Bijlage V – 11.2 Inventarisatie van opsporingsmethoden in
BelgiJanuary 1, 1999
11.2 Inventarisatie van opsporingsmethoden in Belgi
11.2.1 De georganiseerde misdaad in Belgi
Hoewel het begrip georganiseerde misdaad ook in Belgi
steeds meer ingeburgerd raakt, hebben vooral de fenomenen groot
banditisme (de Bende van Nijvel) en de hormonenmafia de
gemoederen van het Belgische opsporingsapparaat jarenlang bezig
gehouden. Deze selectieve aandacht heeft geresulteerd in het
ontbreken van een goed beeld van (de ontwikkeling van) de
georganiseerde criminaliteit. Inmiddels is het Centraal bureau
opsporingen (CBO) van de Rijkswacht begonnen met het vaststellen
van een criminaliteitsbeeld. Het CBO stelt vast dat 90
Rijkswachtonderzoeken betrekking hebben op zaken die voldoen aan de
definitie van georganiseerde misdaad. In 1994 zijn 22 onderzoeken
afgesloten. De onderzoeken omvatten in totaal 1.067 verdachten en
6.584 strafbare feiten. Verder blijkt uit een kwalitatieve studie
dat het aantal verdachten, de organisatiegraad en de etnische
samenstelling van deze groepen zeer variren. In het merendeel van
de onderzoeken (86 van de 90) zijn internationale verbindingen
vastgesteld. Verder is in zes op tien gevallen vastgesteld dat
commercile structuren worden gebruikt, in n op twintig van de
onderzoeken is gebruik van geweld vastgesteld en in vier van
twintig gevallen is sprake van benvloeding. Noot
Ten aanzien van de aard van de georganiseerde criminaliteit zijn de
geluiden niet veel anders dan in Nederland: drugs, mensenhandel,
witwassen, grootschalige fraude, en – misschien in iets mindere
mate – milieucriminaliteit.
lees meer
Bijlage V – Tallon-arrestJanuary 1, 1999
Samenvattingen
Infiltratie
lees meer
Bijlage V – LeanderJanuary 1, 1999
Leander
EHRM 26 maart 1987, NJCM-bulletin 13-2 (1988) p. 148-166
(Artt. (6,) 8, 10 en 13 EVRM + 13 Besluit Veiligheidsonderzoeken
Zweden (uitvoeringsinstructie: een geheim KB))
De klacht van Leander kwam er in hoofdzaak op neer dat hem, naar
Zweeds recht onvoldoende mogelijkheden werden geboden zich teweer
te stellen tegen de te zijnen aanzien uitgesproken verdenking een
verhoogd veiligheidsrisico te zijn. Leander wenste in aanmerking te
komen voor een (tijdelijke) aanstelling in openbare dienst bij het
marine-museum. Het betrof een vertrouwensfunctie omdat uit de
hoofde van die functie ook (mogelijk beperkt) toegang zou zijn tot
een aantal magazijnen en historische objecten op de naastgelegen
marinebasis. Het veiligheidsonderzoek omvatte onder meer onderzoek
van gegevens uit een geheim politieregister van de Nationale
politie raad. Het opnemen van gegevens over Leander geschiedde
hoofdzakelijk op grond van een geheim KB uit 1973, een
instructiebesluit ter uitvoering van het Besluit
Veiligheidsonderzoeken 1969. Voor registratie van gegevens en
verstrekking daarvan zouden in genoemd KB allerlei garanties zijn
ingebouwd ter verzekering van de juistheid. Leander vermoedde dat
zijn verleden (dat is zijn vroegere lidmaatschap van de Zweedse
communistische partij, het deel uitmaken van een links-liberaal
tijdschrift, het tijdens zijn diensttijd actief zijn in de
soldatenvakbond en de Zweedse bond voor bouwarbeiders en het maken
van enkele reizen naar Oostbloklanden) de negatieve uitkomst van
het veiligheidsonderzoek had bepaald.
lees meer
Bijlage V – 3.2 Omschrijving methodeJanuary 1, 1999
3.2 Omschrijving methode
Observatie komt in uiteenlopende verschijningsvormen voor. De
traditionele observatie kan statisch of dynamisch zijn. Statische
observatie geschiedt vanuit een vast punt, terwijl bij dynamische
observatie het te observeren object of subject wordt gevolgd.
Gesproken wordt dan ook wel van volgerij, mobiele observatie of
schaduwen. Het gaat dan om het direct, fysiek, heimelijk gadeslaan
en systematisch heimelijk volgen van een persoon of een object, al
dan niet met gebruikmaking van hulpmiddelen. Voor zowel de
statische als voor de dynamische observatie geldt dat deze zowel
incidenteel als stelselmatig kan zijn. Onder het aftappen van
telecommunicatie wordt in de eerste plaats de telefoontap verstaan,
maar sinds kort kan ook de fax worden getapt en opgenomen door een
opsporingsambtenaar evenals ander niet voor het publiek bestemd
gegevensverkeer via de telecommunicatie-infrastructuur. Wel moet
het vermoeden bestaan dat de verdachte daaraan deelneemt. Het
aftappen gaat vooralsnog via de infrastructuur van PTT-Telecom. Het
aftappen via de telecommunicatieinfrastructuur betreft een concreet
aangewezen abonneenummer. Het gaat hier om gegevensverkeer per
telefoon, semafoon, telefax en telex. Het dataverkeer tussen
computers (E-mail) via de telefoonlijn valt er eveneens onder. Dit
laatste ondervindt overigens in de praktijk nog veel technische
problemen.
lees meer
Bijlage V – 5.3 Juridische grondslagJanuary 1, 1999
5.3 Juridische grondslag
Het Wetboek van Strafvordering noch enige andere Nederlandse wet
in formele zin kent de opsporingsmethode infiltratie. Hoewel art. 1
Sv bepaalt dat strafvordering alleen plaats heeft op de wijze bij
de wet voorzien, heeft deze bepaling tot nu toe in de rechtspraak
niet in de weg gestaan aan de toepassing van infiltratie. In de
jurisprudentie is sedert het Tallonarrest (HR 4 december 1979, NJ
1980, 356 m.nt ThWvV) infiltratie als opsporingsmethode erkend.
Reeds in dit arrest kwam de mogelijkheid aan de orde dat de
infiltrant strafbare feiten (mede)pleegt.
lees meer
Bijlage V – 7.3 OntstaansgeschiedenisJanuary 1, 1999
7.3 Ontstaansgeschiedenis
Vanaf het begin van de jaren tachtig werkte het Duitse
Bundeskriminalamt (BKA) samen met de Nederlandse politie bij
gecontroleerde afleveringen. Noot Deze gecontroleerde
afleveringen werden over het algemeen in beslag genomen nadat zij
door de ontvangende organisatie aan anderen waren doorverkocht.
Daarbij speelden zowel de lokale CID-en als de NCID een belangrijke
rol. Het BKA maakte voor de financiering van een deel van dat
traject gebruik van crimineel geld.
lees meer
Bijlage V – 9.4 Gecontroleerde afleveringJanuary 1, 1999
9.4 Gecontroleerde aflevering
9.4.1 Casus
(Mede-)plegen van strafbare feiten
lees meer
Bijlage VI – 12.4 Verhouding tussen de ministeries van
Justitie en Binnenlandse ZakenJanuary 1, 1999
12.4 Verhouding tussen de ministeries van Justitie en
Binnenlandse Zaken
De twee politie-ministeries hebben elk eigen bevoegdheden en
verantwoordelijkheden op het gebied van de rechts- en
ordehandhaving. De spreiding van bevoegdheden en
verantwoordelijkheden die het Nederlandse politiebestel kenmerkt,
komt mede tot uitdrukking in het naast elkaar bestaan van de twee
ministeries. Dat is de prijs die wordt betaald voor het gezochte
evenwicht tussen justitile en bestuurlijke belangen en tussen
centrale en decentrale inspanningen bij de rechts- en
ordehandhaving. Het evenwicht tussen de bevoegdheden en
verantwoordelijkheden van de twee ministeries en de voor- en
nadelen van het bestaan van twee ministeries op dit gebied zijn
voortdurend onderwerp van publieke en politieke, maar zeker ook
ambtelijke discussie. Op verschillende terreinen van de bestrijding
van de georganiseerde criminaliteit hebben de twee ministeries
gedeelde of complementaire bevoegdheden en verantwoordelijkheden.
In veel gevallen zijn de ministers gehouden in overeenstemming dan
wel in of na overleg met elkaar te handelen. Des te opvallender is
het ontbreken van een gestructureerd overleg tussen de beide
ministeries over de georganiseerde criminaliteit en de
opsporingsmethoden. Dit klemt te meer omdat de verdeling van
bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de twee ministeries in
de praktijk niet altijd even duidelijk is. In de praktijk bestaat
bijvoorbeeld nogal eens het misverstand dat de bestrijding van de
georganiseerde criminaliteit het exclusieve domein van Justitie is.
Niet voor niets adviseert de Recherche adviescommissie de beide
ministers over de meest doelmatige inrichting en werking van de
recherchediensten van de politie en over de uitrusting van die
diensten met apparatuur en technische hulpmiddelen. Binnenlandse
Zaken en Justitie hebben beide via het beheer invloed
op de kernteams.
Zolang als er twee politie-ministeries zijn, is er discussie over
de voor- en nadelen daarvan en worden voorstellen gedaan om tot n
politie-ministerie te komen. De commissie-Donner constateert dat
het gebrek aan slagvaardigheid terzake op landelijk niveau, met
name door het dooreen lopen van de verantwoordelijkheden van twee
bewindspersonen en hun beider apparaten, door velen binnen en
buiten het OM wordt ervaren als een zelfstandige factor van
belemmering voor een effectief gezag over de politie.
Noot Volgens sommigen zou de bundeling van de centrale
verantwoordelijkheid binnen n ministerie de bestrijding van de
georganiseerde criminaliteit ten goede komen.
lees meer
Bijlage VI – 4.3 Beslissingen over de keuze van zaken en
methodenJanuary 1, 1999
4.3 Beslissingen over de keuze van zaken en methoden
4.3.1 Zaken
Omdat de regionale, centrale recherche-eenheden in grootte
variren, verschilt ook het aantal onderzoeken dat de centrale,
tactische recherche-afdelingen per jaar tot een einde brengen. Het
gaat om tussen de n en zeven zaken. Meer dan de helft van het
aantal onderzoeken dat de regionale rechercheteams doen, heeft
betrekking op drugs. Daarnaast treffen we in volgorde van afnemende
hoeveelheid respectievelijk onderzoeken aan naar fraude en
witwassen, hooggeorganiseerde overvallen en afpersingen,
georganiseerde autodiefstallen, levensdelicten, vrouwenhandel en
milieuzaken.
lees meer
Bijlage VI – 6.5 Beslissingen over de keuze van zaken en
methodenJanuary 1, 1999
6.5 Beslissingen over de keuze van zaken en methoden
6.5.1 Zaken
De keuze van onderzoeken van de kernteams en het LRT geschiedt
door het College van procureurs-generaal op voordracht van het
Cordinerend beleidsoverleg (CBO). Het CBO moet bij de advisering
over de onderzoeksdoelen van de kernteams en van het LRT het
landelijke en het internationale belang voorop stellen. Maar de
systematiek van de – doorgaans ressortelijk ingedeelde – kernteams
brengt met zich mee dat het ressortelijke/interregionale belang
veel gewicht in de schaal legt. Inmiddels wordt het gewicht dat aan
ressortelijke/interregionale belangen wordt toegekend, als te zwaar
ervaren en daarmee als probleem onderkend.
lees meer
Bijlage VI – 8.5 Informatievergaring, -opslag en
-verstrekkingJanuary 1, 1999
8.5 Informatievergaring, -opslag en -verstrekking
8.5.1 Wettelijk kader
Artikel 13, eerste lid, WIV schrijft voor dat de diensten
elkaar, mede door het verschaffen van gegevens, zoveel mogelijk
medewerking verlenen. De mogelijkheid tot informatieuitwisseling
tussen de Binnenlandse veiligheidsdienst en de Militaire
Inlichtingendienst is daarmee onbegrensd. In artikel 14 WIV is de
zorg voor geheimhouding van gegevens en bronnen alsmede voor de
veiligheid van personen met wier medewerking gegevens worden
verzameld, opgedragen aan de cordinator van de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten en de hoofden van deze diensten. De bepaling
biedt daarmee onder meer bescherming aan informanten en
agenten.
lees meer
Bijlage VII – II.2. De definitie van georganiseerde
criminaliteit in dit onderzoekJanuary 1, 1999
II.2. De definitie van georganiseerde criminaliteit in dit
onderzoek
Door georganiseerd te werken zijn mensen in staat grote
prestaties te leveren. Georganiseerd staat voor doelgerichte
samenhandeling en rationele arbeidsdeling. Het is niet overdreven
om te stellen dat het huidige peil van welvaart zonder de inbreng
van informele en formele organisaties nooit zou zijn bereikt. Het
begrip georganiseerde criminaliteit drukt treffend de ongerijmdheid
uit dat deze functionele samenwerkingsvorm tegelijkertijd ook
bedreigend kan zijn voor de samenleving. De samenleving
wordt met haar eigen wapens bestreden.
lees meer
Bijlage VII – V.2. De horecaJanuary 1, 1999
V.2. De horeca
De horeca in Nederland is over het algemeen een goed lopende,
bloeiende sector waarin veel geld omgaat. Mede vanwege de lage
toetredingseisen komen er nog steeds veel caf’s, restaurants en
snackbars bij en hun gezamelijke omzet stijgt. In totaal zijn er
bijna 40.000 horecagelegenheden in ons land. Het is een financieel
interessante branche waarin veel wordt verdiend. De gemakkelijke
toetredingsvoorwaarden trekken veel onervaren en laag opgeleide
ondernemers aan die niet altijd opgewassen zijn tegen de realiteit
van het horecabedrijf. Vooral voor de kleinere bedrijven in de
grote steden wordt de spoeling steeds dunner en is de concurrentie
zwaar. Ruim een kwart van de cafetariahouders heeft directe
concurrentie van vijf of meer andere snackbar-uitbaters, nog eens
60 procent ondervindt broodstrijd van n tot vijf
collega-ondernemers (Lenting en partners, 1991). De
modegevoeligheid van het uitgaanspubliek vergt ondernemersinzicht n
kapitaal voor nieuwe investeringen. Door een stijging van de kosten
balanceert een aantal kleine horecabedrijven op de grens van het
faillissement. De toenemende plaatsingsbeperking van speelautomaten
kan voor velen de zaak naar de verkeerde kant doen overhellen.
Minder vermogende horeca-uitbaters vinden hun financiering zelden
bij de reguliere geldinstellingen en zijn aangewezen op leningen
van brouwerijen en – in toenemende mate – van
speelautomatenexploitanten. Zo worden velen van hen afhankelijk van
geldschieters die hun financile belangen in deze sector hebben
geconcentreerd. Vooral de zwakke broeders onder de
horeca-exploitanten hebben hierin weinig keus.
lees meer
Bijlage VII – VIII.1. De ernst van de situatieJanuary 1, 1999
VIII.1. De ernst van de situatie
De vraag van de Enqutecommissie naar de aard en omvang van de
georganiseerde criminaliteit in Nederland is in wezen dezelfde
vraag als die naar de ernst van de georganiseerde criminaliteit in
dit land. Dat aard en omvang en ernst hier aan elkaar gelijkgesteld
kunnen worden blijkt duidelijk uit het rapport Opsporing
gezocht van de werkgroep-Van Traa en ook uit de parlementaire
discussie die over dit rapport heeft
plaatsgevonden met het oog op de instelling van de Enqutecommissie.
De herformulering van de vraag naar de aard en omvang in de vraag
naar de ernst is desalniettemin niet zonder betekenis. Z
geformuleerd brengt deze vraag ons namelijk dichter bij de
parallelle vraag die in dit verband aan de orde is, nl. de vraag
naar wat er kan en misschien moet worden gedaan om de
georganiseerde criminaliteit effectiever en als het kan, efficinter
aan te pakken. Hoe ernstiger dit probleem immers is, des te
ingrijpender middelen, ook in de sfeer van de opsporingsmethoden,
zijn geboden om het te beheersen (Fijnaut en Marx, 1995). Ook
volgens Amerikaans onderzoek moet de ernst van het probleem van
georganiseerde criminaliteit niet alleen worden uitgedrukt in de
aard en in de omvang van die criminaliteit maar ook in de schade
die zij aanricht (Maltz, 1990). Idealiter zou ter bepaling van de
ernst van een probleem van georganiseerde criminaliteit, in een
land of in een stad, dus zowel de aard en de omvang als de schade
van deze criminaliteit moeten worden vastgesteld. Welnu, dit ideaal
is nog nooit ergens ter wereld op een verantwoorde manier bereikt,
niet in kwalitatieve termen, laat staan in kwantitatieve termen.
Zelfs voor die vorm van georganiseerde criminaliteit die ook
beleidsmatig zo prominent de aandacht trekt, de internationale
drugshandel, is wereldwijd of nationaal geen adequate ernstmeting
voorhanden.
lees meer
Bijlage VIII – 1. ALGEMENE INLEIDINGJanuary 1, 1999
1. ALGEMENE INLEIDING
De Parlementaire Enqutecommissie Opsporingsmethoden moet onder
meer antwoord geven op de vraag: wat is de aard en omvang van de
georganiseerde criminaliteit in Nederland? Het zal duidelijk zijn
dat deze eenvoudige vraag – wil men recht doen aan de werkelijkheid
die erin besloten ligt – slechts op een complexe manier kan worden
beantwoord. Een van de manieren waarop in dit onderzoeksproject
naar een antwoord is gezocht, is door na te gaan welke groepen zich
op welke manieren met welke vormen van georganiseerde criminaliteit
bezighouden. Een deel van de resulaten van dit onderzoek is
neergelegd in het rapport over de rol van buitenlandse en
allochtone groepen in de georganiseerde criminaliteit in Nederland.
Het andere deel is vervat in dit rapport over de rol van autochtone
groepen. In het eerstgenoemde rapport wordt reeds in de inleiding
geschetst hoe in het algemeen wordt gedacht over de rol van
buitenlandse en allochtone groepen in de georganiseerde
criminaliteit in Nederland, en wordt vervolgens per hoofdstuk (per
groep) dit beeld verfijnd. Het ligt voor de hand om in dit rapport
een wat andere werkwijze te volgen. Eerst wordt, in hoofdstuk 2,
het bestaande beeld van de geschiedenis van de georganiseerde
criminaliteit in Nederland behandeld. In de daaropvolgende
hoofdstukken worden dan de resultaten van het eigen onderzoek naar
de tegenwoordige toestand van de georganiseerde criminaliteit
weergegeven.
lees meer
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>