222 uitlevering bij een aantal banken van alle bescheiden op naam van De J. en van een stichting, waarvan De J. lid was van de kascommissie.491 Op 17 april 1998 werd door de rechter-commissaris toestemming gegeven om de telefoonaansluiting van De J. voor de duur van een maand af te tappen. In die periode werden veel gesprekken opgenomen, maar hieronder bevonden zich geen gesprekken die voor het onderzoek van belang waren.492 Na deze periode werd de termijn op verzoek van de officier van justitie met een maand verlengd. Ook de telefoongesprekken die in deze periode werden afgeluisterd leverden geen bruikbare informatie op. Het tappen werd vervolgens gestaakt.493 Het onderzoek kwam in de zomer van 1998 langzaam maar zeker tot stilstand. Er werd niet verder actie ondernomen op basis van de bevindingen van het rechtshulpverzoek en evenmin werd besloten om getuigen te gaan horen. Enerzijds stagneerde het onderzoek omdat het tot dan toe onvoldoende resultaat had opgeleverd. Anderzijds wilde de teamleiding niet met het onderzoek naar buiten treden, gezien de belangen van het tegelijkertijd lopende onderzoek tegen J.494 Dat is bijvoorbeeld de reden geweest waarom niet met getuigen is gesproken. Opmerkelijk is wel dat er geen expliciete besluitvorming aan de tijdelijke opschorting van het onderzoek ten grondslag lag. Pas in november 2000 werd door een ervaren rechercheur, die zelf niet bij het onderzoek tegen De J. betrokken was geweest, een inventarisatie gemaakt van de stand van zaken en van de mogelijke aanknopingspunten voor een vervolg van het onderzoek. Het gerechtelijk vooronderzoek is overigens tot op heden niet gesloten. 10.6 Conclusie Het onderzoek tegen de “Taartman” vormde tot op zekere hoogte een inbreuk op de strategie van het 060-team. Immers, de “Taartman” behoorde niet tot de zes oorspronkelijke onderzoeksubjecten. De rechtvaardiging van de bijstelling van de strategie was gelegen in het feit dat met het aanpakken van de “Taartman” mede werd beoogd om hem te laten verklaren over tenminste twee of drie van de onderzoeksubjecten. In strafrechtelijke zin werd het onderzoek succesvol afgesloten. De “Taartman” werd door het hof veroordeeld tot een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Mede dankzij enkele getuigenverklaringen, in het bijzonder die van R., werden gedetailleerde gegevens bekend over de wijze waarop enkele cocaïnetransporten vanuit Colombia naar Nederland zijn verlopen. Deze transporten vonden echter plaats in de periode na de opheffing van het IRT en leverden derhalve weinig informatie op over de rol van de onderzoeksubjecten van het LRT. De “Taartman” weigert tot op heden verklaringen af te leggen over zijn wetenschap inzake de cocaïnehandel en de eventuele rol hierin van de onderzoeksubjecten. Zo beschouwd heeft het onderzoek nauwelijks aan de bedoelingen en verwachtingen voldaan. De casus van de “Taartman” is in het kader van deze evaluatie vooral van belang vanwege de gang van zaken rondom de deal met R. Hoewel alle betrokkenen vooraf de toegevoegde waarde inzagen van het sluiten van deze deal, ging het in de uitvoeringsfase mis. Een verschil van opvatting over de vraag of het al dan niet oorbaar is om het instellen van hoger beroep als drukmiddel te hanteren en een ernstig misverstand over wat het standpunt dienaangaande was van de Haarlemse hoofdofficier van Brummen, zetten in oktober 1998 de verhoudingen tussen Noordhoek en “Haarlem” (verder) op scherp. Dit keer waren het overigens niet Snijders en Noordhoek die openlijk met elkaar in 491 Proces-verbaal ten behoeve van de aanvraag gerechtelijk vooronderzoek tegen De J., opgemaakt op 30 maart 1998 (F23). 492 Proces-verbaal ten behoeve van een verzoek tot het verlengen van het aftappen van gegevensverkeer, LRT ordner, 96.061, ordner 2, opgemaakt op 14 mei 1998. 493 Proces-verbaal tot beëindiging van het aftappen van gegevensverkeer, opgemaakt op 11 juni 1998 (F16). 494 Nota van een medewerker van het LRT d.d. 14 november 2000.
221 wilde niet meer zo vlotten en nadat de beide rechercheurs De J. gevraagd hadden of hij zijn machtiging van de FIOD om de vuurwapens in bezit te hebben wilde tonen, vertrokken zij. Zij maakten op dat moment nog wel de afspraak om over enige tijd opnieuw met elkaar te praten. Het zou op die 17e februari evenwel het eerste en tevens laatste gesprek met De J. zijn. Twee dagen later belde De J.: zijn vrouw had de machtiging gevonden, hij kon worden opgehaald. Tijdens het telefoongesprek werd De J. onwel en zijn vrouw nam het gesprek over en vertelde dat de wapens bij de drie koffers instructiemateriaal hadden gezeten. Op 24 februari 1998 werd een kopie van de vuurwapenmachtiging opgehaald bij het huis van De J. Zijn vrouw overhandigde de kopie; De J. zou zelf te ziek zijn om de rechercheurs te woord te staan. Vervolgens werd in de weken erna door de rijksrechercheurs ettelijke malen naar De J. gebeld met de vraag of hij het origineel van de machtiging zou kunnen tonen en bereid zou zijn tot een gesprek om zijn visie op de zaak van de vuurwapens te geven. Op 23 maart 1998 had een rechercheur telefonisch contact met de vrouw van De J. Zij meldde dat haar man niet bestand was tegen het feit dat hij na jaren van trouwe dienst nu in de verdachtenbank dreigde te belanden. De rijksrechercheur toonde blijkens zijn mutatie in het dagjournaal weinig compassie en drong nogmaals aan op de overdracht van het origineel van de ontheffing. Een dag later werd opnieuw met de vrouw van De J. gebeld, maar tot concrete resultaten leidde ook dit telefoongesprek niet. Op 31 maart 1998 belde De J. zelf en er werd een afspraak gemaakt voor een gesprek bij hem thuis de volgende ochtend. Op die dag verstuurde De J. echter een fax, waarin hij het toegezegde gesprek annuleerde met een beroep op zijn zwijgrecht en zijn slechte gezondheid. In de fax gaf hij tevens aan de confrontatie met de rijksrecherche niet aan te kunnen. Op 9 april 1998 was er een laatste telefonisch contact. Op de vraag van een rijksrechercheur hoe en wanneer hij het toegezegde origineel van de ontheffing zou kunnen krijgen, antwoordde De J.: “via mijn raadsman”… 10.5.4 Het gerechtelijk vooronderzoek tegen De J. Op 30 maart 1998 werd een vordering tot opening van een gerechtelijk vooronderzoek tegen De J. ingediend bij een rechter-commissaris te Haarlem. In de vordering werden drie typen strafbare feiten omschreven, die de verdachte in de periode vanaf 1 januari 1990 tot en met 30 maart 1998 zou hebben gepleegd. Kort weergegeven werd De J. ervan verdacht: 1. lid te zijn van een criminele organisatie die zich bezighield met het importeren en verhandelen van hard en/of soft drugs en/of met het plegen van heling; 2. alleen of samen met anderen soft en/of hard drugs te hebben geïmporteerd en te hebben verhandeld; 3. uit misdaad verkregen geld te hebben aangenomen (heling), dan wel geld te hebben ontvangen in ruil voor ambtsstrijdig handelen (ambtelijke corruptie, art. 363 Sr.) en de geheimhoudingsplicht te hebben geschonden (art. 272 Sr.). De vordering werd onderbouwd met een verwijzing naar het BVD-ambtsbericht en naar het onderzoek dat naar aanleiding hiervan op basis van enkele bronnen, zoals delen van de administratie van De J., was ingesteld. Ook werd gerefereerd aan het feit dat op naam van het familielid van De J. enkele rechtspersonen stonden en dat diens naam ook in bestanden van Interpol voorkwam. De rechter-commissaris te Haarlem besloot de vordering te honoreren. Het gerechtelijk vooronderzoek werd geopend en tegelijkertijd gelastte de rechter-commissaris op 3 april 1998 de
220 10.5.2 Onderzoek op basis van enkele open en gesloten bronnen In augustus 1997 begonnen enkele rechercheurs van het LRT op basis van een aantal open bronnen – zoals het Kadaster en het Handelsregister van de Kamers van Koophandel – en gesloten bronnen – zoals gegevens van het Meldpunt MOT en de belastingdienst – met een onderzoek naar de vraag hoe groot het vermogen van De J. was en waaruit dat vermogen bestond. Van meet af aan leverde dit onderzoek weinig bijzonderheden op. In een teamoverleg op 7 januari 1998 werd dan ook bij het opmaken van de tussenbalans geconcludeerd dat er nog geen opvallende resultaten naar voren waren gekomen betreffende De J.486 Maar er bleef nog wel het een en ander aan onderzoek te doen. Het resterende onderzoek werd in zes deelprojecten opgeknipt. Deze deelprojecten hadden onder meer betrekking op het onderzoek naar drie vuurwapens die in het bezit waren van De J., het vaststellen van zijn rol bij sigarettensmokkel naar Duitsland (het bekijken van reeds afgelegde verklaringen van de bij deze smokkel betrokken chauffeur M.), de bedrijvigheid van het familielid in het buitenland en de afwerking van het onderzoek naar de administratie van De J.487 Begin februari 1998 werd een rechtshulpverzoek gericht aan een ander land om meer klaarheid te verkrijgen omtrent de justitiële antecedenten van het familielid van De J., diens precieze betrokkenheid bij rechtspersonen – de eerste onderzoekingen hadden uitgewezen dat hij bij tenminste vier ondernemingen als aandeelhouder en/of directeur betrokken was – de aanwezigheid van meldingen van ongebruikelijke transacties, et cetera.488 Reeds op 9 maart 1998 werd door de buitenlandse autoriteiten antwoord gegeven.489 10.5.3 Pogingen om De J. te verhoren Terwijl het onderzoek naar De J. vanaf augustus 1997 behoedzaam werd opgezet – teneinde te voorkomen dat het bronnenonderzoek bij hem of in zijn omgeving bekend zou worden – gebeurde er iets wat met deze stille strategie geheel in strijd was. Wat was het geval? Bij zijn uitdiensttreding bij de FIOD had De J. aan twee FIOD-ambtenaren drie wapens meegegeven die hij nog thuis had liggen. De drie wapens zouden De J. jaren tevoren zijn verstrekt in zijn hoedanigheid van schietinstructeur bij de FIOD, een nevenfunctie van hem. De FIOD-ambtenaren gaven de wapens af bij hun chef en vervolgens ontstond hierover bij de FIOD grote consternatie: hoe kon De J. aan dergelijke wapens komen? Was het wapenbezit een bewijs dat hij in crimineel vaarwater verzeild was geraakt? De zaak werd op het Haarlemse parket besproken en de hoofdofficier was van mening dat een onderzoek noodzakelijk was. Het onderzoek werd uitgevoerd door twee rechercheurs van de rijksrecherche, die naderhand op het LRT te werk gesteld zouden worden. Nadat onderzoek naar de interne FIOD-procedures over het verstrekken van wapens aan schietinstructeurs en naar de feitelijke gang van zaken in het concrete geval niet veel duidelijkheid had gebracht, besloten de betrokken rechercheurs om bij De J. zelf te rade te gaan. Op basis van het dagjournaal van het 061-team kon worden gereconstrueerd hoe de contacten in deze maanden zijn verlopen. Voor zover wij konden nagaan bezochten de twee rijksrechercheurs op 17 februari 1998 De J. voor het eerst. Naar eigen zeggen begonnen de beide rechercheurs gemoedelijk aan tafel te praten totdat de vrouw van De J. opheldering vroeg over de ware aard van het bezoek. De rechercheurs konden in hun eigen beleving toen niet veel anders doen dan De J. de cautie te geven.490 Het gesprek 486 Deelproject De J., niet gedateerd (C3). 487 Deelproject De J., niet gedateerd (C3). 488 Rechtshulpverzoek van het LBOM (E. Noordhoek) d.d. 30-1-1998. (LRT 96061, ordner 02, ambtshandelingen). 489 Hiervan werd op 31 augustus 1998 een samenvatting gemaakt door één van de rijksrechercheurs, die betrokken was bij het onderzoek tegen De J. ( LRT 96061, ordner 02, ambtshandelingen). 490 M utatie in dagjournaal 061-team d.d. 17-2-1998. Alle overige gegevens uit deze subparagraaf zijn eveneens ontleend aan het dagjournaal.
219 deal hield in dat het openbaar ministerie een positief advies zou gaan uitbrengen ten aanzien van een door R. in te dienen gratieverzoek en dat zou worden geadviseerd om een derde van de door de rechtbank Haarlem opgelegde gevangenisstraf kwijt te schelden. Het openbaar ministerie zou voorts in het kader van de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel een schikkingsvoorstel doen, inhoudende een geldbedrag van 200.000 gulden. Ten derde zou het openbaar ministerie in beslag genomen goederen (ter waarde van circa 19.000 gulden) aan R. teruggeven. 10.4.3 De inhoud van de verklaringen van R. Na het bereikte akkoord met Noordhoek485 legde R. een aantal gedetailleerde verklaringen af over de wijze waarop enkele cocaïnetransporten waren verlopen en over de betrokkenheid daarin van onder andere de “Taartman”. Deze verklaringen werden toegevoegd aan het proces-verbaal dat tegen de laatstgenoemde was opgemaakt. De rechtbank oordeelde in het vonnis in de zaak van de “Taartman” dat R. ten aanzien van alle transporten “volledig, consistent en gedetailleerd” had verklaard. De verklaringen van R. gaven inzicht in de wijze waarop de cocaïnetransporten werden georganiseerd. Hij verklaarde over vijf transporten (zes containers) die hadden plaatsgevonden in de periode 1994-1997, dus na de opheffing van het IRT. Uit deze verklaringen kwam naar voren dat de cocaïne via een ogenschijnlijk legale handelslijn werd getransporteerd. Vandaar de rol van de “Belgische Sapman”. Zijn bedrijf was een ogenschijnlijk logisch adres voor sinaasappelen en vruchtensappen uit Zuid-Amerika. Soms werden deze producten gebruikt als deklading, waaronder goed verpakte partijen cocaïne verborgen waren, dan weer werden de containers zodanig geprepareerd (dak, deur) dat daarin cocaïne kon worden verborgen. Van de aanwezigheid van parallelle zendingen (marihuana en cocaïne) bleek niets in de verklaringen van R. In geen van de cocaïnetransporten bleek er sprake te zijn van corruptie bij douane of politie bij het inklaren van de partijen. Over de rol van L. en Van V. bevatten de verklaringen van R. nauwelijks informatie. Veel verder dan een enkele opmerking over beiden kwam R. niet. Ook werden er geen concrete feiten genoemd waaruit zou kunnen blijken dat de “Taartman” L. en Van V. kende. 10.5 Het onderzoek naar De J. 10.5.1 Het BVD-ambtsbericht Zoals reeds beschreven is in deel I (paragraaf 7.3), ontving het LRT-team op 31 juli 1997 een ambtsbericht van de BVD waarin over de rol van De J. werd gesproken bij het doorleveren van drugscontainers. Volgens het ambtsbericht zou De J. op twee manieren hierbij betrokken zijn. Hij zou, in de eerste plaats, door een familielid getipt worden over lopende drugstransporten en zou vervolgens de betrokken drugshandelaren tippen en tegen forse betaling bereid zijn te zwijgen. In de tweede plaats zou hij, volgens het ambtsbericht, met een aantal belangrijke Nederlandse drugsdealers zaken doen. Dankzij zijn betrokkenheid bij de zogeheten Delta-methode zou hij in staat zijn om te bereiken dat bepaalde zendingen drugs ongemoeid werden gelaten door de douane. De J. zou zijn illegaal verkregen inkomsten in de sportwereld een legale bestemming hebben gegeven. 485 Deze verklaringen werden in juli 1998 afgelegd, dus ruim voor het tijdstip dat de deal, na de goedkeuring van de CTC, formeel gesloten kon worden.
218 In hun vergadering van 6 oktober 1998 besteedden de leden van het college van procureurs-generaal opnieuw aandacht aan de voorgenomen deal met R. Het college besliste dat de zaak opnieuw aan de CTC moest worden voorgelegd en dat de deal met R. binnen de wettelijke marges zou dienen te blijven. Als gevolg van de afwijzende CTC-beslissing ontstond er druk op het hoger beroep. Noordhoek trad in overleg met “Haarlem” om te vragen of zij bereid waren om – los van de deal – het hoger beroep in te trekken. Vanaf dat moment ging het mis in de communicatie. Noordhoek meende van Van Brummen begrepen te hebben dat het hoger beroep zou worden ingetrokken. De laatste zou dit in een overleg, waarbij Van Gemert en Holthuis aanwezig waren, hebben gezegd en nadien zou Van Brummen dit Haarlemse voornemen hebben bevestigd in een telefoongesprek met Noordhoek. Noordhoek hierover482: “Ik heb toen overleg gevoerd met Haarlem om te vragen of ze bereid waren het hoger beroep in te trekken. Ik had gehoord dat in een overleg, waar ik niet bij was, maar wel Wil van Gemert en Hans Holthuis, dat van Brummen had gezegd dat als de CTC het van belang vond om het intrekken van het appèl los te koppelen van de deal, hij tot intrekken van het appèl opdracht zou geven. Voor de zekerheid heb ik toen nog Van Brummen gebeld met de vraag: is Haarlem bereid het appèl in te trekken? Van Brummen zei dat Haarlem dat wilde doen. Ik heb toen ten tweede male een verzoek gericht tot de CTC en heb daarin vermeld dat Haarlem de bereidheid had uitgesproken om het hoger beroep in te trekken. Van Brummen heeft vervolgens Manschot, de voorzitter van de CTC, gebeld en verteld dat Haarlem absoluut niet van plan was om het hoger beroep in te trekken, omdat men destijds over het instellen van het hoger beroep goed had nagedacht en men van mening was dat het alle kans van slagen had. Toen werd ik erop aangekeken dat ik de CTC onjuist zou hebben ingelicht. Ik heb toen tegen Holthuis gezegd: “weet je dan niet meer dat Van Brummen in dat overleg heeft gezegd dat ze het zouden intrekken?” Maar Holthuis zei: “dat weet ik niet meer”. Gelukkig konden enkele anderen het zich nog wel herinneren. Maar toch kreeg ik een officiële schrobbering van Ficq. Ook Hans Holthuis kreeg een “veeg uit de pan”. Daarna is er nog iets van een halfbakken rectificatie gekomen.”483 Van Brummen had een andere lezing over de gang van zaken484: “Toen Rick Noordhoek werd teruggefloten door de CTC is er druk gekomen op het appèl; het idee was dat het appèl maar moest worden ingetrokken. Er is toen overleg geweest en ik heb toen tegen Holthuis gezegd dat ik bereid was om het al of niet intrekken van het appèl afhankelijk te laten zijn van het oordeel van de advocaat-generaal in Amsterdam. Het was dus wachten op het oordeel van de advocaat-generaal. Dat was het bereikte compromis. Ik heb nooit beweerd in dat overleg dat Haarlem het appèl zou intrekken, dat zou ook niet logisch zijn want waarom zou dan nog advies gevraagd worden aan de advocaat-generaal?” De advocaat-generaal beoordeelde de zaak en kwam tot de conclusie dat het om strafmaattechnische en bewijstechnische redenen geen zin had om het hoger beroep door te zetten. Op grond hiervan besloot de Haarlemse zaaksofficier om het hoger beroep in te trekken. Uiteindelijk nam het college op 20 oktober 1998 een positief besluit over het tweede, door Noordhoek, ingediende voorstel. De overeenkomst werd op 6 november 1998 met R. gesloten. De 482 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001. 483 De “halfbakken rectificatie” vond plaats nadat was gebleken dat over de opvatting van Van Brummen kennelijk een misverstand was ontstaan. 484 Interview H. van Brummen d.d. 2 februari 2001.
191 Algemene inleiding Het vorige deel eindigt met de beschrijving van de presentaties die eind november 1997 ten overstaan van het college van procureurs-generaal werden gehouden en van de besluitvorming die daarop volgde. Anderhalf jaar later, in juni 1999, werd aan de hand van de ambtsberichten, die Vrakking, Van Brummen en Holthuis na het verschijnen van het rapport van de Commissie-Kalsbeek hadden opgesteld, in het college van procureurs-generaal de balans opgemaakt van drie jaar post-Fort- onderzoek. In deel II wordt beschreven welke onderzoeksactiviteiten in de tussenliggende periode werden verricht, hoe die werden aangestuurd en tot welke resultaten de inspanningen hebben geleid. Het 060-onderzoek vormt daarbij het hoofdspoor. Reeds in september 1996 was immers besloten dat alle relevante informatie ter beschikking moest worden gesteld van het LRT. Een en ander laat onverlet dat ook in de periode november 1997 – juni 1999 in Amsterdam en Haarlem diverse aanpalende onderzoeksactiviteiten plaatsvonden. Ook deze krijgen een plaats in deel II. Hoofdstuk 12 moet in dit deel worden beschouwd als een scharnierpunt. In dat hoofdstuk wordt uitgebreid ingegaan op de presentaties over de voortgang van de diverse onderzoeken die op 6 oktober 1998 werden verzorgd bij het college van procureurs-generaal en bij de minister van Justitie. De hoofdstukken 9 tot en met 11 beslaan de periode die aan deze presentaties voorafging. De hoofdstukken 13 tot en met 15 hebben betrekking op de periode daarna. De beslissingen die naar aanleiding van de presentaties op 6 oktober 1998 werden genomen, vormen de opmaat voor de beschrijving in de laatste drie hoofdstukken. Het onderzoek 060 dient te worden beschouwd als het overkoepelende onderzoek, waarvan gaandeweg een aantal deelonderzoeken is afgescheiden. Zo richtte het deelonderzoek 061 richtte zich op strafbare feiten, gepleegd door J. Deelonderzoek 062 stond in het teken van de “Taartman”, terwijl de code 063 werd gereserveerd voor het onderzoek naar de rol van een informant in het XTC- traject naar Engeland. In hoofdstuk 9 wordt allereerst in kaart gebracht hoe het team 060 er qua samenstelling en taakverdeling in de periode november 1997 – oktober 1998 uitzag. Vervolgens wordt inzichtelijk gemaakt hoe er uitvoering werd gegeven aan het plan van aanpak dat na afloop van de oriënterende fase voor het 061-opsporingsonderzoek was vastgesteld. Na deze blik op de interne gang van zaken in het 061-traject wordt het vizier gericht op enkele relevante externe impulsen die in 1998 op het onderzoek werden losgelaten. Voor twee van deze impulsen, te weten het in Haarlem geopende NN- GVO en het onder auspiciën van CID-officier Snijders tot stand gekomen parallel-proces-verbaal, zijn aparte paragrafen ingeruimd. In deel I is reeds aangestipt dat door het LRT in het kader van de doelstellingen van het 060- onderzoek tevens een onderzoek werd ingesteld naar een ander subject, de “Taartman”. Van het verloop van dit onderzoek, dat de code 062 meekreeg, wordt in hoofdstuk 10 verslag gedaan. In dit hoofdstuk wordt tevens stilgestaan bij de stand van zaken in het onderzoek naar een (voormalige) FIOD-beambte, dat ook onder de noemer van het 060-project werd verricht. In hoofdstuk 11 wordt de aandacht gericht op enkele activiteiten die weliswaar in respectievelijk het Haarlemse en Amsterdamse parket werden ontplooid, maar die wel doorwerkten op het 060- traject. Gedoeld wordt respectievelijk op het in najaar van 1997 in gang gezette “Schilderstraject”, het onderzoek naar het XTC-traject in de richting van Engeland en de door Amsterdam gesloten pre-deal met K. Het onderzoek naar het XTC-traject zou, zoals gezegd, eind 1998 onder de rubricering 063 ook een plaats krijgen in de overkoepelende 060-zaak. Nadat in hoofdstuk 12 is beschreven hoe de informatievoorziening in de richting van het college van procureurs-generaal plaatsvond en welke besluiten in dit gremium werden genomen naar aanleiding van de reeds genoemde presentaties van 6 oktober 1998, worden in hoofdstuk 13 het verdere verloop en de afloop van het 061-onderzoek onder de loep genomen. Speciale aandacht is
217 toneel verdwenen en liet R. zich bijstaan door een nieuwe raadsman. Zowel Snijders als Noordhoek verwachtten veel van een dergelijke deal. Noordhoek477: “Vooral Snijders was erg enthousiast. Hij sprak er altijd over dat de “Taartman”, wanneer hij een fikse straf zou krijgen, zou leeglopen op de achterbank van de politieauto”. Noordhoek verklaarde in het interview dat hij het niet zo gek vond om het hoger beroep als drukmiddel te gebruiken. Bij de onderhandelingen over de voorwaarden van de deal zou het hoger beroep dan één van de tegemoetkomingen kunnen zijn aan R.478 Volgens Van Brummen stond de beslissing van de Haarlemse zaaksofficier van justitie om hoger beroep aan te tekenen echter geheel los van de deal479: “Zij wist helemaal niets van de deal en het was voor haar geen overweging bij het instellen van het hoger beroep. Zij vindt overigens, en dat vinden ik en de CTC ook, dat het intrekken van het appèl geen onderdeel van een deal kan zijn.” Noordhoek kwam met R. en diens advocaat begin juli 1998 tot een akkoord. Overeenkomstig de geldende procedures legde Noordhoek zijn onderhandelingsresultaat ter goedkeuring voor aan de Centrale Toetsingscommissie (CTC). Het resultaat behelsde dat in ruil voor verklaringen van R. over de cocaïnetransporten waarbij hij betrokken was geweest, door Justitie enkele tegemoetkomingen zouden worden gedaan. De belangrijkste hiervan waren dat het hoger beroep zou worden ingetrokken, dat het openbaar ministerie positief zou adviseren op een verzoek tot partiële gratie (1/3 deel van de gevangenisstraf) en dat de ontnemingsvordering jegens R. beperkt van omvang zou zijn. Bovendien werd hem een sepot in het vooruitzicht gesteld omtrent door hem gepleegde strafbare feiten waarover hij zou gaan verklaren. De CTC oordeelde evenwel negatief en het college van procureurs-generaal berichtte op 27 augustus 1998 aan Noordhoek dat van een positieve beslissing van het college geen sprake kon zijn. Enkele belangrijke overwegingen hierbij waren480: 1. dat het verzoek onvoldoende informatie bevatte voor een goede beoordeling van de proportionaliteit en de subsidiariteit van de deal; cruciaal was daarbij de vraag of de deal essentieel was voor de opsporing en vervolging van de door de “Taartman” gepleegde feiten; 2. dat de tegemoetkomingen aan R. verder gingen dan in het wetsvoorstel omtrent afspraken met criminelen werd voorzien; in het wetsvoorstel werd uitsluitend gesproken over een vermindering van de vrijheidsstraf met maximaal 1/3 deel; 3. dat de door Noordhoek gegeven informatie geen uitsluitsel had gegeven of er overleg was geweest over de vraag of het Haarlemse parket bereid was mee te werken aan de gratiëring; dit parket was hiertoe op grond van de Gratiewet immers bevoegd. Bij de onder 2 geformuleerde overweging werd onder meer gerefereerd aan het intrekken van het hoger beroep. Hiermee keerde het “drukmiddel” zich tegen Noordhoek zelf 481: “Ik had juist het appèl als drukmiddel willen gebruiken, nu werkte het als het ware tegen mij toen gezegd werd dat ik te veel concessies deed.” 477 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001. 478 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001. 479 Interview H. van Brummen d.d. 2 februari 2001. 480 Brief van C. Ficq d.d. 27 augustus 1998 aan H. Holthuis (B1). 481 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001.
216 heeft bijgedragen aan een verdere verwijdering tussen twee hoofdrolspelers, Noordhoek en Van Brummen. 10.4.1 De mislukte deal van Snijders Reeds bij zijn aanhouding in juni 1997 gaf R. te kennen dat hij bereid was een deal te sluiten met justitie. In ruil voor strafvermindering zou hij verklaringen willen afleggen over de organisatie van de cocaïnetransporten en over de betrokkenheid van de verschillende verdachten hierin. De betrokken CID-officier in deze Zaanse zaak was Snijders. Hij hoopte dat door gesprekken met R. meer duidelijkheid kon worden verkregen over de financiers en leidinggevenden van de cocaïnetransporten, onder wie de “Taartman”. Deze informatie zou dan in het tactische onderzoek tegen de “Taartman” gebruikt kunnen worden. Daarnaast had Snijders, zo verklaarde hij in het interview, de hoop dat R. “CID-matig uitgemolken zou kunnen worden over Van V. en L..”473 Uiteindelijk zouden de contacten tussen R. en Snijders op niets uitlopen. De transcripten van de gesprekken die inmiddels waren gehouden zouden nooit worden gebruikt. Het breekpunt tussen Snijders en R. vormde diens raadsman. Deze advocaat was, zo wist Snijders, al jarenlang de raadsman van de “Taartman”.474 Snijders was van oordeel dat het niet juist en niet werkbaar was om tot een overeenkomst te komen met R. zolang hij een advocaat had die ook de belangen behartigde van de verdachte tegen wie R. juist als “kroongetuige” zou moeten optreden. Zoals Snijders het tijdens het interview uitdrukte475: “Met R. zijn twee of drie gesprekken gevoerd. Onmiddellijk heb ik aangegeven dat hij een andere advocaat moest nemen. Hij had namelijk dezelfde advocaat als de “Taartman”. R. kwam in dezen zijn afspraken niet na. Het werd mij bijvoorbeeld duidelijk dat hij direct na afloop van een gesprek de advocaat van de inhoud op de hoogte bracht. (…)Toen bleek dat R. zijn afspraken niet nakwam heb ik in overleg met de zaaksofficier in het Carex-onderzoek, besloten om de contacten met R. te verbreken.” R. voelde zich door Snijders onheus bejegend en weigerde nog langer verklaringen af te leggen. In januari 1998 werd hij naar België gebracht, om aldaar te worden verhoord in het onderzoek dat tegen de “Belgische Sapman” liep. Deze verhoren leverden geen nieuwe informatie op. R. werd weer naar Nederland teruggestuurd en verbleef tot aan zijn berechting in preventieve hechtenis. Hij werd in mei 1998 door de Haarlemse rechtbank veroordeeld tot 8 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf. 10.4.2 De geslaagde deal van Noordhoek Ondanks de hoogte van de straf besloot de Haarlemse zaaksofficier van justitie hoger beroep in te stellen. De rechtbank had R. voor een cocaïnetransport vrijgesproken. De zaaksofficier meende dat de kans op veroordeling door het hof voor dit transport betrekkelijk groot was en dat derhalve een hogere strafmaat tot de mogelijkheden behoorde. Intussen brachten twee rechercheurs van het LRT R. twee weken na zijn vonnis een bezoek in zijn cel. Het “aanlopen” van veroordeelden is volgens één van de betrokken rechercheurs een gebruikelijke manier van doen. R. gaf in het gesprek te kennen dat “de deur op een kier” stond.476 Hij zou, anders gezegd, wel willen meewerken aan een deal. Inmiddels was R.’s oude advocaat van het 473 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001. 474 Naderhand zou inderdaad blijken dat de “Taartman” de bewuste advocaat in de hand nam ten behoeve van zijn verdediging in de strafzaak. 475 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001. 476 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001.
215 de “Taartman” en medeverdachte Y. de verscheping van de 10.000 kg hasj naar Nederland hadden georganiseerd. In deze verklaringen kwam naar voren dat de “Taartman” in Sri Lanka in meubels en keramiek zou hebben gehandeld en meerdere containertransporten naar Nederland zou hebben geregeld, waarbij deze goederen werden vervoerd. Uit de verklaringen kwam ook naar voren dat deze goederen als legale deklading fungeerden voor hasj. Volgens een verklaring van Y. zou de “Taartman” in opdracht van een Nederlandse groepering hebben gehandeld. Hij zou hun “vertegenwoordiger” zijn geweest en ter verantwoording zijn geroepen voor de inbeslagname van de 10.000 kg. Hij zou toen ook bedreigd zijn. Door Noordhoek werd eind februari 1998 bij de rechter-commissaris in Amsterdam een gerechtelijk vooronderzoek gevorderd tegen de “Taartman” op grond van overtreding van de Opiumwet (import hasj). Op 10 maart 1998 werd hij aangehouden en verhoord. Hij ontkende alle betrokkenheid bij de handel in soft drugs. 10.3.3 De (strafrechtelijke) afloop Het 062-onderzoek bleek een betrekkelijk kort intermezzo voor het LRT. In beide zaken was voldoende bewijsmateriaal aanwezig. Zowel R. als de “Taartman” werden door de rechter veroordeeld. R. werd door de rechtbank te Haarlem op 26 mei 1998 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar in verband met de invoer van de partij cocaïne van 400 kilogram en een eerdere partij van 150 kilogram. Tevens werd hem op grond van art. 36e Sr. de verplichting opgelegd tot het betalen van 35.000 gulden in het kader van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Er werd geen hoger beroep ingesteld. De “Taartman” werd door de rechtbank te Amsterdam op 4 juni 1999 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar en een geldboete van 5 ton. Op 9 november 2000 werd hij door het Hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaar. Het Hof overwoog onder meer dat hij bij het transporteren en importeren van ongeveer 1500 kilo cocaïne vanuit Zuid-Amerika naar Nederland, een “bemiddelende, faciliterende – in het bijzonder financierende – en begeleidende rol” had gespeeld. In het organiseren van transporten met grote hoeveelheden hasj vanuit Sri Lanka had de “Taartman” naar het oordeel van het Hof een leidinggevende en initiërende rol vervuld. Hiermee had hij “bijgedragen aan het instandhouden van een, voor de samenleving schadelijk, illegaal geldcircuit, dat gepaard gaat met de handel in hasj”. De afloop was in strafrechtelijke zin dus succesvol. Maar de doelstelling van het 062-onderzoek was niet bereikt. Het 060-team had het onderzoek naar de “Taartman” overgenomen omdat verondersteld werd dat hij na zijn berechting verklaringen zou kunnen en willen afleggen over de mogelijke rol van L. en Van V.. De “Taartman” heeft echter zowel voor, tijdens als na zijn berechting geen enkele bereidheid getoond om hierover te verklaren. 10.4 De deal met R. Om de strategie te doen slagen dat de “Taartman” verklaringen zou gaan afleggen, zijn er eerst door Snijders en later door zijn collega Noordhoek initiatieven ondernomen om een “deal” te sluiten met R. De idee was dat R. veel zou kunnen verklaren over de “Taartman”. Wanneer de “Taartman” op basis van die verklaringen tot een (zware) straf zou zijn veroordeeld, zou hij een grote(re) bereidheid hebben om te gaan praten over L. en Van V. en over de wijze waarop cocaïnetransporten in de IRT- periode door de douane werden geloodst. Met name Snijders had bovendien de hoop dat R. zelf ook wetenschap had over L. en Van V. en hierover zou willen praten. Hoewel er uiteindelijk een deal met R. tot stand is gekomen, heeft deze – zoals zojuist al is gesteld – niet het beoogde effect gehad. De “Taartman” heeft weliswaar een zware straf gekregen, maar is niet gaan praten. De deal met R. heeft wel een onvoorzien effect gehad: de overeenkomst
214 10.3 De aanpak van het 062-onderzoek op het LRT Begin november nam het LRT het onderzoek naar de “Taartman” over van het Carex-team.471 Erg veel eigen opsporingsactiviteiten behoefden toen niet meer te worden verricht. De verklaringen van enkele aangehouden verdachten en getuigen uit het Carex-onderzoek en het Sri Lankese onderzoek gaven al veel inzicht in de organisatie van de hasj- en cocaïnetransporten en de rol hierin van de voornaamste verdachten. Er werden door het LRT-team dan ook weinig dwangmiddelen toegepast. In tegenstelling tot de gang van zaken in het 061-onderzoek werden in het 062-onderzoek geen telefoontaps geplaatst.472 Het onderzoek van het LRT bestond uit twee gescheiden deelonderzoeken, omdat de criminele groep die de cocaïnetransporten organiseerde van geheel andere samenstelling was dan het samenwerkingsverband dat achter de hasjverschepingen uit Sri Lanka zat. Het enige dat beide groepen gemeen hadden was de deelname van de “Taartman”. 10.3.1 De cocaïnetransporten Op het moment dat het LRT de “Taartman”-zaak ter hand nam, deed zich een verrassing voor. De rijkswacht, die de “Belgische Sapman” na de opheffing van diens preventieve hechtenis onder observatie hield, ging op 12 november 1997 over tot de aanhouding van vier personen. De “Belgische Sapman”, de “Taartman” en hun beide advocaten werden in een wegrestaurant aangehouden. Naar aanleiding hiervan werden nog diezelfde dag, op verzoek van de Belgische justitie, huiszoekingen verricht bij de “Taartman”. Later zou door de “Belgische Sapman” worden verklaard dat deze samenkomst was belegd om meer informatie te krijgen uit het Carex-onderzoek. De bedoeling was om de verklaringen op elkaar af te stemmen. Tot het moment van zijn aanhouding was de “Taartman” nog niet verhoord. Hij wist dat er in het Carex-onderzoek belastende verklaringen over hem waren afgelegd, omdat de advocaat, door wie hij zich liet bijstaan, ook de verdediging van R. voerde. De verhoren door de Belgische politie van de “Belgische Sapman” leverden gedetailleerde verklaringen op over zes cocaïnetransporten in de periode 1994-1997 waarbij ook de “Taartman” betrokken zou zijn geweest. In totaal zou het gaan om 1420 kilo cocaïne, waarvan 1100 kilo in beslag genomen was. In tegenstelling tot vrijwel alle andere aangehouden verdachten legde de “Taartman” geen verklaringen af. Hij ontkende alle betrokkenheid bij de cocaïnetransporten. Op 23 januari 1998 werd hij in afwachting van zijn berechting door de Belgische justitie in vrijheid gesteld. In de eerste maanden van 1998 dreigde de situatie te ontstaan dat zowel de Belgische politie als het LRT tegen de “Taartman” opsporingsonderzoeken naar dezelfde misdrijven verrichtten. Op 28 april 1998 werd hieraan een einde gemaakt toen de strafvervolging van de “Taartman” door de Belgische autoriteiten aan Nederland werd overgedragen. In feite heeft het LRT geen verdere onderzoeksactiviteiten behoeven te ontplooien. Men heeft nog wel gepoogd om de “Taartman” te verhoren over de cocaïnetransporten, maar hij weigerde categorisch hierover iets te zeggen. 10.3.2 De hasjtransporten uit Sri Lanka Op het Sri Lankese rechtshulpverzoek volgde een Nederlands rechtshulpverzoek aan Sri Lanka om daar een aantal personen te mogen horen. Na verkregen toestemming werden enkele weken later twee rechercheurs van het LRT naar Sri Lanka gestuurd om personen te horen over de wijze waarop 471 Het onderzoek naar de overige verdachten, onder wie R., werd geheel afgewerkt door het Carex-team van het Zaanse regiokorps. 472 Er werden ook geen printgegevens opgevraagd en observatieacties gepleegd. Het dossier “ambtshandelingen” in dit onderzoek telt 71 handelingen; vergeleken met de 1111 handelingen uit het 061-onderzoek is dit aantal bijzonder laag.
213 een verdachte, een Colombiaan, die de cocaïne zou hebben geleverd. De partij cocaïne werd aangetroffen in een bestelbus, die op naam bleek te staan van De M., die tijdens het onderzoek van de Enquêtecommissie Opsporingsmethoden bekendheid verkreeg als de “Sapman” uit België.469 Ook bevond zich in de bestelbus een partij sinaasappelen afkomstig van het bedrijf van de “Belgische Sapman”. De Belgische autoriteiten werden hierover geïnformeerd en zo ging ook daar een onderzoek van start. Uit dit Belgische onderzoek bleek dat de container uit Venezuela was verscheept en in Rotterdam was gelost. Vervolgens was de container naar het sapbedrijf van de “Belgische Sapman” getransporteerd, waar de cocaïne onder de deklading van – rotte – sinaasappelen werd weggehaald en vervoerd naar Nederland. Er bleek nog een tweede container te zijn aangekomen met hetzelfde schip en te zijn gebracht naar het bedrijf van de “Belgische Sapman”. Deze tweede container werd, op basis van een tip van een van de aangehouden verdachten, op 7 juni 1997 in Hoorn gevonden met ongeveer 700 kg cocaïne. De partij was in het geprepareerde dak van de container verborgen. De “Belgische Sapman” was overigens al een dag eerder door de Belgische politie aangehouden. Al tijdens de taps op de lokale drugshandelaar in het voorjaar 1997 en met name tijdens de verhoren van de aangehouden verdachten kwam de “Taartman” in beeld. Hij zou de financier en initiator achter de cocaïnetransporten zijn geweest. R. zou in opdracht van de “Taartman” en op zijn kosten het uitvoerende werk hebben verricht. Deze verdenkingen vormden in september 1997 de aanleiding voor het LRT om een LRT-rechercheur deel uit te laten maken van het Zaanse Carex-team. Enkele maanden later zou het onderzoek naar de rol van de “Taartman” door het 060-team geheel worden overgenomen.470 10.2.2 De tweede bron: het rechtshulpverzoek uit Sri Lanka Naast het Carex-onderzoek was er nog een tweede aanleiding voor het LRT om een onderzoek naar de “Taartman” in te stellen. Het betrof een rechtshulpverzoek uit Sri Lanka dat aan het Amsterdamse parket was gericht. Het verzoek werd in februari 1997 verzonden naar aanleiding van een door de Sri Lankese politie onderschepte vissersboot met ruim 10.000 kilo hasj aan boord. Uit het ingestelde onderzoek bleek dat bij de organisatie en financiering van dit transport vier Nederlanders betrokken waren. Eén van hen was de “Taartman”. Met behulp van het rechtshulpverzoek probeerden de Sri Lankanen meer informatie over deze verdachten te verkrijgen. Het Amsterdamse parket toonde weinig belangstelling voor deze zaak en stuurde het verzoek door naar het Rotterdamse parket omdat twee van de vier verdachten in Rotterdam woonden. Het Rotterdamse parket zag er kennelijk ook niet veel heil in en stuurde het verzoek eind oktober 1997 weer door naar het LBOM. Op het LBOM kwam het verzoek als geroepen. Noordhoek droeg op dat moment immers al kennis van het Carex-onderzoek en van de mogelijke betrokkenheid van de “Taartman” bij drugshandel. Hij besloot vrijwel onmiddellijk, op 5 november 1997, om het rechtshulpverzoek in behandeling te nemen en een opsporingsonderzoek in Nederland in te stellen naar de vermoedelijk door de “Taartman” gepleegde strafbare feiten. Samen met twee rechercheurs reisde hij nog diezelfde maand af naar Sri Lanka om kennis te nemen van de daar aanwezige gegevens. De drie functionarissen keerden niet met lege handen naar huis terug. Zij kregen een groot aantal kopieën mee van verhoren, bills of lading, printgegevens, hotelrekeningen, die wezen op de aanwezigheid en werkzaamheden van de “Taartman” in Sri Lanka. 469 Niet te verwarren met de zojuist genoemde “Sapman” uit Nederland die een informant was van Van V. Voor alle duidelijkheid zal in het vervolg gesproken worden over de “Belgische Sapman” en de “Nederlandse Sapman”. 470 Op 2 maart 1998 is er overleg geweest tussen Van Brummen en Ficq, waarin werd besloten de “Taartman” van Carex over te hevelen naar het LRT. In feite had deze overheveling al in november plaatsgevonden. Uit: Tijdlijn (B2).
212 10 Het verloop van het onderzoek 062 10.1 Inleiding In deel I is op verschillende plaatsen (onder andere paragraaf 6.4 en paragraaf 7.3) reeds gerefereerd aan het onderzoek naar C. Aangestipt is dat enkele maanden na de start van het opsporingsonderzoek naar J. onverwachts informatie binnenkwam over de betrokkenheid van C. bij omvangrijke drugstransporten (cocaïne en hasj). Binnen het regiokorps Zaanstreek-Waterland liep reeds een opsporingsonderzoek, waarbij ook C. als verdachte betrokken was. Hoewel hij niet tot de zes onderzoeksubjecten van het LRT behoorde, werd toch besloten om het tegen C. lopende onderzoek door het LRT te laten overnemen. C. was namelijk geen onbekende. Tijdens het Fort- onderzoek en de verhoren van de Commissie-Van Traa werd hij bekend als de “Taartman”. Hij zou een drugslijn hebben willen opzetten met Marokko, met behulp van een bedrijf dat sinaasappelen betrok uit dit land. De zogeheten “Sapman”, een informant van Van V., zou als bedrijfsleider voor de “Taartman” hebben opgetreden.466 Het expliciete doel van het LRT-onderzoek was om de “Taartman” voor de “nieuwe” feiten uit het lopende onderzoek te laten berechten, in de hoop dat hij na zijn veroordeling zou willen gaan praten over zijn relaties met Van V., L. en De J. Het onderzoek werd in kringen van het LRT aangeduid als het 062-onderzoek.467 10.2 De aanleiding In de loop van 1997 kwam van twee kanten informatie binnen bij het LRT samen over de “Taartman”. Het eerste informatiepakket was een onverwachte bijvangst van een ‘gewoon’ drugsonderzoek, verricht door leden van het regiokorps Zaanstreek-Waterland. De tweede bron betrof een rechtshulpverzoek uit Sri Lanka. Hierin werd informatie gevraagd over de “Taartman” vanwege diens betrokkenheid bij een onderschept drugstransport in dat land. 10.2.1 De eerste bron: het Carex-onderzoek Op basis van een binnengekomen tip en CID-info werd door de regiopolitie Zaanstreek/Waterland in december 1996 een opsporingsonderzoek (Carex) gestart tegen een plaatselijk bekende drugshandelaar. Deze zou een XTC- en amfetaminelijn op Spanje exploiteren. Enige tijd later werd een gerechtelijk vooronderzoek tegen hem geopend en werd zijn telefoon afgetapt. Op basis van afgeluisterde gesprekken werd duidelijk dat hij contact onderhield met ene R. Deze R., zo zal verderop nog duidelijk worden, bleek samen te werken met de “Taartman” bij de organisatie van cocaïnetransporten. Begin juni 1997 werd tot actie besloten, toen ‘over de tap’ bekend werd dat de drugshandelaar met R. aanwezig was bij een partij van 400 kilo cocaïne.468 Enkele maanden later volgde de aanhouding van 466 Zie rijksrecherche Fort-Team; Rapport van hetonderzoek naar het functioneren van de RCID Kennemerland, 1996, blz. 311-315. 467 De gegevens die in dit hoofdstuk worden gepresenteerd zijn afkomstig uit de LRT-ordners 96062; het merendeel van deze gegevens is gehaald uit het stamproces-verbaal. 468 De drugshandelaar werd op 26 mei 1998 door de Haarlemse rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar.
210 gebruik van de telefoontap. Hierdoor werd het onderzoek nog sterker dan voorheen gericht op de actuele gedragingen van de verdachte en werd het moeilijker om de aanpalende activiteiten in andere parketten, de externe impulsen uit de Randstad die betrekking hadden op feiten uit de achterliggende IRT-periode, in het onderzoek te betrekken. Behalve het verschil in tactiek dreef de controverse over de NN-verklaringen en het gebruik daarvan de partijen verder uiteen. De klankbordgroep, in 1997 opgericht om de afstemming tussen de betrokkenen te bevorderen, groeide in 1998 uit tot een arena waarin Haarlem en het landelijk parket lijnrecht tegenover elkaar kwamen te staan. Opmerkelijk genoeg voerden beide partijen juridisch- technische argumenten aan om hun gelijk aan te tonen. Aan de ene kant Noordhoek, die de totstandkoming van het NN-GVO op juridische gronden onzuiver achtte; aan de andere kant Snijders en Van Straelen die meenden dat verstrekking van bepaalde CID-informatie alleen mogelijk was met een verzoek dat gebaseerd was op de inhoud van de NN-verklaringen. Het conflict tussen “Haarlem” en het “LRT” over de NN-verklaringen zou echter in complexiteit worden gereduceerd wanneer het uitsluitend werd gerelateerd aan tegenstellingen van juridische aard. De controverse stak aanmerkelijk dieper en reflecteerde een toenemend gebrek aan vertrouwen tussen Snijders en Noordhoek. Deze evaluatie onderstreept eens te meer dat in de relatie tussen een CID-officier en een zaaksofficier een basaal vertrouwen in elkaars professionaliteit een conditio sine qua non is. De verschillende visies op de verhouding CID-officier – zaaksofficier doen hier niet aan af. Zeker wanneer men de Haarlemse opvatting aanhangt dat de functies van de CID-officier en de zaaksofficier strikt moeten worden gescheiden465 is wederzijds vertrouwen van groot belang. De rechtlijnige opstelling van Noordhoek in het onderhavige geval kan niet los worden gezien van het feit dat achtereenvolgens Zwerwer en Snijders niet onder stoelen of banken staken dat zij zijn kennis, ervaring en professionaliteit laag inschatten. Onder dergelijke omstandigheden was het veel gevraagd – en voor Noordhoek te veel – om te leven met het vooruitzicht dat ter terechtzitting verantwoording moest worden afgelegd voor getuigenverklaringen die onder auspiciën van Snijders tot stand waren gekomen. Het conflict tussen Noordhoek en Snijders legt ook een belangrijk organisatorisch gebrek bloot. In het bijzonder ten aanzien van de commotie rondom de NN-verklaringen werd een CID-officier aan de zijde van het landelijk parket node gemist. De opstelling van Noordhoek was wellicht minder rigide geweest wanneer een collega van het landelijk parket inzage had gehad in de veiligheidsanalyse. Reeds eerder was echter al gebleken dat het vertrouwen van Snijders en Teeven in CID-officier De Groot ook niet bijster groot was. Het wederzijdse gebrek en vertrouwen verklaart ook goeddeels de verharding van de “slag om de informatie”. Het voortdurende getouwtrek rondom de CID-informatie uit Kennemerland, de woede van Snijders over het CID-bericht uit Amsterdam dat plotsklaps op de burelen van het LRT neerdwarrelde en de mislukte pogingen om het parallel-proces-verbaal in recherchetactische zin te onderbouwen, zijn allemaal voorbeelden van de “Chinese walls” die door de betrokkenen rondom hun eigen informatiepositie werden opgeworpen. De eerstverantwoordelijken om deze patstelling te doorbreken waren de betrokken hoofdofficieren. Van Brummen en Holthuis trachtten weliswaar in onderling overleg en in gesprekken met registerbeheerder Visser de angel uit het conflict te halen, maar bleven in dit verband steken in het blootleggen en bespreken van de juridische voetangels en klemmen. De dieperliggende oorzaken van de fricties tussen de officieren van justitie roerden zij niet aan. 465 Ook de Commissie-Kalsbeek pleitte overigens nadrukkelijk voor een scheiding van deze functies (aanbeveling 53, pp. 225)
209 Enkele Colombiaanse bedrijven, die als afzenders bij containers met soft drugs betrokken waren, fungeerden later ook als afzender van containers waarin cocaïne werd aangetroffen. Aan de andere kant bleek dat een aantal Nederlandse bedrijven dat werd gebruikt als ontvanger van de containers met marihuana later wederom gebruikt werd als ontvanger voor één of meer containers met verdovende middelen (meestal marihuana). 9.5.3 Het vervolg op en het gebruik van het parallel-proces-verbaal In een samenwerkingsverband tussen het LRT en de rijksrecherche werd medio 1998 een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de mogelijke in- en uitvoer van verdovende middelen in Nederland met behulp van zeecontainers. Dit onderzoek van het onderzoeksteam 96061 was een vervolg op het hierboven beschreven parallel-proces-verbaal. Het onderzoek werd ingesteld om te komen tot een verdere onderbouwing van de in het genoemde proces-verbaal beschreven parallel-importen. De betrokkenheid van de rijksrecherche (met vijf rechercheurs) vloeide voort uit het streven om de rol van ambtenaren van politie en douane/FIOD binnen deze trajecten nader te onderzoeken.464 Hoewel, zoals eerder geschetst, de aandacht van het LRT in het 061-onderzoek inmiddels verschoven was naar actuele strafbare handelingen van J., kan uit het feit dat toch een nader onderzoek werd ingesteld naar de parallel-importen worden afgeleid dat de deur naar het verleden door Noordhoek nog niet definitief in het slot was gegooid. Begonnen werd om voor elke in dat proces-verbaal genoemde container een spreadsheet te maken waarop alle bekende gegevens van deze container, zoals de verzender, de ontvanger, de tussenpersoon, de inhoud, de verklaringen over de container, et cetera werden verzameld. Hierbij werd gebruik gemaakt van: — De Fort-team administratie, met uitzondering van het gedeelte dat in beheer was van de CID- LRT; — De administratie van voormalig FIOD-medewerker De J.; — De door de Districts Informatie Afdeling van de douane te Amsterdam (DIA) beschikbaar gestelde informatiemappen. Hierin zijn containers opgenomen die in de Amsterdamse haven binnenkwamen gedurende de jaren 1991-1995. Hierbij speelde De J. een rol. In totaal werden in de periode juli 1998 – december 1998 door het onderzoeksteam ongeveer 50 dossiermappen nauwkeurig doorgenomen op de aanwezigheid van informatie over de containers genoemd in het parallel-proces-verbaal. Na bestudering van deze gegevens bleek de onderbouwing van de parallel-importen in recherchetactische zin evenwel nog te zwak. Het onderzoeksteam van de rijksrecherche had de stellige indruk dat er CID-matig meer informatie over deze containers en onderzoeken beschikbaar moest zijn. Om de her en der in het land aanwezige 00- en 01-informatie tactisch bruikbaar te maken was het team echter aangewezen op de CID-sectie van het LRT. In hoofdstuk 13 zal worden geschetst in hoeverre het LRT bereid en in staat was de betreffende CID-informatie te vergaren. 9.6 Conclusie De gebeurtenissen in 1998 maken duidelijk dat het strategische doel, inzicht verschaffen in de werkelijke gang van zaken in de IRT-periode, binnen de diverse sporen nog steeds gedeeld werd, maar dat de opvattingen over de wijze waarop deze doelstelling gerealiseerd kon worden steeds sterker divergeerden. Als gevolg van het feit dat de oorspronkelijke bronnen, die tot de start van het 061-onderzoek hadden geleid, waren “opgedroogd”, werd in april 1998 ingezet op het intensief 464 Rapport van twee rijksrechercheurs van het onderzoeksteam 061 d.d. 24 maart 1999 (C8).
