• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • fort2_27

    91 onderste steen” in deze affaire, welke dit ook mocht zijn en hoe die er ook mocht uitzien, nog steeds niet  boven  gehaald.  Docters  van  Leeuwen  –  als  voormalig  hoofd  van  de  BVD  wellicht  extra  gevoelig voor  deze  conclusie  –  was  zich  als  geen  ander  bewust  van  de  noodzaak  van  dit  onderzoek.  Het  is duidelijk  geworden  dat  naar  zijn  mening  een  vervolgonderzoek  op  de  lange(re)  termijn  –  want  hij besefte ook dat het een werk van lange adem zou (kunnen) worden – twee strategische doelen moest dienen: een inhoudelijk doel – de verdere opheldering van de IRT-affaire – en een institutioneel doel – de  uitbouw  van  tactische  en  CID-matige  recherchecapaciteit  op  landelijk  niveau.  En  voor  hem  waren deze   twee   doeleinden   nauw   aan   elkaar   gelieerd:   de   gewenste   duidelijkheid   kon   enkel   worden verkregen  door  middel  van  zulke  capaciteit.  Hiermee  is  meteen  ook  een  van  de  grote  problemen  van het vervolgonderzoek gegeven: aan wie moest het worden toevertrouwd gelet op het feit dat er in de ogen van Docters van Leeuwen eigenlijk geen passende organisatorische voorziening bestond? Maar tevens   werd   op   deze   manier   ook   een   ander   groot   probleem   gesteld.   Wanneer   immers   met   de bestaande  middelen  de  IRT-affaire  wel  kon  worden  opgelost  dan  werd  bewezen  dat  een  landelijk opererende   recherche   minder   hard   nodig   was   dan   Docters   van   Leeuwen   suggereerde.   Werd   zij hiermee niet opgelost, dan werd weliswaar het tegendeel bewezen, maar in zekere zin ten koste van degenen  die  hadden  gefaald.  Met  enig  gevoel  voor  ironie  zou  men  natuurlijk  ook  kunnen  zeggen  dat in relatie tot (een van) de twee strategische doeleinden succes altijd (gedeeltelijk) verzekerd was. Een derde probleem is echter dat degenen die het onderzoek moesten uitvoeren zich bovenal richtten op de   verwezenlijking   van   het   inhoudelijke   doel   en   zich   van   het   institutionele   doel   slechts   zijdelings rekenschap gaven, bijvoorbeeld waar zij vreesden te worden beticht van de opbouw van een justitiële politie  in  Nederland.  Het  laatstgenoemde  doel  heeft  dan  ook  niet  meegespeeld  in  de  planning  en  de uitvoering  van  het  vervolgonderzoek.  Hierbij  moet  men  evenwel  voor  ogen  houden  dat  van  de  kant van het college ook niet werd aangedrongen op zijn operationalisering. Docters van Leeuwen had hier immers bovenal het oog op de politiek aan het Binnenhof. De strategische discussie had dus hoofdzakelijk betrekking op de uitwerking van het inhoudelijke doel: de “olifant” helemaal in beeld brengen en, in de ogen van Docters van Leeuwen, met name ook zijn  financiële  poot:  waar  komt  het  geld  vandaan  en  waar  gaat  het  naartoe?  Dit  bleek  evenwel  van meet af aan niet eenvoudig. Enerzijds niet omdat met de gedachte werd gespeeld dat binnen een en hetzelfde   strafrechtelijk   georiënteerde   onderzoek   twee   onderscheiden   deelonderzoeken   moesten worden  verricht:  één  naar  een  aantal  personen  die  zich  verdacht  hadden  gemaakt,  en  één  naar  het fenomeen  van  de  Colombiaanse  cocaïnehandel  met  het  accent  op  integriteitproblemen  aan  de  kant van  de  Nederlandse  overheid.  Anderzijds  niet  omdat  deze  twee  deelonderzoeken  –  het  ene  een tactisch  onderzoek,  het  andere  een  CID-matig  onderzoek  –  uiteindelijk  niet  werden  toevertrouwd  aan één en hetzelfde politieteam maar aan twee verschillende teams, zij het ook onder het (formele) gezag van dezelfde hoofdofficier van justitie, het hoofd van het landelijk parket. Het risico was dus heel groot dat de twee teams niet alleen op een verschillende manier zouden kijken naar de “olifant” maar er ook heel verschillende onderdelen van zouden zien of dezelfde onderdelen op een heel andere manier in beeld  wilden  brengen.  Dit  risico  was  des  te  groter  omdat  aan  deze  doorstart  van  het  onderzoek  naar de IRT-affaire geen doortimmerd onderzoeksplan ten grondslag lag. Alles bij elkaar genomen was het vervolgonderzoek  immers  op  niet  meer  gebouwd  dan  op  een  stelling  van  enkele  rechercheurs  over wat er gebeurd zou kunnen zijn, geconstrueerd op basis van een beperkt samenstel van aanwijzingen en  feitelijkheden.  Hierbij  moet  worden  aangetekend  dat  deze  rechercheurs  en  hun  stelling  –  er  is sprake  (geweest)  van  parallel-importen  van  verdovende  middelen  uit  Colombia;  de  informant  van  de Nederlandse  politie  heeft  hierbij  dubbelspel  gespeeld  en  de  betrokken  politiemensen  waren  “plat”  – desalniettemin  heel  het  onderzoek  door  een  grote  rol  hebben  gespeeld.  Evenals  hun  vermoeden  dat de ellende eigenlijk was begonnen bij de FIOD. Met  name  de  leiding  van  het  LRT  en  die  van  het  LBOM  waren  zich  terdege  bewust  van  het probleem van de verdeling van het onderzoek over twee teams en van de implicaties hiervan voor het goede  verloop  van  het  onderzoek.  Wellicht  was  hun  gevoeligheid  voor  dit  risico  groot  omdat  beide instanties  nog  maar  net  waren  opgericht  en  nog  geen  enkele  ervaring  hadden  met  het  draaien  van

    fort2_41

    105 het college door tussenkomst van Holthuis en Gonsalves. Belangrijk is ook dat in de vergadering werd vastgesteld   dat   het   feit   dat   het   hier   ging   om   een   zogenaamd   verkennend   opsporingsonderzoek, betekende  dat  de  verkregen  informatie  in  beginsel  zou  worden  gebruikt  in  het  opsporingsonderzoek van  het  LRT,  spoor  1.  Voor  het  verkennend  onderzoek  zou  verder  commitment  worden  gevraagd  bij de   betrokken   hoofdofficieren   van   justitie   en   politiechefs   in   daartoe   te   organiseren   bijeenkomsten. Mocht dit niet lukken, dan zou dat worden voorgelegd aan het college. Tenslotte  werd  besloten  dat  de  minister  in  de  overlegvergadering  van  4  december  1996  zou worden  geïnformeerd  over  de  voortgang  van  spoor  1  en  spoor  2.  Het  hoofd  van  het  LBOM  en  de procureur-generaal die als portefeuillehouder fungeerde, zouden hiervoor een notitie aanleveren.140 Met   het   oog   op   deze   vergadering   stuurde   Holthuis   bij   brief   van   28   november   1996   de voortgangsrapportages  betreffende  “het  strafrechtelijk  onderzoek  060  spoor  I  en  spoor  II”  naar  de secretaris   van   deze   vergadering.141  De  rapportages  waarom  het  ging  waren  aan  de  ene  kant  de hiervoor  besproken  startnotitie  van  27/29  november  van  Godlieb  voor  het  onderzoek  van  spoor  2  en aan  de  andere  kant  een  korte  (niet-gedateerde)  nota  van  Noordhoek  betreffende  het  onderzoek  van spoor  1.  In  deze  (korte)  laatste  nota  werden  slechts  enkele  punten  aangestipt:  de  problemen  met  de start,     de     geplande     fasering     van     het     onderzoek     en     de     toezegging     dat     de     fase     van     de projectvoorbereiding   zou   worden   afgesloten   met   de   vaststelling   van   een   of   meerdere,   concrete operationele doelstellingen, waarbij tevens zou worden onderzocht in hoeverre de verklaringen in het Fort-dossier  konden  worden  gebruikt  voor  de  bewijsvoering  van  de  (mogelijke)  strafbare  feiten.  De landsadvocaat  zou  in  verband  met  deze  vraag  om  advies  worden  gevraagd.  Hierna  zou  de  volgende fase van het strafrechtelijk onderzoek van start kunnen gaan. Wat de startnotitie van Godlieb betreft is het  niet  onbelangrijk  te  vermelden  dat  Zwerwer  in  zijn  aanbiedingsbriefje  aan  Holthuis  erop  wees  dat het   team   nog   slechts   aarzelend   had   kunnen   starten,   maar   dat   de   eerste   externe   contacten   de verwachting wettigden dat de samenwerking met het openbaar ministerie en de (grote) politiekorpsen goed zou verlopen.142 Tot een bespreking van deze stukken in de overlegvergadering van 4 december kwam het echter niet.   Tijdens   de   vergadering   van   3   december   1996   had   het   college   namelijk   besloten   om   de voortgangsnotitie   over   het   post-Fort-team   van   de   agenda   van   de   overlegvergadering   te   halen, teneinde   deze   eerst   in   het   college   te   kunnen   bespreken.   Zij   werd   op   de   agenda   gezet   voor   de vergadering van het college op 11 december 1996.143 4.3.5 De discussie in de Kamer Bij  het  voorgaande  mag  overigens  niet  uit  het  oog  worden  verloren  dat  het  toenmalige  Kamerlid Kalsbeek  bij  de  bespreking  van  de  reactie  van  de  regering  op  het  rapport  van  de  Commissie–Van Traa  in  de  Kamer  een  vraag  had  gesteld  over  “de  appendix”  van  het  rijksrechercherapport.  Minister Sorgdrager antwoordde hierop dat er: “(…) binnen het landelijk recherche team een team (is) samengesteld onder leiding van een specifiek daarvoor aangewezen officier van justitie. Dat team werkt onder het gezag van het hoofd van het landelijk bureau. Dat team is bezig met een analyse van de resultaten van het rijksrechercheonderzoek.    Daarbij    worden    juist    de    onbeantwoorde    vragen    die    in    het rijksrechercherapport   zijn   opgenomen,   betrokken.   Het   rijksrechercheonderzoek   was   een zogenaamd  fact-findingonderzoek.  Daardoor  is  de  informatie  uit  dat  onderzoek  slechts  ten dele bruikbaar voor strafrechtelijk onderzoek. Vandaar dat er nu een voorbereidende fase is                                                 140 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 5 november 1996 (C7). 141 Brief H. Holthuis d.d. 28 november 1996 aan ministerie van Justitie (B1). 142 Brief S. Zwerwer d.d. 29 november 1996 aan H. Holthuis (B1). 143 Vergelijk de betreffende oplegnotitie in B7.

    fort2_56

    120 — bezoek aan de belastingdienst en aan de FIOD te Haarlem; raadpleging van dossiers betreffende enkele subjecten; — bezoek aan de CID te Amsterdam, Den Haag en Den Bosch; — het volgen van het onderzoek in de meineedzaak tegen Van V. en L.; — raadpleging van de rijksrecherche met betrekking tot “verwonderpunten” in de eigen analyse van het Fort-archief; — lezing van persberichten over de subjecten, verzameld via elektronische databanken; — het interviewen van een beperkt aantal betrokkenen bij het onderzoek; — kennisneming     van     CID-rapporten     betreffende     (verklaringen     over)     parallel-importen     vanuit Colombia; — bezoek  aan  de  BVD  via  de  speciaal  aangewezen  landelijk  officier  van  justitie  en  onderzoek  van de informatie die aldaar aanwezig was over de subjecten. Op  grond  van  de  bevindingen  uit  al  deze  acties  werd  in  de  eerste  weken  van  maart  1997  een  begin gemaakt met het opstellen van enerzijds zogenaamde subjectrapporten en anderzijds een afrondende rapportage. De   zes   subjectrapporten   vormen   hoofdzakelijk   een   nauwgezette   bundeling   van   uittreksels   uit stukken  van  het  Fort-archief  die  in  meer  of  mindere  mate  informatie  bevatten  die  zoniet  enigerlei verdenking  dan  toch  wel  enige  verwondering  wekken  jegens  de  betrokkene(n).  In  een  samenvatting worden daarenboven telkens de meest opmerkelijke bevindingen puntsgewijze opgesomd.190 Het eerste  concept  van  de  afrondende  rapportage  over  de  resultaten  van  de  voorbereidingsfase dateert van 10 maart 1997, de definitieve versie is van 27 maart 1997.191 In  het  eerste  deel  van  deze  rapportage  wordt  in  herinnering  geroepen  welke  de  opdracht  en  de samenstelling van het team waren, hoe het overleg met het andere team was gestructureerd en welke informatiebronnen werden aangeboord. Het tweede deel bevat allereerst een omschrijving van de “resultaten op hoofdlijnen” rond de zes subjecten (van de aanvankelijke acht). Zij is helemaal opgemaakt vanuit de gedachte dat een “redelijk vermoeden  van  schuld”  zoveel  als  mogelijk  moet  worden  onderbouwd.  Per  subject  werd  dan  ook telkens  aangegeven  welke  concreet  de  bevindingen  waren,  welke  (open)  vragen  er  nog  over  bleven en  om  welke  strafbare  feiten  het  ging.  Uit  deze  presentatie  blijkt  dat  er  in  alle  gevallen  nog  vragen waren,  variërend  van  drie  tot  zeven.  Vervolgens  werd  een  projectvoorstel  geformuleerd,  waarin  de individuele    verdenkingen    jegens    de    betrokken    individuen    werden    ingepast    in    een    artikel    140- constructie. Waar  het  gaat  om  mogelijk  gepleegde  strafbare  feiten  bestond  er,  zo  werd  gesteld,  het  meeste houvast  ten  aanzien  van  de  eerste  twee  subjecten,  J.  en  Van  V.  De  financiële  invalshoek  was  in  de ogen van het team de beste invalshoek om de 140-constructie te kunnen onderbouwen. Hierom is het niet verwonderlijk dat bij de aanduiding van de doelen van een (eventueel) vervolgonderzoek voorrang werd gegeven aan de “financiële doelen”, zoals de vaststelling van de individuele vermogensposities. Ten  tweede  werd  gewag  gemaakt  van  de  “tactische  doelen”  –  in  het  bijzonder  de  actieve  vaststelling van de huidige leefsituatie en onderlinge contacten. En ten derde was er sprake van CID-doelen, met name het verkrijgen van mogelijkheden om zelfstandig informanten te runnen. Tot  slot  werd  gesteld  dat  niet  nauwkeurig  viel  aan  te  geven  hoelang  het  onderzoek  zou  gaan duren   en   hoeveel   mensen   daarbij   dienden   te   worden   ingezet.   Het   uitgangspunt   was   om   klein   te starten en werkende weg te bezien welke vervolgstappen zouden moeten worden gezet. Men schatte evenwel in dat “gegeven de informatie” het tactische traject wel “traditioneel” van karakter zou zijn. In zijn interview gaf Van Gemert de volgende toelichting op het vervolg van het onderzoek192:                                                 190 Deze subjectrapporten bevinden zich in F23. 191 Deze rapportage draagt de titel “Rapportage 96060” (F23). 192 Interview W. van Gemert d.d. 30 januari 2001.

    fort2_70

    134 Deze  “Inleiding”  van  Godlieb  werd  besproken  in  de  vergadering  van  het  college  van  procureurs- generaal  op  19  maart  1997.  De  vraag  waarvoor  het  college  zich  in  deze  vergadering  geplaatst  zag luidde of dit onderzoek organisatorisch moest worden opgehangen bij het LRT-onderzoek 060, spoor 1, of dat een apart traject moest worden gevolgd. Onder verwijzing naar een gesprek met Zwerwer en Godlieb  werd  aangegeven  dat  dit  onderzoek  niet  ondergebracht  moest  worden  bij  het  LRT  maar aansluiting  gezocht  moest  worden  bij  de  CID.  Het  gevaar  van  procedurele  vermenging  met  spoor  1 werd namelijk reëel gevonden. Daarnaast moest er toch ook voldoende draagvlak voor het onderzoek worden gecreëerd. In    aansluiting    hierop    werd    beslist    dat    Gonsalves    de    mogelijkheden    van    organisatorische onderbrenging  van  het  onderzoek  zou  (laten)  onderzoeken.  Maar  dit  wel  met  de  kanttekening  dat  de keuze voor heldere gezagslijnen belangrijk was en dat er een duidelijke verbinding met de CID moest zijn.239 Het  moge  duidelijk  zijn  dat  dit  oordeel  of  toch  in  elk  geval  deze  notulen  niet  uitblonk(en)  in helderheid:  over  welke  CID  gaat  het  hier  eigenlijk?  Nog  belangrijker  is  dat  het  volkomen  haaks  stond op wat Docters van Leeuwen op 27 maart 1997 zou schrijven aan Holthuis. In de desbetreffende brief –  zie  hiervoor  –  stelde  hij  namelijk  met  nadruk  dat  het  college  van  procureurs-generaal  van  oordeel was dat het onderzoek van spoor 2 moest worden ingebed bij het LRT. 5.5 De verhoudingen tussen de beide teams en het hoofd LBOM De  beide  teams  organiseerden  niet  alleen  intern  overleg.  In  het  verlengde  van  de  principe-afspraken die  in  november  waren  gemaakt  vergaderden  de  teamleidingen  op  gezette  tijden  ook  samen  –  acht keer   in   de   maanden   januari-maart   1997.   Daarenboven   vond   er   in   deze   drie   maanden   drie   keer periodiek    overleg    plaats    tussen    de    teamleidingen    en    Holthuis.    De    verslagen    van    al    deze vergaderingen    zijn    meestal    beknopt    maar    geven    desalniettemin    een    beeld    van    de    onderlinge verhoudingen tussen de beide teams.240 In de twee soorten vergaderingen werd natuurlijk veelvuldig gesproken over allerhande materiële en personele kwesties. Ook de perikelen met de formulering van de opdracht van spoor    2    werden    bij    herhaling    aan    de    orde    gesteld.    De    verslagen    laten    soms    wel    eens    iets doorschemeren van verschillen van inzicht respectievelijk wederzijdse irritaties tussen de beide teams bij   de   bespreking   van   al   deze   problemen,   maar   zij   groeiden   –   zo   te   lezen   –   niet   uit   tot   heuse conflicten.    Dit    had    op    zich    echter    best    wel    gekund,    bijvoorbeeld    bij    de    bespreking    van    de huisvestingsproblemen. Van de kant van spoor 2 werd op een bepaald moment immers bepleit dat die konden  worden  opgevangen  door  een  andere  verdieping  in  hetzelfde  gebouw  erbij  te  nemen,  terwijl door  spoor  1  de  voorkeur  werd  gegeven  aan  inhuizing  bij  het  LRT.  Dit  verschil  van  inzicht  zette natuurlijk het uitgangpunt van het gehele onderzoek ter discussie: beide teams vormen een geheel.241 Ook de bespreking van de planning en de voortgang van de onderscheiden onderzoeksactiviteiten  verliep  in  het  algemeen  zonder  problemen.  Waarbij  wel  direct  moet  worden aangetekend  dat  gaandeweg  steeds  minder  over  deze  activiteiten  werd  verteld,  althans  genotuleerd. Deels was dit het gevolg van het feit dat het vertrouwen tussen de beide teams onder grote druk was komen   te   staan.   De   reden   hiervan   was   niet   zozeer   dat   van   de   kant   van   spoor   1   soms   werd aangegeven  dat  spoor  2  bepaalde  activiteiten,  bijvoorbeeld  interviews,  beter  achterwege  kon  laten  of ze beter op een later tijdstip zou organiseren. Ook het feit dat leden van spoor 1 wel konden rekenen op  een  zekere  medewerking  van  het  parket  Amsterdam  –  bij  herhaling  werd  medegedeeld  dat  er  op                                                 239 Vastgestelde notulen vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 19 maart 1997 (B1). 240 Al deze verslagen bevinden zich in C9. 241 Verslag periodiek afstemmingsoverleg d.d. 10 maart 1997 (C9).

    fort2_85

    149 op 11 juni een brief van deze strekking.292 Namens de minister antwoordde de plaatsvervangend secretaris-generaal op 23 september 1997 dat zij zich kon verenigen met het verzoek. Wel tekende zij hierbij  aan  dat  zij  er  vanuit  ging  dat  de  informatie  onder  de  werking  van  de  Wet  politieregisters  werd gebracht. Bovendien zouden de afspraken die met de betrokkenen waren gemaakt met betrekking tot de   veiligheid   van   de   informanten   moeten   worden   gerespecteerd.   Verder   werd   opgemerkt   dat   de omschrijving  van  het  doel  van  het  onderhavige  register  zou  moeten  worden  beperkt  tot  de  opsporing van  strafbare  feiten  die  verband  hielden  met  de  uitkomsten  van  het  Fort-onderzoek.  De  rubricering “stg.-geheim”   van   het   Fort-dossier   zou   worden   beëindigd   “met   ingang   van   dagtekening   van   dit schrijven”, dus op 23 september 1997.293 Het advies van 15 mei 1997 omtrent het gebruik van verklaringen en stukken uit het Fort-archief bracht   met   zich   mee   dat   tussen   16   en   21   mei   1997   de   (voorbehouden   en/of   voorwaarden   en/of toezeggingen  bij)  verklaringen  van  een  aantal  personen  die  door  het  Fort-team  waren  gehoord,  door leden  van  het  team  gedetailleerd  werden  onderzocht  op  hun  bruikbaarheid  in  het  licht  van  de  criteria die door de landsadvocaat waren geformuleerd. Uit het verslag van de bespreking die op 16 mei 1997 plaatsgreep valt op te maken dat op dat moment de verklaringen van acht personen leken te kunnen worden “gehaald” (daarom nog niet “gebruikt”) door diverse leden van het team (bij politiemensen door politiemensen, bij de douane en de FIOD door iemand van deze diensten, bij CID’ers door iemand van de  CID,  bij  leden  van  het  openbaar  ministerie  door  Noordhoek).  De  verklaringen  van  twee  personen konden  onder  bepaalde  voorwaarden  wellicht  worden  gebruikt.  En  de  verklaringen  van  de  resterende acht personen konden ofwel niet worden gebruikt ofwel moesten opnieuw worden bekeken.294 Wat     tenslotte     de     toegang     tot     en     het     gebruik     van     het     archief     van     de     parlementaire enquêtecommissie  opsporingsmethoden  betreft  verzocht  Docters  van  Leeuwen  op  24  april  1997  aan het  presidium  van  de  Tweede  Kamer  om  leden  van  onderzoeksteams  inzage  te  verlenen  in  het  niet openbare deel van haar dossiers. Met het oog op de concretisering van een formele positieve reactie vond  er  op  22  mei  1997  overleg  plaats  tussen  Noordhoek  en  enkele  ambtenaren  van  de  Kamer.  Zij kwamen tot de slotsom dat (gescreende) leden van het team onder bepaalde voorwaarden eventueel kennis konden nemen van bepaalde informatie mits deze voorlopig alleen als sturingsinformatie werd gebruikt.295  Op  12  juni  1997  werd  deze  afspraak  door  een  van  de  Kamerambtenaren  vastgelegd  in een brief aan A. Docters van Leeuwen.296 6.4 De onderzoeksactiviteiten van de beide teams 6.4.1 Het verdere onderzoek van spoor 1 Eind april 1997 werd concreet geformuleerd hoe het nadere onderzoek zou kunnen worden ingericht. Het  uitgangspunt  in  een  document  van  28  april  dienaangaande  luidde  dat  het,  gezien  het  feit  dat  het nog   onduidelijk   was   “of   de   eerdergenoemde   subjecten   vandaag   de   dag   nog   actief   zijn   op   het                                                 292 Dit blijkt uit de brief van C. Ficq d.d. 13 juni aan de minister van Justitie betreffende de beantwoording van de vragen van het Kamerlid Koekkoek (F18). 293 Brief minister van Justitie d.d. 23 september 1997 aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal (C4). Uit een brief van A. Docters van Leeuwen d.d. 21 oktober 1997 aan de minister van Justitie over de vraag van nog weer een   andere   raadsman   omtrent   opheffing   van   het   staatsgeheim   blijkt   overigens   dat   de   minister   reeds   bij   de beantwoording d.d. 25 augustus 1997 van de vragen van het Kamerlid Koekkoek had aangekondigd dat de rubricering “stg.-geheim” zou worden beëindigd (C4). 294 Het betrokken verslag betreffende de bespreking van 16 mei 1997 en de daarbij behorende notities bevinden zich in C4. 295 Het verslag van dit overleg is opgenomen in C4. Blijkens een ander verslag in C4 werd op 29 mei 1997 ook nog eens telefonisch overlegd gepleegd tussen de betrokkenen omtrent het standpunt van het presidium. 296 Brief d.d. 12 juni 1997 aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal (F18).

    fort3_1

    Deel II De periode november 1997 tot juni 1999

    fort3_25

    213 een   verdachte,   een   Colombiaan,   die   de   cocaïne   zou   hebben   geleverd.   De   partij   cocaïne   werd aangetroffen  in  een  bestelbus,  die  op  naam  bleek  te  staan  van  De  M.,  die  tijdens  het  onderzoek  van de Enquêtecommissie Opsporingsmethoden bekendheid verkreeg als de “Sapman” uit België.469 Ook bevond  zich  in  de  bestelbus  een  partij  sinaasappelen  afkomstig  van  het  bedrijf  van  de  “Belgische Sapman”.   De   Belgische   autoriteiten   werden   hierover   geïnformeerd   en   zo   ging   ook   daar   een onderzoek van start. Uit dit Belgische onderzoek bleek dat de container uit Venezuela was verscheept en in Rotterdam was    gelost.    Vervolgens    was    de    container    naar    het    sapbedrijf    van    de    “Belgische    Sapman” getransporteerd,  waar  de  cocaïne  onder  de  deklading  van  –  rotte  –  sinaasappelen  werd  weggehaald en  vervoerd  naar  Nederland.  Er  bleek  nog  een  tweede  container  te  zijn  aangekomen  met  hetzelfde schip en te zijn gebracht naar het bedrijf van de “Belgische Sapman”. Deze tweede container werd, op basis  van  een  tip  van  een  van  de  aangehouden  verdachten,  op  7  juni  1997  in  Hoorn  gevonden  met ongeveer  700  kg  cocaïne.  De  partij  was  in  het  geprepareerde  dak  van  de  container  verborgen.  De “Belgische Sapman” was overigens al een dag eerder door de Belgische politie aangehouden. Al  tijdens  de  taps  op  de  lokale  drugshandelaar  in  het  voorjaar  1997  en  met  name  tijdens  de verhoren  van  de  aangehouden  verdachten  kwam  de  “Taartman”  in  beeld.  Hij  zou  de  financier  en initiator  achter  de  cocaïnetransporten  zijn  geweest.  R.  zou  in  opdracht  van  de  “Taartman”  en  op  zijn kosten  het  uitvoerende  werk  hebben  verricht.  Deze  verdenkingen  vormden  in  september  1997  de aanleiding voor het LRT om een LRT-rechercheur deel uit te laten maken van het Zaanse Carex-team. Enkele  maanden  later  zou  het  onderzoek  naar  de  rol  van  de  “Taartman”  door  het  060-team  geheel worden overgenomen.470 10.2.2 De tweede bron: het rechtshulpverzoek uit Sri Lanka Naast het Carex-onderzoek was er nog een tweede aanleiding voor het LRT om een onderzoek naar de “Taartman” in te stellen. Het betrof een rechtshulpverzoek uit Sri Lanka dat aan het Amsterdamse parket was gericht. Het verzoek werd in februari 1997 verzonden naar aanleiding van een door de Sri Lankese  politie  onderschepte  vissersboot  met  ruim  10.000  kilo  hasj  aan  boord.  Uit  het  ingestelde onderzoek  bleek  dat  bij  de  organisatie  en  financiering  van  dit  transport  vier  Nederlanders  betrokken waren.  Eén  van  hen  was  de  “Taartman”.  Met  behulp  van  het  rechtshulpverzoek  probeerden  de  Sri Lankanen meer informatie over deze verdachten te verkrijgen. Het Amsterdamse parket toonde weinig belangstelling  voor  deze  zaak  en  stuurde  het  verzoek  door  naar  het  Rotterdamse  parket  omdat  twee van de vier verdachten in Rotterdam woonden. Het Rotterdamse parket zag er kennelijk ook niet veel heil in en stuurde het verzoek eind oktober 1997 weer door naar het LBOM. Op  het  LBOM  kwam  het  verzoek  als  geroepen.  Noordhoek  droeg  op  dat  moment  immers  al kennis    van    het    Carex-onderzoek    en    van    de    mogelijke    betrokkenheid    van    de    “Taartman”    bij drugshandel.   Hij   besloot   vrijwel   onmiddellijk,   op   5   november   1997,   om   het   rechtshulpverzoek   in behandeling  te  nemen  en  een  opsporingsonderzoek  in  Nederland  in  te  stellen  naar  de  vermoedelijk door de “Taartman” gepleegde strafbare feiten. Samen met twee rechercheurs reisde hij nog diezelfde maand   af   naar   Sri   Lanka   om   kennis   te   nemen   van   de   daar   aanwezige   gegevens.   De   drie functionarissen  keerden  niet  met  lege  handen  naar  huis  terug.  Zij  kregen  een  groot  aantal  kopieën mee  van  verhoren,  bills  of  lading,  printgegevens,  hotelrekeningen,  die  wezen  op  de  aanwezigheid  en werkzaamheden van de “Taartman” in Sri Lanka.                                                 469 Niet  te  verwarren  met  de  zojuist  genoemde  “Sapman”  uit  Nederland  die  een  informant  was  van  Van  V.  Voor  alle duidelijkheid zal in het vervolg gesproken worden over de “Belgische Sapman” en de “Nederlandse Sapman”. 470 Op 2 maart 1998 is er overleg geweest tussen Van Brummen en Ficq, waarin werd besloten de  “Taartman” van Carex over te hevelen naar het LRT. In feite had deze overheveling al in november plaatsgevonden. Uit: Tijdlijn (B2).

    fort3_4

    192 daarbij  gereserveerd  voor  de  toegang  tot  CID-informatie,  een  probleem  dat  ook  in  deze  fase  de gemoederen bezig hield. Het vervolg in de 063-zaak – de XTC-trajecten naar Engeland – staat centraal in hoofdstuk 14. In het bijzonder wordt daarbij ingegaan op de discussies rondom de vraag of dit onderzoek al niet moest worden uitgebreid naar mogelijke strafbare handelingen van overheidsfunctionarissen. In   hoofdstuk   15   ten   slotte   wordt   beknopt   weergegeven   welke   gevolgen   het   rapport   van   de Commissie-Kalsbeek   heeft   gehad   voor   de   organisatie   van   de   post-Fort-onderzoeken.   Bovendien wordt aan de hand van de eerder genoemde ambtsberichten van Vrakking, Van Brummen en Holthuis in  kaart  gebracht  hoe  binnen  de  verschillende  parketten  tegen  het  post-Fort-traject  en  de  toekomst daarvan werd aangekeken. Voordat de bevindingen worden gepresenteerd, is het van belang te wijzen op enkele belangrijke veranderingen  in  de  organisatorische  context  waarbinnen  het  onderzoek  plaatsvond.  Allereerst  moet worden vermeld dat de rol van Snijders in de Haarlemse parketorganisatie eind 1997 was veranderd. Tot  die  tijd  combineerde  hij  reguliere  CID-taken  in  het  arrondissement  Haarlem  met  de  bijzondere taken die aan hem waren toevertrouwd in het kader van het post-Fort-traject. Vanaf eind 1997 hield hij zich  uitsluitend  nog  met  de  laatstgenoemde  taken  bezig.  De  belangrijkste  reden  voor  Van  Brummen om Snijders te ontheffen van zijn reguliere CID-activiteiten was dat deze activiteiten als gevolg van de bijzondere taken die Snijders vervulde in de knel waren geraakt. Bovendien hoopte Van Brummen met de   verandering   in   de   taakomschrijving   van   Snijders   de   spanningen   die   waren   ontstaan   tussen laatstgenoemde   en   de   toenmalige   officier   van   het   kernteam   Randstad   Noord-   en   Midden   (KTR) verminderen. Snijders maakte in de nieuwe constructie in formatieve zin nog wel deel uit van het team specialismen,  maar  rapporteerde  uitsluitend  nog  aan  Van  Brummen.  De  twee  hadden  in  dat  verband intensief contact met elkaar.407 Afgezien  van  de  veranderde  rol  van  Snijders  vonden  in  deze  periode  ook  enkele  belangrijke wijzigingen   plaats   binnen   het   college   van   procureurs-generaal.   De   afwikkeling   van   de   “affaire Bakkenist”  en  het  daaropvolgende  vertrek  van  de  voorzitter  van  het  college  van  procureurs-generaal Docters  van  Leeuwen  zorgden  niet  alleen  in  politieke  zin  en  binnen  het  openbaar  ministerie  voor  de nodige  onrust,  maar  hadden  ook  consequenties  voor  het  sturende  vermogen  van  het  college  van procureurs-generaal ten aanzien van grootschalige onderzoeken, waaronder het 060-traject.408 Vanaf januari  1998  fungeerde  Ficq  als  waarnemend  voorzitter  van  het  college.  Pas  met  de  komst  op  1  april 1999  van  De  Wijkerslooth  was  het  college  van  procureurs-generaal  weer  op  sterkte  en  beschikte  het over een vaste voorzitter. Een andere belangrijk gegeven in 1998 was de installatie van het tweede Paarse kabinet en het aantreden  –  in  augustus  van  dat  jaar  –  van  een  nieuwe  minister  van  Justitie  in  de  persoon  van  B. Korthals.   Zoals   in   hoofdstuk   12   zal   worden   toegelicht,   werd   Korthals   reeds   spoedig   na   zijn ambtsaanvaarding  door  Ficq,  Holthuis  en  Noordhoek  op  hoofdlijnen  over  de  onderzoeken  bijgepraat. Dit gegeven onderstreept het belang dat de departementsleiding hechtte aan tijdige informatievoorziening   van   de   minister   met   betrekking   tot   dit   –   ook   in   politiek   opzicht   –   gevoelige dossier.                                                 407 Interview H. van Brummen d.d. 2 februari 2001. 408 Voor  een  nadere  uiteenzetting  over  deze  affaire  en  het  daar  op  volgende  vertrek  van  Docters  van  Leeuwen,  zie hoofdstuk 2 (paragraaf 2.4).

    fort3_54

    242 Tegen  de  achtergrond  van  de  presentatie  in  oktober  1998,  die  anderhalf  uur  duurde,  komt die   opmerking   enigszins   vreemd   over.   Van   een   zo   complex   onderzoek   kun   je   na   een presentatie    niet    anders    zeggen    dan    dat    wij    de    minister    “op    hoofdlijnen”    hebben geïnformeerd.” De stelling van Ficq dat de minister van Justitie op dezelfde wijze werd geïnformeerd als het college is wat  betreft  de  presentatie  van  Noordhoek  weliswaar  juist,  maar  gaat  voorbij  aan  het  feit  dat  Snijders niet  in  de  gelegenheid  werd  gesteld  bij  de  minister  een  presentatie  te  verzorgen.  Derhalve  moet worden  geconcludeerd  dat  het  college  van  procureurs-generaal  op  6  oktober  1998  uitgebreider  werd voorgelicht dan de minister. In deze paragraaf wordt allereerst uiteengezet wat de presentaties van Noordhoek en Snijders op hoofdlijnen   behelsden.   Vervolgens   wordt   beschreven   tot   welke   discussie   en   besluitvorming   de presentaties leidden in het college en binnen het departement. 12.4.1 Inhoud van de presentaties De presentatie van Noordhoek De    beschouwing    van    Noordhoek    werd    door    middel    van    zeven    dia’s    gevisualiseerd.    Na    een uiteenzetting over de vier doelstellingen en het verloop van het 060-onderzoek spitste Noordhoek zijn betoog  toe  op  de  parallel-importen.  Dit  tot  verrassing  van  Van  Brummen,  Schouten  en  Snijders.  Om met de laatste te spreken543: “Het  heeft  mij  zeer  verbaasd  dat  Noordhoek  in  het  college,  en  ’s  ochtends  bij  de  minister, bepaalde zaken op tafel heeft gelegd die gebaseerd waren op onze informatie. Hij sloeg op sommige  punten  wel  de  plank  mis,  maar  na  alle  weerzin  die  hij  had  geuit  tegen  de  NN- verklaringen  en  het  parallel-pv  was  het  toch  op  zijn  minst  opmerkelijk  dat  hij  de  hypothese van de parallel-importen onderschreef.” Tijdens  de  collegevergadering  ontpopte  Noordhoek  zich  zelfs  als  een  aanhanger  van  de  parallel- hypothese.  Op  een  vraag  van  een  procureur-generaal  of  het  bewijs  niet  aan  de  dunne  kant  was, repliceerde  Noordhoek  dat  er  veel  meer  harde  informatie  was  om  de  hypothese  te  onderbouwen.  Hij verwees in dat verband onder meer naar het parallel-pv.544 In  retrospectief  had  Noordhoek  enige  spijt  dat  hij  zich  tijdens  de  presentaties  onverkort  achter  de parallel-hypothese had geschaard. Hij voerde daarvoor de volgende verklaring aan545: “Ik had toen nog de illusie dat er wellicht iets uit die parallel-hypothese zou kunnen komen. Ik had niet het gevoel dat het een krankzinnig idee was. Het had zo gegaan kunnen zijn. Maar achteraf  was  het  niet  zo  handig  om  mij  op  die  NN-verklaringen  en  op  het  parallel-pv  te baseren.  Met  name  dat  laatste  was,  zoals  later  bleek,  een  epistel  dat  gebaseerd  was  op aannames. Het was heel moeilijk om dat hard te maken.” Snijders   had   gemengde   gevoelens   over   het   optreden   van   Noordhoek.   Zoals   uit   het   citaat   dat hierboven   is   afgedrukt   valt   af   te   leiden,   was   hij   enerzijds   ingenomen   met   de   ogenschijnlijke ommezwaai   van   Noordhoek,   anderzijds   was   hij   over   de   uitleg   van   Noordhoek   van   de   parallel- transporten  minder  te  spreken.  Zijns  inziens  was  de  presentatie  op  dit  punt  “kort  door  de  bocht”  en was het noodzakelijk dat de gang van zaken als bedoeld in het parallel-proces-verbaal nogmaals aan                                                 543 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001. 544 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 6-10-1998 (C5). 545 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001

    fort3_69

    257 Het opsporingsonderzoek tegen J. is, zoals reeds werd gesteld in paragraaf 6.4, gestart op basis van  onder  meer  een  BVD-ambtsbericht,  een  CID-bericht  en  diverse  MOT-meldingen,  waaruit  zou blijken dat J. betrokken was bij het Oostenrijkse bedrijf en in Nederland opbrengsten genoot uit illegale loterijen.   Nader   onderzoek   naar   de   Oostenrijkse   sporttotalisator   –   aanvankelijk   aan   de   hand   van gegevens  van  de  Kamer  van  Koophandel  in  Oostenrijk,  later  door  middel  van  beslaglegging  op  de bedrijfsinformatie  van  het  bedrijf  en  verhoren  van  de  Oostenrijkse  mededirecteur  –  wees  niet  in  de richting  van  de  eerder  uitgesproken  vermoedens  dat  via  de  onderneming  op  grote  schaal  geld  zou worden witgewassen en/of dat J. tientallen miljoenen guldens in de onderneming zou hebben zitten. Zaak 6 heeft betrekking op een onderzoek dat door de Rotterdamse politie werd ingebracht. Naar aanleiding   van   een   tip   dat   er   vermoedelijk   drugs   werden   gelost   in   een   loods,   werden   door   de Rotterdamse   politie   op   11   augustus   1999   50.000   XTC-pillen   in   beslaggenomen.   Op   basis   van observatie  en  vingerafdrukken  kon  de  betrokkenheid  van  een  aantal  medeverdachten  van  J.  worden vastgesteld. J. had zelf met deze zaak niets van doen. Zaak 7 is enigszins  vergelijkbaar  met  de  voorgaande  zaak.  Ook  in  deze  zaak  was  er  een  tip  dat er  drugs  zouden  worden  gelost;  het  bleek  om  3,5  kilo  cocaïne  te  gaan.  Het  betrof  de  eerste  tastbare actie, in maart 1999, tegen personen die tot de kring van de medeverdachten van J. behoorden. Maar het onderzoek werd noch geïnitieerd, noch uitgevoerd door het LRT. Het is zelfstandig verricht door de FIOD.  Proces-verbaal  werd  opgemaakt  tegen  een  aantal  medeverdachten  van  J.  en  J.  zelf.  De  voor deze   zaak   opgemaakte   processen-verbaal   werden   nadien   integraal   overgenomen   in   het   LRT- zaaksdossier. Zaak 8 ten slotte heeft betrekking op de vondst van ruim 500 kilo hasj in de woning van één van de op 15 februari 2000 aangehouden verdachten. De verdachte zou gekarakteriseerd kunnen worden als een medewerker van S. 13.5 De analyse van het parallel-proces-verbaal Naast het onderzoek naar J. werd door het onderzoeksteam 96061 ook nader onderzoek verricht naar het zogenaamde parallel-proces-verbaal. In paragraaf 9.5 is uiteengezet dat dit door Van Stormbroek en   Schouten   opgemaakte   proces-verbaal   in   juli   1998   het   licht   zag.   Het   document   bevatte   de beschrijving  van  negen  parallel-importen.  Later  werd  dit  aantal  teruggebracht  tot  acht.  In  dezelfde paragraaf   is   beschreven   hoe   een   klein   team   –   hoofdzakelijk   bestaande   uit   medewerkers   van   de rijksrecherche   –   trachtte   de   in   het   genoemde   proces-verbaal   aangedragen   parallel-importen   in recherchetactische  zin  van  een  steviger  fundament  te  voorzien.  Na  bestudering  van  de  voor  het  team toegankelijke   gegevens   bleek   de   onderbouwing   van   de   parallel-transporten   nog   te   zwak.   Het onderzoeksteam had echter de stellige indruk dat er CID-matig meer informatie over de 22 betrokken containers  en  onderzoeken  beschikbaar  moest  zijn.  Om  de  her  en  der  in  het  land  aanwezige  00-  en 01-informatie  tactisch  bruikbaar  te  maken  was  het  team  echter  afhankelijk  van  de  inzet  van  de  CID- sectie  van  het  LRT.  Aangezien  de  tijd  van  Van  Slobbe  c.s.  in  januari  1999  volledig  in  beslag  werd genomen    door    het    061-onderzoek,    hadden    de    teamleden    in    januari    1999    weinig    concrete onderzoeksactiviteiten om handen. Op verzoek van Entken ondersteunden zij gedurende deze maand de tapkamer van het 061-onderzoek. In een overleg dat plaatsvond op 27 januari 1999 – waarbij aanwezig waren Snijders, Noordhoek, Entken,  een  rijksrechercheur  en  een  vertegenwoordiger  van  de  CID  van  het  LRT  –  werd  de  afspraak gemaakt dat de CID-LRT zou proberen de 01 informatie bij de aanleverende instanties om te zetten in tactisch  bruikbare  informatie.  Het  gebruik  van  de  00-  informatie  was  problematischer.  Er  moest  eerst nog   nader   overleg   plaatsvinden   om   te   zien   op   welke   wijze   deze   informatie   eventueel   bruikbaar gemaakt kon worden.582                                                 582 Journaal over containeronderzoek n.a.v. parallel-proces-verbaal (C1).

    fort3_83

    271 Tenuitvoerlegging Strafvonnissen niet leidde tot de gewenste tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland, zit Van T. nog steeds in een Engelse penitentiaire inrichting.628 14.5 Conclusie De  gang  van  zaken  in  het  063-onderzoek  legt  wederom  een  fundamenteel  verschil  van  inzicht  bloot over  de  te  voeren  strategie.  Ditmaal  was  er  sprake  van  een  controverse  tussen  Snijders  en  Van  der Burg.  Waar  de  eerstgenoemde  hamerde  op  een  “schone”  start  van  het  onderzoek,  later  eventueel aangevuld met materiaal uit “besmet verklaarde” dossiers, raadpleegde Van der Burg in het kader van zijn  haalbaarheidsonderzoek  reeds  in  een  vroegtijdig  stadium  het  Fort-dossier.  Hoewel  dit  conflict binnen  de  perken  bleef  en  geenszins  leidde  tot  onwerkbare  verhoudingen,  is  het  wel  illustratief  voor de  tekortkomingen  in  de  onderlinge  afstemming.  Noch  uit  de  stukken,  noch  uit  de  interviews  is  af  te leiden  in  hoeverre  de  betrokkenen  op  voorhand  duidelijke  afspraken  hebben  gemaakt  omtrent  de strategie.  Snijders  en  Van  der  Burg  zaten  wat  dit  betreft  ook  op  verschillende  golflengten.  Van  der Burg  concentreerde  zich  op  de  haalbaarheid  van  een  strafrechtelijk  onderzoek  en  –  in  het  verlengde daarvan – vervolging en berechting. Snijders was van deze haalbaarheid reeds overtuigd, richtte zich op de inkleding van het strafrechtelijk traject en was Van de Burg derhalve een paar stappen voor. Een  belangrijk  element  van  de  063-zaak  is  de  vraag  naar  de  spanwijdte  van  het  onderzoek. Snijders en Van der Burg zaten wat dit punt betreft wel op één lijn: het onderzoek moest breed worden opgezet,  in  de  zin  dat  het  oog  gericht  moest  zijn  op  mogelijk  verwijtbare  betrokkenheid  bij  strafbare feiten   van   overheidsfunctionarissen,   inclusief   leden   van   het   openbaar   ministerie.   Het   college   van procureurs-generaal  had  naar  aanleiding  van  de  presentatie  van  Snijders  en  Schouten  op  6  oktober 1998 de deur naar een dergelijk breed opgezet onderzoek op een kier gezet, maar sloot deze deur in het  voorjaar  van  1999  weer  toen  zich  naar  het  oordeel  van  het  college  geen  nieuwe  feiten  hadden aangediend die de mogelijk verstrekkende aanpak van Snijders en Van der Burg rechtvaardigden. De  koerswijziging  van  het  college  werd  door  een  aantal  respondenten  rechtstreeks  in  verband gebracht  met  het  onderzoek  van  de  “Equipe  Ficq”  uit  1996,  waaruit  onder  andere  naar  voren  was gekomen  dat  geen  van  de  betrokken  officieren  zich  in  de  IRT-periode  schuldig  had  gemaakt  aan strafbare feiten. Met name Ficq zou met handen en voeten gebonden zijn aan deze rapportage en zijn eigen onderzoekscommissie niet hebben willen desavoueren. In  de  beeldvorming  mag  Ficq  de  schijn  enigszins  tegen  gehad  hebben,  de  causale  relatie  die gelegd   is   tussen   het   onderzoek   van   de   “Equipe   Ficq”   en   zijn   opstelling   in   de   063-zaak   getuigt niettemin   van   een   eenzijdige   interpretatie.   Immers,   had   Ficq   de   betrokken   officieren   van   justitie daadwerkelijk  uit  de  wind  willen  zetten,  dan  had  hij  in  oktober  1998  ook  geen  enkele  opening  in  de richting  van  verbreding  van  het  onderzoek  geboden.  Daar  komt  nog  iets  bij.  In  zijn  hoedanigheid  van waarnemend   voorzitter   van   het   college   van   procureurs-generaal   wist   Ficq   als   geen   ander   welke wonden  de  IRT-affaire  binnen  het  openbaar  ministerie  had  geslagen.  Dat  hij  extra  eisen  stelde  aan een  onderzoek  dat  zich  mogelijkerwijs  ook  zou  richten  op  het  handelen  van  de  betrokken  officieren van justitie, is vanuit dat licht bezien niet onbegrijpelijk. Noch uit de stukken, noch uit de interviews zijn aanwijzingen  te  destilleren  dat  Ficq  of  enig  ander  lid  van  het  college  van  procureurs-generaal  er  toe genegen   was   om   de   strafrechtelijke   vervolging   van   een   lid   van   de   eigen   organisatie   onder   alle omstandigheden uit te sluiten. Wat wel duidelijk is, is dat verbreding van het onderzoek in de richting van officieren van justitie en/of andere overheidsfunctionarissen voor Ficq pas een aanvaardbare optie was  op  het  moment  dat  er  sprake  was  van  een  concrete  verdenking.  En  daaraan  ontbrak  het  in  zijn ogen. Ook de verklaringen van Van T. boden in de optiek van Ficq daarvoor onvoldoende houvast. De   discussie   tussen   Snijders   en   Ficq   in   de   063-zaak   vormt   de   zoveelste   illustratie   van   het spanningsveld  dat  bestaat  tussen  bewijsvergaring  in  strafvorderlijke  zin  en  waarheidsvinding  in  de                                                 628 Brief d.d. 24 augustus 1999 aan het college van procureurs-generaal (D24).

    Instelling Commissie Kalsbeek

    HOOFDSTUK 1 INLEIDING, VRAAGSTELLINGEN VERANTWOORDING

    1.1 Instelling en samenstelling commissie

    lees meer

    Criminele inlichtingendienst

    3.4 Criminele inlichtingendiensten

    De criminele inlichtingendiensten (CID-en) vormen een
    belangrijke schakel in de organisatie van de opsporing. Het
    verzamelen van criminele informatie, bijvoorbeeld door middel van
    contacten van informanten, wordt sinds de jaren zeventig door
    aparte criminele inlichtingendiensten binnen de politie verricht.
    In het onderzoek van de parlementaire enquêtecommissie
    opsporingsmethoden is veel aandacht besteed aan dit onderdeel.
    Hieruit bleek dat er geen wettelijke basis was voor de CID-en en
    dat de diversiteit aan organisatievormen en werkwijzen van de CID
    en in het land aanzienlijk was. (Kamerstuk 24 072, nr. 14,
    1995-1996, functioneren van de CID-en.

    lees meer

    Normering

    6.3 Normering

    6.3.1 Algemeen
    6.3.2 Observatiemethoden
    6.3.3 Informanten en infiltranten
    6.3.4 Gecontroleerde aflevering en
    doorlaten

    6.3.5 Overige methoden
    6.3.6 Opleiding
     

    lees meer

    Verhoren – mr. R.A.F. Gerding

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 11

    11 september 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    maandag 11 september 1995
    in de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    mr. R.A.F. Gerding
    Aanvang 14.00 uur

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>