267 de Tweede Kamer en het feit dat er zijns inziens geen sprake was van nieuwe feiten, het boek gesloten te worden.611 Deze opstelling stuitte her en der op onbegrip. In de optiek van een aantal direct betrokkenen stond het onderzoek uit 1996 van de “Equipe Ficq” een onbevangen oordeel over een eventueel vervolgonderzoek in de weg. Snijders verwoordde dit als volgt612: “Van der Burg is uiteindelijk vastgelopen bij het college, in het bijzonder op de persoon van Ficq. Ficq vond dat er geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden. Maar Ficq kon dat helemaal niet beoordelen. Het onderzoek dat was gedaan in het kader van de “Equipe Ficq” berustte uitsluitend op open bronnen. Ficq had het “besmette” IRT-dossier bijvoorbeeld nooit gezien. Daarnaast boden de vijf verklaringen van Van T. wel degelijk tal van nieuwe aanknopingspunten en inzichten. Ficq wilde daar niet aan, hij was natuurlijk ook met handen en voeten gebonden aan het onderzoek dat hij zelf had gedaan. De ruimte die Gerrit van der Burg claimde om in een strafrechtelijk onderzoek eventueel ook naar officieren van justitie te kunnen rechercheren, kreeg hij niet.” Ficq zelf had uiteraard een andere kijk op de kwestie613: “De mening dat ons onderzoek (van de “Equipe Ficq”, rapporteurs) mogelijk strafrechtelijk onderzoek in de weg heeft gestaan, deel ik niet. Ons baserend op drie bronnen hebben we ons de vraag gesteld wat redelijkerwijs van de betrokken officier van justitie verwacht mocht worden, gegeven de kennis die we toen bezaten. Dat deden we op basis van onderzoek van de Enquêtecommissie Opsporingsmethoden, het Fort-onderzoek en een kort aanvullend eigen onderzoek. Het laatste hield een aantal indringende gesprekken met een aantal hoofdrolspelers in, ten aanzien van wier handelen vooraf een aantal onderzoeksvragen was geformuleerd op basis van de hiervoor bedoelde onderzoeken. De gesprekken die ik in het kader van het onderzoek van de “Equipe Ficq” heb gevoerd, hebben mij duidelijk gemaakt wat voor diepe wonden er waren geslagen. Een belangrijke taak van de “Equipe Ficq” was om het grote litteken dat er was binnen het openbaar ministerie netjes af te hechten. Let wel, dat is niet hetzelfde als het afdekken van strafbare feiten. Als daar concrete aanwijzingen voor waren geweest dan was nader strafrechtelijk onderzoek, ook naar de activiteiten van individuele officieren van justitie, zeker op zijn plaats geweest. Maar ook bijvoorbeeld in het 063-verhaal ontbrak een concrete verdenking om het onderzoek door te trekken naar een officier van justitie. De gesprekken die ik heb gevoerd in het kader van het onderzoek van de “Equipe Ficq”, hebben me duidelijk gemaakt hoe vergiftigend dit voor een organisatie kan werken.” Hoewel hij in 1999 geen deel meer uitmaakte van het college van procureurs-generaal, had Docters van Leeuwen wel de totstandkoming van het rapport van de “Equipe Ficq” in 1996 van nabij meegemaakt. Tijdens het met hem gehouden interview gaf hij aan dat hij de zienswijze van Ficq op dit punt deelde614: “Ficq heeft met de kennis die hij toen bezat een gedegen onderzoek uitgevoerd en je zou nu kunnen zeggen, maar dat is dan achteraf met het inzicht van nu, dat hij wellicht op een aantal punten te voorzichtig is geweest. En ik weet dat bij een aantal mensen, onder wie bij 611 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 2 maart 1999 (B1). 612 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001. 613 Interview C. Ficq d.d. 29 januari 2001. 614 Interview A. Docters van Leeuwen d.d. 17 januari 2001.
2.7 Kennis van norrnering en opleidingen
In het onderzoek van de commissie is expliciet aandacht besteed
aan de kennis van opsporingsambtenaren van de geldende normering in
het bijzonder, en opleidingen van personen betrokken bij het
recherchewerk in het algemeen. Eerst zal de in de praktijk
aangetroffen kennis van de geldende regelingen en wetgeving worden
besproken (paragraaf 2.6.1). Vervolgens komt de opleiding van
politieambtenaren aan de orde (paragraaf 2.6.2). Tenslotte komt de
opleiding van leden van het openbaar ministerie aan bod (paragraaf
2.6.3).
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 6
7 september 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
donderdag 7 september 1995
in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
prof. dr. H. van de Bunt
Aanvang 12.00 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 22
18 september 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
maandag 18 september 1995
in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord
worden de heren J.C. van Looijen en D. van Teijlingen
Aanvang 9.30 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 38
2 oktober 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
maandag 2 oktober 1995 in de
vergaderzaal van de Eerste
Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt mr.
M.A.A. van Capelle
Aanvang 14.00 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 54
12 oktober 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
donderdag 12 oktober 1995 in
de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
mr. R. de Groot
Aanvang 16.45 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 70
23 oktober 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
maandag 23 oktober 1995 in
de vergaderzaal van de Eerste
Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord worden mr.
H.P. Wooldrik en mr. A. Zwanenburg
Zie ook: Eerste verhoor mr. H.P. Wooldrik (red.)
Aanvang 16.20 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 86
8 november 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
woensdag 8 november 1995
in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
mr. drs. G.J. Wolffensperger
Aanvang 10.00 uur
4.3. De tuchtrechtspraak
Tot september 1993 hadden de NOvAA en het NIVRA ieder een eigen
tuchtrechtspraak. Voor de AA’s werd de tuchtrechtspraak in eerste
instantie uitgeoefend door de raad van tucht en in tweede instantie
door het college van beroep van het bedrijfsleven. Voor de RA’s
werd dit gedaan door de raad van tucht en door de raad van beroep.
Sindsdien zijn de RA’s een AA’s onderworpen aan een gezamenlijk
wettelijk geregeld tuchtrecht en wordt dit voor beide
beroepsgroepen uitgeoefend door de raden van tucht en het college
van beroep voor het bedrijfsleven. Maatregelen die door beide
instanties kunnen worden opgelegd, zijn: schriftelijke
waarschuwing, schriftelijke berisping, schorsing voor maximaal zes
maanden en doorhaling in het accountantsregister. Naast de direct
betrokkene kunnen ook het bestuur van de beroepsvereniging en de
OvJ een klacht indienen over de gedragingen van een accountant. Wij
hebben de tuchtrechtspraak – in beide instanties – van de twee
beroepsorganisaties bekeken over de periode 1990 tot medio 1995,
Noot met als doel voorbeelden van verwijtbare
betrokkenheid van accountants bij criminele organisaties op het
spoor te komen. De bestudeerde uitspraken vielen onder het oude
regime omdat de uitspraken die op 10 september 1993 reeds aanhangig
waren, nog door de desbetreffende instanties werden
afgehandeld.
4.3. Enkele basiskenmerken van de daders
De vorige paragraaf heeft duidelijk gemaakt dat fraudeurs
moeilijk over n kam te scheren zijn. Hieronder wordt deze bevinding
nader uitgewerkt aan de hand van de presentatie van een aantal
achtergrondgegevens van de bij de bestudeerde fraudezaken betrokken
daders. Deze gegevens zijn afkomstig uit de zaaksdossiers en de
aantekeningen van de vraaggesprekken en uit uittreksels uit het
justitile documentatieregister. Het laatste bestand is geraadpleegd
om inzicht te verkrijgen in de justitile antecedenten van de
personen die door de opsporingsambtenaren als hoofdverdachten waren
aangemerkt.
7.3. Overige rechtspersonen
7.3.1. De stichting
Naarmate de mogelijkheden tot het plegen van criminaliteit met
behulp van BV’s worden ingeperkt, zullen des te meer malafide
personen geneigd zijn hun toevlucht te zoeken tot andere
rechtsvormen teneinde hun praktijken in rookgordijnen te hullen. De
stichting vormt in dit verband in meer dan n opzicht een geschikt
alternatief.
11.3. Het overdragen van vermogen
Het overdragen van vermogen van de ene naar de andere persoon
kan onder verschillende wettelijke titels plaats vinden,
namelijk:
* het schenken van vermogen
* het ontvangen van gelden in het kader van gokken
* het lenen van gelden.
3.2. De drugshandel
Het drugsbeleid wordt in Nederland niet alleen gemaakt op het
niveau van het rijk. De afzonderlijke gemeenten ontwikkelen binnen
landelijke kaders ook hun eigen beleid. De nationale
wetgevingsprocedure is log en tijdrovend, de speelruimte van de
centrale overheid wordt door de internationale verdragen beperkt.
Maar op het niveau van de gemeenten, waar men daadwerkelijk wordt
geconfronteerd met overlast in de buurt en met de vraag om medische
en andere hulp, is het mogelijk om flexibel en pragmatisch te werk
te gaan. Het opportuniteitsbeginsel vormt de basis waarop binnen
het zogenaamde driehoeksoverleg beslissingen kunnen worden genomen
die zulk een werkwijze mogelijk maken. Maar ook de financiering van
de drugshulpverlening wordt als beleidsinstrument gebruikt.
Amsterdam liep in de jaren zestig voorop met het feitelijk gedogen
van het gebruik van hash en marihuana. Er kwamen coffeeshops waar
zogenaamde huisdealers werden toegelaten. Andere grote steden
volgden. Zo werd het beleid dat in de grote steden was ontwikkeld,
langzamerhand verheven tot nationaal beleid. Een belangrijke pijler
daarvan is dat een scherp onderscheid wordt gemaakt tussen hard en
soft drugs. Het is een verschil dat buitenlanders vaak ontgaat,
maar door het beleid op dit verschil af te stemmen, wordt
geprobeerd de circuits van beide gebruikerscategorien te scheiden.
Dat is goed gelukt. Een andere pijler waarop het Nederlandse beleid
is gebaseerd, is het onderscheid tussen het gebruik van drugs en de
handel daarin. Dit onderscheid is gebaseerd op de acceptatie van
een gebruikersmarkt die in wezen goedmoedig is en een uitvloeisel
van de vrije jaren zestig. Hier openbaart zich echter ook volop de
tegenstrijdigheid van het gevoerde beleid: de handel in een goed
waarvan het gebruik wordt toegestaan, wordt fel bestreden.
