Kroongetuige St. Maarten
HR 15 februari 1994, NJ 1994, 322 m.nt. AHJS
HR 15 februari 1994, NJ 1994, 322 m.nt. AHJS
De commissie heeft als een van haar opdrachten gekregen
onderzoek te doen naar de feitelijke toepassing, de rechtmatigheid,
het verantwoord zijn en de effectiviteit van de opsporingsmethoden.
De resultaten van dit onderzoek zijn in de voorliggende bijlage
neergelegd.
1. Misdaadanalyse is het opsporen en inzichtelijk maken van
verbanden tussen criminaliteitsgegevens onderling en andere
mogelijk relevante gegevens met het oog op de praktijk van politie
en justitie. Enerzijds kan misdaadanalyse gericht zijn op direct
toepasbare resultaten voor de opsporings- en vervolgingspraktijk
(operationele analyse), anderzijds kan de analyse een rol spelen in
de bepaling van het beleid (strategische analyse).
Wet politieregister
De verantwoordelijkheid voor de aanpak van de georganiseerde
criminaliteit wordt door korpsbeheerders verschillend gevoeld en
ingevuld. En korpsbeheerder stelt dat hij verantwoordelijk is voor
de aanpak van de georganiseerde criminaliteit met dien verstande
dat er bepaalde criteria worden aangegeven. Dat is vrij globaal,
hij hoeft niet van zaak tot zaak op de hoogte te worden gehouden,
maar de medeverantwoordelijkheid voor het personeel moet volgens
hem vorm kunnen krijgen. Een andere korpsbeheerder zegt zich op
afstand te bemoeien met de bestrijding van de georganiseerde
criminaliteit:
De CID is doorgaans – zij het niet overal in gelijke mate – nauw
betrok ken bij de keuze welke zaken moeten worden aangepakt. In
beginsel besluiten de RCID-chef, de tactische chef en de officier
van justitie, die be last is met georganiseerde criminaliteit,
welke grote zaken worden aangepakt. De beslissing over kleine en
middelgrote zaken wordt primair genomen op het niveau van
districten en basiseenheden. Het overleg over grote zaken, dat in
elk korps (onder verschillende benamingen) bestaat, kan worden
aangeduid als het overleg of platform voor de bestrijding van de
georganiseerde criminaliteit. Noot Binnen de
onderscheiden Divisies zware criminaliteit of vergelijkbare
platforms van de korpsen weegt bij de beleidskeuzen de voorhanden
zijnde tactische informatie vaak zwaarder dan de CID-informatie.
Dat is opmerkelijk, tegen het licht van de eerder gemaakte
vaststelling dat het verzamelen van inlichtingen ertoe dient de
opsporing te sturen. Ten behoeve van de prioriteitsstelling en de
keuze van onderzoek naar georganiseerde misdaad zou de RCID
de verzamelde informatie behoren te analyseren, teneinde
voorstellen te doen omtrent aan te pakken zaken of criminele
groeperingen. Daarbij zou dan uit de analyse moeten blijken of een
zaak voldoet aan de criteria van de CRI inzake
georganiseerde misdaad. In de praktijk geeft de RCID in dat
opzicht slechts zelden uitgewerkte analyses. Het lijkt er soms
eerder op dat de CID zaken entameert louter op grond van een
verhaal van een informant.
De rol van de korpsbeheerder in relatie tot de ondersteunende
diensten is beperkt. Hij kan een rol spelen met betrekking tot een
eventuele begeleidingscommissie. Zo vermeldt het Convenant
betreffende de ressortelijke arrestatieteams van de regionale
politiekorpsen in Rotterdam-Rijnmond, Haaglanden, Hollands-Midden,
Zuid-Holland-Zuid en Zeeland dat er een Begeleidingscommissie
eenvormige AT-zorg moet zijn. En van de vijf leden van die
commissie wordt door een korpsbeheerder aangewezen. Deze
commissie bestaat uit de plaatsvervangend korpschef Hollands
Midden, een officier van justitie uit Dordrecht, een Zeeuwse
burgemeester, niet zijnde de Zeeuwse korpsbeheerder, maar
wel op diens voordracht, de chef Regionale operationele
ondersteunende diensten (ROOD) uit Rotterdam-Rijnmond en de chef
Centrale taken uit Haaglanden.
De Dienst recherchezaken van het ministerie van VROM is een
bijzondere opsporingsdienst die rechtstreeks ressorteert onder de
secretaris-generaal. Het landelijk werkterrein is verdeeld in drie
regio’s – West, Noord-Oost en Zuid. Op dit moment zijn er 74
personen werkzaam, vrijwel allen met tien tot vijftien jaar
politie-ervaring, een VROM-opleiding en een SPD-diploma
boekhouden.
In de voorbije decennia is er in Nederland niet alleen veel
gediscussieerd over het probleem van de georganiseerde
criminaliteit, maar is er ook heel wat beleid ontwikkeld om dit
probleem te beheersen. Niettemin stak telkens weer de vraag naar de
werkelijke proporties van die criminaliteit de kop op. Een van de
redenen hiervan was het gebrek aan wetenschappelijk onderzoek om
deze vraag afdoende te beantwoorden. Hierom is het niet
verwonderlijk dat de Parlementaire Enqutecommissie
Opsporingsmethoden onder andere de opdracht kreeg om een oordeel
uit te spreken over aard, omvang en ernst van de georganiseerde
criminaliteit in Nederland. Om zich van dit deel van haar opdracht
te kwijten heeft de Enqutecommissie in het begin van 1995 prof. dr.
C.J.C.F. Fijnaut (Instituut voor Strafrecht, Katholieke
Universiteit Leuven, en Vakgroep Strafrecht en Criminologie,
Erasmus Universiteit Rotterdam) verzocht om een kleine
onderzoeksgroep samen te stellen. Het overleg omtrent dit verzoek
resulteerde in februari van dit jaar in de vorming van een
onderzoeksgroep waarvan – naast genoemde – ook deel hebben
uitgemaakt: prof. dr. F. Bovenkerk (Willem Pompe Instituut voor
Strafrechtswetenschappen, Universiteit Utrecht), prof. dr. G.J.N.
Bruinsma (Internationaal Politie Instituut Twente, Universiteit
Twente) en prof. dr. H.G. van de Bunt (Vakgroep Criminologie, Vrije
Universiteit Amsterdam en directeur van het Wetenschappelijk
Onderzoek- en Documentatiecentrum, Ministerie van Justitie). Zij
zijn op 1 maart 1995 begonnen aan de uitvoering van hun taak: een
onderzoek naar aard, omvang en ernst van de georganiseerde
criminaliteit in Nederland. Bij de uitvoering van sommige
deelonderzoeken werd prof. dr. H.G. van de Bunt geassisteerd door
drs. H. Nelen en dr. H. Werdmlder (Wetenschappelijk Onderzoek- en
Documentatiecentrum), prof.dr. F. Bovenkerk door drs. A. Lempens
(Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen) en drs. N.
van de Ven (Divisie Centrale Recherche Informatie, Korps Landelijke
Politiediensten), en Prof. dr. G.J.N. Bruinsma door drs. E.R.
Kleemans (Internationaal Politie Instituut Twente).
De handel in vrouwen wordt ook in deze tijd nog beschouwd als de
meest karakteristieke vorm van mensenhandel (Adviescommissie
etc.,1992). Algemeen wordt aangenomen dat het er bij dit soort
handel om gaat dat vrouwen onder dwang tot prostitutie worden
gebracht. In Nederland wordt sedert het begin van de jaren tachtig
beleidsmatig veel aandacht besteed aan de (bestrijding van)
vrouwenhandel, maar dit wil niet zeggen dat er sindsdien een beter
beeld van de aard en omvang van deze vorm van criminaliteit is
ontstaan (Fijnaut, 1993; Van Mens, 1992). De voornaamste reden
hiervan is dat er nog nooit een systematisch onderzoek naar het
dark number van dit delict is ingesteld. De landelijke
cijfers die omtrent vrouwenhandel beschikbaar zijn, weerspiegelen
slechts de gevallen die bij de ene of de andere instantie bekend
zijn geworden. De
werkelijke omvang van de vrouwenhandel in Nederland is dus
onbekend. En het viel buiten de perken van het onderhavige
onderzoek om meer licht te brengen in zijn dark number. In
de periode 1988 – 1994 kreeg de Stichting tegen Vrouwenhandel een
toenemend aantal meldingen van vrouwenhandel. Dit aantal schommelde
in de eerste jaren van deze periode rond de 70, in de latere jaren
(1993 en 1994) liep het spectaculair op, tot 88 respectievelijk
168. Sedert het begin van de jaren negentig heeft een toenemend
aantal van deze meldingen betrekking op gevallen van vrouwenhandel
waarbij daders en slachtoffers afkomstig zijn uit Midden- en
Oost-Europa, met name uit Rusland, Oekrane, Hongarije, Tsjechi en
Polen (International Organization for Migration, 1995). Het aantal
meldingen dat resulteerde in een aangifte hield volgens de gegevens
van de genoemde Stichting geen gelijke tred met de stijging van het
aantal meldingen als zodanig. Zo werden in 1992 36 aangiften
gedaan, in 1993 54 en in 1994 67 (Stichting tegen Vrouwenhandel,
1994). Dat lang niet alle aangiften (al dan niet gedaan met de hulp
van de Stichting) uitmonden in heuse strafzaken, is overigens
gebleken uit het onderzoek van De Boer (1994). Zij registreerde in
1988 12 van zulke zaken, in 1989 8, in 1990 2, in 1991 3 en in 1992
10.
In dit hoofdstuk is de aandacht gevestigd op de wijzen waarop
bruggen worden geslagen tussen criminele groepen en de wettige
maatschappelijke omgeving. De door misdrijf verkregen gelden vormen
de belangrijkste schakel tussen beide werelden. In de wettige
wereld leveren sommige vrije-beroepsbeoefenaars deskundige adviezen
om misdaadgeld op een veilige manier te besteden. Bovendien dragen
de uitstraling van eerlijkheid en onafhankelijkheid van het ambt en
de waarde die wordt toegekend aan de bescherming van de
vertrouwensrelatie met de clint er aan bij dat de beroepsbeoefenaar
niet snel de verdenking op zich zal laden dat hij verwijtbaar
betrokken is bij het afschermen van misdaadgeld. Naast dergelijke
personen worden ook bestaande, op zichzelf legale juridische en
financile constructies gebruikt om misdaadgeld weg te sluizen in de
legale economie. Zo kunnen bijvoorbeeld de juridische en
economische eigendom worden gesplitst om het bezit van misdaadgeld
een schijnbaar legale status te geven.
In de loop van 1987 komt er toch enige reactie op de politile
berichten dat de groothandel in hash toch een andere zaak is dan
het huis-tuin-en-keuken-gebruik van deze drug. Eind dat jaar wordt
er een speciaal politieteam opgericht dat in kaart moet brengen wie
er zitten achter de veelvuldige aanlandingen van hash op de kust
van Noord-Holland en Friesland en op de Waddeneilanden.
Welk onderzoek werd verricht? Evenals de andere deelonderzoeken
is ook dit onderzoek in hoge mate gestuurd door de definitie van
georganiseerde criminaliteit die voor heel het onderzoeksproject
tot uitgangspunt is gekozen. Er is sprake van georganiseerde
criminaliteit wanneer groepen van personen uit winstbejag op een
systematische manier misdaden plegen die ernstige gevolgen voor de
samenleving hebben en zij hun illegale optreden op allerhande
manieren, maar in het bijzonder door (dreiging met) geweld of
corruptie trachten af te schermen tegen gericht optreden van de
overheid hiertegen. Gewoonlijk wordt deze criminaliteit overwegend
geassocieerd met de levering van illegale goederen en diensten op
bijbehorende zwarte markten (prostitutie, gokken, drugs). Zeker zo
belangrijk zijn echter de vormen van georganiseerde criminaliteit
waarbij illegale activiteiten worden ontplooid om geld te verdienen
in legale bedrijfstakken en nijverheden. En
tenslotte mag men niet uit het oog verliezen dat groepen van
personen die zich schuldig maken aan bovengenoemde vormen van
georganiseerde criminaliteit, ook betrokken kunnen zijn bij het
plegen van heel andere delicten, zoals Europese-Unie-fraude en
kidnapping.
De Turkse mafia heeft zich vanaf 1980 razendsnel over de
verschillende Europese landen verspreid dankzij het grote aantal
gastarbeiders dat zich er eertijds heeft gevestigd en de families
die via volgmigratie zijn herenigd. Thans wonen en werken 2,3
miljoen Turken in het buitenland (dat is 4% van de gehele bevolking
die 57 miljoen groot is). De grootste Turkse
emigrantengemeenschappen bevinden zich in Duitsland (1,8 miljoen),
Nederland, Zweden, Belgi en Frankrijk. Overal is een deel van de
oorspronkelijke gastarbeiders sedert het einde van de jaren
zeventig zonder werk en dat maakt hen ontvankelijk voor een entree
in de georganiseerde misdaad.