Bijlage X – 2.6. SlotbeschouwingJanuary 1, 1999
2.6. Slotbeschouwing
De advocaat heeft een moeilijk beroep: hij dient partijdig te
zijn, doch hierbij zijn onafhankelijkheid jegens de clint te
bewaren. De normering van – en controle op – de beroepsuitoefening
is sterk professioneel van karakter. Het beroep evolueert evenwel
steeds meer in de richting van een gewoon, commercieel beroep. Het
werkterrein van de advocaat (wat is eigenlijk des advocaten?) is
niet duidelijk afgegrensd, terwijl de beroepsbeoefenaar wel alle
parafernalia bezit van het klassieke, professionele beroep.
lees meer
Bijlage X – 3.1. KerngegevensJanuary 1, 1999
3. HET NOTARIAAT
3.1. Kerngegevens
3.1.1. Openbaar ambtenaar in een vrij beroep
De notaris is een openbaar ambtenaar, die in de gevallen waarin
de wetgever zijn tussenkomst dwingend voorschrijft, een specifieke
overheidstaak uitoefent. De notaris wordt bij Koninklijk Besluit
benoemd. Aan hem wordt tevens een standplaats toegewezen. Hij is
geen gewoon ambtenaar want hij krijgt zijn inkomsten uit de
opbrengst van zijn dienstverlening. In die zin is hij ondernemer,
maar dan wel een die als monopolist opereert op een markt zonder
veel risico’s.
lees meer
Bijlage X – 3.2. De karakteristiek van het beroepJanuary 1, 1999
3.2. De karakteristiek van het beroep
3.2.1. De plicht tot dienstverlening
Als openbaar ambtenaar c.q. als de functionaris wiens
tussenkomst dwingend is voorgeschreven, heeft de notaris veel
minder speelruimte dan bijvoorbeeld de advocaat of de accountant om
clinten of diensten te weigeren. Sterker nog, hij is volgens de
heersende leer in beginsel zelfs verplicht om zijn diensten te
verlenen als daarom wordt gevraagd. Op deze ministerieplicht kan
alleen uitzondering worden gemaakt als de notaris gegronde redenen
heeft om zijn dienst te weigeren. In de gedragsregels, die de KNB
onlangs heeft gepubliceerd, en in de ontwerpwet op het Notarisambt
zijn enkele gronden gespecificeerd.
lees meer
Bijlage X – 3.3. De tuchtrechtspraakJanuary 1, 1999
3.3. De tuchtrechtspraak
3.3.1. Twee vormen van tuchtrecht
Het notariaat kent twee vormen van tuchtrecht: het wettelijke
tuchtrecht en het verenigingstuchtrecht. Het verenigingstuchtrecht
is in het kader van deze bespreking niet van belang. Via deze
procedure worden de relatief mineure klachten over de
beroepsuitoefening van de notaris behandeld. Het betreffen klachten
over bijvoorbeeld het gebrek aan snelheid in het notarile optreden
of over de hoogte van de declaratie. De uitspraken van het
scheidsgerecht (eerste aanleg) en het college van beroep zijn
bindend. Zo kan de uitspraak luiden dat de notaris zijn declaratie
moet verlagen.
lees meer
Bijlage X – 3.4. De kwetsbare positie van de notarisJanuary 1, 1999
3.4. De kwetsbare positie van de notaris
3.4.1. Onmisbaar en aantrekkelijk voor criminele
organisaties
De notaris is een onmisbare schakel in tal van dubieuze
constructies. Of het nu gaat om de oprichting van BV’s waarmee
gefraudeerd gaat worden, of om witwasoperaties waar onroerend goed
mee is gemoeid of waarbij rechtspersonen worden gebruikt, de
tussenkomst van de notaris is wettelijk voorgeschreven. In deze zin
is er een grote mate van potentile betrokkenheid tussen het
notariaat en de georganiseerde misdaad.
lees meer
Bijlage X – 3.5. De voorvallenJanuary 1, 1999
3.5. De voorvallen
3.5.1. Inleiding
Evenals bij de advocaat kan de verwijtbare betrokkenheid van de
notaris bij georganiseerde misdaad eruit bestaan dat hij specifieke
kennis (informatie, e.d.) levert en afscherming biedt. Als
bijzonder kenmerk van de notaris komt erbij dat zijn tussenkomst
wettelijk is voorgeschreven voor het kunnen verrichten van
rechtshandelingen.
lees meer
Bijlage X – 3.6. SlotbeschouwingJanuary 1, 1999
3.6. Slotbeschouwing
De notaris is een openbaar ambtenaar wiens tussenkomst dwingend
is voorgeschreven; de notaris heeft door zijn ministerieplicht veel
minder speelruimte om clinten of diensten te weigeren dan
bijvoorbeeld de advocaat. Het takenpakket van de notaris is in de
afgelopen periode uitgebreid. Hij verleent in toenemende mate
advieswerkzaamheden voor clinten. In de uitoefening van deze
werkzaamheden is de notaris partijdig.
lees meer
Bijlage X – 4.1. KerngegevensJanuary 1, 1999
4. ACCOUNTANCY
4.1. Kerngegevens
4.1.1. De accountant als vertrouwenspersoon van onderneming en
publiek
De accountant stelt de betrouwbaarheid van financile gegevens
vast. Deze controlerende taak kan hij uitoefenen in dienst van een
bedrijf ten behoeve van dit bedrijf (interne accountant), als
accountant-administratieconsulent of als openbaar accountant,
veelal in dienst van een van de accountantskantoren. In deze
laatste functie heeft hij de exclusieve bevoegdheid de jaarrekening
van een onderneming van een verklaring te voorzien, die gebruikt
mag worden in het maatschappelijke verkeer. Dit houdt in dat derden
op de betrouwbaarheid van deze verklaring af moeten kunnen gaan en
dat derhalve hoge eisen worden gesteld aan de onafhankelijkheid van
de openbaar accountant.
lees meer
fort2_74January 1, 1999
138 om na te gaan of deze voormalige informant eventueel ook fiscaal kon worden aangepakt.257 Om dit uit te kunnen zoeken werd kort na 21 november 1996 een kopie van het departementale dossier betreffende “Haagse Kees” verstrekt aan de belastingdienst.258 Een week eerder – op 13 november 1996 – had de leiding van het departement overigens al ingestemd met de verstrekking van een kopie hiervan aan Noordhoek.259 Op 8 januari 1997 schreef een beleidsambtenaar op het departement van Justitie een brief aan de minister van Justitie over de manier waarop het openbaar ministerie en in het bijzonder Docters van Leeuwen was omgegaan met haar verzoek van 11 november 1996. 260 Al voor de Kerstdagen was hem uit contacten met het parket-generaal gebleken dat dit verzoek was blijven liggen. Eerst was aangevoerd dat dit een gevolg van “drukte” was geweest. Later was gebleken dat er meer aan de hand was, namelijk dat de rijksrecherche geen opdracht was gegeven om het gevraagde onderzoek te doen omdat het openbaar ministerie van mening was dat er – zonder het bestaan van een verdenking in strafrechtelijke zin – geen titel was om een nader onderzoek in te stellen naar de verblijfplaats van de ex-informant en voorts dat tijdens het overleg op 24 september 1996 was afgesproken dat geen nader onderzoek noodzakelijk was naar de rol van de betrokken leden van het openbaar ministerie. Na overleg op het departement – eveneens op 8 januari – was de betrokken medewerker van het parket-generaal overstag gegaan en had hij opeens toch mogelijkheden gezien voor een nader onderzoek naar de verblijfplaats van “Haagse Kees”. Zodoende werd geconcludeerd dat wederom moest worden vastgesteld dat het parket-generaal niet adequaat had gehandeld met betrekking tot een verzoek dat schriftelijk aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal was gericht. Er werd geadviseerd om het openbaar ministerie nog enkele dagen de tijd te geven en af te wachten of er alsnog uitvoering zou worden gegeven aan het verzoek. Zou dit niet het geval zijn, dan zou Docters van Leeuwen mondeling over deze kwestie om opheldering moeten worden gevraagd en zou in elk geval moeten worden bewerkstelligd dat de rijksrecherche het gevraagde onderzoek alsnog zou instellen. In aansluiting op deze nota schreef de minister van Justitie op 21 januari 1997 een brief aan Docters van Leeuwen waarin zij haar verbazing uitsprak over het feit dat het gevraagde onderzoek zelfs nog niet aan de rijksrecherche was opgedragen. Verder verzocht zij hem er onverwijld zorg voor te dragen dat aan haar verzoek alsnog uitvoering werd gegeven. Bovendien vernam zij graag waarom tot op heden de rijksrecherche geen opdracht tot bedoeld onderzoek had gehad.261 De dag daarop – op 22 januari 1997 – schreef Docters van Leeuwen terug dat hij naar aanleiding van de brief van 11 november 1996 de dossiers over “Haagse Kees” nader had laten bestuderen om te bezien op welke wijze en door wie dat onderzoek zou moeten worden verricht, alsmede wat de reikwijdte van dat onderzoek zou moeten zijn. Hij vervolgde met te zeggen dat er inmiddels een aanvang was gemaakt met dit onderzoek en dat het college over de zaak eindverantwoording zou afleggen tegenover haar. Hij zou de rijksrecherche bij dit onderzoek betrekken zodra feiten en omstandigheden naar voren kwamen die inschakeling van de rijksrecherche rechtvaardigden. De verwachting was dat er in de eerste helft van februari nader bericht zou kunnen worden gegeven.262 Het onderzoek nam echter meer tijd in beslag dan verwacht. Pas op 19 maart 1997 kon Docters van Leeuwen de uitslag van het onderzoek mededelen.263 Die kwam erop neer dat er op een enkel 257 Nota d.d. 13 november 1996 aan de minister van Justitie (A5). 258 Nota d.d. 21 november 1996 aan de secretaris-generaal (A5). Aan de discussie over de fiscale afwikkeling van de zaak gaan we hier voorbij. 259 Nota d.d. 13 november 1996 aan de minister van Justitie (A5). 260 Nota d.d. 8 januari 1997 aan de minister van Justitie (A5). 261 Brief minister van Justitie d.d. 21 januari 1997 aan A. Docters van Leeuwen (A5). 262 Brief A. Docters van Leeuwen d.d. 22 januari 1997 aan minister van Justitie (A5). 263 Brief A. Docters van Leeuwen d.d. 19 maart 1997 aan minister van Justitie (A5). Hierbij moet worden aangetekend dat er tussentijds wel contacten zijn geweest tussen het parket-generaal en het departement over het onderzoek en eveneens over het ontwerp van deze brief aan de minister van Justitie. Zie onder meer een nota d.d. 17 maart 1997 van een beleidsambtenaar van het parket-generaal (A5).
fort2_75January 1, 1999
139 punt na geen nieuwe inzichten waren verkregen in de zaak van “Haagse Kees” en dat er evenmin iemand een verwijt kon worden gemaakt betreffende zijn/haar optreden in deze zaak. Onder verwijzing naar andere “netelige dossiers van voormalige infiltranten en informanten” bracht Docters van Leeuwen verder naar voren dat in verband met deze dossiers, ondanks allerhande voorzorgsmaatregelen, toch “politiek/publicitair zeer gevoelige incidenten” konden ontstaan en dat een adequate verzameling van feiten tot op het hoogste niveau dus van groot belang was. Wat in dit verband nog ontbrak, zo meende Docters van Leeuwen, was “een efficiënte en effectieve aansluiting van college en minister” aan het platform van CID-officieren. Om dit tekort te repareren stelde hij voor om een beleidsgroep te vormen waarin ook een of meer medewerkers van het departement zouden zitten. Na het nodige vooroverleg op het departement schreef de minister van Justitie op 28 mei 1997 aan Docters van Leeuwen dat zij instemde met zijn voorstel om een “werkgroep” in te stellen. Op de andere punten in de laatstgenoemde brief kwam zij niet terug.264 Wel liet zij op dezelfde dag de voorzitter van de Tweede Kamer weten dat het nadere onderzoek dat zij had laten instellen naar aanleiding van Kamervragen over de verblijfplaats van een voormalige informant geen nieuwe inzichten hieromtrent had verschaft.265 5.7 De opkomst van het derde spoor De hevige aanvaring die zich in januari 1997 voordeed tussen Zwerwer en Noordhoek omtrent de contacten met een bepaalde informant vormde in zekere zin slechts de manifestatie van een veel belangrijkere ontwikkeling: de opkomst van een derde spoor ( afgezien nog van de activiteiten op het Amsterdamse parket die wellicht als een vierde spoor kunnen worden gekenschetst). Wat was er namelijk aan de hand? De betrokken informant had naar aanleiding van het verhoor van een overheidsfunctionaris bij de Commissie-Van Traa contact gezocht met het ministerie van Justitie. In de brief die hij – inmiddels “Fokker” gedoopt – aan de minister schreef beweerde hij te weten hoe het er in de IRT-tijd werkelijk aan toe was gegaan en dat hij bereid was om hierover verklaringen af te leggen, wanneer dit zou gebeuren in het bijzijn van een hoge ambtenaar. “Fokker” suggereerde in het bijzonder dat (iemand van) de FIOD een hoogstbedenkelijke rol had gespeeld in de drugstransporten. Een van de redenen waarom het parket Haarlem werd benaderd om met deze persoon aan de praat te gaan was de eerdere betrokkenheid van Snijders bij de afwikkeling van informantenkwesties.266 Naar zijn eigen zeggen kreeg hij namelijk van Borghouts zelf het verzoek om met betrokkene te gaan spreken. En het was Snijders die vervolgens Zwerwer aansprak om de rol van hoge ambtenaar te spelen. Verder betrok hij niet alleen De Wit maar ook Schouten bij de zaak. De Wit omdat hij wilde voorkomen dat de RCID Kennemerland in dit verband een rol zou gaan spelen.267 De aanwezigheid van Schouten vond hij nodig om een veiligheidsrisico-analyse te maken.268 Het is niet onbelangrijk om te weten waarom rondom het verhoor van deze briefschrijver zoveel onderzoeksactiviteiten werden ontplooid. Voor Holthuis was het duidelijk269: “Dat is eigenlijk helemaal absurd. Op een bepaald moment meldt een bron zich rechtstreeks bij de minister en zegt dat hij wel weet hoe het in de IRT-periode precies gegaan is. Omdat 264 Brief minister van Justitie (namens haar ondertekend door de secretaris-generaal) d.d. 28 mei 1997 aan A. Docters van Leeuwen (A5). 265 Brief minister van Justitie (namens haar ondertekend door de secretaris-generaal) d.d. 28 mei 1997 aan A. Docters van Leeuwen (A5). 266 Interview S. Zwerwer d.d. 16 januari 2001. 267 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001. 268 Interview P. Schouten d.d. 9 februari 2001. 269 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001.
fort2_76January 1, 1999
140 men op het departement het idee had dat er bij het parket Haarlem wel iemand zat die er raad mee wist, heeft men Van Brummen gevraagd om met de betrokken man te gaan praten. Voor Peter Snijders was dat de eerste keer dat hij op het toneel kon verschijnen. Hij had een zeer grote ambitie om duidelijkheid over de IRT-affaire te verkrijgen. Hij was Jolien Kuitert als CID-officier Kennemerland opgevolgd. Deze informatiebron vormde voor hem een aanknopingspunt om zich met het onderzoek bezig te gaan houden.” Deze interpretatie van wat er zich in januari 1997 aan het ontpoppen was, vindt steun in wat Van Brummen ons zei in het interview270: “Een motivatie van Peter en van mij is gelegen in de wens om de onderste steen boven te krijgen. We wilden meer zicht verkrijgen op de werkelijkheid die achter het IRT-tijdperk schuil ging. In zekere zin staat die motivatie los van het arrondissement Haarlem. Had ik bij wijze van spreken in Veenendaal gewerkt, dan was de drive van een persoon als Snijders ook daar op mij overgeslagen.” En het is niet zo dat die nieuwe loot aan de onderzoeksstam door het college van procureurs-generaal of althans Docters van Leeuwen met tegenzin werd begroet. Snijders en Van Brummen kregen daarentegen alle ruimte om hun eigen spoor uit te werken. Docters van Leeuwen gaf tijdens het interview aan271: “ Ik voeg daaraan toe, om even terug te komen op Peter Snijders en Van Brummen, dat het college als geheel hen nooit een strobreed in de weg heeft gelegd. Zij hadden onze volledige steun en rugdekking. Henk van Brummen zat er zeer nadrukkelijk bovenop, dat heb ik gemerkt. Daar hadden we ook intensief contact mee.” En Ficq beaamde dat Snijders de ruimte kreeg om een heel eigen spoor te trekken272: “ Snijders is in Haarlem onder moeilijke omstandigheden aan de slag gegaan en heeft ook heel goed werk geleverd. Het probleem was wel dat hij het werk uiteindelijk niet los kon laten, mede als gevolg van het feit dat hij in anderen te weinig vertrouwen heeft. Hij had eigenlijk alleen vertrouwen in zichzelf. Van Brummen (…) wilde geen conflict binnen zijn parket, met het gevolg dat Snijders een behoorlijke hoeveelheid vrijheid heeft gehad om zijn onderzoek vorm te geven.” Het resultaat van dit alles was dat er begin 1997 eigenlijk langs vier sporen naar de waarheid en de werkelijkheid van de IRT-affaire werd gezocht: naast de formele sporen 1 en 2 ook nog eens door het parket Amsterdam en door het parket Haarlem. Waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat ondertussen niet alleen de irritatie was toegenomen aan de kant van de sporen 1 en 2, maar ook aan de kant van spoor 3. Snijders schreef in elk geval op 13 april 1997 geërgerd aan Van Brummen inzake de sporen 1 en 2 dat men wel voortdurend een beroep deed op hem om informatie aan te leveren, maar dat hij niet rechtstreeks bij die projecten werd betrokken. En dit terwijl volgens hem iedere keer bleek dat alle analyses teruggingen op de stellingen die hij had ontwikkeld.273 Van Gemert constateert achteraf274: 270 Interview H. van Brummen d.d. 2 februari 2001. 271 Interview A. Docters van Leeuwen d.d. 17 januari 2001. 272 Interview C. Ficq d.d. 29 januari 2001. 273 Brief J. Snijders d.d. 13 april 1997 aan H. van Brummen (D23). 274 Interview W. van Gemert d.d. 30 januari 2001.
fort2_77January 1, 1999
141 “Snijders heeft toch ook wel invloed uitgeoefend op alle ontwikkelingen. Het college heeft dat allemaal gelegitimeerd, dat er naast de activiteiten van het LRT ook nog opsporingsactiviteiten door Snijders werden verricht. Achteraf was het, gelet op de betrokkenheid van Snijders, beter geweest om meteen een koppel Snijders-Noordhoek te maken. Wellicht had dat toen heel goed gewerkt. Snijders heeft een enorm goed geheugen en had ook een langdurige betrokkenheid bij het onderzoek. Rick Noordhoek begon ten opzichte van hem dus met een enorme kennisachterstand en was in meerdere opzichten tegenovergesteld aan Snijders. Eigenlijk hebben ze als twee kapiteins aan het schip zitten sturen. De een is niet facilitair geweest voor de ander. Een fundamenteel verschil was ook dat Snijders veel directer gericht was op materiële waarheidsvinding; hij hoefde geen strafrechtelijke insteek te hebben. Maar wanneer je gekozen hebt om via de strafrechtelijke weg licht te werpen op het verleden, dan is dat veel moeilijker, dan kun je bepaalde gegevens eenvoudigweg niet gebruiken.” 5.8 Conclusie In de lijn die voordien was uitgestippeld werkte het LRT-team in deze periode haar analyse van het Fort-archief uit en zette de resultaten hiervan om in een eindrapport en zes subjectrapporten. Opmerkelijk hierbij is dat – anders dan in de blauwdruk van augustus 1996 werd geponeerd – in de eindrapportage werd gesteld dat zowel J. als Van V. het meeste houvast boden voor nader onderzoek. Maar, zoals Van Gemert heeft verklaard, in het bijzonder het meineedonderzoek tegen L. en Van V. was een reden om voorlopig (ook) niet door te rechercheren op Van V. Deze keuze strookte overigens met de beslissing van het college op 4 september 1996 dat het laatstgenoemde onderzoek niet moest worden geïntegreerd in het 060-onderzoek maar dat de beide onderzoeken wel goed op elkaar moesten worden afgestemd. Het onderzoek van spoor 2 werd in de betrokken periode steevast betiteld als een verkennend respectievelijk voorbereidend strafrechtelijk onderzoek, ook al bleef het algemene doel in de opeenvolgende voorstellen erg vaag: opheldering verschaffen over de integriteit van de overheid in de Nederlandse samenleving. Verder werd het nu eens wel dan weer niet gekoppeld aan het specifieke doel om meer licht te werpen op de hoofdrolspelers in de IRT-affaire en (de achtergronden van) het spel dat zij hadden gespeeld. Wat dit punt betreft wisselde het dus keer op keer van koers. Het college van procureurs-generaal hakte uiteindelijk in samenspraak met de minister van Justitie de knoop door en beperkte de actieradius van spoor 2 tot de laatstgenoemde doelstelling. Dit tot groot verdriet van de teamleiding die ondertussen door alle heen en weer gediscussieer over de draagwijdte van het onderzoek en door de weigering het team een eigen CID-status te geven toch al in hoge mate gedemotiveerd was geraakt. Want wat zou nu nog het verschil met spoor 1 zijn en eventueel de meerwaarde van het eigen team ten opzichte van het LRT-team? Met deze beslissing kwam de top van justitie dus als vanzelf in de buurt van het punt dat door de leiding van dit laatste team al in augustus 1996 was opgeworpen: moet de beslissing om een spoor 2 in te richten niet worden heroverwogen? Hoezeer dit strategische debat over de doelstelling (en bevoegdheden) van de onderscheiden teams samenhing met de vraag naar hun plaats in het politiebestel werd nooit duidelijker dan in dit korte tijdsgewricht. Het antwoord op deze vraag werd immers in hoge mate bepaald door de uitkomst van dit debat. Wie spoor 2 de opdracht toedichtte om een algemeen en breed CID-matig integriteitonderzoek in te stellen, die zag voor het team vooral een plaats in de BVD, de Bijzondere Zaken Centrale van de CRI of “ergens” in het KLPD. Wie veeleer vond dat het ging om een verkennend strafrechtelijk onderzoek tegen bepaalde personen die verkoos een positie voor het team binnen het LRT, inclusief het gebruik van de CID respectievelijk de CID-status van dit team. Waarbij het opmerkelijk is dat op hoog niveau in justitie werd gevonden dat het team onder geen beding mocht
fort2_78January 1, 1999
142 worden ingebed in het LBOM om zelfs de schijn te vermijden dat het de grondslag zou vormen voor een nationale justitiële inlichtingendienst. Deze visie maakte het immers welhaast per definitie onmogelijk om het tweede strategische doel van Docters van Leeuwen met het vervolgonderzoek binnen bereik te brengen of althans op zijn noodzakelijkheid en/of uitvoerbaarheid uit te testen. Mede gelet op de continuïteit van de doelstelling van spoor 1 en zijn al met al planmatige manier van werken is het niet verwonderlijk dat het betrokken team zich in deze periode heel gericht concentreerde op een analyse van het Fort-archief met het oog de aanmaak van de subjectrapporten die eerder in het vooruitzicht waren gesteld. En dit met tastbaar resultaat: goedgestructureerde en onderbouwde inhoudsanalyses van het Fort-archief die een duidelijke prioriteitstelling in het verdere onderzoek mogelijk maakten. Dit neemt niet weg dat het team met het oog op het vervolgonderzoek in de onderhavige periode ook reeds bij andere diensten en in andere bronnen naging welke wetenschap daar(in) verscholen zat omtrent de betrokken personen. En dit is een belangrijk gegeven. Want het toont niet alleen aan men er vanuit ging dat de analyseresultaten geheel of ten dele zouden en konden worden omgezet in een meer operationeel vervolgonderzoek maar ook dat er voor het welslagen van dit onderzoek meer en andere gegevens nodig waren dan die welke het Fort-archief bevat, niet in het laatst natuurlijk vanwege de problemen met het gebruik van (stukken van) dit archief in een strafrechtelijk onderzoek. Daarenboven demonstreert deze aanpak dat men in de richting van de (potentiële) verdachten voorlopig nog gebruik wilde maken van een indirecte tactiek: stilzwijgend buiten hen om informatie vergaren over hen. Als het ware een vorm van van buiten naar binnen rechercheren. Van een directe benaderingstactiek, bijvoorbeeld gesprekken aanknopen in hun omgeving of ze uitnodigen voor een gesprek, wordt in de stukken niet gesproken. Kennelijk zag men daar in dit stadium in het geheel geen heil in. In het licht van de dubbele en/of dubbelzinnige doelstelling van spoor 2 ligt het voor de hand dat de (paar) leden van dit team zich niet beperkten tot raadpleging van het Fort-dossier maar ook links en rechts in het land allerlei mensen interviewden over problemen en voorbeelden van non-integriteit bij de overheid. Veel meer kon men natuurlijk ook niet, niet vanwege het tekort aan personeel en ook niet vanwege het gebrek aan CID-status. Het algemene resultaat was dan ook navenant: een verzameling losse indrukken van non-integriteit in de Nederlandse samenleving, rijp en groen door elkaar, en een opsomming van een aantal mogelijke vervolgonderzoeken. Bij deze opsomming valt het op dat een deel van de genoemde projecten heel concreet alles te maken had met de IRT-affaire. In die zin werd het besluit van de justitietop betreffende de (inperking van de) opdracht van het team dus gerespecteerd. Tezelfdertijd bewijzen die projecten dat door dit besluit het (inhoudelijke) onderscheid tussen spoor 1 en spoor 2 nog moeilijk te maken viel. Met als gevolg dat de twee teams onherroepelijk in elkaar’s vaarwater terechtkwamen en een herziening van de aanvankelijke organisatie van het onderzoek welhaast onvermijdelijk werd. Dit verklaart mede waarom de onderlinge samenwerking steeds moeilijker liep en door de inschakeling van Zwerwer in gesprekken met een informant die zich rechtstreeks tot het ministerie van Justitie had gewend, bijna op de klippen liep. Want waar de verhouding tussen de beide sporen van meet af aan al moeizaam was daar werd nu heel duidelijk dat het ene onderzoek het andere vierkant in de weg zat. Dit conflict laat echter tevens zien dat wat er “binnen” gebeurde niet losstond van wat “buiten” plaatsvond. Namelijk dat Zwerwer weliswaar in diverse arrondissementen geen medewerking verkreeg maar door toedoen van het genoemde project niettemin toegroeide naar een coalitie met twee externe partijen waarmee hij tot dan toe los van elkaar contact had onderhouden: de CRI en Snijders: spoor 3 in the making. Want vanuit spoor 1 gezien betekende de opkomst van spoor 3 niet meer maar ook niet minder dan dat de verdwijning van de ene tegenstander te niet werd gedaan door de opkomst van een andere. En dus liep de spanning verder op, zoals in het volgende hoofdstuk zal blijken. De polarisatie kon ook verder gaan omdat van hogerhand niet werd ingegrepen. Haast integendeel, zou men kunnen zeggen: Snijders kreeg niet alleen van zijn eigen hoofdofficier maar ook van het college van procureurs-generaal, althans Docters van Leeuwen, en tot op zekere hoogte ook
fort2_79January 1, 1999
143 van het ministerie van Justitie de ruimte om – dwars tegen de afspraken van 4 september 1996 in – zijn eigen spoor in het onderzoek te trekken. Sterker nog, hij kon hiervoor in zijn hiërarchische lijn rekenen op steun en sympathie. Dat zo de eenheid en dus de voortgang van het onderzoek nog ernstiger werden bedreigd dan in december al was gebleken realiseerde zich op het hoogste niveau kennelijk niemand. Het blijkt hier in elk geval op geen enkel moment in deze periode als een probleem te zijn gezien. Anders had Gonsalves in de overlegvergadering met de minister van Justitie van 15 januari 1997 toch nooit beweerd dat het onderzoek organisatorisch goed geregeld was. Had ook hij zich niet in slaap laten sussen door (veel te) positieve geluiden die hem van onderop bereikten? Hoe dan ook, op deze manier werd de noodzaak van een ingrijpender en daadkrachtiger sturing van het onderzoek door of vanuit het college vanzelfsprekend niet gevoeld. En ook niet de noodzaak van een eendrachtige sturing, ook al bleef Docters van Leeuwen rechtstreekse contacten onderhouden met zowel Zwerwer als Snijders. Holthuis zag dit probleem wel maar zag er gegeven de bestaande (machts)verhoudingen geen oplossing voor die voor hem aanvaardbaar was. Met de vuist op tafel slaan was wellicht nodig geweest, maar dit wilde hij persé niet. En die ene keer dat hij op een zachtzinnige manier Docters van Leeuwen duidelijk liet blijken het er niet mee eens te zijn werd hij zelf op een hardhandige manier gekapitteld. In dit stadium dreigde het gehele onderzoek te desintegreren. De enige die gaandeweg wellicht nog enig overzicht had, was Docters van Leeuwen: hij was de enige die praatte met iedereen, ook al gebeurde het met de één frequenter en intensiever dan met de ander.
fort2_8January 1, 1999
72 analyse van de CRI van de uitkomsten van het Fort-onderzoek. Er zou, zo werd medegedeeld, een startverbaal worden opgemaakt en een plan van aanpak worden opgesteld. Het college besliste dit onderwerp voor zijn vergadering op 29 mei opnieuw te agenderen. Welke analyse door de CRI was vervaardigd kan overigens niet uit de notulen worden opgemaakt. Er is in elk geval ook geen stuk bijgevoegd dat de neerslag van deze analyse zou bevatten.47 Van belang is verder dat Ficq in deze vergadering te berde bracht dat hem in de loop van zijn doorlichting van het openbaar ministerie in het bijzonder was opgevallen dat de interregionale samenwerking vaak (was) misgegaan doordat er onduidelijkheid bestond over de verantwoordelijkheidsverdeling. In de notulen werd hier wat laconiek aan toegevoegd dat het college het gewenst (achtte) dat er snel duidelijkheid kwam over dit punt. Het koppelde hieraan wel de beslissing dat waar het ging om de overdracht van informanten of infiltranten nog in juni 1996 zou worden gesproken over de handleiding die dienaangaande door het Landelijk Bureau van het Openbaar Ministerie (LBOM) was vervaardigd.48 In februari 1999 maakte de CRI een zogenaamde “tijdlijn” met betrekking tot de activiteiten die zij vanaf het begin had geleverd aan de post-Fort-vervolgonderzoeken, ten behoeve van een bijeenkomst met Steenhuis op de 17e van die maand. In deze nota beantwoordden de (onbekende) auteurs eerst de vraag waarom juist hun dienst zo nauw was betrokken bij deze onderzoeken. Hun beknopte antwoord was: “de vanaf het begin opgedane kennis en het geconfronteerd worden vanuit de functie NCID (de nationale component van de criminele inlichtingen diensten die is ondergebracht bij de CRI, rapporteurs) met gegevens uit landelijke registraties”. Verder werd er in de tijdlijn aangestipt dat de dienst – concreet De Wit en Schouten – op 16 mei 1996 een presentatie had gegeven voor Gonsalves en Holthuis.49 Hierin waren volgens dit document de volgende onderwerpen aan de orde gekomen: — “Mot-meldingen J.; — Rol J./Van V./L.; — Transporten cocaïne met marihuana (parallel); — Verdiensten info’s/regie minimaal 100.000.000,- voor alleen al containertraject (marihuana)”. Blijkens deze zelfde tijdlijn werd een soortgelijke presentatie op 29 mei 1996 gehouden voor de procureurs-generaal. Wie van hen hier daadwerkelijk bij aanwezig was vermeldt dit document niet.50 Uit andere stukken kan evenwel worden opgemaakt dat deze presentatie – in het bijzijn van Holthuis – is gehouden in de vergadering van het college van procureurs-generaal op die dag. Op de agenda stond toen onder meer de stand van zaken betreffende het plan van aanpak inzake de strafrechtelijke onderzoeken naar aanleiding van de Commissie-Van Traa en het rijksrecherche-onderzoek naar de CID Kennemerland. Deze presentatie was kennelijk vooral gebaseerd op CID-berichten en op transportdocumenten en verklaringen over vervoers- en reisbewegingen. Zij werd gegeven aan de hand van enkele summiere schriftelijke analyses van de beschikbare informatie en van een aantal analyseschema’s. Een samenhangende en indringende rapportage over de mogelijke toedracht van de betrokken drugshandel is er – in die tijd – dus niet gemaakt.51 Holthuis bekeek deze presentaties/analyses zo52: 47 Een dergelijk stuk is overigens in het geheel niet aangetroffen in de dossiers die door ons zijn geraadpleegd. P. Schouten heeft ons achteraf evenwel de stukken overhandigd die werden gebruikt bij de presentaties die later in mei door hem en J. de Wit werden verzorgd voor (het college van) procureurs-generaal en H. Holthuis. 48 Uittreksel collegevergadering d.d. 15 mei 1996 (B7). 49 In andere bronnen is sprake van 14 mei 1996 in plaats van 16 mei 1996. 50 Tijdlijn van de Divisie Centrale Recherche Informatie (februari 1999; precieze datum onbekend) (B1). Hier zij bij vermeld dat F. Teeven en J. Valente in een nota van 4 juli 1995 aan J. Vrakking over de voortgang van het rijksrechercheonderzoek (bedoeld is het Fort-onderzoek, want de nota werd geschreven naar aanleiding van overleg met Zwerwer en Pijl) en de lopende onderzoeken te Amsterdam, schreven dat het noodzakelijk was om onder meer onderzoek te doen naar de “bankrekening(en) van de familie J.” (E1). 51 De onderhavige stukken zijn ons door P. Schouten ter inzage gegeven. 52 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001.
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>