158 Docters van Leeuwen waren we er aan begonnen, maar hij kreeg het kennelijk ook niet “gebogen”. Sieb Zwerwer voelde zich na afloop zwaar teleurgesteld. Ik ben er ook cynisch vandaan gekomen. We pakken wel de slimmere boeven, de hasjhandelaren, maar de echte grote jongens pakken we niet aan. Daarvoor bestaat kennelijk geen meerderheid in dit land. Het was ook allemaal heel gênant voor de andere teamleden, die er hun functies, posities of banen voor hadden opgegeven.” In het periodiek overleg tussen de minister van Justitie, de secretaris-generaal van het minister van Justitie en Docters van Leeuwen d.d. 30 juni 1997 werd de minister van Justitie geïnformeerd over hetgeen op de 25e juni was besproken. Het college zegde toe met een nader voorstel te komen over de voortzetting van het onderzoek.334 Tegenover ons vertelde Sorgdrager overigens dat ook zij bepaald niet rouwig was om de opheffing van spoor 2335: “Docters van Leeuwen was enorm gepreoccupeerd met de vraag: “waar komt dat geld vandaan en waar gaat het weer naar toe?” Dat er een apart team onder leiding van Zwerwer met die vraag bezig was, wist ik wel. Zo nu en dan vielen in dat verband namen van bekende industriëlen. Ik vond die verhalen behoorlijk opgeklopt en ongeloofwaardig. Er waren immers in het geheel geen concrete aanwijzingen dat die mensen daadwerkelijk in dit soort zaken waren betrokken. Daarom is het goed dat men daar tijdig mee is gestopt.” 6.7 De doorbraak van het derde en vierde spoor Halverwege juni 1997 gebeurde er veel. Er kwamen toen de berichten binnen die het LRT in staat stelden het onderzoek naar spoor 1 nieuw leven in te blazen. Godlieb schreef op hetzelfde moment het verslag over spoor 2 dat duidelijk de aanleiding vormde om zijn team op te heffen. Maar ook de gangmakers van spoor 3 – Snijders en De Wit – lieten zich niet onbetuigd. Op 17 juni rondden zij – op grond van de gesprekken die zij “in opdracht van de hoofdofficier van justitie” hadden gevoerd met “enkele bronnen” en een aanvullend administratief onderzoek – een rapport af over een aantal onderzoeksmogelijkheden. Hierna wordt eerst kort ingegaan op dit rapport dat – zoals later zal blijken – het uitgangspunt heeft gevormd voor belangrijke nieuwe onderzoeksinitiatieven buiten spoor 1 om, met alle gevolgen vandien. Daarna zal aandacht worden geschonken aan een onderzoek dat in het voorjaar van 1997 aan Snijders en Teeven werd opgedragen, namelijk dat naar de bedreiging van een officier van justitie. Dit onderzoek werd door hen immers aangegrepen om hun visie op de opheldering van de IRT-affaire kracht bij te zetten. 6.7.1 Een verzameling vertrekpunten voor nader onderzoek In het genoemde rapport somden Snijders en De Wit in totaal 26 onderzoeksmogelijkheden op. Bij elke suggestie werd kort aangegeven wat het concrete voorstel behelsde, welke de reden van het onderzoek was en wat ermee werd beoogd.336 Het was dus geen rapport waarin de samenhang tussen al deze deelprojecten werd uiteengezet, hun informatieve basis werd blootgelegd, de voorwaarden voor de uitvoering van die onderzoeken werden besproken, de doeleinden van het onderzoek in hun geheel werden uitgewerkt, de prioriteiten van de te onderzoeken kwesties werden bepaald, et cetera. 334 Zie het verslag “Periodiek overleg minister, SG en Docters van Leeuwen” d.d. 30 juni 1997 (B1). 335 Interview W. Sorgdrager d.d. 1 mei 2001. 336 J. Snijders en J. de Wit, “Onderzoeksvoorstellen”, d.d. 17 juni 1997 (C1).
159 Probeert men zelf de rode draad in deze voorstellen te ontwarren dan komt men tot de conclusie dat zij bijna allemaal op de een of andere manier te maken hadden met de IRT-affaire, concreter: de organisatie van de drugstransporten die in de tijd van die affaire op de lijn Colombia-Nederland hadden plaats gevonden en de mogelijke betrokkenheid van criminelen, politiemensen, douaniers en leden van de FIOD hierbij. Meer concreet wisselden de onderscheiden voorstellen enorm van omvang en inhoud. Bij sommige voorstellen ging het om niet meer dan om het horen van iemand of de analyse van bepaalde stukken, bij andere voorstellen werd aangegeven dat zij betrekking hadden op de analyse van omvangrijke dossiers of dienden om relatienetwerken in kaart te brengen. Voorzover wij hebben kunnen nagaan is er overigens nimmer – in welk gremium dan ook – gediscussieerd over de mogelijkheden om al die onderzoeken uit te voeren. Het stuk heeft dus kennelijk niet zo’n belangrijke functie vervuld in het beleid dat betreffende het post-Fort-onderzoek is gevoerd. Wat niet wil zeggen dat het ook door Snijders en De Wit terzijde is gelegd. Enkele weken later – op 14 juli 1997 – werd door hen bijvoorbeeld aan Van Brummen het plan voorgelegd om de informatie die een bepaalde informant had gegeven onder het gezag van het openbaar ministerie te Haarlem door middel van CID-rapporten exploitabel te laten maken.337 Hiertoe zouden gesprekken met enkele personen in Zuid-Amerika en West-Europa kunnen dienen. Nader onderzoek naar enkele containertrajecten zou ook wenselijk zijn. Tenslotte stelden zij voor om een “denktank” te formeren waarbinnen alle relevante en gevoelige informatie in onderling verband bekeken zou dienen te worden. 6.7.2 Het onderzoek naar de bedreiging van een officier van justitie In mei 1997 kwamen er berichten binnen dat er een aanslag op handen was op het leven van een officier van justitie. De hoofdofficier van justitie te Alkmaar Klopper-Gerritsen nam hierop stappen om een onderzoek te laten instellen naar deze dreiging. In samenspraak met de hoofdofficieren van justitie te Haarlem en Amsterdam werd besloten de CID-officieren van justitie Teeven en Snijders opdracht te geven “een onderzoek in te stellen naar de vermoedelijke oorzaak van het ontstaan van het geschetste dreigingsbeeld contra de (…) officier van justitie en adviezen te formuleren om de ongewenste situatie zo spoedig mogelijk te neutraliseren.”338 Het college van procureurs-generaal en de hoofdofficier van justitie van het landelijk parket werden van deze opdracht in kennis gesteld. Teeven en Snijders waren er bepaald niet rouwig om dat zij dit onderzoek moesten doen. Zij zagen er zonder meer een buitenkans in om de IRT-affaire dichter tot een oplossing te brengen. In de woorden van Teeven was het zo339: “Het is zonder meer waar dat voor ons – net zoals de zaak-Swennen – ook de bedreiging van (…) een mogelijkheid was om het onderzoek open te breken. Wij dachten, ik bedoel Vrakking en ik, dat we via die bedreiging van (…), terecht zouden komen bij de moord op Van der Heiden en dat we via die moordzaak in de richting zouden komen van (…) en zo verder.” Maar ook Snijders keek er zo tegen aan340: “Wij hadden al snel het gevoel dat de bedreiging te maken had met het IRT-verleden, in het bijzonder met de XTC-trajecten en de liquidatie van Van der Heiden. Bepaalde functionarissen hadden een sleutelpositie in dat geheel341. Zij wilden ook uit alle macht de 337 Brief J. Snijders en J. de Wit d.d. 14 juli 1997 aan H. van Brummen (C1). 338 Zie het “Rapport” van de CID-officieren F. Teeven en J. Snijders d.d. 25 juni 1997 (D21) 339 Interview F. Teeven d.d. 7 februari 2001. 340 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001. 341 J. Snijders noemde in het interview deze functionarissen met naam.
161 van de IRT-affaire alsmaar scherpere en manifestere vormen aannam. Het college zag toen in dat het Zwerwer-team in de gegeven omstandigheden nimmer kon slagen in (het algemene deel van) haar opdracht en een deel van het IRT-probleem dreigde te worden in plaats van een deel van zijn oplossing. De opheffing ervan was met andere woorden een welhaast onvermijdelijke en alleen al hierom begrijpelijke beslissing. Maar het was ook een pijnlijke beslissing, niet alleen voor de betrokken onderzoekers die het terrein volkomen gedesillusioneerd verlieten, maar ook tegen de achtergrond van de “blauwdruk” uit augustus 1996 waarin met klem van argumenten was afgeraden om een dergelijk team op te richten. De onvoldoende voorbereiding van het project wreekte zich hier op een pregnante manier. Het is verder duidelijk dat spoor 1 aanzienlijk in zijn bedrijvigheid werd geremd door de hypotheken die rustten op het Fortarchief. En die hypotheken wogen des te meer omdat het betrokken team zich van meet af aan had voorgenomen om zoveel mogelijk in het geheim te opereren. Hierom was het – ironisch genoeg – zeker in de lange aanloop van het onderzoek juist erg aangewezen op de informatie die zich in dit dossier bevond maar die slechts na veel vijven en zessen mondjesmaat kon worden benut. Dat het LRT-team alleen al hierom haast niet anders kon dan ook andere bronnen aan te boren spreekt welhaast voor zichzelf. In zekere zin nieuw was wel de manier waarop binnen het team de te volgen tactiek werd geëxpliciteerd. Werd in de “blauwdruk” gesuggereerd dat het onderzoek naar de groei-informant zou moeten worden gericht op zijn gedragingen van na 1995, nu werd zonder omhaal uitgesproken dat zowel ten aanzien van hem als ten aanzien van Van V. de te volgen tactiek was om het onderzoek te richten op actuele strafbare feiten en hen zo te bewegen tot het afleggen van verklaringen over het IRT-gebeuren. Het uiteindelijke strategische doel, zoals dat ook door Docters van Leeuwen in het voorjaar van 1996 was geformuleerd, bleef dus onveranderd hetzelfde. Dit verklaart ook waarom het LRT-team de zaak van de “Taartman” zo gretig oppakte: op hem kon deze tactiek vrijwel direct worden toegepast. Hier werd het team een uitgelezen kans geboden om “schoon” te beginnen. Maar het had tot op zekere hoogte wel buiten de waard gerekend: de Randstad, de parketten van Amsterdam en Haarlem. Die wilden ook “schoon” beginnen maar wel door met behulp van de bedreigingszaak het IRT-dossier te schonen, dit wil zeggen te ontdoen van zijn besmetverklaring, en zo de sleutel in handen te krijgen om de IRT-affaire rechtstreeks op te helderen. En daarmee diende zich een nieuw levensgroot conflict aan: dat tussen het LRT-team en de “Randstad” die men in den beginne nu juist met opzet buiten het hele onderzoek had gehouden maar desondanks elke kans aangreep om haar gelijk te bevechten en hiervan ook niet werden afgehouden van hogerhand. Integendeel! Telkens opnieuw kregen de betrokken parketten de gelegenheid om te proberen het onderzoek naar zich toe te trekken. Dit conflict – het is niet overbodig om hier nadrukkelijk op te wijzen – was dus geen conflict over het strategische doel: de opheldering van de IRT-affaire. Het was een conflict over de wijze waarop dit doel bereikt moest worden. Kennelijk vonden, vreesden, Amsterdam en Haarlem, dat het LRT-team onnodig een te indirecte weg bewandelde, daarmee dreigde te vervallen in een “gewoon drugsonderzoek” op irrelevante criminelen en zodoende wellicht nooit het uiteindelijke doel zou bereiken. Misschien zagen zij ook niet graag dat een “B-elftal uit de provincie” hun affaire moest ophelderen en dachten ze dat zelf beter te kunnen doen. Waarbij dan wel niet uit het oog mag worden verloren dat de eendracht tussen spoor 3 en spoor 4 van betrekkelijke korte duur was, omdat zij op hun beurt ook ernstig met elkaar gebrouilleerd zouden raken.
160 doos van Pandora dicht houden. (…) De sleutel van het geheel lag volgens Teeven en mij dus in het “besmette” IRT-dossier.” Door Van Brummen werd, na overleg met de procureur-generaal te Amsterdam, aan Teeven en Snijders toestemming verleend om kennis te nemen van het zogenaamd “besmet verklaarde” IRT- dossier, in beheer bij de leiding van het Kernteam Randstad-Midden.342 In hun onderzoeksverslag d.d. 25 juni 1997 stelden Teeven en Snijders allereerst vast dat in het IRT-dossier enkele relevante stukken c.q. mappen ontbraken. Een stapel informatierapporten was op 24 september 1994 door een medewerker van de RCID Kennemerland aantoonbaar vernietigd. Verder constateerden de rapporteurs dat 90% van de informatierapporten afkomstig was van andere CID-en en mede daardoor opnieuw opvraagbaar was. Teeven en Snijders zagen niet in waarom deze informatie als besmet moest worden beschouwd. Tenslotte concludeerden de twee officieren van justitie dat de aangetroffen informatie zo divers was, dat de stelling dat personen gevaar liepen die in het Delta-dossier een rol hadden gespeeld, onhoudbaar was. Op basis van deze conclusies deden Teeven en Snijders een aantal aanbevelingen. De belangrijkste daarvan waren: — het vrijgeven van het besmet verklaarde ‘Delta dossier’, omdat de onderzochte zaken geen aanknopingspunten opleverden om het dossier buiten opsporingsonderzoek te houden; — contact te nemen met de bron teneinde te vernemen of er wijziging was opgetreden in het dreigingsbeeld ten opzichte van (…); — het samenstellen van een onderzoeksteam, groot ongeveer 8-10 personen, waarin het voormalige recherchebijstandsteam (RBT)-Alkmaar en de centrale recherche van het regiokorps Amsterdam/Amstelland waren vertegenwoordigd, teneinde een hernieuwd onderzoek te doen naar het XTC-traject en de liquidatie van Van der Heiden op 10 april 1993; deze onderzoeken moesten plaatsvinden onder verantwoordelijkheid van officier van justitie Teeven; — de CID-trajecten in deze zaken dienden te verlopen onder volledige verantwoordelijkheid van officier van justitie Snijders; — de eindverantwoordelijkheid van het onderzoek moest, gezien de nagestreefde doelstelling, berusten bij de hoofdofficier van justitie te Alkmaar. De officieren van justitie Teeven en Snijders hoopten met deze nieuwe onderzoeksactiviteiten dus niet alleen de dreiging tegen een officier van justitie weg te nemen en een aantal verdachten van ernstige misdrijven, zoals de XTC-handel en de liquidatie, veroordeeld te krijgen, maar beoogden tevens de geur van geheimzinnigheid te verdrijven rond het ‘besmette’ IRT-dossier en meer duidelijkheid te verschaffen over de rol van de betreffende informanten in diverse onderzoeken. Tenslotte werd gemikt op aanvullende informatievergaring voor de onderzoeken betreffende spoor 1 en spoor 2.343 6.8 Conclusie Allereerst is het van belang om hier op te merken dat het college van procureurs-generaal in het begin van deze fase haar fiat gaf aan de onderzoeksplannen van de beide teams. Kennelijk stemde het dus in met de keuzes die door de onderzoeksleiders waren voorgesteld. Dit blijkt uit het feit dat het voor spoor 1 de weg wilde vrijmaken naar een aantal moeilijk toegankelijke bronnen, en voor spoor 2 ruim baan wilde maken in justitieel Nederland. Des te opmerkelijker natuurlijk is het dat het college enkele maanden later de beslissing nam om spoor 2 op te heffen. Een precieze verklaring werd hiervoor niet gegeven maar zoveel is wel duidelijk dat het team zelf de opdracht helemaal niet meer zag zitten omdat de middelen en mogelijkheden ontbraken en het conflict met het LRT-team rond het onderzoek 342 Brief H. van Brummen d.d. 29 mei 1997 (D21). 343 Vergelijk het “Rapport” van de CID-officieren F. Teeven en J. Snijders d.d. 25 juni 1997 (D21).
Bijlage X – Deelonderzoek 3
1. De vrije-beroepsbeoefenaars: advocaten, notarissen en
accountants
Henk van de Bunt (VU/WODC)
m.m.v. Roelof Jan Bokhorst en Hans Werdmlder (beiden WODC)
Voorwoord
Tal van mensen zijn bij de totstandkoming van dit rapport
betrokken geweest. In de eerste plaats gaat mijn dank uit naar de
personen die bereid waren een gesprek te voeren over de
problematiek van de vrije-beroepsbeoefenaars in relatie tot de
georganiseerde misdaad. In bijlage 1 staan de namen van de
genterviewden vermeld. In de tweede plaats is veelvuldig en nimmer
tevergeefs een beroep gedaan op stafmedewerkers van de
beroepsorganisaties, de NOVA, de KNB, de NIVRA en de NOvAA. Ten
derde zijn door het gehele land gesprekken gevoerd en telefonische
contacten onderhouden met rechercheurs over gesignaleerde
voorvallen van verwijtbare betrokkenheid. Speciale dank ben ik
verschuldigd aan Jan Janse en Theo Akse, beiden werkzaam bij de
afdeling Finpol van de CRI, die altijd bereid waren tekst en uitleg
te geven over de Finpol-meldingen.
2.5. De voorvallen
2.5.1. Inleiding
Advocaten kunnen voor het karretje worden gespannen van een
criminele organisatie zonder dat zij het zich bewust zijn. Onbewust
en onbedoeld, dat wil zeggen: niet verwijtbaar, wordt een
bijdrage geleverd aan de misdrijven die deze groepen plegen. Ter
verduidelijking volgt een concreet voorbeeld van deze
niet-verwijtbare betrokkenheid.
2.6. Slotbeschouwing
De advocaat heeft een moeilijk beroep: hij dient partijdig te
zijn, doch hierbij zijn onafhankelijkheid jegens de clint te
bewaren. De normering van – en controle op – de beroepsuitoefening
is sterk professioneel van karakter. Het beroep evolueert evenwel
steeds meer in de richting van een gewoon, commercieel beroep. Het
werkterrein van de advocaat (wat is eigenlijk des advocaten?) is
niet duidelijk afgegrensd, terwijl de beroepsbeoefenaar wel alle
parafernalia bezit van het klassieke, professionele beroep.
3. HET NOTARIAAT
3.1. Kerngegevens
3.1.1. Openbaar ambtenaar in een vrij beroep
De notaris is een openbaar ambtenaar, die in de gevallen waarin
de wetgever zijn tussenkomst dwingend voorschrijft, een specifieke
overheidstaak uitoefent. De notaris wordt bij Koninklijk Besluit
benoemd. Aan hem wordt tevens een standplaats toegewezen. Hij is
geen gewoon ambtenaar want hij krijgt zijn inkomsten uit de
opbrengst van zijn dienstverlening. In die zin is hij ondernemer,
maar dan wel een die als monopolist opereert op een markt zonder
veel risico’s.
3.2. De karakteristiek van het beroep
3.2.1. De plicht tot dienstverlening
Als openbaar ambtenaar c.q. als de functionaris wiens
tussenkomst dwingend is voorgeschreven, heeft de notaris veel
minder speelruimte dan bijvoorbeeld de advocaat of de accountant om
clinten of diensten te weigeren. Sterker nog, hij is volgens de
heersende leer in beginsel zelfs verplicht om zijn diensten te
verlenen als daarom wordt gevraagd. Op deze ministerieplicht kan
alleen uitzondering worden gemaakt als de notaris gegronde redenen
heeft om zijn dienst te weigeren. In de gedragsregels, die de KNB
onlangs heeft gepubliceerd, en in de ontwerpwet op het Notarisambt
zijn enkele gronden gespecificeerd.
3.3. De tuchtrechtspraak
3.3.1. Twee vormen van tuchtrecht
Het notariaat kent twee vormen van tuchtrecht: het wettelijke
tuchtrecht en het verenigingstuchtrecht. Het verenigingstuchtrecht
is in het kader van deze bespreking niet van belang. Via deze
procedure worden de relatief mineure klachten over de
beroepsuitoefening van de notaris behandeld. Het betreffen klachten
over bijvoorbeeld het gebrek aan snelheid in het notarile optreden
of over de hoogte van de declaratie. De uitspraken van het
scheidsgerecht (eerste aanleg) en het college van beroep zijn
bindend. Zo kan de uitspraak luiden dat de notaris zijn declaratie
moet verlagen.
3.4. De kwetsbare positie van de notaris
3.4.1. Onmisbaar en aantrekkelijk voor criminele
organisaties
De notaris is een onmisbare schakel in tal van dubieuze
constructies. Of het nu gaat om de oprichting van BV’s waarmee
gefraudeerd gaat worden, of om witwasoperaties waar onroerend goed
mee is gemoeid of waarbij rechtspersonen worden gebruikt, de
tussenkomst van de notaris is wettelijk voorgeschreven. In deze zin
is er een grote mate van potentile betrokkenheid tussen het
notariaat en de georganiseerde misdaad.
3.5. De voorvallen
3.5.1. Inleiding
Evenals bij de advocaat kan de verwijtbare betrokkenheid van de
notaris bij georganiseerde misdaad eruit bestaan dat hij specifieke
kennis (informatie, e.d.) levert en afscherming biedt. Als
bijzonder kenmerk van de notaris komt erbij dat zijn tussenkomst
wettelijk is voorgeschreven voor het kunnen verrichten van
rechtshandelingen.
3.6. Slotbeschouwing
De notaris is een openbaar ambtenaar wiens tussenkomst dwingend
is voorgeschreven; de notaris heeft door zijn ministerieplicht veel
minder speelruimte om clinten of diensten te weigeren dan
bijvoorbeeld de advocaat. Het takenpakket van de notaris is in de
afgelopen periode uitgebreid. Hij verleent in toenemende mate
advieswerkzaamheden voor clinten. In de uitoefening van deze
werkzaamheden is de notaris partijdig.
