• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • fort2_94

    158 Docters  van  Leeuwen  waren  we  er  aan  begonnen,  maar  hij  kreeg  het  kennelijk  ook  niet “gebogen”.  Sieb  Zwerwer  voelde  zich  na  afloop  zwaar  teleurgesteld.  Ik  ben  er  ook  cynisch vandaan gekomen. We pakken wel de slimmere boeven, de hasjhandelaren, maar de echte grote jongens pakken we niet aan. Daarvoor bestaat kennelijk geen meerderheid in dit land. Het was ook allemaal heel gênant voor de andere teamleden, die er hun functies, posities of banen voor hadden opgegeven.” In  het  periodiek  overleg  tussen  de  minister  van  Justitie,  de  secretaris-generaal  van  het  minister  van Justitie  en  Docters  van  Leeuwen  d.d.  30  juni  1997  werd  de  minister  van  Justitie  geïnformeerd  over hetgeen op de 25e  juni  was  besproken.  Het  college  zegde  toe  met  een  nader  voorstel  te  komen  over de voortzetting van het onderzoek.334 Tegenover   ons   vertelde   Sorgdrager   overigens   dat   ook   zij   bepaald   niet   rouwig   was   om   de opheffing van spoor 2335: “Docters   van   Leeuwen   was   enorm   gepreoccupeerd   met   de   vraag:   “waar   komt   dat   geld vandaan en waar gaat het weer naar toe?” Dat er een apart team onder leiding van Zwerwer met   die   vraag   bezig   was,   wist   ik   wel.   Zo   nu   en   dan   vielen   in   dat   verband   namen   van bekende   industriëlen.   Ik   vond   die   verhalen   behoorlijk   opgeklopt   en   ongeloofwaardig.   Er waren immers in het geheel geen concrete aanwijzingen dat die mensen daadwerkelijk in dit soort zaken waren betrokken. Daarom is het goed dat men daar tijdig mee is gestopt.” 6.7 De doorbraak van het derde en vierde spoor Halverwege  juni  1997  gebeurde  er  veel.  Er  kwamen  toen  de  berichten  binnen  die  het  LRT  in  staat stelden  het  onderzoek  naar  spoor  1  nieuw  leven  in  te  blazen.  Godlieb  schreef  op  hetzelfde  moment het  verslag  over  spoor  2  dat  duidelijk  de  aanleiding  vormde  om  zijn  team  op  te  heffen.  Maar  ook  de gangmakers van spoor 3 – Snijders en De Wit – lieten zich niet onbetuigd. Op 17 juni rondden zij – op grond  van  de  gesprekken  die  zij  “in  opdracht  van  de  hoofdofficier  van  justitie”  hadden  gevoerd  met “enkele   bronnen”   en   een   aanvullend   administratief   onderzoek   –   een   rapport   af   over   een   aantal onderzoeksmogelijkheden. Hierna wordt eerst kort ingegaan op dit rapport dat – zoals later zal blijken –  het  uitgangspunt  heeft  gevormd  voor  belangrijke  nieuwe  onderzoeksinitiatieven  buiten  spoor  1  om, met  alle  gevolgen  vandien.  Daarna  zal  aandacht  worden  geschonken  aan  een  onderzoek  dat  in  het voorjaar van 1997 aan Snijders en Teeven werd opgedragen, namelijk dat naar de bedreiging van een officier van justitie. Dit onderzoek werd door hen immers aangegrepen om hun visie op de opheldering van de IRT-affaire kracht bij te zetten. 6.7.1 Een verzameling vertrekpunten voor nader onderzoek In  het  genoemde  rapport  somden  Snijders  en  De  Wit  in  totaal  26  onderzoeksmogelijkheden  op.  Bij elke  suggestie  werd  kort  aangegeven  wat  het  concrete  voorstel  behelsde,  welke  de  reden  van  het onderzoek  was  en  wat  ermee  werd  beoogd.336  Het  was  dus  geen  rapport  waarin  de  samenhang tussen   al   deze   deelprojecten   werd   uiteengezet,   hun   informatieve   basis   werd   blootgelegd,   de voorwaarden   voor   de   uitvoering   van   die   onderzoeken   werden   besproken,   de   doeleinden   van   het onderzoek  in  hun  geheel  werden  uitgewerkt,  de  prioriteiten  van  de  te  onderzoeken  kwesties  werden bepaald, et cetera.                                                 334 Zie het verslag “Periodiek overleg minister, SG en Docters van Leeuwen” d.d. 30 juni 1997 (B1). 335 Interview W. Sorgdrager d.d. 1 mei 2001. 336 J. Snijders en J. de Wit, “Onderzoeksvoorstellen”, d.d. 17 juni 1997 (C1).

    fort2_95

    159 Probeert men zelf de rode draad in deze voorstellen te ontwarren dan komt men tot de conclusie dat zij bijna allemaal op de een of andere manier te maken hadden met de IRT-affaire, concreter: de organisatie   van   de   drugstransporten   die   in   de   tijd   van   die   affaire   op   de   lijn   Colombia-Nederland hadden  plaats  gevonden  en  de  mogelijke  betrokkenheid  van  criminelen,  politiemensen,  douaniers  en leden van de FIOD hierbij. Meer concreet wisselden de onderscheiden voorstellen enorm van omvang en inhoud. Bij sommige voorstellen ging het om niet meer dan om het horen van iemand of de analyse van   bepaalde   stukken,   bij   andere   voorstellen   werd   aangegeven   dat   zij   betrekking   hadden   op   de analyse van omvangrijke dossiers of dienden om relatienetwerken in kaart te brengen. Voorzover  wij  hebben  kunnen  nagaan  is  er  overigens  nimmer  –  in  welk  gremium  dan  ook  – gediscussieerd   over   de   mogelijkheden   om   al   die   onderzoeken   uit   te   voeren.   Het   stuk   heeft   dus kennelijk  niet  zo’n  belangrijke  functie  vervuld  in  het  beleid  dat  betreffende  het  post-Fort-onderzoek  is gevoerd.  Wat  niet  wil  zeggen  dat  het  ook  door  Snijders  en  De  Wit  terzijde  is  gelegd.  Enkele  weken later  –  op  14  juli  1997  –  werd  door  hen  bijvoorbeeld  aan  Van  Brummen  het  plan  voorgelegd  om  de informatie  die  een  bepaalde  informant  had  gegeven  onder  het  gezag  van  het  openbaar  ministerie  te Haarlem  door  middel  van  CID-rapporten  exploitabel  te  laten  maken.337  Hiertoe  zouden  gesprekken met enkele personen in Zuid-Amerika en West-Europa kunnen dienen. Nader onderzoek naar enkele containertrajecten  zou  ook  wenselijk  zijn.  Tenslotte  stelden  zij  voor  om  een  “denktank”  te  formeren waarbinnen   alle   relevante   en   gevoelige   informatie   in   onderling   verband   bekeken   zou   dienen   te worden. 6.7.2 Het onderzoek naar de bedreiging van een officier van justitie In  mei  1997  kwamen  er  berichten  binnen  dat  er  een  aanslag  op  handen  was  op  het  leven  van  een officier  van  justitie.  De  hoofdofficier  van  justitie  te  Alkmaar  Klopper-Gerritsen  nam  hierop  stappen  om een   onderzoek   te   laten   instellen   naar   deze   dreiging.   In   samenspraak   met   de   hoofdofficieren   van justitie  te  Haarlem  en  Amsterdam  werd  besloten  de  CID-officieren  van  justitie  Teeven  en  Snijders opdracht  te  geven  “een  onderzoek  in  te  stellen  naar  de  vermoedelijke  oorzaak  van  het  ontstaan  van het  geschetste  dreigingsbeeld  contra  de  (…)  officier  van  justitie  en  adviezen  te  formuleren  om  de ongewenste situatie zo spoedig mogelijk te neutraliseren.”338  Het  college  van  procureurs-generaal  en de hoofdofficier van justitie van het landelijk parket werden van deze opdracht in kennis gesteld. Teeven  en  Snijders  waren  er  bepaald  niet  rouwig  om  dat  zij  dit  onderzoek  moesten  doen.  Zij zagen er zonder meer een buitenkans in om de IRT-affaire dichter tot een oplossing te brengen. In de woorden van Teeven was het zo339: “Het  is  zonder  meer  waar  dat  voor  ons  –  net  zoals  de  zaak-Swennen  –  ook  de  bedreiging van  (…)  een  mogelijkheid  was  om  het  onderzoek  open  te  breken.  Wij  dachten,  ik  bedoel Vrakking  en  ik,  dat  we  via  die  bedreiging  van  (…),  terecht  zouden  komen  bij  de  moord  op Van  der  Heiden  en  dat  we  via  die  moordzaak  in  de  richting  zouden  komen  van  (…)  en  zo verder.” Maar ook Snijders keek er zo tegen aan340: “Wij hadden al snel het gevoel dat de bedreiging te maken had met het IRT-verleden, in het bijzonder     met     de     XTC-trajecten     en     de     liquidatie     van     Van     der     Heiden.     Bepaalde functionarissen hadden een sleutelpositie in dat geheel341.  Zij  wilden  ook  uit  alle  macht  de                                                 337 Brief J. Snijders en J. de Wit d.d. 14 juli 1997 aan H. van Brummen (C1). 338 Zie het “Rapport” van de CID-officieren F. Teeven en J. Snijders d.d. 25 juni 1997 (D21) 339 Interview F. Teeven d.d. 7 februari 2001. 340 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001. 341 J. Snijders noemde in het interview deze functionarissen met naam.

    fort2_97

    161 van de IRT-affaire alsmaar scherpere en manifestere vormen aannam. Het college zag toen in dat het Zwerwer-team  in  de  gegeven  omstandigheden  nimmer  kon  slagen  in  (het  algemene  deel  van)  haar opdracht   en   een   deel   van   het   IRT-probleem   dreigde   te   worden   in   plaats   van   een   deel   van   zijn oplossing.  De  opheffing  ervan  was  met  andere  woorden  een  welhaast  onvermijdelijke  en  alleen  al hierom begrijpelijke beslissing. Maar het was ook een pijnlijke beslissing, niet alleen voor de betrokken onderzoekers  die  het  terrein  volkomen  gedesillusioneerd  verlieten,  maar  ook  tegen  de  achtergrond van  de  “blauwdruk”  uit  augustus  1996  waarin  met  klem  van  argumenten  was  afgeraden  om  een dergelijk  team  op  te  richten.  De  onvoldoende  voorbereiding  van  het  project  wreekte  zich  hier  op  een pregnante manier. Het   is   verder   duidelijk   dat   spoor   1   aanzienlijk   in   zijn   bedrijvigheid   werd   geremd   door   de hypotheken die rustten op het Fortarchief. En die hypotheken wogen des te meer omdat het betrokken team  zich  van  meet  af  aan  had  voorgenomen  om  zoveel  mogelijk  in  het  geheim  te  opereren.  Hierom was het – ironisch genoeg – zeker in de lange aanloop van het onderzoek juist erg aangewezen op de informatie die zich in dit dossier bevond maar die slechts na veel vijven en zessen mondjesmaat kon worden benut. Dat het LRT-team alleen al hierom haast niet anders kon dan ook andere bronnen aan te  boren  spreekt  welhaast  voor  zichzelf.  In  zekere  zin  nieuw  was  wel  de  manier  waarop  binnen  het team   de   te   volgen   tactiek   werd   geëxpliciteerd.   Werd   in   de   “blauwdruk”   gesuggereerd   dat   het onderzoek  naar  de  groei-informant  zou  moeten  worden  gericht  op  zijn  gedragingen  van  na  1995,  nu werd  zonder  omhaal  uitgesproken  dat  zowel  ten  aanzien  van  hem  als  ten  aanzien  van  Van  V.  de  te volgen tactiek was om het onderzoek te richten op actuele strafbare feiten en hen zo te bewegen tot het  afleggen  van  verklaringen  over  het  IRT-gebeuren.  Het  uiteindelijke  strategische  doel,  zoals  dat ook  door  Docters  van  Leeuwen  in  het  voorjaar  van  1996  was  geformuleerd,  bleef  dus  onveranderd hetzelfde.  Dit  verklaart  ook  waarom  het  LRT-team  de  zaak  van  de  “Taartman”  zo  gretig  oppakte:  op hem   kon   deze   tactiek   vrijwel   direct   worden   toegepast.   Hier   werd   het   team   een   uitgelezen   kans geboden om “schoon” te beginnen. Maar het had tot op zekere hoogte wel buiten de waard gerekend: de Randstad, de parketten van Amsterdam   en   Haarlem.   Die   wilden   ook   “schoon”   beginnen   maar   wel   door   met   behulp   van   de bedreigingszaak  het  IRT-dossier  te  schonen,  dit  wil  zeggen  te  ontdoen  van  zijn  besmetverklaring,  en zo de sleutel in handen te krijgen om de IRT-affaire rechtstreeks op te helderen. En daarmee diende zich  een  nieuw  levensgroot  conflict  aan:  dat  tussen  het  LRT-team  en  de  “Randstad”  die  men  in  den beginne  nu  juist  met  opzet  buiten  het  hele  onderzoek  had  gehouden  maar  desondanks  elke  kans aangreep   om   haar   gelijk   te   bevechten   en   hiervan   ook   niet   werden   afgehouden   van   hogerhand. Integendeel!  Telkens  opnieuw  kregen  de  betrokken  parketten  de  gelegenheid  om  te  proberen  het onderzoek naar zich toe te trekken. Dit conflict – het is niet overbodig om hier nadrukkelijk op te wijzen –  was  dus  geen  conflict  over  het  strategische  doel:  de  opheldering  van  de  IRT-affaire.  Het  was  een conflict over de wijze waarop dit doel bereikt moest worden. Kennelijk vonden, vreesden, Amsterdam en   Haarlem,   dat   het   LRT-team   onnodig   een   te   indirecte   weg   bewandelde,   daarmee   dreigde   te vervallen  in  een  “gewoon  drugsonderzoek”  op  irrelevante  criminelen  en  zodoende  wellicht  nooit  het uiteindelijke  doel  zou  bereiken.  Misschien  zagen  zij  ook  niet  graag  dat  een  “B-elftal  uit  de  provincie” hun  affaire  moest  ophelderen  en  dachten  ze  dat  zelf  beter  te  kunnen  doen.  Waarbij  dan  wel  niet  uit het oog mag worden verloren dat de eendracht tussen spoor 3 en spoor 4 van betrekkelijke korte duur was, omdat zij op hun beurt ook ernstig met elkaar gebrouilleerd zouden raken.

    fort2_96

    160 doos  van  Pandora  dicht  houden.  (…)  De  sleutel  van  het  geheel  lag  volgens  Teeven  en  mij dus in het “besmette” IRT-dossier.” Door  Van  Brummen  werd,  na  overleg  met  de  procureur-generaal  te  Amsterdam,  aan  Teeven  en Snijders  toestemming  verleend  om  kennis  te  nemen  van  het  zogenaamd  “besmet  verklaarde”  IRT- dossier, in beheer bij de leiding van het Kernteam Randstad-Midden.342 In hun onderzoeksverslag d.d. 25 juni 1997 stelden Teeven en Snijders allereerst vast dat in het IRT-dossier enkele relevante stukken c.q. mappen ontbraken. Een stapel informatierapporten was op 24   september   1994   door   een   medewerker   van   de   RCID   Kennemerland   aantoonbaar   vernietigd. Verder  constateerden  de  rapporteurs  dat  90%  van  de  informatierapporten  afkomstig  was  van  andere CID-en en mede daardoor opnieuw opvraagbaar was. Teeven en Snijders zagen niet in waarom deze informatie   als   besmet   moest   worden   beschouwd.   Tenslotte   concludeerden   de   twee   officieren   van justitie dat de aangetroffen informatie zo divers was, dat de stelling dat personen gevaar liepen die in het  Delta-dossier  een  rol  hadden  gespeeld,  onhoudbaar  was.  Op  basis  van  deze  conclusies  deden Teeven en Snijders een aantal aanbevelingen. De belangrijkste daarvan waren: — het   vrijgeven   van   het   besmet   verklaarde   ‘Delta   dossier’,   omdat   de   onderzochte   zaken   geen aanknopingspunten opleverden om het dossier buiten opsporingsonderzoek te houden; — contact   te   nemen   met   de   bron   teneinde   te   vernemen   of   er   wijziging   was   opgetreden   in   het dreigingsbeeld ten opzichte van (…); — het    samenstellen    van    een    onderzoeksteam,    groot    ongeveer    8-10    personen,    waarin    het voormalige  recherchebijstandsteam  (RBT)-Alkmaar  en  de  centrale  recherche  van  het  regiokorps Amsterdam/Amstelland   waren   vertegenwoordigd,   teneinde   een   hernieuwd   onderzoek   te   doen naar  het  XTC-traject  en  de  liquidatie  van  Van  der  Heiden  op  10  april  1993;  deze  onderzoeken moesten plaatsvinden onder verantwoordelijkheid van officier van justitie Teeven; — de  CID-trajecten  in  deze  zaken  dienden  te  verlopen  onder  volledige  verantwoordelijkheid  van officier van justitie Snijders; — de   eindverantwoordelijkheid   van   het   onderzoek   moest,   gezien   de   nagestreefde   doelstelling, berusten bij de hoofdofficier van justitie te Alkmaar. De officieren van justitie Teeven en Snijders hoopten met deze nieuwe onderzoeksactiviteiten dus niet alleen de dreiging tegen een officier van justitie weg te nemen en een aantal verdachten van ernstige misdrijven,  zoals  de  XTC-handel  en  de  liquidatie,  veroordeeld  te  krijgen,  maar  beoogden  tevens  de geur  van  geheimzinnigheid  te  verdrijven  rond  het  ‘besmette’  IRT-dossier  en  meer  duidelijkheid  te verschaffen over de rol van de betreffende informanten in diverse onderzoeken. Tenslotte werd gemikt op aanvullende informatievergaring voor de onderzoeken betreffende spoor 1 en spoor 2.343 6.8 Conclusie Allereerst is het van belang om hier op te merken dat het college van procureurs-generaal in het begin van deze fase haar fiat gaf aan de onderzoeksplannen van de beide teams. Kennelijk stemde het dus in  met  de  keuzes  die  door  de  onderzoeksleiders  waren  voorgesteld.  Dit  blijkt  uit  het  feit  dat  het  voor spoor 1 de weg wilde vrijmaken naar een aantal moeilijk toegankelijke bronnen, en voor spoor 2 ruim baan wilde maken in justitieel Nederland. Des te opmerkelijker natuurlijk is het dat het college enkele maanden later de beslissing nam om spoor 2 op te heffen. Een precieze verklaring werd hiervoor niet gegeven  maar  zoveel  is  wel  duidelijk  dat  het  team  zelf  de  opdracht  helemaal  niet  meer  zag  zitten omdat de middelen en mogelijkheden ontbraken en het conflict met het LRT-team rond het onderzoek                                                 342 Brief H. van Brummen d.d. 29 mei 1997 (D21). 343 Vergelijk het “Rapport” van de CID-officieren F. Teeven en J. Snijders d.d. 25 juni 1997 (D21).

    Inhoud Bijlage I

    Bijlage I – Werkwijze en procedures

    VOORWOORD

    lees meer

    Inhoud Bijlage X

    Bijlage X – Deelonderzoek 3

    1. De vrije-beroepsbeoefenaars: advocaten, notarissen en
    accountants

    Voorwoord

    lees meer

    Bijlage X – Voorwoord

    Henk van de Bunt (VU/WODC)
    m.m.v. Roelof Jan Bokhorst en Hans Werdmlder (beiden WODC)

    Voorwoord

    Tal van mensen zijn bij de totstandkoming van dit rapport
    betrokken geweest. In de eerste plaats gaat mijn dank uit naar de
    personen die bereid waren een gesprek te voeren over de
    problematiek van de vrije-beroepsbeoefenaars in relatie tot de
    georganiseerde misdaad. In bijlage 1 staan de namen van de
    genterviewden vermeld. In de tweede plaats is veelvuldig en nimmer
    tevergeefs een beroep gedaan op stafmedewerkers van de
    beroepsorganisaties, de NOVA, de KNB, de NIVRA en de NOvAA. Ten
    derde zijn door het gehele land gesprekken gevoerd en telefonische
    contacten onderhouden met rechercheurs over gesignaleerde
    voorvallen van verwijtbare betrokkenheid. Speciale dank ben ik
    verschuldigd aan Jan Janse en Theo Akse, beiden werkzaam bij de
    afdeling Finpol van de CRI, die altijd bereid waren tekst en uitleg
    te geven over de Finpol-meldingen.

    lees meer

    Bijlage X – 2.5. De voorvallen

    2.5. De voorvallen

    2.5.1. Inleiding

    Advocaten kunnen voor het karretje worden gespannen van een
    criminele organisatie zonder dat zij het zich bewust zijn. Onbewust
    en onbedoeld, dat wil zeggen: niet verwijtbaar, wordt een
    bijdrage geleverd aan de misdrijven die deze groepen plegen. Ter
    verduidelijking volgt een concreet voorbeeld van deze
    niet-verwijtbare betrokkenheid.

    lees meer

    Bijlage X – 2.6. Slotbeschouwing

    2.6. Slotbeschouwing

    De advocaat heeft een moeilijk beroep: hij dient partijdig te
    zijn, doch hierbij zijn onafhankelijkheid jegens de clint te
    bewaren. De normering van – en controle op – de beroepsuitoefening
    is sterk professioneel van karakter. Het beroep evolueert evenwel
    steeds meer in de richting van een gewoon, commercieel beroep. Het
    werkterrein van de advocaat (wat is eigenlijk des advocaten?) is
    niet duidelijk afgegrensd, terwijl de beroepsbeoefenaar wel alle
    parafernalia bezit van het klassieke, professionele beroep.

    lees meer

    Bijlage X – 3.1. Kerngegevens

    3. HET NOTARIAAT

    3.1. Kerngegevens

    3.1.1. Openbaar ambtenaar in een vrij beroep

    De notaris is een openbaar ambtenaar, die in de gevallen waarin
    de wetgever zijn tussenkomst dwingend voorschrijft, een specifieke
    overheidstaak uitoefent. De notaris wordt bij Koninklijk Besluit
    benoemd. Aan hem wordt tevens een standplaats toegewezen. Hij is
    geen gewoon ambtenaar want hij krijgt zijn inkomsten uit de
    opbrengst van zijn dienstverlening. In die zin is hij ondernemer,
    maar dan wel een die als monopolist opereert op een markt zonder
    veel risico’s.

    lees meer

    Bijlage X – 3.2. De karakteristiek van het beroep

    3.2. De karakteristiek van het beroep

    3.2.1. De plicht tot dienstverlening

    Als openbaar ambtenaar c.q. als de functionaris wiens
    tussenkomst dwingend is voorgeschreven, heeft de notaris veel
    minder speelruimte dan bijvoorbeeld de advocaat of de accountant om
    clinten of diensten te weigeren. Sterker nog, hij is volgens de
    heersende leer in beginsel zelfs verplicht om zijn diensten te
    verlenen als daarom wordt gevraagd. Op deze ministerieplicht kan
    alleen uitzondering worden gemaakt als de notaris gegronde redenen
    heeft om zijn dienst te weigeren. In de gedragsregels, die de KNB
    onlangs heeft gepubliceerd, en in de ontwerpwet op het Notarisambt
    zijn enkele gronden gespecificeerd.

    lees meer

    Bijlage X – 3.3. De tuchtrechtspraak

    3.3. De tuchtrechtspraak

    3.3.1. Twee vormen van tuchtrecht

    Het notariaat kent twee vormen van tuchtrecht: het wettelijke
    tuchtrecht en het verenigingstuchtrecht. Het verenigingstuchtrecht
    is in het kader van deze bespreking niet van belang. Via deze
    procedure worden de relatief mineure klachten over de
    beroepsuitoefening van de notaris behandeld. Het betreffen klachten
    over bijvoorbeeld het gebrek aan snelheid in het notarile optreden
    of over de hoogte van de declaratie. De uitspraken van het
    scheidsgerecht (eerste aanleg) en het college van beroep zijn
    bindend. Zo kan de uitspraak luiden dat de notaris zijn declaratie
    moet verlagen.

    lees meer

    Bijlage X – 3.4. De kwetsbare positie van de notaris

    3.4. De kwetsbare positie van de notaris

    3.4.1. Onmisbaar en aantrekkelijk voor criminele
    organisaties

    De notaris is een onmisbare schakel in tal van dubieuze
    constructies. Of het nu gaat om de oprichting van BV’s waarmee
    gefraudeerd gaat worden, of om witwasoperaties waar onroerend goed
    mee is gemoeid of waarbij rechtspersonen worden gebruikt, de
    tussenkomst van de notaris is wettelijk voorgeschreven. In deze zin
    is er een grote mate van potentile betrokkenheid tussen het
    notariaat en de georganiseerde misdaad.

    lees meer

    Bijlage X – 3.5. De voorvallen

    3.5. De voorvallen

    3.5.1. Inleiding

    Evenals bij de advocaat kan de verwijtbare betrokkenheid van de
    notaris bij georganiseerde misdaad eruit bestaan dat hij specifieke
    kennis (informatie, e.d.) levert en afscherming biedt. Als
    bijzonder kenmerk van de notaris komt erbij dat zijn tussenkomst
    wettelijk is voorgeschreven voor het kunnen verrichten van
    rechtshandelingen.

    lees meer

    Bijlage X – 3.6. Slotbeschouwing

    3.6. Slotbeschouwing

    De notaris is een openbaar ambtenaar wiens tussenkomst dwingend
    is voorgeschreven; de notaris heeft door zijn ministerieplicht veel
    minder speelruimte om clinten of diensten te weigeren dan
    bijvoorbeeld de advocaat. Het takenpakket van de notaris is in de
    afgelopen periode uitgebreid. Hij verleent in toenemende mate
    advieswerkzaamheden voor clinten. In de uitoefening van deze
    werkzaamheden is de notaris partijdig.

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>