• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • Bijlage V – 11.4 Inventarisatie van opsporingsmethoden in Engeland en Wales

    11.4 Inventarisatie van opsporingsmethoden in Engeland en
    Wales

    11.4.1 De georganiseerde misdaad in Engeland en Wales

    De aard, ernst en omvang van de georganiseerde misdaad is
    onderzocht door het Home Affairs Committee van het Britse
    Lagerhuis. Noot De omvang is aanzienlijk en groeiende.
    De committee uit haar ernstige bezorgheid en vraagt de regering
    effectieve preventieve maatregelen te nemen.

    lees meer

    Bijlage V – Keukenkastje

    Keukenkastje

    HR 28 mei 1985, NJ Sv, 1985, 822 m.nt ThWvV
    (Artt. 97 lid 1 sub 1SV, 2 lid 1 sub C en 9 Opiumwet
    (oud))

    Rechtsvraag:
    Was het tegen de wil van de bewoners binnen treden, waarna cocane
    werd aangetroffen bij het onderzoek in de keukenkastjes (een naast
    de geiser hangend kastje), welk onderzoek zonder toestemming en
    zonder te hebben voldaan aan de (oude) voorwaarden voor een
    huiszoeking, onbevoegd geschied? Mag de gevonden cocane (49,6 gram)
    voor het bewijs van het tenlastegelegde meewerken?

    lees meer

    Bijlage V – Tijdelijk register

    Tijdelijk register

    HR 7 februari 1995, NJ 1995, 308
    (Artt. 13 WPolR en 8 BPolR)
    Het gaat in deze zaak om de beantwoording van de vraag of het
    verwerken in processen-verbaal van persoonsgegevens uit
    politieregisters die niet voldoen aan de vereisten gesteld (..) in
    de WPolR moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar
    ministerie dan wel uitsluiting van de in de processen-verbaal
    vervatte bewijsmiddelen. Dit cassatiemiddel steunt, blijkens de
    behandeling door de Hoge Raad, op twee gronden:
    1. In de ten aanzien van het merendeel van de tenlastegelegde
    feiten opgemaakte processen-verbaal zijn persoonsgegevens verwerkt,
    voor de registratie waarvan in strijd met het bepaalde in de WPolR
    niet een tijdelijk register als bedoeld in art. 13 van die wet is
    aangelegd.

    lees meer

    Bijlage V – 3.4 Feitelijk gebruik

    3.4 Feitelijk gebruik

    3.4.1 Algemeen

    Dynamische observatie vindt plaats door het subject op enige
    afstand te volgen, zowel op de openbare weg als in voor het publiek
    toegankelijke ruimten, middelen van openbaar vervoer enzovoorts.
    Soms wordt hierbij gebruik gemaakt van technische hulpmiddelen
    zoals verrekijkers en beeldregistratie-apparatuur. Dergelijke
    activiteiten worden als regel uitgevoerd door een observatieteam
    (OT), een team van opsporingsambtenaren dat hiervoor speciaal is
    opgeleid en uitgerust.

    lees meer

    Bijlage V – 5.5 Controle en samenwerking

    5.5 Controle en samenwerking

    5.5.1 De politie

    De organisatie van de politile infiltratie is in handen van de
    ANCPI en de PIT’s. Een politile infiltrant wordt tijdens zijn
    optreden bijgestaan door een begeleidingsteam dat bestaat uit twee
    of meer begeleiders. Deze begeleiding geschiedt onder
    verantwoordelijkheid van de chef van het PIT en niet van het
    kernteam of het regionale korps dat om de infiltratie heeft
    verzocht.

    lees meer

    Bijlage V – 7.5 Commissie-Wierenga en politieke besluitvorming

    7.5 Commissie-Wierenga en politieke besluitvorming

    7.5.1 Instelling en rapport commissie-Wierenga

    Op 26 januari 1994 lichtten de ministers van Justitie en van
    Binnenlandse Zaken de Kamer in over de opheffing van het IRT.
    Noot In deze brief werd gesproken over het uit de hand
    lopen van een op zichzelf geoorloofde methode. In de brief en in
    het daarop volgende debat werd een nader onderzoek toegezegd.

    lees meer

    Inhoud Bijlage VI

    Bijlage VI – Organisatie van de opsporing

    1 ALGEMENE INLEIDING

    lees meer

    Bijlage VI – 1 ALGEMENE INLEIDING

    1 ALGEMENE INLEIDING

    De commissie heeft als een van haar opdrachten gekregen
    onderzoek te doen naar de organisatie, het functioneren van en de
    controle op de opsporing. De resultaten van dit onderzoek zijn in
    de voorliggende bijlage opgenomen.

    lees meer

    Bijlage VI – 4.5 Sturing van en controle op de tactische recherche

    4.5 Sturing van en controle op de tactische recherche

    4.5.1 De korpsbeheerder Noot

    De korpsbeheerders achten het in het algemeen voldoende als politie
    en openbaar ministerie aangeven dat er voldoende menskracht wordt
    ingezet voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.
    Noot Zij hebben als burgemeester en als voorzitter van
    het regionaal college daarnaast groot belang bij de plaatselijke
    criminaliteitsbestrijding. Het is waarschijnlijk geen toeval dat de
    burgemeesters van de grote steden voorop lopen in de strijd tegen
    de georganiseerde misdaad. Juist in die steden is de overlast van
    die vorm van misdaad merkbaar. Dat betekent echter niet dat zij
    steeds zeer precies worden genformeerd over de gang van zaken bij
    grote onderzoeken.

    lees meer

    Bijlage VI – 6.7 Sturing en controle

    6.7 Sturing en controle

    6.7.1 De korpsbeheerders en de korpsleiding

    De kernteams zijn beheers- en gezagsmatig ondergebracht bij
    bepaalde regiokorpsen en arrondissementen. Formeel ligt de
    beheersverantwoordelijkheid bij de korpsbeheerder van het
    regiokorps waar het team is gevestigd. Dat zijn de drie grote
    steden, Haarlem (kernteam Randstad Noord en Midden), Eindhoven
    (kernteam Zuid) en Zwolle (kernteam Noord-Oost-Nederland). Toch
    achten de korpsen die aan de kernteams personeel leveren, zich
    hiermee nog niet ontslagen van alle verantwoordelijkheden.

    lees meer

    Bijlage VI – 9.1 Inleiding

    9 OPENBAAR MINISTERIE

    9.1 Inleiding

    9.1.1 Algemene introductie

    Het openbaar ministerie (OM) is belast met de strafrechtelijke
    handhaving der rechtsorde. Daartoe beschikt het OM over het
    vervolgingsmonopolie en draagt de officier van justitie het gezag
    over de opsporing. Verder heeft het OM verschillende andere taken,
    zoals de tenuitvoerlegging van rechterlijke vonnissen en, sinds de
    inwerktreding van de Politiewet 1993, taken die voortvloeien uit
    het medebeheer van de politie. In dit hoofdstuk staat de rol van
    (de leden van) het OM bij de opsporing centraal. Met name in het
    kader van die taak komt het openbaar ministerie in aanraking met de
    georganiseerde criminaliteit en worden door het OM
    opsporingsmethoden ingezet.

    lees meer

    Bijlage VII – III.1. Inleiding

    III. MOGELIJKHEDEN EN BEPERKINGEN VAN ONDERZOEK NAAR
    GEORGANISEERDE

    III.1. Inleiding

    Het doen van wetenschappelijk onderzoek naar georganiseerde
    criminaliteit is een hachelijke onderneming. In het voorgaande
    hoofdstuk is als een van de drie kenmerken van georganiseerde
    criminaliteit genoemd het vermogen om zich op betrekkelijk
    effectieve wijze af te schermen. Georganiseerde criminaliteit is
    dan ook voor wetenschappelijk onderzoekers een veel minder
    toegankelijk onderzoekterrein dan bijvoorbeeld voetbalvandalisme of
    druggebruik. Daarenboven zijn de traditionele informatiebronnen van
    criminologische wetenschap, zoals de politie en slachtoffers,
    doorgaans weinig toeschietelijk bij het verlenen van medewerking
    aan onderzoek naar georganiseerde criminaliteit. De politie wil
    niet graag haar informatiepositie prijsgeven (Reuter en Rubinstein,
    1978) en slachtoffers zijn dikwijls beducht om te spreken. Het is
    gemakkelijker om winkeliers over winkeldiefstal te interviewen dan
    horeca-ondernemers over gedwongen protectie in hun bedrijfstak.

    lees meer

    Bijlage VII – V.4. De autobranche

    V.4. De autobranche

    Voor criminele groepen die op grote schaal in gestolen auto’s
    handelen is het aantrekkelijk om samenwerking te zoeken met
    bonafide bedrijven. Het feit dat er per jaar ongeveer 5 tot 7.000
    auto’s niet terug worden gevonden maakt duidelijk dat er wel
    samenwerking met garagebedrijven in Nederland moet zijn. Criminele
    groepen moeten voor deze illegale handel beschikken over veel
    deskundigheid. Voor de levering van nummerplaten, valse
    kentekenbewijzen, het plaatsen van nieuwe sloten, het veranderen
    van chassisnummers en het eventueel overspuiten van auto’s is veel
    vakkennis nodig en veel handelingen kunnen ook niet op straat en in
    het openbaar gebeuren. Daarvoor heeft een criminele groep een
    gespecialiseerde werkplaats nodig en vakspecialisten om de diverse
    werkzaamheden uit te voeren. Voor criminele groepen of andere
    professionele daders is het nauwelijks interessant een volledig
    garagebedrijf op te kopen en dit zelf te voorzien van apparatuur en
    personeel. De kans dat een garage zonder klanten op de een of
    andere manier bij de politie bekend wordt, is redelijk groot; het
    kan via de legale handelsactiviteiten de illegale niet goed
    camoufleren. Wanneer toch een normaal garagebedrijf wordt opgekocht
    neemt de afhandeling van de (noodzakelijke) gewone clientle te veel
    tijd in beslag, is de administratieve rompslomp te groot in
    verhouding tot de opbrengsten en komt er controlerend personeel van
    diverse instanties over de vloer. Infiltratie van garages is met
    andere woorden onaantrekkelijk voor criminele groepen. Ook de
    beperkte hoeveelheid geld die via dit type bedrijven kan worden
    witgewassen, maakt deze optie minder interessant.

    lees meer

    Bijlage VII – VIII.3. Verwachtingen voor de nabije toekomst

    VIII.3. Verwachtingen voor de nabije toekomst

    Vorenstaande kwesties doen allicht de vraag rijzen naar de
    ontwikkeling van de georganiseerde criminaliteit in Nederland in de
    komende jaren. Deze vraag is echter gemakkelijker gesteld dan
    beantwoord. Niet alleen is het onderzoek zomaar om te zetten in
    bouwstenen voor een voorspelling van wat komen gaat, maar ook het
    feit dat – vanuit methodologisch oogpunt gezien – niet verantwoord
    om de resultaten van een hoofdzakelijk descriptief de
    georganiseerde criminaliteit tegenwoordig zo internationaal van
    karakter is en er op allerhande plaatsen in de wereld op grotere en
    kleinere schaal allerlei maatregelen tegen worden genomen, maakt
    het inderdaad zeer moeilijk om vooruit te zeggen wat er de komende
    jaren gaat gebeuren. Waar dan nog bij komt dat eigenlijk niet van
    de georganiseerde criminaliteit kan worden gesproken, maar telkens
    weer opnieuw moet worden gevarieerd naar de aard van de betrokken
    criminele groepen en de illegale activiteiten die zij organiseren.
    Het verklarend inzicht in de vroegere en gaande ontwikkeling van de
    georganiseerde criminaliteit in Europa is niet zo groot dat voor
    allerlei vormen van georganiseerde criminaliteit kan worden bepaald
    hoe zij er de komende jaren uit zullen gaan zien. Toch is het,
    zeker vanuit een oogpunt van beleid, alleszins redelijk om naar de
    toekomst van de georganiseerde criminaliteit te vragen. En dus kan
    het niet onredelijk zijn om hier tenminste in grote lijnen enkele
    verwachtingen voor haar toekomst aan het papier toe te vertrouwen.
    Deze verwachtingen zijn mede gebaseerd op de weinige publikaties
    waarin met meer of minder succes is geprobeerd enkele gedachten te
    formuleren omtrent de ontwikkeling van de georganiseerde
    criminaliteit in de toekomst, wereldwijd, op Europees niveau, in
    sommige landen om ons heen (United Nations, 1994; Williams, 1995;
    Carter, s.d.; Joutsen, 1993; Bundeskriminalamt, 1995).

    lees meer

    Bijlage VIII – 4.4. Tot besluit

    4.4. Tot besluit

    Over Nederland ligt een wirwar van de meest verschillende
    criminele netwerken. Organisaties als de Hells Angels, cliques als
    die welke in het Zuiden de synthetische drugs produceren, en
    individuen zoals we die hebben aangetroffen in het algemene
    netwerk, vormen de middelpunten van deze netwerken. Een aantal van
    die netwerken staat zowel op nationaal niveau als op regionaal en
    lokaal niveau voortdurend met elkaar in contact. Met andere
    woorden: er zou op dit middenniveau van de georganiseerde
    criminaliteit wel eens meer orde kunnen heersen dan de chaos, die
    men hier bij de eerste aanblik waarneemt, suggereert. Met name de
    verbindingen tussen de top-groepen en de criminele netwerken zijn
    in dit verband van groot belang. Maar ook de belangrijke rol van de
    schakels tussen de interregionale en landelijke netwerken enerzijds
    en de lokaal-opererende groepen anderzijds mag niet worden
    veronachtzaamd. Want deze basisgroepen vormen in menig opzicht het
    draagvlak voor de georganiseerde criminaliteit op de hogere
    niveau’s.

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>