• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • Verhoren – de heren B.N. Barendregt en H.C.J.M. Theeuwes

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 20

    14 september 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    donderdag 14 september
    1995 in de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den
    Haag

    Verhoord worden de heren B.N. Barendregt en H.C.J.M. Theeuwes
    Aanvang 15.30 uur

    lees meer

    fort3_20

    208 De analyse van de parallel-importen was als volgt opgebouwd. Eerst werden berichten verzameld uit  het  IIPS  over  containers  met  verdovende  middelen  die  in  Nederland  voorwerp  van  onderzoek waren  geweest.  De  drugs  die  zich  in  deze  containers  bevonden,  waren  hetzij  in  beslag  genomen, “gecontroleerd  doorgeleverd”,  dan  wel  “gecontroleerd  afgeleverd”.  Soortgelijke  containers  die  buiten Nederland  onderwerp  van  onderzoek  waren  (geweest)  werden  ook  in  het  onderzoek  betrokken,  voor zover   er   althans   een   relatie   met   Nederland   bestond   –   bijvoorbeeld   wanneer   er   sprake   was aantoonbare  betrokkenheid  van  een  Nederlandse  criminele  organisatie  of  in  het  geval  dat  Nederland fungeerde als bestemmingsland of transitland voor de container. Van   alle   containers   werd   uitgezocht   op   welk   schip   de   container   zich   bevond   toen   deze   in Nederland   aankwam,   alsmede   de   aankomstdata   in   de   eerste   Nederlandse   haven.   Dit   om   per container  te  bepalen  of  deze  tegelijkertijd  met  één  of  meer  andere  containers  op  hetzelfde  schip  had gestaan.  Dezelfde  werkwijze  werd  gevolgd  met  betrekking  tot  alle  containers  die  bij  het  Fort-team bekend waren geworden. Het onderzoek was beperkt tot containers uit het IIPS met minimaal 1000 kg softdrugs of 100 kg harddrugs   en   concentreerde   zich   op   inbeslagnemingen   van   grote   partijen   drugs   in   de   periode  1 januari 1989 tot 1 juli 1997. Door het accent te leggen op inbeslagnemingen werd, zo onderkenden de auteurs   zelf,   vooral   een   beeld   gecreëerd   van   de   transporten,   die   vanuit   het   perspectief   van   de criminele   organisaties   bezien,   mislukt   waren.   Van   Stormbroek   en   Schouten   verbonden   daar   de hypothese   aan   dat   het   werkelijke   aantal   parallel-importen   hoger   moest   liggen   dan   het   aantal aangetroffen gevallen. Het merendeel van de onderbouwing van de aangetroffen parallel-transporten had betrekking op geclassificeerde   CID-informatie.   Vandaar   dat   in   overleg   met   Snijders   werd   besloten   de   parallel- transporten in het proces-verbaal geanonimiseerd weer te geven. Informatie over sommige containers was  zelfs  uitsluitend  op  CID-informatie  gebaseerd.  Deze  informatie  werd  alleen  in  het  onderzoek betrokken, indien: a. de informatie zodanig concreet was dat de container te herleiden was naar een schip, én: b. de    informatie    gevolgd    werd    door    een    bevestiging    dat    de    betreffende    partij    drugs    ook daadwerkelijk was aangekomen.463 9.5.2 Bevindingen In  het  parallel-proces-verbaal  worden  negen  parallel-importen  beschreven.  Eén  geval  bleek  in  een later stadium de toets der kritiek niet te kunnen doorstaan, zodat tijdens de presentatie ten overstaan van  het  college  van  procureurs-generaal  gesproken  werd  over  (minimaal)  acht  transporten.  Hierbij waren  22  containers  betrokken,  alle  afkomstig  uit  Colombia.  In  12  containers  zat  cocaïne  met  een totale hoeveelheid van meer dan 5000 kg. Ruim 3000 kg werd in beslag genomen, waarvan 2000 kg in Nederland. Het “Cali-kartel” was in bijna de helft van de 22 containers de organisator van zowel de hasj- als de  cocaïnetransporten.  Deze  liepen  –  bij  zeker  de  helft  van  de  parallel-importen  waarbij  de  RCID Kennemerland betrokken was – via dezelfde informant. De betrokkenheid van de RCID Kennemerland werd  in  zes  parallel-importen  vastgesteld.  Bij  de  twee  overige  parallel-transporten  was  respectievelijk de RCID Zuid-Holland-Zuid en de RCID Gooi & Vechtstreek betrokken. Schouten   en   Van   Stormbroek   wezen   er   verder   op   dat   de   containers   hasj   Nederland   als bestemming hadden, terwijl de containers cocaïne bijna altijd in transit gingen. De containers cocaïne kwamen  slechts  in  beeld  door  externe  factoren  (zoals  tips  van  buitenlandse  opsporingsdiensten).                                                 463 De bevestiging dat een partij was aangekomen, kwam, gegeven het feit dat het hier uitsluitend om CID-informatie ging, vrijwel zeker van een informant. Niet duidelijk is of de analyse van Van Stormbroek en Schouten gebaseerd is op de premisse   dat   er   sprake   diende   te   zijn   van   minimaal   twee,   onafhankelijke   informatiebronnen.   Theoretisch   is   het denkbaar dat één en dezelfde informant zowel de komst van het schip als de bevestiging van de aankomst van de partij aankondigde.

    fort3_13

    201 bekend  was,  kunnen  betekenen  dat  de  getuigen  niet  meer  beschikbaar  of  bereid  zouden  zijn.  In  de tweede  plaats  was  het  doel  van  de  getuigenverklaring  mede  het  verkrijgen  van  aanwijzingen  over  de identiteit van één of meer mogelijke verdachten.433 De rechter-commissaris vormde zich op basis van de door Snijders aangeleverde informatie een oordeel   over   de   status   van   bedreigde   getuige   aan   de   hand   van   een   door   de   CRI   uitgevoerde dreigingsanalyse  en  uitlatingen  van  de  getuigen  zelf.  De  rechter-commissaris  was  overtuigd  van  de aannemelijkheid  van  de  bedreiging  en  besloot  getuige  1,  en  maanden  daarna  getuige  2,  anoniem  te horen.   De   rechter-commissaris   oordeelde   dat   het   belang   van   het   onderzoek   geen   uitstel   van   het verhoor   duldde   en   ging   onmiddellijk   tot   het   verhoor   van   de   getuige   NN1   over.   De   mondelinge beslissing  van  de  rechter-commissaris  om  de  getuigen  de  status  van  bedreigde  getuigen  te  geven, werd   na   het   verhoor   in   een   schriftelijke   verklaring   bekrachtigd   en   vervolgens   aan   de   getuige   in persoon   en   aan   de   onbekende   verdachte   ter   griffie   betekend.   Na   het   verstrijken   van   de   wettelijk voorgeschreven  appèltermijn  van  14  dagen  werd  de  op  schrift  gestelde  verklaring  door  de  rechter- commissaris aan Van Straelen ter beschikking gesteld.434 9.4.6 De betrouwbaarheid van de getuige Een   bijzonder   element   in   het   geheel   is   dat   er   door   sommigen   sterk   werd   getwijfeld   aan   de betrouwbaarheid  van  (met  name)  getuige  NN1.  Dit  als  gevolg  van  het  feit  dat  de  gegevens  die  door deze getuige in het verleden in een ander onderzoek waren verstrekt, (partieel) onbetrouwbaar waren gebleken. Deze   mogelijke   onbetrouwbaarheid   van   de   getuige   kwam   al   in   het   eerste   stadium   van   de besprekingen over het mogelijke verhoren van de getuige aan de orde in een overleg tussen Snijders, Schouten,  Van  Stormbroek,  De  Wit,  Van  Slobbe  en  Noordhoek.  Geen  van  de  aanwezigen  zag  hierin een reden om niet verder te gaan met de betrokken persoon. Schouten verwoordde dit standpunt als volgt435: “Eind  1997  is  in  aanwezigheid  van  Noordhoek,  Van  Slobbe,  Snijders,  Van  Stormbroek,  De Wit en ik gesproken over de mogelijkheid om X als getuige te horen. Bij alle aanwezigen was de  kwestie  over  de  mate  van  betrouwbaarheid  van  X  bekend  en  als  eerste  werd  besproken of dit een hindernis zou kunnen zijn om de persoon als getuige te horen. Iedereen was het er snel  over  eens  dat  de  betrouwbaarheid  van  een  getuige  in  het  proces  getoetst  wordt.  (…) Ter  controle  van  de  betrouwbaarheid  konden  aan  de  getuige  ook  vragen  worden  gesteld door de verdediging en de rechter-commissaris.” Snijders voegde hier nog een element aan toe436:                                                 433 Van Straelen houdt in zijn notitie de mogelijkheid open dat aan de verdachte, nadat deze geïdentificeerd is, alsnog de gelegenheid  wordt  geboden  tegen  de  beschikking  van  de  rechter-commissaris  beroep  aan  te  tekenen.  Maar  het  is  de vraag  of  deze  mogelijkheid  wel  bestaat.  De  consequentie  van  gegrondverklaring  van  hoger  beroep  is  dat  het  proces- verbaal  van  de  getuigenverklaring  wordt  vernietigd  en  niet  bij  het  dossier  wordt  gevoegd,  noch  in  afschrift  aan  het openbaar ministerie wordt gezonden. In het onderhavige geval van de NN-verdachte is – uiteraard – geen hoger beroep ingesteld   en   is   de   getuigenverklaring   na   het   verstrijken   van   de   beroepstermijn   bij   het   dossier   gevoegd   en   ter beschikking   gekomen   van   de   officier   van   justitie.   Uitgaande   van   een   eventueel   appèlrecht   voor   de   later   alsnog geïdentificeerde  verdachte  zou  –  indien  men  dit  consequent  had  doorgetrokken  –  hebben  moeten  betekenen  dat  de rechter-commissaris  de  getuigenverklaring  onder  zich  had  gehouden  tot  de  werkelijke  identiteit  van  de  NN-verdachte bekend was. Dit is in deze zaak niet gebeurd en dat zou ook paradoxaal zijn. De bedoeling van de getuigenverklaring NN was nu juist om een verdachte te kunnen identificeren. Het zou vreemd zijn als een dergelijke verklaring dan niet gebruikt zou mogen worden totdat de verdachte is geïdentificeerd. Hoewel de handboeken er over zwijgen lijkt dit een argument te zijn om geen appèlrecht toe te kennen aan de later alsnog geïdentificeerde verdachte. 434 Memo van F. van Straelen aan H. van Brummen d.d. 14 juni 1999 (B2). 435 Interview P. Schouten d.d. 9 februari 2001. 436 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001.

    fort2_80

    Inhoud Bijlage I

    Bijlage I – Werkwijze en procedures

    VOORWOORD

    lees meer

    Inhoud Bijlage X

    Bijlage X – Deelonderzoek 3

    1. De vrije-beroepsbeoefenaars: advocaten, notarissen en
    accountants

    Voorwoord

    lees meer

    Bijlage X – Voorwoord

    Henk van de Bunt (VU/WODC)
    m.m.v. Roelof Jan Bokhorst en Hans Werdmlder (beiden WODC)

    Voorwoord

    Tal van mensen zijn bij de totstandkoming van dit rapport
    betrokken geweest. In de eerste plaats gaat mijn dank uit naar de
    personen die bereid waren een gesprek te voeren over de
    problematiek van de vrije-beroepsbeoefenaars in relatie tot de
    georganiseerde misdaad. In bijlage 1 staan de namen van de
    genterviewden vermeld. In de tweede plaats is veelvuldig en nimmer
    tevergeefs een beroep gedaan op stafmedewerkers van de
    beroepsorganisaties, de NOVA, de KNB, de NIVRA en de NOvAA. Ten
    derde zijn door het gehele land gesprekken gevoerd en telefonische
    contacten onderhouden met rechercheurs over gesignaleerde
    voorvallen van verwijtbare betrokkenheid. Speciale dank ben ik
    verschuldigd aan Jan Janse en Theo Akse, beiden werkzaam bij de
    afdeling Finpol van de CRI, die altijd bereid waren tekst en uitleg
    te geven over de Finpol-meldingen.

    lees meer

    Bijlage X – 2.5. De voorvallen

    2.5. De voorvallen

    2.5.1. Inleiding

    Advocaten kunnen voor het karretje worden gespannen van een
    criminele organisatie zonder dat zij het zich bewust zijn. Onbewust
    en onbedoeld, dat wil zeggen: niet verwijtbaar, wordt een
    bijdrage geleverd aan de misdrijven die deze groepen plegen. Ter
    verduidelijking volgt een concreet voorbeeld van deze
    niet-verwijtbare betrokkenheid.

    lees meer

    Bijlage X – 2.6. Slotbeschouwing

    2.6. Slotbeschouwing

    De advocaat heeft een moeilijk beroep: hij dient partijdig te
    zijn, doch hierbij zijn onafhankelijkheid jegens de clint te
    bewaren. De normering van – en controle op – de beroepsuitoefening
    is sterk professioneel van karakter. Het beroep evolueert evenwel
    steeds meer in de richting van een gewoon, commercieel beroep. Het
    werkterrein van de advocaat (wat is eigenlijk des advocaten?) is
    niet duidelijk afgegrensd, terwijl de beroepsbeoefenaar wel alle
    parafernalia bezit van het klassieke, professionele beroep.

    lees meer

    Bijlage X – 3.1. Kerngegevens

    3. HET NOTARIAAT

    3.1. Kerngegevens

    3.1.1. Openbaar ambtenaar in een vrij beroep

    De notaris is een openbaar ambtenaar, die in de gevallen waarin
    de wetgever zijn tussenkomst dwingend voorschrijft, een specifieke
    overheidstaak uitoefent. De notaris wordt bij Koninklijk Besluit
    benoemd. Aan hem wordt tevens een standplaats toegewezen. Hij is
    geen gewoon ambtenaar want hij krijgt zijn inkomsten uit de
    opbrengst van zijn dienstverlening. In die zin is hij ondernemer,
    maar dan wel een die als monopolist opereert op een markt zonder
    veel risico’s.

    lees meer

    Bijlage X – 3.2. De karakteristiek van het beroep

    3.2. De karakteristiek van het beroep

    3.2.1. De plicht tot dienstverlening

    Als openbaar ambtenaar c.q. als de functionaris wiens
    tussenkomst dwingend is voorgeschreven, heeft de notaris veel
    minder speelruimte dan bijvoorbeeld de advocaat of de accountant om
    clinten of diensten te weigeren. Sterker nog, hij is volgens de
    heersende leer in beginsel zelfs verplicht om zijn diensten te
    verlenen als daarom wordt gevraagd. Op deze ministerieplicht kan
    alleen uitzondering worden gemaakt als de notaris gegronde redenen
    heeft om zijn dienst te weigeren. In de gedragsregels, die de KNB
    onlangs heeft gepubliceerd, en in de ontwerpwet op het Notarisambt
    zijn enkele gronden gespecificeerd.

    lees meer

    Bijlage X – 3.3. De tuchtrechtspraak

    3.3. De tuchtrechtspraak

    3.3.1. Twee vormen van tuchtrecht

    Het notariaat kent twee vormen van tuchtrecht: het wettelijke
    tuchtrecht en het verenigingstuchtrecht. Het verenigingstuchtrecht
    is in het kader van deze bespreking niet van belang. Via deze
    procedure worden de relatief mineure klachten over de
    beroepsuitoefening van de notaris behandeld. Het betreffen klachten
    over bijvoorbeeld het gebrek aan snelheid in het notarile optreden
    of over de hoogte van de declaratie. De uitspraken van het
    scheidsgerecht (eerste aanleg) en het college van beroep zijn
    bindend. Zo kan de uitspraak luiden dat de notaris zijn declaratie
    moet verlagen.

    lees meer

    Bijlage X – 3.4. De kwetsbare positie van de notaris

    3.4. De kwetsbare positie van de notaris

    3.4.1. Onmisbaar en aantrekkelijk voor criminele
    organisaties

    De notaris is een onmisbare schakel in tal van dubieuze
    constructies. Of het nu gaat om de oprichting van BV’s waarmee
    gefraudeerd gaat worden, of om witwasoperaties waar onroerend goed
    mee is gemoeid of waarbij rechtspersonen worden gebruikt, de
    tussenkomst van de notaris is wettelijk voorgeschreven. In deze zin
    is er een grote mate van potentile betrokkenheid tussen het
    notariaat en de georganiseerde misdaad.

    lees meer

    Bijlage X – 3.5. De voorvallen

    3.5. De voorvallen

    3.5.1. Inleiding

    Evenals bij de advocaat kan de verwijtbare betrokkenheid van de
    notaris bij georganiseerde misdaad eruit bestaan dat hij specifieke
    kennis (informatie, e.d.) levert en afscherming biedt. Als
    bijzonder kenmerk van de notaris komt erbij dat zijn tussenkomst
    wettelijk is voorgeschreven voor het kunnen verrichten van
    rechtshandelingen.

    lees meer

    Bijlage X – 3.6. Slotbeschouwing

    3.6. Slotbeschouwing

    De notaris is een openbaar ambtenaar wiens tussenkomst dwingend
    is voorgeschreven; de notaris heeft door zijn ministerieplicht veel
    minder speelruimte om clinten of diensten te weigeren dan
    bijvoorbeeld de advocaat. Het takenpakket van de notaris is in de
    afgelopen periode uitgebreid. Hij verleent in toenemende mate
    advieswerkzaamheden voor clinten. In de uitoefening van deze
    werkzaamheden is de notaris partijdig.

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>