Bijlage V – 11.4 Inventarisatie van opsporingsmethoden in
Engeland en WalesJanuary 1, 1999
11.4 Inventarisatie van opsporingsmethoden in Engeland en
Wales
11.4.1 De georganiseerde misdaad in Engeland en Wales
De aard, ernst en omvang van de georganiseerde misdaad is
onderzocht door het Home Affairs Committee van het Britse
Lagerhuis. Noot De omvang is aanzienlijk en groeiende.
De committee uit haar ernstige bezorgheid en vraagt de regering
effectieve preventieve maatregelen te nemen.
lees meer
Bijlage V – KeukenkastjeJanuary 1, 1999
Keukenkastje
HR 28 mei 1985, NJ Sv, 1985, 822 m.nt ThWvV
(Artt. 97 lid 1 sub 1SV, 2 lid 1 sub C en 9 Opiumwet
(oud))
Rechtsvraag:
Was het tegen de wil van de bewoners binnen treden, waarna cocane
werd aangetroffen bij het onderzoek in de keukenkastjes (een naast
de geiser hangend kastje), welk onderzoek zonder toestemming en
zonder te hebben voldaan aan de (oude) voorwaarden voor een
huiszoeking, onbevoegd geschied? Mag de gevonden cocane (49,6 gram)
voor het bewijs van het tenlastegelegde meewerken?
lees meer
Bijlage V – Tijdelijk registerJanuary 1, 1999
Tijdelijk register
HR 7 februari 1995, NJ 1995, 308
(Artt. 13 WPolR en 8 BPolR)
Het gaat in deze zaak om de beantwoording van de vraag of het
verwerken in processen-verbaal van persoonsgegevens uit
politieregisters die niet voldoen aan de vereisten gesteld (..) in
de WPolR moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar
ministerie dan wel uitsluiting van de in de processen-verbaal
vervatte bewijsmiddelen. Dit cassatiemiddel steunt, blijkens de
behandeling door de Hoge Raad, op twee gronden:
1. In de ten aanzien van het merendeel van de tenlastegelegde
feiten opgemaakte processen-verbaal zijn persoonsgegevens verwerkt,
voor de registratie waarvan in strijd met het bepaalde in de WPolR
niet een tijdelijk register als bedoeld in art. 13 van die wet is
aangelegd.
lees meer
Bijlage V – 3.4 Feitelijk gebruikJanuary 1, 1999
3.4 Feitelijk gebruik
3.4.1 Algemeen
Dynamische observatie vindt plaats door het subject op enige
afstand te volgen, zowel op de openbare weg als in voor het publiek
toegankelijke ruimten, middelen van openbaar vervoer enzovoorts.
Soms wordt hierbij gebruik gemaakt van technische hulpmiddelen
zoals verrekijkers en beeldregistratie-apparatuur. Dergelijke
activiteiten worden als regel uitgevoerd door een observatieteam
(OT), een team van opsporingsambtenaren dat hiervoor speciaal is
opgeleid en uitgerust.
lees meer
Bijlage V – 5.5 Controle en samenwerkingJanuary 1, 1999
5.5 Controle en samenwerking
5.5.1 De politie
De organisatie van de politile infiltratie is in handen van de
ANCPI en de PIT’s. Een politile infiltrant wordt tijdens zijn
optreden bijgestaan door een begeleidingsteam dat bestaat uit twee
of meer begeleiders. Deze begeleiding geschiedt onder
verantwoordelijkheid van de chef van het PIT en niet van het
kernteam of het regionale korps dat om de infiltratie heeft
verzocht.
lees meer
Bijlage V – 7.5 Commissie-Wierenga en politieke
besluitvormingJanuary 1, 1999
7.5 Commissie-Wierenga en politieke besluitvorming
7.5.1 Instelling en rapport commissie-Wierenga
Op 26 januari 1994 lichtten de ministers van Justitie en van
Binnenlandse Zaken de Kamer in over de opheffing van het IRT.
Noot In deze brief werd gesproken over het uit de hand
lopen van een op zichzelf geoorloofde methode. In de brief en in
het daarop volgende debat werd een nader onderzoek toegezegd.
lees meer
Inhoud Bijlage VIJanuary 1, 1999
Bijlage VI – Organisatie van de opsporing
1 ALGEMENE INLEIDING
lees meer
Bijlage VI – 1 ALGEMENE INLEIDINGJanuary 1, 1999
1 ALGEMENE INLEIDING
De commissie heeft als een van haar opdrachten gekregen
onderzoek te doen naar de organisatie, het functioneren van en de
controle op de opsporing. De resultaten van dit onderzoek zijn in
de voorliggende bijlage opgenomen.
lees meer
Bijlage VI – 4.5 Sturing van en controle op de tactische
rechercheJanuary 1, 1999
4.5 Sturing van en controle op de tactische recherche
4.5.1 De korpsbeheerder Noot
De korpsbeheerders achten het in het algemeen voldoende als politie
en openbaar ministerie aangeven dat er voldoende menskracht wordt
ingezet voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.
Noot Zij hebben als burgemeester en als voorzitter van
het regionaal college daarnaast groot belang bij de plaatselijke
criminaliteitsbestrijding. Het is waarschijnlijk geen toeval dat de
burgemeesters van de grote steden voorop lopen in de strijd tegen
de georganiseerde misdaad. Juist in die steden is de overlast van
die vorm van misdaad merkbaar. Dat betekent echter niet dat zij
steeds zeer precies worden genformeerd over de gang van zaken bij
grote onderzoeken.
lees meer
Bijlage VI – 6.7 Sturing en controleJanuary 1, 1999
6.7 Sturing en controle
6.7.1 De korpsbeheerders en de korpsleiding
De kernteams zijn beheers- en gezagsmatig ondergebracht bij
bepaalde regiokorpsen en arrondissementen. Formeel ligt de
beheersverantwoordelijkheid bij de korpsbeheerder van het
regiokorps waar het team is gevestigd. Dat zijn de drie grote
steden, Haarlem (kernteam Randstad Noord en Midden), Eindhoven
(kernteam Zuid) en Zwolle (kernteam Noord-Oost-Nederland). Toch
achten de korpsen die aan de kernteams personeel leveren, zich
hiermee nog niet ontslagen van alle verantwoordelijkheden.
lees meer
Bijlage VI – 9.1 InleidingJanuary 1, 1999
9 OPENBAAR MINISTERIE
9.1 Inleiding
9.1.1 Algemene introductie
Het openbaar ministerie (OM) is belast met de strafrechtelijke
handhaving der rechtsorde. Daartoe beschikt het OM over het
vervolgingsmonopolie en draagt de officier van justitie het gezag
over de opsporing. Verder heeft het OM verschillende andere taken,
zoals de tenuitvoerlegging van rechterlijke vonnissen en, sinds de
inwerktreding van de Politiewet 1993, taken die voortvloeien uit
het medebeheer van de politie. In dit hoofdstuk staat de rol van
(de leden van) het OM bij de opsporing centraal. Met name in het
kader van die taak komt het openbaar ministerie in aanraking met de
georganiseerde criminaliteit en worden door het OM
opsporingsmethoden ingezet.
lees meer
Bijlage VII – III.1. InleidingJanuary 1, 1999
III. MOGELIJKHEDEN EN BEPERKINGEN VAN ONDERZOEK NAAR
GEORGANISEERDE
III.1. Inleiding
Het doen van wetenschappelijk onderzoek naar georganiseerde
criminaliteit is een hachelijke onderneming. In het voorgaande
hoofdstuk is als een van de drie kenmerken van georganiseerde
criminaliteit genoemd het vermogen om zich op betrekkelijk
effectieve wijze af te schermen. Georganiseerde criminaliteit is
dan ook voor wetenschappelijk onderzoekers een veel minder
toegankelijk onderzoekterrein dan bijvoorbeeld voetbalvandalisme of
druggebruik. Daarenboven zijn de traditionele informatiebronnen van
criminologische wetenschap, zoals de politie en slachtoffers,
doorgaans weinig toeschietelijk bij het verlenen van medewerking
aan onderzoek naar georganiseerde criminaliteit. De politie wil
niet graag haar informatiepositie prijsgeven (Reuter en Rubinstein,
1978) en slachtoffers zijn dikwijls beducht om te spreken. Het is
gemakkelijker om winkeliers over winkeldiefstal te interviewen dan
horeca-ondernemers over gedwongen protectie in hun bedrijfstak.
lees meer
Bijlage VII – V.4. De autobrancheJanuary 1, 1999
V.4. De autobranche
Voor criminele groepen die op grote schaal in gestolen auto’s
handelen is het aantrekkelijk om samenwerking te zoeken met
bonafide bedrijven. Het feit dat er per jaar ongeveer 5 tot 7.000
auto’s niet terug worden gevonden maakt duidelijk dat er wel
samenwerking met garagebedrijven in Nederland moet zijn. Criminele
groepen moeten voor deze illegale handel beschikken over veel
deskundigheid. Voor de levering van nummerplaten, valse
kentekenbewijzen, het plaatsen van nieuwe sloten, het veranderen
van chassisnummers en het eventueel overspuiten van auto’s is veel
vakkennis nodig en veel handelingen kunnen ook niet op straat en in
het openbaar gebeuren. Daarvoor heeft een criminele groep een
gespecialiseerde werkplaats nodig en vakspecialisten om de diverse
werkzaamheden uit te voeren. Voor criminele groepen of andere
professionele daders is het nauwelijks interessant een volledig
garagebedrijf op te kopen en dit zelf te voorzien van apparatuur en
personeel. De kans dat een garage zonder klanten op de een of
andere manier bij de politie bekend wordt, is redelijk groot; het
kan via de legale handelsactiviteiten de illegale niet goed
camoufleren. Wanneer toch een normaal garagebedrijf wordt opgekocht
neemt de afhandeling van de (noodzakelijke) gewone clientle te veel
tijd in beslag, is de administratieve rompslomp te groot in
verhouding tot de opbrengsten en komt er controlerend personeel van
diverse instanties over de vloer. Infiltratie van garages is met
andere woorden onaantrekkelijk voor criminele groepen. Ook de
beperkte hoeveelheid geld die via dit type bedrijven kan worden
witgewassen, maakt deze optie minder interessant.
lees meer
Bijlage VII – VIII.3. Verwachtingen voor de nabije
toekomstJanuary 1, 1999
VIII.3. Verwachtingen voor de nabije toekomst
Vorenstaande kwesties doen allicht de vraag rijzen naar de
ontwikkeling van de georganiseerde criminaliteit in Nederland in de
komende jaren. Deze vraag is echter gemakkelijker gesteld dan
beantwoord. Niet alleen is het onderzoek zomaar om te zetten in
bouwstenen voor een voorspelling van wat komen gaat, maar ook het
feit dat – vanuit methodologisch oogpunt gezien – niet verantwoord
om de resultaten van een hoofdzakelijk descriptief de
georganiseerde criminaliteit tegenwoordig zo internationaal van
karakter is en er op allerhande plaatsen in de wereld op grotere en
kleinere schaal allerlei maatregelen tegen worden genomen, maakt
het inderdaad zeer moeilijk om vooruit te zeggen wat er de komende
jaren gaat gebeuren. Waar dan nog bij komt dat eigenlijk niet van
de georganiseerde criminaliteit kan worden gesproken, maar telkens
weer opnieuw moet worden gevarieerd naar de aard van de betrokken
criminele groepen en de illegale activiteiten die zij organiseren.
Het verklarend inzicht in de vroegere en gaande ontwikkeling van de
georganiseerde criminaliteit in Europa is niet zo groot dat voor
allerlei vormen van georganiseerde criminaliteit kan worden bepaald
hoe zij er de komende jaren uit zullen gaan zien. Toch is het,
zeker vanuit een oogpunt van beleid, alleszins redelijk om naar de
toekomst van de georganiseerde criminaliteit te vragen. En dus kan
het niet onredelijk zijn om hier tenminste in grote lijnen enkele
verwachtingen voor haar toekomst aan het papier toe te vertrouwen.
Deze verwachtingen zijn mede gebaseerd op de weinige publikaties
waarin met meer of minder succes is geprobeerd enkele gedachten te
formuleren omtrent de ontwikkeling van de georganiseerde
criminaliteit in de toekomst, wereldwijd, op Europees niveau, in
sommige landen om ons heen (United Nations, 1994; Williams, 1995;
Carter, s.d.; Joutsen, 1993; Bundeskriminalamt, 1995).
lees meer
Bijlage VIII – 4.4. Tot besluitJanuary 1, 1999
4.4. Tot besluit
Over Nederland ligt een wirwar van de meest verschillende
criminele netwerken. Organisaties als de Hells Angels, cliques als
die welke in het Zuiden de synthetische drugs produceren, en
individuen zoals we die hebben aangetroffen in het algemene
netwerk, vormen de middelpunten van deze netwerken. Een aantal van
die netwerken staat zowel op nationaal niveau als op regionaal en
lokaal niveau voortdurend met elkaar in contact. Met andere
woorden: er zou op dit middenniveau van de georganiseerde
criminaliteit wel eens meer orde kunnen heersen dan de chaos, die
men hier bij de eerste aanblik waarneemt, suggereert. Met name de
verbindingen tussen de top-groepen en de criminele netwerken zijn
in dit verband van groot belang. Maar ook de belangrijke rol van de
schakels tussen de interregionale en landelijke netwerken enerzijds
en de lokaal-opererende groepen anderzijds mag niet worden
veronachtzaamd. Want deze basisgroepen vormen in menig opzicht het
draagvlak voor de georganiseerde criminaliteit op de hogere
niveau’s.
lees meer
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>