• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • fort3_78

    266 betrokken  overheidsfunctionarissen  –  beredeneerd  vanuit  het  standpunt  dat  één  of  meer  van  hen  in de   uitoefening   van   hun   functie   strafrechtelijke   grenzen   zou(den)   hebben   overschreden   –   kon   tot gevolg  hebben  dat  er  nog  wel  degelijk  een  recht  tot  vervolging  bestond,  maar  dan  óók  jegens  deze functionaris(sen). Tijdens het interview lichtte Van der Burg dit standpunt als volgt toe608: “Uiteindelijk  geef  ik  in  mijn  stuk  (het  advies  van  17  februari  1999,  rapporteurs)  aan  dat  ik morele problemen had met het vooruitzicht om een “smal” 063-onderzoek te starten, slechts gericht  op  de  toenmalige  verdachten.  De  overheid  wist  van  vier  van  de  zes  transporten  en had  die  laten  doorgaan.  Er  hebben  toen,  blijkens  de  door  mij  geraadpleegde  stukken,  geen vervolgacties in hun richting plaatsgevonden, ondanks de bewijsbare betrokkenheid van een aantal   personen.   En   ik   vond   het   onjuist   dat   na   zes   jaar   dit   opeens   weer   zou   worden opgepakt,  zonder  de  verwijtbare  rol  van  de  overheid  daarin  te  betrekken.  Daarom  heb  ik tijdens  de  collegevergadering  van  2  maart  1999  aangedrongen  op  een  “breed”  onderzoek, derhalve ook gericht op verwijtbare betrokkenheid van overheidsfunctionarissen.” In  het  verlengde  van  zijn  advies  vroeg  Van  der  Burg  de  aandacht  van  het  college  voor  de  benarde positie   van   Van   T.   in   een   streng   Engels   gevangenisregime.   Gelet   op   zijn   voorlopige   bevindingen achtte  hij  het  (mede)  de  verantwoordelijkheid  van  het  openbaar  ministerie  verdere  inspanningen  te (doen) verrichten om de detentie van Van T. draaglijker te maken. Tot   slot   leek   het   Van   der   Burg   aanbevelingswaardig   om   te   bestuderen   of   de   door   Van   T. afgelegde verklaringen mogelijkheden boden voor de Staat der Nederlanden om in de richting van P. civielrechtelijke    stappen    te    ondernemen    in    relatie    tot    de    in    1994    met    hem    overeengekomen afkoopsom. 14.3 Beraadslaging en besluitvorming Op 2 maart 1999 werd het plan van aanpak 063 en het daaraan gekoppelde advies van Van der Burg geagendeerd  in  de  vergadering  van  het  college  van  procureurs-generaal.609  Van  der  Burg  hield  de aanwezigen  tijdens  zijn  inleiding  nogmaals  voor  dat  zijns  inziens  de  kans  op  niet-ontvankelijkheid geringer werd indien, naast de in het plan van aanpak genoemde verdachten, ook functionarissen van de  overheid  (politie  /  openbaar  ministerie)  in  het  onderzoek  zouden  worden  betrokken.  Aangezien  de “knip”  tussen  overheidsfunctionarissen  die  veel  en  zij  die  minder  wisten,  niet  duidelijk  was  aan  te brengen,  pleitte  hij  voor  een  grotere  aanpak  in  een  bredere  context.  Wel  zou  hij  in  dat  geval  een expliciete opdracht van het college willen ontvangen.610 Een   procureur-generaal   benadrukte   dat   bij   het    beantwoorden    van    de    vraag    of    er    nieuw onderzoek moest komen, de vraag naar de grond daarvan cruciaal was. Duidelijk moest zijn waarom er  een  nieuw  onderzoek  moest  komen  als  alle  feiten  al  eerder  bekend  waren  en  er  destijds  niet  toe was besloten. Hij wees er op dat in het verleden het handelen van de betrokken officieren van justitie reeds  was  getoetst.  Een  van  de  onderdelen  van  het  referentiekader  was  de  vraag  of  er  sprake  was van eventueel door hen begane strafbare feiten. Die vraag was, zoals reeds is vermeld in hoofdstuk 2, negatief    beantwoord    door    de    “Equipe    Ficq”,    welk    oordeel    door    de    minister    van    Justitie    was overgenomen. In de optiek van de procureur-generaal in kwestie diende, gegeven het oordeel van de Enquêtecommissie  Opsporingsmethoden,  de  verklaringen  die  de  minister  van  Justitie  had  afgelegd  in                                                 608 Interview G. van de Burg d.d. 5 februari 2001. 609 Het onderwerp was eerder geagendeerd voor de vergadering van 24 februari 1999, maar toen aangehouden omdat het college van procureurs-generaal niet voltallig was. 610 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 2 maart 1999 (B1).

    fort3_92

    280

    Normering van bevoegdheden voor de handhaving van de openbare orde

    2.6 Normering van bevoegdheden voor de handhaving van de openbare
    orde

    In het onderzoek naar de normeringscrisis is bekeken of het
    noodzakelijk is ook voor andere werkterreinen van de politie tot
    nadere regelgeving voor de inzet van bepaalde methoden te komen.
    Naar aanleiding van de uitkomsten van de parlementaire
    enquêtecommissie opsporingsmethoden en de discussie in de
    Kamer is uitdrukkelijk bepaald dat bevoegdheden expliciet
    vastgelegd dienen te worden in de wet. Het terugvallen op het
    algemene artikel 2 van de Politiewet wordt door velen als te
    beperkt gezien als er door het gebruik van bepaalde bevoegdheden
    inbreuk wordt gemaakt op de rechten en vrijheden van burgers. Op
    basis van deze discussie heeft de commissie de volgende
    onderzoeksvraag gehanteerd:

    lees meer

    Korpsbeheerders

    4.5 Korpsbeheerders

    4.5. 1 Vragen naar aanleiding van de beslispunten

    lees meer

    Verhoren – de heer P.D. IJzerman

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 5

    7 september 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    donderdag 7 september 1995
    in de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    de heer P.D. IJzerman
    Aanvang 10.00 uur

    lees meer

    Verhoren – de heer A.M. Mosterd

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 21

    14 september 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    donderdag 14 september
    1995 in de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den
    Haag

    Verhoord wordt de heer A.M. Mosterd
    Aanvang 17.30 uur

    lees meer

    Verhoren – de heer H.M. Huisman

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 37

    2 oktober 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    maandag 2 oktober 1995 in de
    vergaderzaal van de Eerste
    Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt de
    heer H.M. Huisman
    Aanvang 12.00 uur

    lees meer

    Verhoren – mr. J.M. Vrakking

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 53

    12 oktober 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    donderdag 12 oktober 1995 in
    de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    mr. J.M. Vrakking
    Aanvang 14.30 uur

    lees meer

    Verhoren – de heer J.L. Brand

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 69

    23 oktober 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    maandag 23 oktober 1995 in
    de vergaderzaal van de Eerste
    Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt de
    heer J.L. Brand
    Aanvang 14.00 uur

    lees meer

    Verhoren – mr. A. Patijn

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 85

    6 november 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    maandag 6 november 1995 in
    de vergaderzaal van de Eerste
    Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt mr. A.
    Patijn
    Aanvang 17.00 uur

    lees meer

    Bijlage X – 4.2. Karakteristiek van het beroep

    4.2. Karakteristiek van het beroep

    Zowel de accountant in dienst van een onderneming als de
    zelfstandig of openbaar accountant vallen onder de gedragsregels
    van de beroepsorganisaties. De accountant dient waarheidsgetrouw te
    rapporteren, conform de professionele standaarden, wet- en
    regelgeving. Belangrijke waarden van het beroep zijn
    betrouwbaarheid en objectiviteit. Zo dient de accountant, die in
    zijn optreden jegens anderen een bijzonder belang vertegenwoordigt
    – bijvoorbeeld als accountant van een bedrijf – dit aan de
    betrokkenen kenbaar te maken. Ook dan moet hij een zo groot
    mogelijke objectiviteit in acht te nemen, zodat hij bijvoorbeeld
    feiten die in het nadeel van zijn opdrachtgevers zijn, niet mag
    verzwijgen. De openbaar accountant die als zodanig optreedt, heeft
    daarnaast nog te voldoen aan de eis van onafhankelijkheid van de
    opdrachtgever en andere belanghebbenden. Dit alles brengt met zich
    mee dat vertrouwen gesteld moet kunnen worden in de getrouwheid van
    de verklaringen van de accountant.

    lees meer

    Bijlage X – 4.1. Inleiding

    4. CRIMINELE ORGANISATIES OP FRAUDEGEBIED

    4.1. Inleiding

    In dit hoofdstuk wordt op basis van het beschikbare empirische
    materiaal en de geraadpleegde literatuur een beeld geschetst van de
    criminele groepen, die op het terrein van de georganiseerde fraude
    zijn aangetroffen. Daartoe zal in paragraaf 4.2 allereerst de
    diversiteit van de bestudeerde dadergroepen uit de doeken worden
    gedaan. In paragraaf 4.3 zal de aandacht worden gevestigd op de
    achtergrond van de individuele verdachten. Behalve op kenmerken als
    geslacht, etnische afkomst en leeftijd zal het accent in deze
    paragraaf gelegd worden op het verloop en de duur van de criminele
    carrire. Tevens zal worden ingegaan op de vraag in hoeverre
    fraudeurs marktgebonden opereren. Paragraaf 4.4 ten slotte staat in
    het teken van de aard van de onderlinge samenwerking, de
    gezagsstructuur binnen de verschillende groepen en de contacten die
    worden onderhouden met andere criminele organisaties.

    lees meer

    Bijlage X – 7.1. Inleiding

    7. AFSCHERMING MET BEHULP VAN RECHTSFIGUREN

    7.1. Inleiding

    Deel 2 van deze rapportage staat in het teken van het misbruik
    van rechtsfiguren. Zoals in deel 1 is aangegeven, maken fraudeurs
    van allerhande schijnconstructies gebruik om hun activiteiten
    winstgevend te maken en zich af te schermen tegen interventie van
    buitenaf. Fraudeurs staan daarin bepaald niet alleen. De
    strafrechtelijke onderzoeken van de laatste jaren hebben uitgewezen
    dat ook in de drughandel rechtsfiguren worden aangewend om de
    criminele winsten te versluieren. Voordat in deel 3 wordt ingegaan
    op de verschillende wijzen waarop wederrechtelijk verkregen
    voordeel wordt weggesluisd, willen we in dit hoofdstuk de
    instrumenten belichten die voor de modus operandi, afscherming van
    de dadergroepen en versluiering van de herkomst van illegaal
    inkomen van cruciaal belang zijn. In hoofdstuk 8 wordt vervolgens
    ingegaan op de natuurlijke personen die in dit proces een rol
    spelen. Het belangrijkste instrument dat wordt aangewend is de
    rechtspersoon. Er is vrijwel geen vorm van georganiseerde
    criminaliteit meer denkbaar zonder inbreng van deze rechtsfiguur.
    In het bijzonder springt daarbij het misbruik van de BV in het oog.
    In paragraaf 7.2 zullen we de schijnwerpers richten op de factoren
    die het toezicht op de oprichting en het gebruik van deze
    rechtspersoon bemoeilijken. In paragraaf 7.3 zal de aandacht
    uitgaan naar de voordelen die andere rechtsvormen bieden, zoals de
    stichting, de Delaware corporation en de Antilliaanse NV. De
    laatste paragraaf van dit hoofdstuk is gereserveerd voor een
    beschouwing over andere vormen van versluiering. Daarbij zal in het
    bijzonder aandacht worden besteed aan eigendomsconstructies en de
    figuur van de trust.

    lees meer

    Bijlage X – 1.3. Opbouw van het rapport

    1.3. Opbouw van het rapport

    Zoals is gesteld in paragraaf 1.1, bestaat het rapport uit drie
    onderdelen. In deel 1 worden de grondfeiten, de verschijningsvormen
    van grote fraudes, beschreven. Begonnen wordt met een beknopt
    overzicht van de ontwikkelingen op fraudegebied. In deze
    beschouwing zijn zowel bevindingen uit de literatuur als de
    opvattingen van met name de gesprekspartners van de BOD’s verwerkt.
    Vanaf hoofdstuk 3 zal een beschrijving worden gegeven van de
    bestudeerde fraudezaken. Achtereenvolgens zal worden stilgestaan
    bij de verschillende fraudevormen die zijn aangetroffen (hoofdstuk
    3), de criminele groepen die zich in de legale nijverheid ophouden
    (hoofdstuk 4), de gebruikte afschermingsmethoden (hoofdstuk 5) en
    ten slotte de teweeggebrachte schades, de gegeneerde opbrengsten en
    de investeringen van de criminele groepen (hoofdstuk 6).

    lees meer

    Bijlage XI – 3. ENKELE ACTUELE VORMEN VAN TRADITIONELE GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT

    3. ENKELE ACTUELE VORMEN VAN TRADITIONELE GEORGANISEERDE
    CRIMINALITEIT

    In aansluiting op de conclusie van het voorgaande hoofdstuk moet
    er hier, om te beginnen, inderdaad aan worden herinnerd dat in het
    onderzoek waarvan deze studie deel uitmaakt, een onderscheid wordt
    gemaakt
    tussen georganiseerde criminaliteit in haar traditionele gedaante:
    de winstbeluste systematische toelevering van illegale goederen en
    diensten op daarvoor bestaande zwarte markten, en in haar meer
    eigentijdse gedaante: de illegale penetratie en manipulatie van
    legale sectoren van economische bedrijvigheid. In dit hoofdstuk
    wordt een aantal vormen van traditionele georganiseerde
    criminaliteit belicht. De vraag naar het bestaan van meer
    eigentijdse vormen ervan in Amsterdam wordt beantwoord in het
    volgende hoofdstuk. Wat de traditionele georganiseerde
    criminaliteit in Amsterdam heden ten dage over de hele linie
    precies voorstelt, is moeilijk te zeggen, ook op grond van dit
    onderzoek. Maar met name via de analyse van een aantal onderzoeken
    die door de Amsterdamse politie zijn verricht, kan wel in grote
    lijnen duidelijk worden gemaakt welke de aard en, tot op zekere
    hoogte, de omvang en zodoende de ernst van de georganiseerde
    criminaliteit in Amsterdam zijn. Dit wil niet zeggen dat enkel via
    politie-onderzoeken is nagegaan hoe de traditionele georganiseerde
    criminaliteit er momenteel in Amsterdam uitziet. Er zijn ook
    gesprekken gevoerd met deskundigen van buiten de politie, evengoed
    als van binnen de politie. En bovendien zijn er op een aantal
    punten nogal wat gegevens geput uit allerhande zogenaamde publieke
    bronnen die liggen buiten de politiesfeer.

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>