91 onderste steen” in deze affaire, welke dit ook mocht zijn en hoe die er ook mocht uitzien, nog steeds niet boven gehaald. Docters van Leeuwen – als voormalig hoofd van de BVD wellicht extra gevoelig voor deze conclusie – was zich als geen ander bewust van de noodzaak van dit onderzoek. Het is duidelijk geworden dat naar zijn mening een vervolgonderzoek op de lange(re) termijn – want hij besefte ook dat het een werk van lange adem zou (kunnen) worden – twee strategische doelen moest dienen: een inhoudelijk doel – de verdere opheldering van de IRT-affaire – en een institutioneel doel – de uitbouw van tactische en CID-matige recherchecapaciteit op landelijk niveau. En voor hem waren deze twee doeleinden nauw aan elkaar gelieerd: de gewenste duidelijkheid kon enkel worden verkregen door middel van zulke capaciteit. Hiermee is meteen ook een van de grote problemen van het vervolgonderzoek gegeven: aan wie moest het worden toevertrouwd gelet op het feit dat er in de ogen van Docters van Leeuwen eigenlijk geen passende organisatorische voorziening bestond? Maar tevens werd op deze manier ook een ander groot probleem gesteld. Wanneer immers met de bestaande middelen de IRT-affaire wel kon worden opgelost dan werd bewezen dat een landelijk opererende recherche minder hard nodig was dan Docters van Leeuwen suggereerde. Werd zij hiermee niet opgelost, dan werd weliswaar het tegendeel bewezen, maar in zekere zin ten koste van degenen die hadden gefaald. Met enig gevoel voor ironie zou men natuurlijk ook kunnen zeggen dat in relatie tot (een van) de twee strategische doeleinden succes altijd (gedeeltelijk) verzekerd was. Een derde probleem is echter dat degenen die het onderzoek moesten uitvoeren zich bovenal richtten op de verwezenlijking van het inhoudelijke doel en zich van het institutionele doel slechts zijdelings rekenschap gaven, bijvoorbeeld waar zij vreesden te worden beticht van de opbouw van een justitiële politie in Nederland. Het laatstgenoemde doel heeft dan ook niet meegespeeld in de planning en de uitvoering van het vervolgonderzoek. Hierbij moet men evenwel voor ogen houden dat van de kant van het college ook niet werd aangedrongen op zijn operationalisering. Docters van Leeuwen had hier immers bovenal het oog op de politiek aan het Binnenhof. De strategische discussie had dus hoofdzakelijk betrekking op de uitwerking van het inhoudelijke doel: de “olifant” helemaal in beeld brengen en, in de ogen van Docters van Leeuwen, met name ook zijn financiële poot: waar komt het geld vandaan en waar gaat het naartoe? Dit bleek evenwel van meet af aan niet eenvoudig. Enerzijds niet omdat met de gedachte werd gespeeld dat binnen een en hetzelfde strafrechtelijk georiënteerde onderzoek twee onderscheiden deelonderzoeken moesten worden verricht: één naar een aantal personen die zich verdacht hadden gemaakt, en één naar het fenomeen van de Colombiaanse cocaïnehandel met het accent op integriteitproblemen aan de kant van de Nederlandse overheid. Anderzijds niet omdat deze twee deelonderzoeken – het ene een tactisch onderzoek, het andere een CID-matig onderzoek – uiteindelijk niet werden toevertrouwd aan één en hetzelfde politieteam maar aan twee verschillende teams, zij het ook onder het (formele) gezag van dezelfde hoofdofficier van justitie, het hoofd van het landelijk parket. Het risico was dus heel groot dat de twee teams niet alleen op een verschillende manier zouden kijken naar de “olifant” maar er ook heel verschillende onderdelen van zouden zien of dezelfde onderdelen op een heel andere manier in beeld wilden brengen. Dit risico was des te groter omdat aan deze doorstart van het onderzoek naar de IRT-affaire geen doortimmerd onderzoeksplan ten grondslag lag. Alles bij elkaar genomen was het vervolgonderzoek immers op niet meer gebouwd dan op een stelling van enkele rechercheurs over wat er gebeurd zou kunnen zijn, geconstrueerd op basis van een beperkt samenstel van aanwijzingen en feitelijkheden. Hierbij moet worden aangetekend dat deze rechercheurs en hun stelling – er is sprake (geweest) van parallel-importen van verdovende middelen uit Colombia; de informant van de Nederlandse politie heeft hierbij dubbelspel gespeeld en de betrokken politiemensen waren “plat” – desalniettemin heel het onderzoek door een grote rol hebben gespeeld. Evenals hun vermoeden dat de ellende eigenlijk was begonnen bij de FIOD. Met name de leiding van het LRT en die van het LBOM waren zich terdege bewust van het probleem van de verdeling van het onderzoek over twee teams en van de implicaties hiervan voor het goede verloop van het onderzoek. Wellicht was hun gevoeligheid voor dit risico groot omdat beide instanties nog maar net waren opgericht en nog geen enkele ervaring hadden met het draaien van
105 het college door tussenkomst van Holthuis en Gonsalves. Belangrijk is ook dat in de vergadering werd vastgesteld dat het feit dat het hier ging om een zogenaamd verkennend opsporingsonderzoek, betekende dat de verkregen informatie in beginsel zou worden gebruikt in het opsporingsonderzoek van het LRT, spoor 1. Voor het verkennend onderzoek zou verder commitment worden gevraagd bij de betrokken hoofdofficieren van justitie en politiechefs in daartoe te organiseren bijeenkomsten. Mocht dit niet lukken, dan zou dat worden voorgelegd aan het college. Tenslotte werd besloten dat de minister in de overlegvergadering van 4 december 1996 zou worden geïnformeerd over de voortgang van spoor 1 en spoor 2. Het hoofd van het LBOM en de procureur-generaal die als portefeuillehouder fungeerde, zouden hiervoor een notitie aanleveren.140 Met het oog op deze vergadering stuurde Holthuis bij brief van 28 november 1996 de voortgangsrapportages betreffende “het strafrechtelijk onderzoek 060 spoor I en spoor II” naar de secretaris van deze vergadering.141 De rapportages waarom het ging waren aan de ene kant de hiervoor besproken startnotitie van 27/29 november van Godlieb voor het onderzoek van spoor 2 en aan de andere kant een korte (niet-gedateerde) nota van Noordhoek betreffende het onderzoek van spoor 1. In deze (korte) laatste nota werden slechts enkele punten aangestipt: de problemen met de start, de geplande fasering van het onderzoek en de toezegging dat de fase van de projectvoorbereiding zou worden afgesloten met de vaststelling van een of meerdere, concrete operationele doelstellingen, waarbij tevens zou worden onderzocht in hoeverre de verklaringen in het Fort-dossier konden worden gebruikt voor de bewijsvoering van de (mogelijke) strafbare feiten. De landsadvocaat zou in verband met deze vraag om advies worden gevraagd. Hierna zou de volgende fase van het strafrechtelijk onderzoek van start kunnen gaan. Wat de startnotitie van Godlieb betreft is het niet onbelangrijk te vermelden dat Zwerwer in zijn aanbiedingsbriefje aan Holthuis erop wees dat het team nog slechts aarzelend had kunnen starten, maar dat de eerste externe contacten de verwachting wettigden dat de samenwerking met het openbaar ministerie en de (grote) politiekorpsen goed zou verlopen.142 Tot een bespreking van deze stukken in de overlegvergadering van 4 december kwam het echter niet. Tijdens de vergadering van 3 december 1996 had het college namelijk besloten om de voortgangsnotitie over het post-Fort-team van de agenda van de overlegvergadering te halen, teneinde deze eerst in het college te kunnen bespreken. Zij werd op de agenda gezet voor de vergadering van het college op 11 december 1996.143 4.3.5 De discussie in de Kamer Bij het voorgaande mag overigens niet uit het oog worden verloren dat het toenmalige Kamerlid Kalsbeek bij de bespreking van de reactie van de regering op het rapport van de Commissie–Van Traa in de Kamer een vraag had gesteld over “de appendix” van het rijksrechercherapport. Minister Sorgdrager antwoordde hierop dat er: “(…) binnen het landelijk recherche team een team (is) samengesteld onder leiding van een specifiek daarvoor aangewezen officier van justitie. Dat team werkt onder het gezag van het hoofd van het landelijk bureau. Dat team is bezig met een analyse van de resultaten van het rijksrechercheonderzoek. Daarbij worden juist de onbeantwoorde vragen die in het rijksrechercherapport zijn opgenomen, betrokken. Het rijksrechercheonderzoek was een zogenaamd fact-findingonderzoek. Daardoor is de informatie uit dat onderzoek slechts ten dele bruikbaar voor strafrechtelijk onderzoek. Vandaar dat er nu een voorbereidende fase is 140 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 5 november 1996 (C7). 141 Brief H. Holthuis d.d. 28 november 1996 aan ministerie van Justitie (B1). 142 Brief S. Zwerwer d.d. 29 november 1996 aan H. Holthuis (B1). 143 Vergelijk de betreffende oplegnotitie in B7.
120 — bezoek aan de belastingdienst en aan de FIOD te Haarlem; raadpleging van dossiers betreffende enkele subjecten; — bezoek aan de CID te Amsterdam, Den Haag en Den Bosch; — het volgen van het onderzoek in de meineedzaak tegen Van V. en L.; — raadpleging van de rijksrecherche met betrekking tot “verwonderpunten” in de eigen analyse van het Fort-archief; — lezing van persberichten over de subjecten, verzameld via elektronische databanken; — het interviewen van een beperkt aantal betrokkenen bij het onderzoek; — kennisneming van CID-rapporten betreffende (verklaringen over) parallel-importen vanuit Colombia; — bezoek aan de BVD via de speciaal aangewezen landelijk officier van justitie en onderzoek van de informatie die aldaar aanwezig was over de subjecten. Op grond van de bevindingen uit al deze acties werd in de eerste weken van maart 1997 een begin gemaakt met het opstellen van enerzijds zogenaamde subjectrapporten en anderzijds een afrondende rapportage. De zes subjectrapporten vormen hoofdzakelijk een nauwgezette bundeling van uittreksels uit stukken van het Fort-archief die in meer of mindere mate informatie bevatten die zoniet enigerlei verdenking dan toch wel enige verwondering wekken jegens de betrokkene(n). In een samenvatting worden daarenboven telkens de meest opmerkelijke bevindingen puntsgewijze opgesomd.190 Het eerste concept van de afrondende rapportage over de resultaten van de voorbereidingsfase dateert van 10 maart 1997, de definitieve versie is van 27 maart 1997.191 In het eerste deel van deze rapportage wordt in herinnering geroepen welke de opdracht en de samenstelling van het team waren, hoe het overleg met het andere team was gestructureerd en welke informatiebronnen werden aangeboord. Het tweede deel bevat allereerst een omschrijving van de “resultaten op hoofdlijnen” rond de zes subjecten (van de aanvankelijke acht). Zij is helemaal opgemaakt vanuit de gedachte dat een “redelijk vermoeden van schuld” zoveel als mogelijk moet worden onderbouwd. Per subject werd dan ook telkens aangegeven welke concreet de bevindingen waren, welke (open) vragen er nog over bleven en om welke strafbare feiten het ging. Uit deze presentatie blijkt dat er in alle gevallen nog vragen waren, variërend van drie tot zeven. Vervolgens werd een projectvoorstel geformuleerd, waarin de individuele verdenkingen jegens de betrokken individuen werden ingepast in een artikel 140- constructie. Waar het gaat om mogelijk gepleegde strafbare feiten bestond er, zo werd gesteld, het meeste houvast ten aanzien van de eerste twee subjecten, J. en Van V. De financiële invalshoek was in de ogen van het team de beste invalshoek om de 140-constructie te kunnen onderbouwen. Hierom is het niet verwonderlijk dat bij de aanduiding van de doelen van een (eventueel) vervolgonderzoek voorrang werd gegeven aan de “financiële doelen”, zoals de vaststelling van de individuele vermogensposities. Ten tweede werd gewag gemaakt van de “tactische doelen” – in het bijzonder de actieve vaststelling van de huidige leefsituatie en onderlinge contacten. En ten derde was er sprake van CID-doelen, met name het verkrijgen van mogelijkheden om zelfstandig informanten te runnen. Tot slot werd gesteld dat niet nauwkeurig viel aan te geven hoelang het onderzoek zou gaan duren en hoeveel mensen daarbij dienden te worden ingezet. Het uitgangspunt was om klein te starten en werkende weg te bezien welke vervolgstappen zouden moeten worden gezet. Men schatte evenwel in dat “gegeven de informatie” het tactische traject wel “traditioneel” van karakter zou zijn. In zijn interview gaf Van Gemert de volgende toelichting op het vervolg van het onderzoek192: 190 Deze subjectrapporten bevinden zich in F23. 191 Deze rapportage draagt de titel “Rapportage 96060” (F23). 192 Interview W. van Gemert d.d. 30 januari 2001.
134 Deze “Inleiding” van Godlieb werd besproken in de vergadering van het college van procureurs- generaal op 19 maart 1997. De vraag waarvoor het college zich in deze vergadering geplaatst zag luidde of dit onderzoek organisatorisch moest worden opgehangen bij het LRT-onderzoek 060, spoor 1, of dat een apart traject moest worden gevolgd. Onder verwijzing naar een gesprek met Zwerwer en Godlieb werd aangegeven dat dit onderzoek niet ondergebracht moest worden bij het LRT maar aansluiting gezocht moest worden bij de CID. Het gevaar van procedurele vermenging met spoor 1 werd namelijk reëel gevonden. Daarnaast moest er toch ook voldoende draagvlak voor het onderzoek worden gecreëerd. In aansluiting hierop werd beslist dat Gonsalves de mogelijkheden van organisatorische onderbrenging van het onderzoek zou (laten) onderzoeken. Maar dit wel met de kanttekening dat de keuze voor heldere gezagslijnen belangrijk was en dat er een duidelijke verbinding met de CID moest zijn.239 Het moge duidelijk zijn dat dit oordeel of toch in elk geval deze notulen niet uitblonk(en) in helderheid: over welke CID gaat het hier eigenlijk? Nog belangrijker is dat het volkomen haaks stond op wat Docters van Leeuwen op 27 maart 1997 zou schrijven aan Holthuis. In de desbetreffende brief – zie hiervoor – stelde hij namelijk met nadruk dat het college van procureurs-generaal van oordeel was dat het onderzoek van spoor 2 moest worden ingebed bij het LRT. 5.5 De verhoudingen tussen de beide teams en het hoofd LBOM De beide teams organiseerden niet alleen intern overleg. In het verlengde van de principe-afspraken die in november waren gemaakt vergaderden de teamleidingen op gezette tijden ook samen – acht keer in de maanden januari-maart 1997. Daarenboven vond er in deze drie maanden drie keer periodiek overleg plaats tussen de teamleidingen en Holthuis. De verslagen van al deze vergaderingen zijn meestal beknopt maar geven desalniettemin een beeld van de onderlinge verhoudingen tussen de beide teams.240 In de twee soorten vergaderingen werd natuurlijk veelvuldig gesproken over allerhande materiële en personele kwesties. Ook de perikelen met de formulering van de opdracht van spoor 2 werden bij herhaling aan de orde gesteld. De verslagen laten soms wel eens iets doorschemeren van verschillen van inzicht respectievelijk wederzijdse irritaties tussen de beide teams bij de bespreking van al deze problemen, maar zij groeiden – zo te lezen – niet uit tot heuse conflicten. Dit had op zich echter best wel gekund, bijvoorbeeld bij de bespreking van de huisvestingsproblemen. Van de kant van spoor 2 werd op een bepaald moment immers bepleit dat die konden worden opgevangen door een andere verdieping in hetzelfde gebouw erbij te nemen, terwijl door spoor 1 de voorkeur werd gegeven aan inhuizing bij het LRT. Dit verschil van inzicht zette natuurlijk het uitgangpunt van het gehele onderzoek ter discussie: beide teams vormen een geheel.241 Ook de bespreking van de planning en de voortgang van de onderscheiden onderzoeksactiviteiten verliep in het algemeen zonder problemen. Waarbij wel direct moet worden aangetekend dat gaandeweg steeds minder over deze activiteiten werd verteld, althans genotuleerd. Deels was dit het gevolg van het feit dat het vertrouwen tussen de beide teams onder grote druk was komen te staan. De reden hiervan was niet zozeer dat van de kant van spoor 1 soms werd aangegeven dat spoor 2 bepaalde activiteiten, bijvoorbeeld interviews, beter achterwege kon laten of ze beter op een later tijdstip zou organiseren. Ook het feit dat leden van spoor 1 wel konden rekenen op een zekere medewerking van het parket Amsterdam – bij herhaling werd medegedeeld dat er op 239 Vastgestelde notulen vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 19 maart 1997 (B1). 240 Al deze verslagen bevinden zich in C9. 241 Verslag periodiek afstemmingsoverleg d.d. 10 maart 1997 (C9).
149 op 11 juni een brief van deze strekking.292 Namens de minister antwoordde de plaatsvervangend secretaris-generaal op 23 september 1997 dat zij zich kon verenigen met het verzoek. Wel tekende zij hierbij aan dat zij er vanuit ging dat de informatie onder de werking van de Wet politieregisters werd gebracht. Bovendien zouden de afspraken die met de betrokkenen waren gemaakt met betrekking tot de veiligheid van de informanten moeten worden gerespecteerd. Verder werd opgemerkt dat de omschrijving van het doel van het onderhavige register zou moeten worden beperkt tot de opsporing van strafbare feiten die verband hielden met de uitkomsten van het Fort-onderzoek. De rubricering “stg.-geheim” van het Fort-dossier zou worden beëindigd “met ingang van dagtekening van dit schrijven”, dus op 23 september 1997.293 Het advies van 15 mei 1997 omtrent het gebruik van verklaringen en stukken uit het Fort-archief bracht met zich mee dat tussen 16 en 21 mei 1997 de (voorbehouden en/of voorwaarden en/of toezeggingen bij) verklaringen van een aantal personen die door het Fort-team waren gehoord, door leden van het team gedetailleerd werden onderzocht op hun bruikbaarheid in het licht van de criteria die door de landsadvocaat waren geformuleerd. Uit het verslag van de bespreking die op 16 mei 1997 plaatsgreep valt op te maken dat op dat moment de verklaringen van acht personen leken te kunnen worden “gehaald” (daarom nog niet “gebruikt”) door diverse leden van het team (bij politiemensen door politiemensen, bij de douane en de FIOD door iemand van deze diensten, bij CID’ers door iemand van de CID, bij leden van het openbaar ministerie door Noordhoek). De verklaringen van twee personen konden onder bepaalde voorwaarden wellicht worden gebruikt. En de verklaringen van de resterende acht personen konden ofwel niet worden gebruikt ofwel moesten opnieuw worden bekeken.294 Wat tenslotte de toegang tot en het gebruik van het archief van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden betreft verzocht Docters van Leeuwen op 24 april 1997 aan het presidium van de Tweede Kamer om leden van onderzoeksteams inzage te verlenen in het niet openbare deel van haar dossiers. Met het oog op de concretisering van een formele positieve reactie vond er op 22 mei 1997 overleg plaats tussen Noordhoek en enkele ambtenaren van de Kamer. Zij kwamen tot de slotsom dat (gescreende) leden van het team onder bepaalde voorwaarden eventueel kennis konden nemen van bepaalde informatie mits deze voorlopig alleen als sturingsinformatie werd gebruikt.295 Op 12 juni 1997 werd deze afspraak door een van de Kamerambtenaren vastgelegd in een brief aan A. Docters van Leeuwen.296 6.4 De onderzoeksactiviteiten van de beide teams 6.4.1 Het verdere onderzoek van spoor 1 Eind april 1997 werd concreet geformuleerd hoe het nadere onderzoek zou kunnen worden ingericht. Het uitgangspunt in een document van 28 april dienaangaande luidde dat het, gezien het feit dat het nog onduidelijk was “of de eerdergenoemde subjecten vandaag de dag nog actief zijn op het 292 Dit blijkt uit de brief van C. Ficq d.d. 13 juni aan de minister van Justitie betreffende de beantwoording van de vragen van het Kamerlid Koekkoek (F18). 293 Brief minister van Justitie d.d. 23 september 1997 aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal (C4). Uit een brief van A. Docters van Leeuwen d.d. 21 oktober 1997 aan de minister van Justitie over de vraag van nog weer een andere raadsman omtrent opheffing van het staatsgeheim blijkt overigens dat de minister reeds bij de beantwoording d.d. 25 augustus 1997 van de vragen van het Kamerlid Koekkoek had aangekondigd dat de rubricering “stg.-geheim” zou worden beëindigd (C4). 294 Het betrokken verslag betreffende de bespreking van 16 mei 1997 en de daarbij behorende notities bevinden zich in C4. 295 Het verslag van dit overleg is opgenomen in C4. Blijkens een ander verslag in C4 werd op 29 mei 1997 ook nog eens telefonisch overlegd gepleegd tussen de betrokkenen omtrent het standpunt van het presidium. 296 Brief d.d. 12 juni 1997 aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal (F18).
213 een verdachte, een Colombiaan, die de cocaïne zou hebben geleverd. De partij cocaïne werd aangetroffen in een bestelbus, die op naam bleek te staan van De M., die tijdens het onderzoek van de Enquêtecommissie Opsporingsmethoden bekendheid verkreeg als de “Sapman” uit België.469 Ook bevond zich in de bestelbus een partij sinaasappelen afkomstig van het bedrijf van de “Belgische Sapman”. De Belgische autoriteiten werden hierover geïnformeerd en zo ging ook daar een onderzoek van start. Uit dit Belgische onderzoek bleek dat de container uit Venezuela was verscheept en in Rotterdam was gelost. Vervolgens was de container naar het sapbedrijf van de “Belgische Sapman” getransporteerd, waar de cocaïne onder de deklading van – rotte – sinaasappelen werd weggehaald en vervoerd naar Nederland. Er bleek nog een tweede container te zijn aangekomen met hetzelfde schip en te zijn gebracht naar het bedrijf van de “Belgische Sapman”. Deze tweede container werd, op basis van een tip van een van de aangehouden verdachten, op 7 juni 1997 in Hoorn gevonden met ongeveer 700 kg cocaïne. De partij was in het geprepareerde dak van de container verborgen. De “Belgische Sapman” was overigens al een dag eerder door de Belgische politie aangehouden. Al tijdens de taps op de lokale drugshandelaar in het voorjaar 1997 en met name tijdens de verhoren van de aangehouden verdachten kwam de “Taartman” in beeld. Hij zou de financier en initiator achter de cocaïnetransporten zijn geweest. R. zou in opdracht van de “Taartman” en op zijn kosten het uitvoerende werk hebben verricht. Deze verdenkingen vormden in september 1997 de aanleiding voor het LRT om een LRT-rechercheur deel uit te laten maken van het Zaanse Carex-team. Enkele maanden later zou het onderzoek naar de rol van de “Taartman” door het 060-team geheel worden overgenomen.470 10.2.2 De tweede bron: het rechtshulpverzoek uit Sri Lanka Naast het Carex-onderzoek was er nog een tweede aanleiding voor het LRT om een onderzoek naar de “Taartman” in te stellen. Het betrof een rechtshulpverzoek uit Sri Lanka dat aan het Amsterdamse parket was gericht. Het verzoek werd in februari 1997 verzonden naar aanleiding van een door de Sri Lankese politie onderschepte vissersboot met ruim 10.000 kilo hasj aan boord. Uit het ingestelde onderzoek bleek dat bij de organisatie en financiering van dit transport vier Nederlanders betrokken waren. Eén van hen was de “Taartman”. Met behulp van het rechtshulpverzoek probeerden de Sri Lankanen meer informatie over deze verdachten te verkrijgen. Het Amsterdamse parket toonde weinig belangstelling voor deze zaak en stuurde het verzoek door naar het Rotterdamse parket omdat twee van de vier verdachten in Rotterdam woonden. Het Rotterdamse parket zag er kennelijk ook niet veel heil in en stuurde het verzoek eind oktober 1997 weer door naar het LBOM. Op het LBOM kwam het verzoek als geroepen. Noordhoek droeg op dat moment immers al kennis van het Carex-onderzoek en van de mogelijke betrokkenheid van de “Taartman” bij drugshandel. Hij besloot vrijwel onmiddellijk, op 5 november 1997, om het rechtshulpverzoek in behandeling te nemen en een opsporingsonderzoek in Nederland in te stellen naar de vermoedelijk door de “Taartman” gepleegde strafbare feiten. Samen met twee rechercheurs reisde hij nog diezelfde maand af naar Sri Lanka om kennis te nemen van de daar aanwezige gegevens. De drie functionarissen keerden niet met lege handen naar huis terug. Zij kregen een groot aantal kopieën mee van verhoren, bills of lading, printgegevens, hotelrekeningen, die wezen op de aanwezigheid en werkzaamheden van de “Taartman” in Sri Lanka. 469 Niet te verwarren met de zojuist genoemde “Sapman” uit Nederland die een informant was van Van V. Voor alle duidelijkheid zal in het vervolg gesproken worden over de “Belgische Sapman” en de “Nederlandse Sapman”. 470 Op 2 maart 1998 is er overleg geweest tussen Van Brummen en Ficq, waarin werd besloten de “Taartman” van Carex over te hevelen naar het LRT. In feite had deze overheveling al in november plaatsgevonden. Uit: Tijdlijn (B2).
192 daarbij gereserveerd voor de toegang tot CID-informatie, een probleem dat ook in deze fase de gemoederen bezig hield. Het vervolg in de 063-zaak – de XTC-trajecten naar Engeland – staat centraal in hoofdstuk 14. In het bijzonder wordt daarbij ingegaan op de discussies rondom de vraag of dit onderzoek al niet moest worden uitgebreid naar mogelijke strafbare handelingen van overheidsfunctionarissen. In hoofdstuk 15 ten slotte wordt beknopt weergegeven welke gevolgen het rapport van de Commissie-Kalsbeek heeft gehad voor de organisatie van de post-Fort-onderzoeken. Bovendien wordt aan de hand van de eerder genoemde ambtsberichten van Vrakking, Van Brummen en Holthuis in kaart gebracht hoe binnen de verschillende parketten tegen het post-Fort-traject en de toekomst daarvan werd aangekeken. Voordat de bevindingen worden gepresenteerd, is het van belang te wijzen op enkele belangrijke veranderingen in de organisatorische context waarbinnen het onderzoek plaatsvond. Allereerst moet worden vermeld dat de rol van Snijders in de Haarlemse parketorganisatie eind 1997 was veranderd. Tot die tijd combineerde hij reguliere CID-taken in het arrondissement Haarlem met de bijzondere taken die aan hem waren toevertrouwd in het kader van het post-Fort-traject. Vanaf eind 1997 hield hij zich uitsluitend nog met de laatstgenoemde taken bezig. De belangrijkste reden voor Van Brummen om Snijders te ontheffen van zijn reguliere CID-activiteiten was dat deze activiteiten als gevolg van de bijzondere taken die Snijders vervulde in de knel waren geraakt. Bovendien hoopte Van Brummen met de verandering in de taakomschrijving van Snijders de spanningen die waren ontstaan tussen laatstgenoemde en de toenmalige officier van het kernteam Randstad Noord- en Midden (KTR) verminderen. Snijders maakte in de nieuwe constructie in formatieve zin nog wel deel uit van het team specialismen, maar rapporteerde uitsluitend nog aan Van Brummen. De twee hadden in dat verband intensief contact met elkaar.407 Afgezien van de veranderde rol van Snijders vonden in deze periode ook enkele belangrijke wijzigingen plaats binnen het college van procureurs-generaal. De afwikkeling van de “affaire Bakkenist” en het daaropvolgende vertrek van de voorzitter van het college van procureurs-generaal Docters van Leeuwen zorgden niet alleen in politieke zin en binnen het openbaar ministerie voor de nodige onrust, maar hadden ook consequenties voor het sturende vermogen van het college van procureurs-generaal ten aanzien van grootschalige onderzoeken, waaronder het 060-traject.408 Vanaf januari 1998 fungeerde Ficq als waarnemend voorzitter van het college. Pas met de komst op 1 april 1999 van De Wijkerslooth was het college van procureurs-generaal weer op sterkte en beschikte het over een vaste voorzitter. Een andere belangrijk gegeven in 1998 was de installatie van het tweede Paarse kabinet en het aantreden – in augustus van dat jaar – van een nieuwe minister van Justitie in de persoon van B. Korthals. Zoals in hoofdstuk 12 zal worden toegelicht, werd Korthals reeds spoedig na zijn ambtsaanvaarding door Ficq, Holthuis en Noordhoek op hoofdlijnen over de onderzoeken bijgepraat. Dit gegeven onderstreept het belang dat de departementsleiding hechtte aan tijdige informatievoorziening van de minister met betrekking tot dit – ook in politiek opzicht – gevoelige dossier. 407 Interview H. van Brummen d.d. 2 februari 2001. 408 Voor een nadere uiteenzetting over deze affaire en het daar op volgende vertrek van Docters van Leeuwen, zie hoofdstuk 2 (paragraaf 2.4).
242 Tegen de achtergrond van de presentatie in oktober 1998, die anderhalf uur duurde, komt die opmerking enigszins vreemd over. Van een zo complex onderzoek kun je na een presentatie niet anders zeggen dan dat wij de minister “op hoofdlijnen” hebben geïnformeerd.” De stelling van Ficq dat de minister van Justitie op dezelfde wijze werd geïnformeerd als het college is wat betreft de presentatie van Noordhoek weliswaar juist, maar gaat voorbij aan het feit dat Snijders niet in de gelegenheid werd gesteld bij de minister een presentatie te verzorgen. Derhalve moet worden geconcludeerd dat het college van procureurs-generaal op 6 oktober 1998 uitgebreider werd voorgelicht dan de minister. In deze paragraaf wordt allereerst uiteengezet wat de presentaties van Noordhoek en Snijders op hoofdlijnen behelsden. Vervolgens wordt beschreven tot welke discussie en besluitvorming de presentaties leidden in het college en binnen het departement. 12.4.1 Inhoud van de presentaties De presentatie van Noordhoek De beschouwing van Noordhoek werd door middel van zeven dia’s gevisualiseerd. Na een uiteenzetting over de vier doelstellingen en het verloop van het 060-onderzoek spitste Noordhoek zijn betoog toe op de parallel-importen. Dit tot verrassing van Van Brummen, Schouten en Snijders. Om met de laatste te spreken543: “Het heeft mij zeer verbaasd dat Noordhoek in het college, en ’s ochtends bij de minister, bepaalde zaken op tafel heeft gelegd die gebaseerd waren op onze informatie. Hij sloeg op sommige punten wel de plank mis, maar na alle weerzin die hij had geuit tegen de NN- verklaringen en het parallel-pv was het toch op zijn minst opmerkelijk dat hij de hypothese van de parallel-importen onderschreef.” Tijdens de collegevergadering ontpopte Noordhoek zich zelfs als een aanhanger van de parallel- hypothese. Op een vraag van een procureur-generaal of het bewijs niet aan de dunne kant was, repliceerde Noordhoek dat er veel meer harde informatie was om de hypothese te onderbouwen. Hij verwees in dat verband onder meer naar het parallel-pv.544 In retrospectief had Noordhoek enige spijt dat hij zich tijdens de presentaties onverkort achter de parallel-hypothese had geschaard. Hij voerde daarvoor de volgende verklaring aan545: “Ik had toen nog de illusie dat er wellicht iets uit die parallel-hypothese zou kunnen komen. Ik had niet het gevoel dat het een krankzinnig idee was. Het had zo gegaan kunnen zijn. Maar achteraf was het niet zo handig om mij op die NN-verklaringen en op het parallel-pv te baseren. Met name dat laatste was, zoals later bleek, een epistel dat gebaseerd was op aannames. Het was heel moeilijk om dat hard te maken.” Snijders had gemengde gevoelens over het optreden van Noordhoek. Zoals uit het citaat dat hierboven is afgedrukt valt af te leiden, was hij enerzijds ingenomen met de ogenschijnlijke ommezwaai van Noordhoek, anderzijds was hij over de uitleg van Noordhoek van de parallel- transporten minder te spreken. Zijns inziens was de presentatie op dit punt “kort door de bocht” en was het noodzakelijk dat de gang van zaken als bedoeld in het parallel-proces-verbaal nogmaals aan 543 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001. 544 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 6-10-1998 (C5). 545 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001
257 Het opsporingsonderzoek tegen J. is, zoals reeds werd gesteld in paragraaf 6.4, gestart op basis van onder meer een BVD-ambtsbericht, een CID-bericht en diverse MOT-meldingen, waaruit zou blijken dat J. betrokken was bij het Oostenrijkse bedrijf en in Nederland opbrengsten genoot uit illegale loterijen. Nader onderzoek naar de Oostenrijkse sporttotalisator – aanvankelijk aan de hand van gegevens van de Kamer van Koophandel in Oostenrijk, later door middel van beslaglegging op de bedrijfsinformatie van het bedrijf en verhoren van de Oostenrijkse mededirecteur – wees niet in de richting van de eerder uitgesproken vermoedens dat via de onderneming op grote schaal geld zou worden witgewassen en/of dat J. tientallen miljoenen guldens in de onderneming zou hebben zitten. Zaak 6 heeft betrekking op een onderzoek dat door de Rotterdamse politie werd ingebracht. Naar aanleiding van een tip dat er vermoedelijk drugs werden gelost in een loods, werden door de Rotterdamse politie op 11 augustus 1999 50.000 XTC-pillen in beslaggenomen. Op basis van observatie en vingerafdrukken kon de betrokkenheid van een aantal medeverdachten van J. worden vastgesteld. J. had zelf met deze zaak niets van doen. Zaak 7 is enigszins vergelijkbaar met de voorgaande zaak. Ook in deze zaak was er een tip dat er drugs zouden worden gelost; het bleek om 3,5 kilo cocaïne te gaan. Het betrof de eerste tastbare actie, in maart 1999, tegen personen die tot de kring van de medeverdachten van J. behoorden. Maar het onderzoek werd noch geïnitieerd, noch uitgevoerd door het LRT. Het is zelfstandig verricht door de FIOD. Proces-verbaal werd opgemaakt tegen een aantal medeverdachten van J. en J. zelf. De voor deze zaak opgemaakte processen-verbaal werden nadien integraal overgenomen in het LRT- zaaksdossier. Zaak 8 ten slotte heeft betrekking op de vondst van ruim 500 kilo hasj in de woning van één van de op 15 februari 2000 aangehouden verdachten. De verdachte zou gekarakteriseerd kunnen worden als een medewerker van S. 13.5 De analyse van het parallel-proces-verbaal Naast het onderzoek naar J. werd door het onderzoeksteam 96061 ook nader onderzoek verricht naar het zogenaamde parallel-proces-verbaal. In paragraaf 9.5 is uiteengezet dat dit door Van Stormbroek en Schouten opgemaakte proces-verbaal in juli 1998 het licht zag. Het document bevatte de beschrijving van negen parallel-importen. Later werd dit aantal teruggebracht tot acht. In dezelfde paragraaf is beschreven hoe een klein team – hoofdzakelijk bestaande uit medewerkers van de rijksrecherche – trachtte de in het genoemde proces-verbaal aangedragen parallel-importen in recherchetactische zin van een steviger fundament te voorzien. Na bestudering van de voor het team toegankelijke gegevens bleek de onderbouwing van de parallel-transporten nog te zwak. Het onderzoeksteam had echter de stellige indruk dat er CID-matig meer informatie over de 22 betrokken containers en onderzoeken beschikbaar moest zijn. Om de her en der in het land aanwezige 00- en 01-informatie tactisch bruikbaar te maken was het team echter afhankelijk van de inzet van de CID- sectie van het LRT. Aangezien de tijd van Van Slobbe c.s. in januari 1999 volledig in beslag werd genomen door het 061-onderzoek, hadden de teamleden in januari 1999 weinig concrete onderzoeksactiviteiten om handen. Op verzoek van Entken ondersteunden zij gedurende deze maand de tapkamer van het 061-onderzoek. In een overleg dat plaatsvond op 27 januari 1999 – waarbij aanwezig waren Snijders, Noordhoek, Entken, een rijksrechercheur en een vertegenwoordiger van de CID van het LRT – werd de afspraak gemaakt dat de CID-LRT zou proberen de 01 informatie bij de aanleverende instanties om te zetten in tactisch bruikbare informatie. Het gebruik van de 00- informatie was problematischer. Er moest eerst nog nader overleg plaatsvinden om te zien op welke wijze deze informatie eventueel bruikbaar gemaakt kon worden.582 582 Journaal over containeronderzoek n.a.v. parallel-proces-verbaal (C1).
271 Tenuitvoerlegging Strafvonnissen niet leidde tot de gewenste tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland, zit Van T. nog steeds in een Engelse penitentiaire inrichting.628 14.5 Conclusie De gang van zaken in het 063-onderzoek legt wederom een fundamenteel verschil van inzicht bloot over de te voeren strategie. Ditmaal was er sprake van een controverse tussen Snijders en Van der Burg. Waar de eerstgenoemde hamerde op een “schone” start van het onderzoek, later eventueel aangevuld met materiaal uit “besmet verklaarde” dossiers, raadpleegde Van der Burg in het kader van zijn haalbaarheidsonderzoek reeds in een vroegtijdig stadium het Fort-dossier. Hoewel dit conflict binnen de perken bleef en geenszins leidde tot onwerkbare verhoudingen, is het wel illustratief voor de tekortkomingen in de onderlinge afstemming. Noch uit de stukken, noch uit de interviews is af te leiden in hoeverre de betrokkenen op voorhand duidelijke afspraken hebben gemaakt omtrent de strategie. Snijders en Van der Burg zaten wat dit betreft ook op verschillende golflengten. Van der Burg concentreerde zich op de haalbaarheid van een strafrechtelijk onderzoek en – in het verlengde daarvan – vervolging en berechting. Snijders was van deze haalbaarheid reeds overtuigd, richtte zich op de inkleding van het strafrechtelijk traject en was Van de Burg derhalve een paar stappen voor. Een belangrijk element van de 063-zaak is de vraag naar de spanwijdte van het onderzoek. Snijders en Van der Burg zaten wat dit punt betreft wel op één lijn: het onderzoek moest breed worden opgezet, in de zin dat het oog gericht moest zijn op mogelijk verwijtbare betrokkenheid bij strafbare feiten van overheidsfunctionarissen, inclusief leden van het openbaar ministerie. Het college van procureurs-generaal had naar aanleiding van de presentatie van Snijders en Schouten op 6 oktober 1998 de deur naar een dergelijk breed opgezet onderzoek op een kier gezet, maar sloot deze deur in het voorjaar van 1999 weer toen zich naar het oordeel van het college geen nieuwe feiten hadden aangediend die de mogelijk verstrekkende aanpak van Snijders en Van der Burg rechtvaardigden. De koerswijziging van het college werd door een aantal respondenten rechtstreeks in verband gebracht met het onderzoek van de “Equipe Ficq” uit 1996, waaruit onder andere naar voren was gekomen dat geen van de betrokken officieren zich in de IRT-periode schuldig had gemaakt aan strafbare feiten. Met name Ficq zou met handen en voeten gebonden zijn aan deze rapportage en zijn eigen onderzoekscommissie niet hebben willen desavoueren. In de beeldvorming mag Ficq de schijn enigszins tegen gehad hebben, de causale relatie die gelegd is tussen het onderzoek van de “Equipe Ficq” en zijn opstelling in de 063-zaak getuigt niettemin van een eenzijdige interpretatie. Immers, had Ficq de betrokken officieren van justitie daadwerkelijk uit de wind willen zetten, dan had hij in oktober 1998 ook geen enkele opening in de richting van verbreding van het onderzoek geboden. Daar komt nog iets bij. In zijn hoedanigheid van waarnemend voorzitter van het college van procureurs-generaal wist Ficq als geen ander welke wonden de IRT-affaire binnen het openbaar ministerie had geslagen. Dat hij extra eisen stelde aan een onderzoek dat zich mogelijkerwijs ook zou richten op het handelen van de betrokken officieren van justitie, is vanuit dat licht bezien niet onbegrijpelijk. Noch uit de stukken, noch uit de interviews zijn aanwijzingen te destilleren dat Ficq of enig ander lid van het college van procureurs-generaal er toe genegen was om de strafrechtelijke vervolging van een lid van de eigen organisatie onder alle omstandigheden uit te sluiten. Wat wel duidelijk is, is dat verbreding van het onderzoek in de richting van officieren van justitie en/of andere overheidsfunctionarissen voor Ficq pas een aanvaardbare optie was op het moment dat er sprake was van een concrete verdenking. En daaraan ontbrak het in zijn ogen. Ook de verklaringen van Van T. boden in de optiek van Ficq daarvoor onvoldoende houvast. De discussie tussen Snijders en Ficq in de 063-zaak vormt de zoveelste illustratie van het spanningsveld dat bestaat tussen bewijsvergaring in strafvorderlijke zin en waarheidsvinding in de 628 Brief d.d. 24 augustus 1999 aan het college van procureurs-generaal (D24).
HOOFDSTUK 1 INLEIDING, VRAAGSTELLINGEN VERANTWOORDING
1.1 Instelling en samenstelling commissie
3.4 Criminele inlichtingendiensten
De criminele inlichtingendiensten (CID-en) vormen een
belangrijke schakel in de organisatie van de opsporing. Het
verzamelen van criminele informatie, bijvoorbeeld door middel van
contacten van informanten, wordt sinds de jaren zeventig door
aparte criminele inlichtingendiensten binnen de politie verricht.
In het onderzoek van de parlementaire enquêtecommissie
opsporingsmethoden is veel aandacht besteed aan dit onderdeel.
Hieruit bleek dat er geen wettelijke basis was voor de CID-en en
dat de diversiteit aan organisatievormen en werkwijzen van de CID
en in het land aanzienlijk was. (Kamerstuk 24 072, nr. 14,
1995-1996, functioneren van de CID-en.
6.3.1 Algemeen
6.3.2 Observatiemethoden
6.3.3 Informanten en infiltranten
6.3.4 Gecontroleerde aflevering en
doorlaten
6.3.5 Overige methoden
6.3.6 Opleiding
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 11
11 september 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
maandag 11 september 1995
in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
mr. R.A.F. Gerding
Aanvang 14.00 uur
