit andere onderzoeken waren in zijn ogen voldoende voor een rapportage. Zie “Team vergadering spoor 2, 26 november 1996” (F11). 132 Het is wel belangrijk om er hier op te wijzen dat P. Schouten in zijn interview d.d. 9 februari 2001 zelf vertelde:” Mijn betrokkenheid begint bij spoor 1, daar was ik bij aangesteld. Ik was ervoor om als vraagbaak te dienen, omdat ik veel informatie had over wat er in het Fort-dossier zat. Men was toen in die tijd bezig om verwonderpunten op te stellen. Ik was  er  allen  maar  voor  spoor  1,  voor  spoor  2  heb  ik  eigenlijk  niks  gedaan.  Al  was  het  zo  dat  ik  mij  voor  spoor  2 beschikbaar zou hebben moeten houden”.

    fort2_37

    101 ongewild,    actief    of    passief    bescherming    verleenden    of    steun    boden    aan    criminelen    of    hun organisaties. Deze  opdracht  werd  nader  geconcretiseerd  in  een  vijftiental  beknopte  substellingen,  in  de  geest van:  “Infiltranten  worden  gerund  met  de  ogen  gesloten  voor  de  criminele  nevenactiviteiten  van  deze personen” of “Criminelen worden geholpen bij de opzet van (semi)criminele frontstores” of “Er worden netwerken  gebouwd  die  voorkomen  dat  corruptiesignalen  ter  bestemder  plaatse  doordringen”  of  ook nog “Overheidsdienaren hebben zichzelf verrijkt”. Qua werkwijze stelde Zwerwer dat het team als volgt dacht te werk te gaan: “Het  materiaal  verzameld  door  het  Fort-team  wordt  geanalyseerd,  aangevuld  en  vergeleken met    (…)    aanwezige    CID-informatie,    waar    ook    aanwezig    en    hoe    ook    geclassificeerd (geheime)    info    Commissie-Van    Traa,    info    van    de    BVD,    mogelijke    bevraging    nieuwe bronnen.” De teamleiding dacht, zo besloot Zwerwer, een viertal maanden nodig te hebben ten behoeve van de onderbouwing  van  de  verschillende  stellingen.  Rond  1  maart  zou  er  worden  gerapporteerd  en  zou worden aangegeven hoe het onderzoek het beste zou kunnen worden gecontinueerd. Op   29   november   1996   stuurde   Zwerwer   ten   behoeve   van   de   overlegvergadering   tussen   het college  van  procureurs-generaal  en  de  minister  van  Justitie  (zie  verderop)  een  uitgebreide  startnotitie van   het   “onderzoek   60/2”   naar   Holthuis.   Hij   schreef   erbij   dat   het   team   in   verband   met   een noodzakelijke  andere  samenstelling  nog  niet  geheel  op  sterkte  was  en  nog  slechts  aarzelend  had kunnen starten. Begin januari hoopte de teamleiding echter opnieuw te rapporteren en dan iets meer te laten zien van de kant die het onderzoek uitging.130 Wat behelsde deze startnotitie? Uitgaande van het Leitmotiv dat Zwerwer al in zijn nota van 1 november had geformuleerd en dat in   deze   startnotitie   werd   vertaald   in   de   vraag:   “In   welke   mate   er   bij   de   overheid,   maar   ook   bij sleutelpersonen  in  andere  belangrijke  maatschappelijke  sectoren,  sprake  is  van  “non-integriteit”  in relatie tot georganiseerde criminaliteit”, werden vier stellingen omschreven en nader uitgewerkt. Deze stellingen waren de volgende: — Criminelen worden al dan niet langs legale weg geholpen bij hun criminele activiteiten; — Aan criminelen worden beschermingsconstructies geboden; — Het ambtelijk/bestuurlijk apparaat wordt misbruikt; — Criminele organisaties hanteren offensieve strategieën tegen personen. Verder  werd  nog  een  dringende  vraag  opgeworpen,  namelijk  die  naar  de  financiële  trajecten,  een vraag  die  in  het  Fort-onderzoek  was  opengebleven.  Bij  deze  vraag  moest  volgens  de  auteur  worden gedacht  aan  kwesties  als  de  betaling  van  illegale  goederen,  de  kosten  die  in  dit  verband  worden gemaakt,   en   het   veilig   stellen   van   de   inkomsten   via   sponsoractiviteiten,   witwasconstructies   en kansspelen. Het   doel   van   het   onderzoek   –   dat   deze   keer   expliciet   werd   betiteld   als   een   “verkennend opsporingsonderzoek”  met  in  een  voetnoot  de  aantekening  dat  er  inmiddels  eveneens  verkennend onderzoek gaande was naar mogelijkheden voor een tactisch vervolgonderzoek op basis van het Fort- materiaal   –   was   om   te   onderzoeken   in   hoeverre   deze   stellingen   een   brede   geldigheid   hadden. Vervolgens   zouden   op   basis   van   de   uitkomsten   aanbevelingen   worden   gedaan   over   de   manier waarop  een  en  ander  in  operationeel/tactisch  opzicht  een  en  ander  verder  kon  worden  aangepakt. Godlieb     tekende     hierbij     aan     dat     het     halen     van     deze     doelstelling     maar     binnen     bepaalde                                                 130 Brief   S.   Zwerwer   d.d.   29   november   1996   aan   H.   Holthuis   (F   18).   De   uitgebreide   startnotitie   draagt   de   titel “LBOM:onderzoek  96060-spoor  2”.  Zij  dateert  van  27  november  1996  en  werd  geschreven  door  A.  Godlieb.  H. Holthuis kreeg de versie die is gedateerd op 29 november 1996.

    fort2_36

    100 gericht  mogelijk  uit  te  voeren:  op  een  beperkt  aantal  personen  en  vooral  op  hun  vermogenrechtelijke positie.125 Uit  het  persoonlijk  dagrapport  van  Entken  kan  worden  opgemaakt  dat  eind  november  nog  werd gedacht  om  het  onderzoek  te  concentreren  op  een  tiental  subjecten.  Op  2  december  1996  werd echter  beslist:  “6  subjecten  krijgen  een  subjectrapport”.126  De  teamleiding  was  er  zich  kennelijk  van bewust   dat   het   onderzoek   vrij   strak   moest   worden   afgebakend.   Hoe   de   inperking   ervan   tot   zes subjecten precies tot stand is gekomen, valt niet meer na te gaan. 4.3.2 De nadere plannen van spoor 2 Ook  sommige  (beoogde)  leden  van  spoor  2  wachtten  niet  de  presentatie  van  Schouten  en  De  Wit  af om zich voor te bereiden op het verdere onderzoek. Zwerwer zelf bijvoorbeeld  had  op  23  september  1996  een  bijeenkomst  met  vertegenwoordigers van de BVD. Bij deze gelegenheid zette hij niet alleen uiteen wat hem voor ogen stond, maar kon hij ook kennisnemen van BVD-materiaal.127 Op 1 oktober 1996 kwamen de rijksrechercheurs van  spoor  2  in  Tiel  samen  om  naar  aanleiding van een voorstel dat een van hen op papier had gezet, van gedachten te wisselen over een plan van aanpak voor het nadere onderzoek. Primordiaal was in hun ogen dat er eerst een inventarisatie werd gemaakt  van  de  onderzoeken  die  waren  voortgevloeid  uit  het  Fort-onderzoek.  Met  elkaar  wisten  zij van acht tot negen onderzoeken respectievelijk berichten, waaronder het onderzoek naar de meineed voor de Commissie-Van Traa, het onderzoek naar de moord op de informant Swennen, het onderzoek door  Brabant-Noord  naar  de  transporteur,  het  onderzoek  naar  de  criminele  activiteiten  van  een  CID- functionaris    in    Rotterdam-Rijnmond,    het    onderzoek    naar    een    mogelijk    corrupte    politieman    in Kennemerland,  informatie  over  de  vermeende  groei-informant  en  berichten  over  eigendommen  van Van   V.   en   L.   Belangrijk   is   verder   dat   de   deelnemers   aan   deze   bijeenkomst   dit   (deel   van   het) vervolgonderzoek duidelijk zagen als een “rijksrechercheonderzoek” en met klem stelden dat het niet te breed mocht uitwaaieren en dat het ook geen onderzoek moest worden dat in eerste instantie zou moeten  worden  verricht  door  een  normale  eenheid  van  de  rijksrecherche.  Een  van  hen  belastte  zich tot slot met een nadere uitwerking van het plan van aanpak. Op 7 oktober 1996 zou men elkaar weer zien.128 Of,  en  zo  ja,  hoe  de  rijksrechercheurs  hun  ideeën  verder  hebben  uitgewerkt  blijkt  niet  uit  de beschikbare stukken. Wel is het zo dat Zwerwer op 1 november 1996 via het hoofd van het LBOM een geheime nota aan het college van procureurs-generaal schreef waarin hij de onderzoeksopdracht van “team 60 spoor 2” nader preciseerde.129 Of deze nota door hem in overleg met (de) medewerkers van de  rijksrecherche  werd  opgesteld  blijkt  niet  expliciet  uit  dit  stuk.  Bepaalde  kwesties  die  erin  worden aangeroerd  wekken  echter  het  vermoeden  dat  dit  het  geval  is  geweest.  Hoe  dan  ook,  aan  de  hand van  de  openstaande  vragen  die  het  Fort-team  op  het  einde  van  zijn  rapport  had  geformuleerd  en onder verwijzing naar berichten en geruchten over corruptieve contacten formuleerde hij als  Leitmotiv dat  het  onderzoek  helderheid  moest  scheppen  omtrent  de  vraag  of  er  in  Nederland  personen  of instellingen bestonden – op de een of andere wijze gelieerd aan het overheidsapparaat – die gewild of                                                 125 Zie de nota “Opbouw om te komen tot een voorstel voor het tactische onderzoek” d.d. 9 december 1996 (C7) en het “Memorandum” over de opzet van 060 d.d. 9 december 1996 (C6). 126 Zie dagrapport P. Entken (F24). In het teamoverleg van 28 november 1996 werd eveneens kort gediscussieerd over de samenstelling  van  deze  namenlijst:  hoe  definitief  was  hij?  Er  werd  afgesproken  “dat  de  lijst  niet  limitatief  is.  Na  de selectie van de informatie aan de hand van de lijst, vindt de validering en koppeling aan subjecten plaats. Daarna kan het plan van aanpak worden samengesteld”. Zie “Vergaderverslag d.d. 28 november 1996. Spoor 1. Onderzoek 96060” (C7). 127 Notitie S. Zwerwer d.d. 3 september 1999 aan het college van procureurs-generaal (gevoegd bij interview). 128 “Verslag samenkomst Tiel d.d. 1 oktober 1996” d.d. 2 oktober 1996 (C1). 129 S. Zwerwer, “Nadere precisering onderzoeksopdracht team 60 spoor 2” d.d. 1 november 1996 d.t.v. hoofd LBOM aan het college van procureurs-generaal (C1).

    fort2_35

    99 4.3.1 De nadere plannen van spoor 1 Op  13  oktober  werd  er  binnen  het  LRT  een  eerste  versie  vervaardigd  voor  een  plan  van  aanpak  voor fase 1.124 Dit plan bestreek de periode 1 november 1996 tot 1 maart 1997. Er werd een onderscheid in gemaakt   tussen   zogenaamde   vooractiviteiten   en   hoofdactiviteiten.   Tot   de   vooractiviteiten   werden gerekend:  de  beantwoording  van  vragen  omtrent  de  bruikbaarheid  van  de  beschikbare  informatie  in relatie tot de status van de leden van het team, de verwerving van de informatie die had gediend voor de  samenstelling  van  het  rapport  van  de  rijksrecherche  (Fort-team),  het  onderbrengen  van  lopende onderzoeken  en  dientengevolge  het  beschikbaar  krijgen  van  de  betrokken  onderzoeksinformatie  en het   scannen   van   open   bronnen.   De   hoofdactiviteiten   omvatten   drie   dingen:   de   inventarisatie   en analyse   van   de   beschikbare   informatie,   de   formulering   van   een   voorstel   met   betrekking   tot   de haalbaarheid   van   een   tactisch   onderzoek   en   het   maken   van   een   projectplan   als   vervolg   op   dit voorstel. De  planning  van  al  deze  activiteiten  werd  in  de  vorm  van  een  stappenplan  gegoten.  De  eerste drie  stappen  die  moesten  worden  gezet  behelsden  de  lezing  van  beschikbare  literatuur,  de  inzage  in de   projecten   die   binnen   het   Fort-onderzoek   hadden   gelopen   en   de   formulering   van   “vragen   en verwonderpunten”   naar   aanleiding   van   de   kennisneming   van   het   Fort-archief.   Hiervoor   werd   de periode  1  november  1996  tot  8  december  1996  ingepland.  In  de  periode  9  december  1996  tot  20 december   1996   zouden   –   de   vierde   stap   –   de   beschikbare   gegevens   worden   aangevuld   via gesprekken   met   rechercheurs   die   aan   het   Fort-onderzoek   hadden   meegewerkt,   het   bijlopen   van lopende onderzoeken, het nalezen van de rapporten van de Commissie-Van Traa en andere. Stap vijf –  de  periode  20  december  1996  t/m  1  januari  1997  –  kwam  neer  op  het  opnieuw  benoemen  van “vragen en verwonderpunten” en op het vaststellen van deelprojecten. Tot 15 januari 1997 – stap zes –  zou  het  archief  opnieuw  in  ogenschouw  worden  genomen  in  functie  van  de  besluiten  uit  de  vorige periode en moest worden gepoogd om de verkregen gegevens te valideren en zo het afbreukrisico te beperken.  De  eerste  mijlpaal  –  stap  zeven  –  in  de  voorbereiding  zou  zijn  om  vanuit  de  doelstellingen 060   en   de   missie   van   het   LRT   de   rendabele   projecten   te   kiezen   en   de   omvang   ervan   en   de verantwoordelijkheid  ervoor  af  te  kaderen.  Stap  acht,  die  zou  duren  tot  15  februari  1997,  zou  in  het teken van het veredelen van de rendabele projecten staan, inclusief een “vermogensrechtelijke toets”. En stap negen tenslotte vormde de tweede “mijlpaal”, namelijk het formuleren van een projectvoorstel. Deze stap werd in de tijd bepaald op 1 maart 1997. Op  26  november  1996,  dus  nadat  men  reeds  enkele  weken  had  kunnen  kennisnemen  van  het Fort-archief,    vond    er    een    teamvergadering    plaats    over    de    concrete    aanpak    van    het    verdere onderzoek.   Op   deze   vergadering   werd   de   volgende   werkwijze   afgesproken:   de   verwonderingen vertalen  in  projecten,  deze  projecten  vervolgens  toewijzen  aan  diverse  personen,  vervolgens  elkeen belasten    met    de    analyse    van    een    deel    van    “de    kast”    voor    alle    projecten,    en    tenslotte    de projectverantwoordelijken  een  verslag  laten  opstellen  omtrent  hun  projecten,  uitmondend  in  concrete projectvoorstellen.   Deze   afspraak   was   niet   direct   voor   ieder   lid   van   het   team   even   helder   en/of geschikt en/of praktisch. Zo werd in het begin van december door een van hen een wat ander voorstel uitgewerkt.  In  dit  plan  werd  geopperd  om  de  informatie  betreffende  een  negental  personen  en  de bijbehorende rechtspersonen in een aparte database op te nemen. Welke informatie? Vooral die over hun  vermogen  (roerende  en  onroerende  goederen),  over  hun  administratieve  en  financiële  identiteit en  natuurlijk  ook  over  de  “verwonderpunten”  die  bij  de  kennisneming  van  het  Fort-archief  waren genoteerd.  Een  ander  drong  erop  aan  –  gegeven  ook  de  grote  tijdsproblemen  –  om  de  analyse  zo                                                 124 KLPD/LRT, “Plan van aanpak fase 1 onderzoek 96060”  d.d..  13  oktober  1996  (C7  en  F13).  Het  hierna  te  bespreken stappenplan maakt deel uit van dit plan. Volgens de beschikbare stukken zijn er overigens geen volgende versies van dit plan van aanpak gemaakt.

    fort2_34

    98 gegeven van Van Gemert. Het budget zelf zou evenwel bij het parket-generaal worden geparkeerd en achteraf  worden  verrekend.118  Voor  de  periode  1  november  –  1  maart  1997  werd  totaal  –  inclusief salariskosten – een bedrag van ƒ1.038.410 geraamd.119 Verder  kan  worden  opgemerkt  dat  er  voor  de  beide  teams  in  gemeenschappelijk  overleg  strikte huisregels  werden  vastgelegd  aangaande  de  toepassing  van  veiligheidsmaatregelen,  de  opslag  van kluisstukken, het schrijven van journaals et cetera.120 Deze maatregelen waren vanzelfsprekend mede ingegeven door het feit dat, toen eind oktober de inrichting van het betrokken gebouw gereed was, het Fort-archief  daarheen  kon  worden  overgebracht.  Met  de  nodige  veiligheidsmaatregelen  vond  op  5 november  de  overbrenging  plaats.121  Maar  dit  was  niet  het  enige  probleem  dat  in  dit  verband  moest worden   opgelost.   Om   de   bestudering   ervan   mogelijk   te   maken   was   het   op   grond   van   de   Wet politieregisters nodig om het onder te brengen in een nieuw tijdelijk politieregister. Tot op dat moment was Pijl, in zijn hoedanigheid van directeur rijksrecherche, beheerder geweest van (het register op) het Fort-archief.     Op     aangeven     van     Holthuis     besliste     Gonsalves     begin     november     evenwel     tot samenvoeging  van  dit  register  en  het  register  dat  het  LRT  inmiddels  in  het  raam  van  het  eigen onderzoek   had   geopend   onder   de   naam   “tijdelijk   politieregister   projectvoorbereiding   onderzoek 96060”.122  Van  Gemert  werd  als  beheerder  van  dit  nieuwe  samengestelde  register  aangewezen.  Op 12  november  1996  wees  hij  in  deze  hoedanigheid  een  lid  van  elk  team  aan  om  het  dagelijks  beheer over  de  betrokken  gegevens  te  voeren  en  machtigde  hij  alle  leden  van  de  beide  teams  om  er  –  op enkele  uitzonderingen  na  –  rechtstreeks  kennis  van  te  nemen.  In  een  nota  over  deze  regeling  voor alle medewerkers ging Van Gemert overigens ook in op de omstandigheid dat het gehele dossier nog onder het staatsgeheim viel. Hij schreef dat er voor was gekozen om vooralsnog het staatsgeheim op het  dossier  niet  op  te  heffen.  De  reden(en)  hiervoor  noemde  hij  echter  niet.  Wel  gaf  hij  aan  dat  na verloop van tijd moest worden bezien of voor documenten of gegevens die als basis moesten dienen voor  het  strafrechtelijk  onderzoek  van  spoor  1,  het  staatsgeheim  kon  worden  opgeheven.  De  eerste weken  van  november  werden  vervolgens  besteed  aan  de  kennisneming  van  het  omvangrijke  archief van het Fort-team (zo’n 77.000 bladzijden).123 4.3 De concretisering van de onderzoeksopdrachten Het  feit  dat  er  nagenoeg  drie  maanden  verstreken  alvorens  het  Fort-archief  met  vrucht  kon  worden bestudeerd wil niet zeggen dat er intussen niet verder werd nagedacht over de operationalisering van de    onderzoeksopdracht.    Om    een    zo    helder    mogelijk    beeld    van    deze    verdere    pogingen    tot concretisering  van  de  onderzoeksopdracht  te  krijgen  is  het  aangewezen  om  ze  hier  per  team  achter elkaar  te  zetten.  Vervolgens  zal  worden  aangegeven  hoe  ondertussen  het  overleg  tussen  de  beide teams  verliep.  Tenslotte  zal  worden  besproken  hoe  het  college  van  procureurs-generaal  in  november en december reageerde op de nadere onderzoeksplannen. Overigens  is  het  zo  dat  Schouten  en  De  Wit  de  analyses  die  zij  eerder  in  het  jaar  hadden gepresenteerd  aan  het  college  van  procureurs-generaal,  op  14  oktober  1996  ook  voorstelden  aan  de beide  onderzoekteams.  Wat  dit  betreft  creëerden  zij  dus  een  gelijkelijk  uitgangspunt  voor  de  beide teams. Al hun leden wisten waar het volgens deze analyses uiteindelijk om draaide.                                                 118 Brief H. Holthuis d.d. 7 oktober 1996 aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal (F18). 119 LRT, “1. Kostenoverzicht initiële kosten, 2. Begroting bijzonder opsporings project 96060 periode 1 november 1996 – 1 maart 1997” d.d. 8 november 1996 (F18). 120 Zie de nota’s hieromtrent van 5 november en 21 november 1996 (F18). 121 Deze gegevens zijn gebaseerd op de “tijdbalk” die als bijlage 2 is toegevoegd aan het ambtsbericht van H. Holthuis d.d. 26 mei 1999 aan het college van procureurs-generaal (B2). 122 Brief H. Holthuis d.d. 29 oktober 1996 aan R. Gonsalves (C8). 123 Nota van W. van Gemert d.d. november 1996 aan teamleden project 96060 betreffende “register onderzoekgegevens” (F18). Bij deze nota is ook een deel van de genoemde besluiten gevoegd.

    fort2_33

    97 In  een  voortgangsverslag  betreffende  spoor  2  van  half  december  1996  werd  in  verband  met  de rol   van   de   rijksrecherche   aanvankelijk   gedaan   of   er   niets   aan   de   hand   was.114   Er   werd   slechts opgemerkt  dat  er  in  de  voorfase  afspraken  waren  gemaakt  met  betrekking  tot  de  participatie  van  de rijksrecherche  in  het  onderzoek.  Vervolgens  werd  aangegeven  dat  er  drie  rijksrechercheurs  fulltime ten    behoeve    van    het    tactisch    onderzoek    werden    toegevoegd    en    op    ad    hoc    basis    twee inlichtingenrechercheurs van de rijksrecherche. Daarenboven had de BVD een liaison bij het team en de  CRI  eveneens.  Voor  het  noodzakelijke  analysewerk  was  tenslotte  een  analist  van  de  CRI-ARI Noord aangetrokken. Verderop in het verslag wordt echter uiteengezet dat er in de periode november – december een diepgaand  verschil  van  mening  ontstond  over  de  inzet  en  de  aansturing  van  de  rijksrechercheurs binnen    het    team.    Volgens    het    verslag    kon    Pijl    zich    –    wegens    de    door    hem    voorgestane onafhankelijkheid van zijn dienst – niet vinden in een positionering van zijn medewerkers onder leiding van de teamleider. Holthuis had dit geschil vervolgens beslecht in die zin dat de rijksrechercheurs niet rechtstreeks (zouden) worden aangestuurd door de teamleider en dat hun rol zou worden beperkt tot adviseurschap inzake het Kennemerland-materiaal. Om deze reden werd een van de rijksrechercheurs  uit  het  team  teruggetrokken  en  werd  –  ter  vervanging  van  de  vier  anderen  –  verder uitgezien   naar   ervaren   en   gekwalificeerde   rechercheurs   van   de   regiokorpsen,   in   het   bijzonder Amsterdam-Amstelland en Utrecht, gelet op de achtergronden van het onderzoek.115 Begin december 1996  zegde  de  korpsleiding  van  Utrecht  toe  een  rechercheur  te  willen  leveren.  Het  hoofd  van  het LBOM zou in die tijd de kwestie opnemen met de korpsleiding van Amsterdam-Amstelland. Maar half december  1996  waren  er  nog  geen  reguliere  rechercheurs  gearriveerd.  In  een  later  verslag  merkte Godlieb,  de  teamleider  van  spoor  2,  op  dat  deze  situatie  werd  veroorzaakt  door  de  aanname  van  de rijksrecherche  dat  het  onderzoek  in  feite  een  voortzetting  van  het  Fort-team  onder  haar  leiding  zou zijn.    Dat    het    vervolgens    moeilijk,    ja    zelfs    onmogelijk,    bleek    om    voor    de    vier    resterende rijksrechercheurs   vervangers   te   vinden,   was   volgens   hem   in   belangrijke   mate   te   wijten   aan   het ontbreken van zowel een formele inbedding van het team als van een formele legitimatie.116 Op deze redengeving komen wij later in dit rapport terug. Overigens  was  de  bemensing  van  dit  team  aan  de  kant  van  het  openbaar  ministerie  ook  een probleem. Volgens Godlieb vonden zowel de politieleiding als Zwerwer vanaf het begin117: “(…)   dat   er   een   tweede   officier   van   justitie   nodig   was.   Wij   wilden   Snijders   (openbaar ministerie Haarlem) wel, maar dit is toch niet gerealiseerd. Waarom het niet is gebeurd weet ik niet precies. Ik heb horen zeggen dat het college er niet voor voelde. Dat wil niet zeggen dat er geen contacten waren met Snijders. Hij kwam af en toe bij ons over de vloer, maar hij had  bijna  dagelijks  telefonisch  contact  met  Zwerwer  of  omgekeerd.  Ook  is  het  zo  dat  later bleek dat Snijders heel wat “tricky” dingen wist en dat wij hem hierom liever niet dagelijks in het team hadden. Wij vonden het eigenlijk wel goed dat hij alleen die relatie onderhield met Zwerwer. Het was beter dat niet iedereen weet had van al die dingen die Snijders wist.” De basisvoorwaarde waarvan de invulling naar verhouding de minste problemen met zich bracht was de financiering van het onderzoek. Begin oktober stuurde het hoofd van het LBOM een brief met een voorlopige  kostenraming  naar  het  college  van  procureurs-generaal.  Hij  beklemtoonde  hierin  dat  de totale   leiding   van   –   en   daarmee   de   verantwoordelijkheid   voor   –   strafrechtelijk   onderzoek   060   in formele  zin  bij  hem  berustte,  maar  dat  het  budgetbeheer  betreffende  dit  onderzoek  in  handen  was                                                 114 Zie de nota “Onderzoek LBOM 96060 spoor 2; tussenstand medio december 1996” (F1). 115 In zijn interview d.d. 1 februari 2001 merkte A. Godlieb op dat een medewerker van de rijksrecherche gewoon opstapte omdat hij (en de anderen) niet wilde(n) werken onder de leiding van leden van de reguliere politie. 116 Nota  van  A.  Godlieb  “Onderzoek  m.b.t.  faciliterende  structuren  georganiseerde  criminaliteit  (post-Fort-onderzoek)” d.d. 25 februari 1997 (F11). Deze nota was bedoeld als inleiding van een verslag over fase 1 van het onderzoek. 117 Interview A. Godlieb d.d. 1 februari 2001.

    fort2_32

    96 “(…)  hij  had  geen  informatiepositie  en  die  hadden  wij  zelf  in  het  begin  eigenlijk  ook  niet  en dan  wordt  het  heel  moeilijk  om  nog  gegevens  te  krijgen  van  anderen.  Zowel  voor  ons  als voor een CID-officier als Frits de Groot in dat geval.” Hier  kwam  bij,  zoals  Holthuis  heeft  aangegeven,  dat  De  Groot  niet  door  alle  betrokken  officieren  van justitie werd geaccepteerd.109 Het  feit  dat  het  team,  hoe  dan  ook,  niet  beschikte  over  een  dergelijke  officier  van  justitie  werd door de leiding110: “(…) wel gezien als een handicap. Noordhoek wilde deze lacune wel zelf invullen, maar het team  was  hier  erg  op  tegen,  want  dan  vermeng  je  precies  opsporing  aan  de  ene  kant  en CID-werk aan de andere kant.” Het  team  dat  spoor  2  moest  onderzoeken  kreeg  echter  met  zeker  zo  grote  problemen  te  kampen.  In de eerste plaats was de leiding van de CRI er niet zo happig op om twee mensen voor dit team af te staan.  Zij  wilde  aanvankelijk  voor  het  gehele  project  enkel  Schouten  ter  beschikking  stellen.111  In  de tweede plaats ontstond er een conflict met de rijksrecherche. Eerst leek dit probleem niet zo hoog op te   zullen   lopen   zoals   Zwerwer   had   gesuggereerd   in   zijn   onderzoeksplan   voor   het   college   van procureurs-generaal.  Op  15  oktober  1996  tekenden  vier  van  de  vijf  medewerkers  die  waren  bestemd voor   spoor   2   zelfs   een   verklaring   waarin   zij   Pijl   verzekerden   dat   zij   akkoord   gingen   met   de rechtspositionele  voorwaarden  die  deze  in  een  nota  van  11  oktober  1996  had  voorgesteld.112  Een maand   later   maakte   Pijl   echter   een   verklaring   op   over   de   positionering   van   de   rijksrecherche   in onderzoek  060  waarin  hij  strak  vasthield  aan  het  standpunt  dat  hij  op  13  augustus  1996  reeds  had ingenomen in zijn notitie aan Zwerwer. In deze verklaring, die kennelijk  was  bedoeld  als  een  convenant  tussen  Zwerwer,  Noordhoek  en hemzelf,  maar  die  –  in  de  versie  tenminste  waarover  wij  beschikken  –  kennelijk  alleen  door  hemzelf werd  ondertekend,  schreef  Pijl  dat  omtrent  de  positionering  van  de  rijksrecherche  in  onderzoek  060 was  afgesproken  dat  de  rijksrecherche  een  adviesfunctie  zou  vervullen  ten  behoeve  van  de  leiding van  spoor  1  en  spoor  2.  Dit  betekende  dat,  op  basis  van  de  kennis  uit  het  Fort-team,  zou  worden geadviseerd  aan  de  OM-leiding  van  beide  sporen.  Hiertoe  zouden  in  beginsel  de  vergaderingen  van de teamleidingen door de rijksrecherche worden bijgewoond. Externe uitvoeringshandelingen zouden in   het   kader   van   onderzoek   060   echter   niet   plaatsvinden.   Er   was   derhalve   geen   sprake   van onderschikking  van  de  rijksrecherche  aan  de  reguliere  politie  of  het  LRT.  Naar  zijn  mening  kon  ten behoeve   van   deze   adviesfunctie   worden   volstaan   met   de   deelname   van   twee   leden   van   de rijksrecherche. Na verloop van tijd kon worden bezien welke deelonderzoeken onder verantwoordelijkheid  van  de  rijksrecherche  zouden  worden  uitgevoerd.  De  inlichtingendienst  van  de rijksrecherche  zou  ondertussen  de  sporen  1  en  2  blijven  “bijlopen”  en  hiervoor  uitsluitend  worden aangestuurd door de OM-leiding van het onderzoek. “Vakmatig” zouden zij in hun activiteiten worden begeleid door de CID-officier van justitie De Groot van het LBOM.113                                                 109 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001. 110 Interview P. Entken d.d. 16 januari 2001. 111 Persoonlijk dagrapport van W. van Gemert (F24). 112 Nota rijksrechercheur d.d. 15 oktober 1996 aan D. Pijl (F18). 113 Verklaring  D.  Pijl  d.d.  20  november  1996  omtrent  “positionering  rijksrecherche  in  onderzoek  060”  (C1).  Kennelijk bestonden de gemengde gevoelens die W. van Gemert al eerder uit de mond van D. Pijl had opgetekend, ook in oktober nog.  In  zijn  persoonlijk  dagrapport  tekende  eerstgenoemde  tenminste  aan  bij  15  oktober:  “Gesproken  met  Dick  Pijl. Zijn  visie  op  de  zaak  doorgenomen.  Met  name  waar  het  gaat  om  een  haalbare  operationele  doelstelling.  Is  wederom dezelfde mening toegedaan. Ook voor zijn mensen geldt een wat onduidelijke lijn als het gaat om hoe groot de leiding is en wie waar over gaat” (F24).

    fort2_31

    95 het  betrokken  pand  geschikt  gemaakt  voor  de  huisvesting  van  de  beide  teams.  Op  28  oktober  kon deze  verdieping  in  gebruik  worden  genomen.  Vaste  telefoonverbindingen  waren  er  op  dat  moment nog niet.102  Op  7  mei  1997  werd  voor  de  huur  van  deze  locatie  met  terugwerkende  kracht  voor  de periode 1 november 1996 – 31 oktober 1997 een overeenkomst gesloten tussen de korpschef van het KLPD en de regionale directie van de domeinen.103 Ook de bemensing verliep bepaald niet gemakkelijk. Van Brummen – op dat moment verbonden aan  de  staf  van  het  college  van  procureurs-generaal  –  sprak  in  de  vergadering  van  het  college  van procureurs-generaal  op  25  september  zelfs  nadrukkelijk  zijn  zorgen  uit  over  het  beschikbaar  stellen van politiemensen.104 Het probleem speelde niet zozeer bij de samenstelling van het team voor spoor 1.     Dit     kon     immers     grotendeels     worden     bemand     met     leden     van     het     LRT.     Volgens     het voortgangsverslag  dat  op  27  maart  1997  werd  afgerond,  bestond  dit  team  in  het  najaar  van  1996  uit de volgende “functionaliteiten”105: — vanuit  het  LRT:  voltijds  een  teamleider,  een  projectvoorbereider,  een  seniorrechercheur  fraude, een   financieel   specialist   (econoom),   een   accountant   (AA),   en   deeltijds   het   hoofd   van   de financieel-economische kerngroep, het hoofd van de CID en een medewerker van de CID; — en  “anderen”:  de  zaaksofficier  LBOM,  een  parketsecretaris  en  een  administratief  medewerker LBOM, een analist van de CRI (Schouten) en twee liaisons van de rijksrecherche. Omdat er nadien bij voortduring onduidelijk heeft bestaan over de plaats van Schouten in dit verband is het aangewezen hem hier zelf kort over aan het woord te laten106: “Mijn  betrokkenheid  begint  bij  spoor  1,  daar  was  ik  bij  aangesteld.  Ik  was  ervoor  om  als vraagbaak te dienen, omdat ik veel informatie had over wat er in het Fort-dossier zat. (…) Ik was geplaatst in spoor 1 maar was volgens afspraak ook beschikbaar voor vragen van spoor 2.  Ik  was  ook  samen  met  de  analist  van  spoor  2,  die  de  hele  materie  niet  kende,  op  een kamer geplaatst.” Het LRT-team stond onder de directe leiding van Entken. Zoals Van Gemert zei107: “Hij  was  verantwoordelijk  voor  de  uitvoering  van  het  onderzoek.  Mijn  verantwoordelijkheid behelsde  het  functioneren  van  het  LRT  in  het  algemeen.  Ik  was  verantwoordelijk  voor  de sturing  aan  en  de  samenwerking  tussen  de  verschillende  partijen.  Ik  moest  er  ook  voor zorgen dat de randvoorwaarden voor het onderzoek goed vervuld waren.” Opmerkelijk is overigens dat er bij “de anderen” geen melding werd gemaakt van een CID-officier van justitie. Dit wil echter niet zeggen dat er geen was. Formeel trad namelijk De Groot, de CID-officier van het LBOM, als zodanig op. Maar, zo beweerde Entken108:                                                 102 Vergelijk  de  mutaties  in  het  persoonlijk  dagrapport  van  P.  Entken  (F24).  Ingevolge  de  vernieuwde  regeling  d.d.  18 september 1996 voor de toekenning van middelen uit de zogenaamde BOP-pot konden de aanvragen voor het jaar 1996 worden  ingediend  tot  25  oktober  1996.  Zie  de  Brief  van  A.  Docters  van  Leeuwen  d.d.  2  oktober  1996  aan  de procureurs-generaal bij de gerechtshoven (F18). Verder ook de brief van P. Entken d.d. 25 september 1996 aan H. van Brummen over nog een andere militaire locatie (B8). 103 “Akte van administratieve ingebruikgeving” d.d. 7 mei 1997 (F18). 104 Uittreksel vergadering college van procureurs-generaal  d.d.  25  september  1996  (B7).  Een  van  de  procureurs-generaal wees erop dat de politie mensen moest leveren en dat de minister van Justitie ze desnoods kon opeisen. 105 Rapportage 96060 d.d. 27 maart 1997, blz. 5 (F23). 106 Interview P. Schouten d.d. 9 februari 2001. 107 Interview W. van Gemert d.d. 30 januari 2001. 108 Interview P. Entken d.d. 16 januari 2001.

    fort2_30

    94 4 Najaar 1996: de start van de beide teams 4.1 Inleiding Uit de onderzoeksvoorstellen die hiervoor zijn weergegeven blijkt dat de beide teams enige maanden nodig  dachten  te  hebben  voor  de  voorbereiding  van  de  definitieve  projecten.  Zij  hoopten  eind  januari 1997   of   uiterlijk   1   februari   1997   hiermee   klaar   te   zijn.   Deze   termijn   werd   echter   niet   gehaald. Uiteindelijk  konden  er  pas  in  maart  1997  meer  concrete  voorstellen  worden  gepresenteerd  aan  het college  van  procureurs-generaal.  Deze  vertraging  wijst  er  reeds  op  dat  de  zaken  in  de  maanden daarvoor  minder  gemakkelijk  zijn  verlopen  dan  men  begin  september  had  gedacht  of  gehoopt.  Er deden  zich  inderdaad  in  deze  periode  heel  wat  complicaties  voor.  Om  een  ordentelijk  overzicht  te geven  van  de  belangrijkste  ontwikkelingen  en  problemen  die  zich  in  deze  relatief  lange  periode  – zeven  maanden  –  hebben  afgespeeld,  is  dan  ook  geen  sinecure.  De  reconstructie  daarvan  kan  het beste in fasen gebeuren. De eerste fase die kan worden onderscheiden loopt van begin september tot begin  december  1996  toen  het  college  van  procureurs-generaal  en  de  minister  van  Justitie  de  eerste keer werden geconfronteerd met rapportages over de voortgang van de onderzoeken. De tweede fase –  van  begin  december  tot  eind  maart  –  wordt  in  hoofdstuk  vijf  besproken.  In  deze  laatste  fase  werd zoveel als mogelijk gewerkt aan de voorbereiding van operationele projecten. 4.2 De invulling van de randvoorwaarden Op  10  september  –  dus  daags  voordat  de  onderzoeksplannen  ter  kennis  werden  gebracht  van  de minister  van  Justitie  –  vond  er  een  kennismakingsgesprek  plaats  tussen  Zwerwer  enerzijds  en  Van Gemert  en  diens  plaatsvervanger  anderzijds.  Blijkens  de  aantekeningen  van  beide  laatstgenoemden voor een agenda kwamen er in dit gesprek heel wat punten aan de orde: het delen van de voorkennis, de   uitwisseling   van   informatie,   en   natuurlijk   ook   allerhande   materiële,   financiële   en   personele kwesties.100   Zonder   huisvesting,   mensen,   middelen   en   informatie   valt   er   nu   eenmaal   weinig   te onderzoeken. Hierom wordt hierna eerst kort ingegaan op de realisering van deze basisvoorwaarden. Die  verliep  bepaald  niet  gemakkelijk.  Gegeven  het  feit  dat  het  onderzoek  door  het  LRT  moest worden verricht pleitte Holthuis ervoor om de twee sporen101: “(…)  vlak  bij  elkaar  te  zetten  op  één  locatie.  Ik  ben  een  praktisch  ingesteld  iemand  en  ook optimistisch. Ik had de hoop dat het toch nog zou lukken met de samenwerking als men op één locatie zou zitten.” Het  gebouw  waarop  men  eerder  al  zijn  zinnen  had  gezet,  bleek  uiteindelijk  toch  niet  beschikbaar  te zijn. Halverwege september moest dan ook hals over kop naar een andere ruimte worden gezocht. Na de  nodige  moeite  werd  begin  oktober  een  gebouw  getraceerd  dat  op  zichzelf  wel  geschikt  was  maar nog helemaal moest worden ingericht. Met behulp van gelden uit de “BOP-pot” werd een verdieping in                                                 100 Zie de aantekening “Gesprek AG S. Zwerwer d.d. 10.9.1996/10.00 uur” in F24. Verder maakt W. van Gemert ook in zijn persoonlijk dagrapport melding van dit gesprek (F24). 101 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001. S. Zwerwer stelde in zijn interview dat er uit zuinigheid werd gekozen voor een en dezelfde locatie.

    fort2_3

    67 Algemene inleiding De periode die in dit deel wordt behandeld, is een lange periode. Zij beslaat ruim anderhalf jaar. Deze periode  vangt  aan  met  de  eerste  algemene  discussie  op  het  niveau  van  het  college  van  procureurs- generaal  over  het  vervolg  dat  het  Fort-onderzoek  moest  krijgen  en  eindigt  met  zijn  eerste  algemene beoordeling van de resultaten van het onderzoek dat werd verricht. Tussen deze twee tijdstippen is er echter veel gebeurd. Om  te  beginnen   vond   er   in   het   voorjaar   en   de   zomer   van   1996   een   al   met   al   ingewikkelde discussie  plaats  tussen  het  college,  het  landelijk  parket,  het  LRT  en  de  voormalige  leiding  van  het Fort-team  over  de  aanpak  van  het  vervolgonderzoek:  wat  voor  onderzoek  moest  het  worden,  welke waren  er  de  doelstellingen  van,  wie  moesten  het  uitvoeren,  in  welke  omstandigheden,  met  welke middelen  en  met  welke  mensen,  binnen  welke  termijnen?  Moest  dit  onderzoek  worden  toevertrouwd aan  een  team  uit  de  Randstad  of  juist  niet,  gelet  op  de  verwikkelingen  in  de  IRT-affaire?  Moest  het dienen  om  alsnog  de  onderste  steen  van  deze  affaire  boven  te  halen  of  moest  het  veeleer  inzicht bieden  in  zijn  achtergronden?  De  discussie  over  deze  en  andere  vragen  die  vanzelfsprekend  het vertrekpunt heeft gevormd van alles wat nadien is voorgevallen, wordt behandeld in hoofdstuk 3. Begin september 1996 nam het college de beslissing om het onderzoek dat hem voor ogen stond –  onder  het  gezag  van  het  hoofd  van  het  landelijk  parket,  Holthuis  –  toe  te  vertrouwen  aan  twee onderscheiden  teams:  een  team  van  het  LRT  dat  onder  leiding  van  de  officier  van  justitie  Noordhoek en  de  politie-officieren  Van  Gemert  en  Entken  het  zogenaamde  spoor  1  moest  onderzoeken,  en  een speciaal  team  onder  leiding  van  de  advocaat-generaal  Zwerwer,  later  bijgestaan  door  de  officier  van justitie   Welschen,   en   de   politie-officier   Godlieb   dat   moest   instaan   voor   het   onderzoek   van   het zogenaamde spoor 2. Een dergelijke beslissing nemen is één. Haar uitvoeren is twéé en is zeker niet minder  eenvoudig.  Hierom  wordt  in  hoofdstuk  4  tamelijk  diep  ingegaan  op  de  start  van  de  beide teams.    Uitvoerig    wordt    besproken    in    welke    omstandigheden    zij    hun    werkzaamheden    moesten aanvangen.   Ook   wordt   ingegaan   op   de   manier   waarop   zij   de   opdracht   uitwerkten   die   hen   was gegeven.  En  verder  wordt  uiteengezet  in  hoeverre  gaandeweg  het  cruciale  besluit  van  het  college werd  nagekomen  dat  alle  relevante  onderzoeken  in  beginsel  zouden  worden  geconcentreerd  in  het onderhavige project. Om redenen die in hoofdstuk 3 en 4 duidelijk zullen worden was het voor de beide teams bepaald niet  simpel  om  in  de  eerste  maanden  van  1997  het  college  van  procureurs-generaal  een  samenstel van operationele projecten aan te bieden die beantwoordden aan de doelstelling(en) die aanvankelijk waren  geformuleerd.  Het  team  van  spoor  1  wist  deze  moeilijke  taak  betrekkelijk  vlot  te  vervullen, geholpen door het feit dat haar opdracht vanaf het begin vrij duidelijk was afgelijnd. Het Zwerwer-team daarentegen   raakte   verstrikt   in   een   discussie   met   het   college   van   procureurs-generaal   over   zijn opdracht  en  over  de  bevoegdheden  en  mogelijkheden  waarover  het  zou  moeten  beschikken  om  die opdracht uit te voeren. Het past in een evaluatie als de onderhavige om deze afmattende en bij tijd en wijle  conflictueuze  worsteling  te  beschrijven  omdat  zij  het  nodige  zegt  over  het  grote  belang  van heldere   doelstellingen   bij   de   opzet   van   grote   recherche-onderzoeken   respectievelijk   recherche- onderzoeken  in  zeer  beladen  kwesties.  Verder  wordt  in  dit  hoofdstuk  –  hoofdstuk  5  –  niet  alleen ingegaan  op  de  samenwerkingsperikelen  die  langzaamaan  ontstonden  tussen  de  beide  teams  maar ook  op  de  opkomst  van  een  derde  spoor  in  de  opheldering  van  de  achtergronden  respectievelijk  de oplossing  van  de  IRT-affaire:  de  inmenging  van  de  officier  van  justitie  Snijders  in  dit  onderzoek  die  – laat    daar    geen    misverstand    over    bestaan    –    door    het    college    van    procureurs-generaal    werd geaccordeerd.  Want  deze  ontwikkelingen  hebben  een  hele  belangrijke  rol  gespeeld  in  het  verdere verloop van het project. In  hoofdstuk  6  wordt  besproken  waarom  en  hoe  de  verdere  onderzoeksplannen  die  in  maart  1997 door het college van procureurs-generaal werden goedgekeurd eigenlijk niet of toch niet goed van de grond  kwamen.  Het  spoor  1-team  liep  in  hoge  mate  vast  op  het  feit  dat  belangrijke  stukken  uit  het

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>