Bijlage X – 2.3. De tuchtrechtspraakJanuary 1, 1999
2.3. De tuchtrechtspraak
2.3.1. Inleiding
In haar boek over het advocatentuchtrecht merkt Boekman op dat
de opinirende functie een belangrijke waarde van het tuchtrecht is.
Het tuchtrecht zou de discussie omtrent de wezenlijke vragen binnen
de beroepsgroep levend houden. Dit zou een gunstige invloed hebben
op de goedwillende advocaten. Voor echte schurken, als die er zijn,
helpt het niets en ook niet voor degenen die uit laksheid de
kantjes er van af lopen. Als wij mogen aannemen dat de goedwillende
advocaten het merendeel van de Nederlandse orde uitmaken, ligt daar
het nut van de formele tuchtrechtspraak (Boekman 1993, p. 136).
lees meer
Bijlage X – 6.3. Wederrechtelijk verkregen voordeelJanuary 1, 1999
6.3. Wederrechtelijk verkregen voordeel
Het wederrechtelijk verkregen voordeel van de verdachten kan
vanzelfsprekend niet op n lijn worden gesteld met de toegebrachte
economische schade. Afgezien van sommige vormen van parasitaire
fraude – in het bijzonder die waarvoor een minimum aan logistieke
handelingen nodig is – ontlopen het schade- en het winstbedrag
elkaar meestal aanzienlijk. De investeringen die moeten worden
gedaan alvorens berhaupt tot het plegen van de strafbare feiten
over te kunnen gaan, de personeelskosten, enzovoort, zijn van
invloed op de uiteindelijk te behalen nettowinst. Die winst zal
vervolgens ook moeten worden gedeeld met eventuele medeverdachten.
Casus 11 vormt een goede illustratie van de wijze waarop het
brutovoordeel over alle bij de betreffende fraude betrokkenen kan
worden verdeeld.
lees meer
Bijlage X – 10.3. Girale verplaatsingenJanuary 1, 1999
10.3. Girale verplaatsingen
10.3.1. Ondergronds bankieren
Een van de mogelijkheden om geld over te maken zonder een
papieren spoor achter te laten, wordt geboden door ondergrondse
banken (o.a. Robinson, 1994, pp. 16-18). Sinds de officile banken
gehouden zijn betere controle uit te oefenen op financile
transacties, hebben deze banken de wind mee gekregen. Het
ondergrondse bankieren heeft in verschillende culturen
verschillende namen: Hawalla banking (India), Hundi (Midden
Oosten), Chiti (Azi), Stash House (VS, Latijns Amerika). Hundi
staat voor vertrouwen en vertrouwen is de pijler waarop het
ondergrondse bankieren berust. Want het voordeel van ondergronds
bankieren, althans voor crimineel gebruik, is voor westerlingen
tegelijkertijd de achilleshiel: de afwezigheid van schriftelijke
overeenkomsten en bewijsstukken die juridische geldingskracht
hebben. Ondergronds bankieren is een systeem waarbij een persoon in
het ene land geld of geldwaarde overbrengt naar een begunstigde in
een ander land zonder dat de autoriteiten daarvan in beide landen
ook maar enige kennis of bewijsmateriaal bezitten. Ondergronds
bankieren trekt, zoals gesteld, een zware wissel op het onderlinge
vertrouwen. Vermoedelijk om deze reden vindt ondergronds bankieren
meestal plaats binnen familiale of langs etnische lijnen
samengestelde netwerken. Maar hieraan moet worden toegevoegd dat
deze centrale pijler van vertrouwen ook geschraagd wordt door angst
voor represailles (Squires, 1987, p. 4).
lees meer
Bijlage X – 3.4. RecapitulatieJanuary 1, 1999
3.4. Recapitulatie
In dit hoofdstuk is een aantal verschijningsvormen van fraude
beschreven. Daarbij is een onderscheid aangebracht tussen
fraudevormen waarin de actoren op de wettige markt primair als
slachtoffers moeten worden aangemerkt en fraudevormen waarin ook
sprake is van verwijtbare betrokkenheid van (een deel van) de
wettige nijverheid.
lees meer
Bijlage XI – 4.6. Tot besluitJanuary 1, 1999
4.6. Tot besluit
Het besluit van deze rondgang door vier voor ons onderzoek zeer
relevante economische branches kan betrekkelijk kort zijn. In drie
van de vier sectoren vallen er geen sporen van georganiseerde
criminaliteit te ontdekken. In n sector daarentegen – die van de
horeca en het gokwezen – is volgens de politie en andere
overheidsdiensten kennelijk een hele bedenkelijke ontwikkeling aan
de gang. Hier zijn enkele criminele groepen, hoogstwaarschijnlijk
door middel van geld dat vooral via de drugshandel is verdiend,
monopolies aan het opbouwen die de gewone economische orde in een
sector als deze in het gedrang brengen. En dit laatste niet alleen
langs financile weg – door concurrenten gewoonweg uit de markt te
prijzen -, maar ook door de toepassing van intimidatie. Deze
ontwikkeling beantwoordt nog wel niet helemaal aan het model van
racketeering, zoals we dat in Amerikaanse grootsteden
kennen, maar zij is er niet veel minder discutabel om. Niet alleen
op grond van principile overwegingen betreffende de relatie tussen
vrije economie en democratische rechtsstaat, maar ook op grond van
meer beleidsmatige overwegingen. Immers, criminele groepen die
belangrijke delen van de horeca in een stad als Amsterdam in handen
hebben, beschikken meteen ook over de nodige infrastructuur om
allerhande (andere) criminele activiteiten te ontplooien – juist
ook die activiteiten waaruit de geldmiddelen zijn voortgevloeid om
zich in de horeca in te kopen: drugshandel, uitbuiting van
prostitutie, illegale praktijken in verband met speelautomaten,
koop en verkoop van gestolen goederen, witwassen van criminele
gelden, ontduiking van belastingen en sociale premies, enzovoort.
Deze vaststelling impliceert de erkenning dat ook in een stad als
Amsterdam de georganiseerde criminaliteit niet als vanzelf beperkt
blijft tot de (illegale) levering van (illegale) goederen en
diensten, maar ook hier in n (of meer) economische sectoren vormen
kan aannemen die gewoonlijk worden geassocieerd met steden waar
deze criminaliteit algemeen als een ernstig maatschappelijk
probleem wordt gekwalificeerd. Dit is dus niet per definitie
uitgesloten. Wie nog meent dat dit wel zo is, strooit zichzelf zand
in de ogen. De hiervoor beschreven ontwikkeling in de horeca toont
naar onze mening in elk geval aan dat een dergelijk negatief
scenario beslist tot de rele mogelijkheden behoort. En dus is het
zaak om een ontwikkeling als deze scherp in het oog te houden.
Speciaal ook om op langere termijn te kunnen bezien of zij toch ook
niet de voorbode vormt van een veel bredere evolutie die de
georganiseerde criminaliteit in de stad doormaakt, namelijk een
evolutie waarbij vooral de drugshandelaren van vroeger zich (ook)
ontpoppen als quasi-legale ondernemers, juist ook buiten de sector
van de horeca.
lees meer
Bijlage XI – 2.1. De grootstedelijke contextJanuary 1, 1999
2. AMSTERDAM IN DE KERING
2.1. De grootstedelijke context
In de grote stad beginnen alle sociale veranderingen eerder en
ze openbaren zich hier vaak ook heftiger dan daarbuiten. Sommige
verschijnselen doen zich ook alleen maar in de grote stad voor, of
komen hier op een schaal voor die buiten een stedelijk verband
ondenkbaar is. Als er in Nederland sprake is van georganiseerde
criminaliteit, mogen we verwachten dat die in Amsterdam begint, dat
zij er omvangrijker is dan elders in het land en dat zij hier
gedaanten aanneemt die elders niet worden waargenomen. In dit
hoofdstuk willen we een aantal kenmerken van de grote stad noemen
en ontwikkelingen en trends laten zien die ruimte geven voor de
ontwikkeling van georganiseerde criminaliteit. We behandelen kort
de volgende aspecten: de topografie van de georganiseerde
criminaliteit in Amsterdam, de demografische en economische
ontwikkelingen die de stad in de voorbije decennia heeft ondergaan,
en haar culturele metamorfose sinds de jaren zestig.
lees meer
Bijlage XI – 2. OPZET VAN DE LOKALE STUDIESJanuary 1, 1999
2. OPZET VAN DE LOKALE STUDIES
In de diverse deelrapporten is gepoogd het landelijke beeld van
de georganiseerde criminaliteit te schetsen vanuit verschillende
gezichtspunten. Men kan starten vanuit de rol van georganiseerde
misdaad op illegale markten maar ook vanuit de illegale
activiteiten van criminele groepen in legale economische branches.
Dezelfde benadering is als strategie voor deze lokale studie
toegepast. Wij hebben nadrukkelijk geprobeerd de drie steden zo
veel mogelijk met dezelfde gegevensbronnen te bestuderen om in
ieder geval vergelijkingen tussen de drie mogelijk te maken.
Hierbij is de politie als uitvalsbasis gebruikt. Hoewel het gebruik
van politile gegevens uiteraard beperkingen heeft, beschikt de
politie relatief gezien over de meeste informatie van de
georganiseerde criminaliteit in een stad. Overigens zijn wij, zoals
nog wordt toegelicht, niet geheel afgegaan op politiegegevens.
lees meer
Bijlage I – 3.3 HuisvestingJanuary 1, 1999
3.3 Huisvesting
De aard van het te verrichten onderzoek noopte de commissie te
zoeken naar werk- en vergaderruimten die aan een aantal eisen
moesten voldoen. Deze ruimten moesten optimaal beveiligd kunnen
worden. Voorts noodzaakte de omvang van de staf van de commissie
tot een ruim onderkomen. Daarnaast moest de commissie in staat zijn
haar werkzaamheden in relatieve afzondering te verrichten.
lees meer
Bijlage I – 7.2 De eindrapportageJanuary 1, 1999
7.2 De eindrapportage
De bouwstenen voor de eindrapportage van de commissie werden
gedurende het gehele onderzoek aangeleverd. Uiteindelijk heeft de
commissie over een overweldigende hoeveelheid informatie kunnen
beschikken, zoals: de gegevens van de Werkgroep vooronderzoek
opsporingsmethoden; verzamelde literatuur, jurisprudentie en
documenten; gegevens uit interviews; rapporten van interne
stafonderzoeken; rapporten van de externe onderzoeken; gegevens op
basis van binnen- en buitenlandse werkbezoeken, stages en
presentaties; gegevens uit de gesprekken; de verslagen van de
openbare verhoren.
lees meer
Bijlage V – 10.2 Justitile en politile rechtshulpJanuary 1, 1999
10.2 Justitile en politile rechtshulp
10.2.1 Regelgeving
Strafprocessuele bijstand die nationale autoriteiten vragen of
verlenen aan buitenlandse autoriteiten ten behoeve van aanhangige
strafzaken, wordt traditioneel aangeduid met de term kleine
rechtshulp. Andere vormen van rechtshulp, zoals uitlevering,
overdracht van vervolging en overdracht van executie zijn nu niet
aan de orde. Vaak gaat het bij kleine rechtshulp om het vergaren en
overdragen van bewijsmateriaal. Uit de niet-uitputtende opsomming
van artikel 552h, tweede lid Sv blijkt dat rechtshulpverzoeken
betrekking kunnen hebben op het verrichten van
onderzoekshandelingen of het verlenen van medewerking daaraan, het
toezenden van documenten, dossiers of stukken van overtuiging of
het geven van inlichtingen, danwel het betekenen of uitreiken van
stukken of het doen van aanzeggingen of mededelingen aan derden. De
Nederlandse wetgeving eist in het algemeen geen verdragsrechtelijke
basis voor kleine rechtshulp. Dat is slechts anders bij de in
artikelen 552n e.v. Sv geregelde uitoefening van dwangmiddelen.
Daarvoor is een zogenaamde rogatoire commissie noodzakelijk en dit
is alleen toelaatbaar op basis van een verdrag. Deze schriftelijke
verzoeken van de ene rechterlijke autoriteit aan de andere hebben
het verzamelen van bewijsmateriaal tot doel, waarbij in Nederland
de bemoeienis van een rechter-commissaris is geboden. Zulks is het
geval bij verzoeken die strekken tot het horen van personen die
niet bereid zijn vrijwillig te verschijnen; indien uitdrukkelijk
wordt verzocht om een bedigde verklaring; indien binnentreding in
niet-openbare ruimten tegen de wil van de rechthebbende en/of
inbeslagneming nodig is/zijn; indien het verzoek strekt tot het
aftappen of opnemen van gegevensverkeer via de
telecommunicatie-infrastructuur.
Nederland is partij bij diverse kleine rechtshulpverdragen, zoals
het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in
strafzaken van 1959, het daarbij behorend protocol (1978) en de
daarop aansluitende, tussen Nederland en Duitsland gesloten
overeenkomst van Wittem (1979). Met betrekking tot de
internationale politiesamenwerking bieden de Overeenkomst van
Schengen en het Europolverdrag een internationale juridische basis.
Als een rechtshulpverzoek op een verdrag is gebaseerd moet het
toepasselijke verdrag worden nageleefd.
lees meer
Bijlage V – Foto’s ZeedijkJanuary 1, 1999
Foto’s Zeedijk
HR 25 juni 1985, NJ 1986, 109 m.nt ThWvV
(Art. 2 lid 1 onder b Opiumwet)
I.c. gaat het om het gebruik van foto’s die tijdens de observatie
van een pand door een politiefotograaf zijn gemaakt. De politie
vermoedde namelijk dat in dit pand gehandeld werd in verdovende
middelen. Op die foto’s komen personen voor die zich in of bij dat
pand hebben opgehouden. De foto’s zijn gebruikt in het
opsporingsonderzoek tegen een aantal verdachten.
lees meer
Bijlage V – KostovskiJanuary 1, 1999
Kostovski
HR 25 september 1984, NJ 1985, 426 m.nt ThWvV en EHRM 20
november 1989, NJ 1990, 245 m.nt EAA (en A.H.J. Swart in Ars Aequi
39 (1990) 5, p. 315-327)
(Artt. 186 lid 3, 288, 338 Sv, 6 lid 3 EVRM en 14 lid 3 onder e
IVBP) Drie personen zijn ‘s nachts een bank binnengedrongen en
wachtten met bivakmutsen getooid op de komst van het bankpersoneel
om hen de kluizen te laten openen. Na de overval bleef alleen een
gevonden schroevedraaier achter. Later meldden zich twee personen
die de namen van de daders noemden (Stanley H., Paul M. en
Kostovski). Deze twee getuigen vreesden voor represailles en
wensten anoniem te blijven. Een van hen trok zijn getuigenis in, de
ander werd twee maal door de rechter-commissaris – buiten
aanwezigheid van de verdediging – gehoord, maar weigerde op de
zitting te verschijnen. Vervolgens wees een speurhondenproef uit
dat de schroevedraaier door een van de drie verdachten was
gebruikt. Het hof had deze verdachte veroordeeld, waarbij de
schroevedraaier doorslaggevend was geweest. De rechter-commissaris
verscheen ter terechtzitting als getuige. Dit arrest betreft
Kostovski’s medeverdachte Stanley H., maar is vrijwel identiek aan
het arrest dat met betrekking tot Kostovski is gewezen. (zie voor
een uitgebreid feitenrelaas NJ 1990, 245). De Hoge Raad:
lees meer
Bijlage V – RamolaJanuary 1, 1999
Ramola
Rechtbank Rotterdam, 16 mei 1995 (afkorting van Rabo Money
Laundry) en gerechtshof ‘s-Gravenhage 27 december 1995 (niet
gepubliceerd).
Het onderzoek in de Ramola-zaak is begonnen na een melding
(in januari 1993, nogmaals medio 1993) van ongebruikelijke
wisseltransacties (Wet MOT) door de Rabobank in Utrecht.
Aanvankelijk startte het onderzoek te Utrecht, maar op grond van
aanwijzingen dat het geld werd ingezameld bij een aantal
Rotterdamse adressen werd het onderzoek overgenomen door de
regiopolitie Rotterdam-Rijnmond. Mede op basis van (in)directe
verbanden tussen bezochte panden en verdovende middelen werd op 10
juni 1993 een gerechtelijk vooronderzoek geopend. In de loop der
tijd werd het gerechtelijk vooronderzoek steeds meer uitgebreid tot
andere verdachten en panden.
lees meer
Bijlage V – 4.4 Feitelijk gebruik van de methodeJanuary 1, 1999
4.4 Feitelijk gebruik van de methode
4.4.1 Kwantitatieve gegevens
De NCID beheert een systeem waar alle CID-en hun informaten
gecodeerd aanmelden (zie hierover Bijlage 6 Organisaties,
hoofdstuk 3 Criminele inlichtingen diensten). Dit systeem
bevatte echter lange tijd geen totaaloverzicht, omdat tot 14
september 1995 zes regionale CID-en hebben nagelaten de informanten
aan te melden.
lees meer
Bijlage V – 6.4 Feitelijk gebruikJanuary 1, 1999
6.4 Feitelijk gebruik
6.4.1 Misdaadanalyse
Wie
lees meer
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>