• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • fort3_79

    267 de  Tweede  Kamer  en  het  feit  dat  er  zijns  inziens  geen  sprake  was  van  nieuwe  feiten,  het  boek gesloten te worden.611 Deze  opstelling  stuitte  her  en  der  op  onbegrip.  In  de  optiek  van  een  aantal  direct  betrokkenen stond  het  onderzoek  uit  1996  van  de  “Equipe  Ficq”  een  onbevangen  oordeel  over  een  eventueel vervolgonderzoek in de weg. Snijders verwoordde dit als volgt612: “Van  der  Burg  is  uiteindelijk  vastgelopen  bij  het  college,  in  het  bijzonder  op  de  persoon  van Ficq.  Ficq  vond  dat  er  geen  sprake  was  van  nieuwe  feiten  of  omstandigheden.  Maar  Ficq kon  dat  helemaal  niet  beoordelen.  Het  onderzoek  dat  was  gedaan  in  het  kader  van  de “Equipe  Ficq”  berustte  uitsluitend  op  open  bronnen.  Ficq  had  het  “besmette”  IRT-dossier bijvoorbeeld  nooit  gezien.  Daarnaast  boden  de  vijf  verklaringen  van  Van  T.  wel  degelijk  tal van nieuwe aanknopingspunten en inzichten. Ficq wilde daar niet aan, hij was natuurlijk ook met  handen  en  voeten  gebonden  aan  het  onderzoek  dat  hij  zelf  had  gedaan.  De  ruimte  die Gerrit   van   der   Burg   claimde   om   in   een   strafrechtelijk   onderzoek   eventueel   ook   naar officieren van justitie te kunnen rechercheren, kreeg hij niet.” Ficq zelf had uiteraard een andere kijk op de kwestie613: “De  mening  dat  ons  onderzoek  (van  de  “Equipe  Ficq”,  rapporteurs)  mogelijk  strafrechtelijk onderzoek in de weg heeft gestaan, deel ik niet. Ons baserend op drie bronnen hebben we ons de vraag gesteld wat redelijkerwijs van de betrokken officier van justitie verwacht mocht worden, gegeven de kennis die we toen bezaten. Dat deden we op basis van onderzoek van de   Enquêtecommissie   Opsporingsmethoden,   het   Fort-onderzoek   en   een   kort   aanvullend eigen   onderzoek.   Het   laatste   hield   een   aantal   indringende   gesprekken   met   een   aantal hoofdrolspelers in, ten aanzien van wier handelen vooraf een aantal onderzoeksvragen was geformuleerd op basis van de hiervoor bedoelde onderzoeken. De gesprekken die ik in het kader  van  het  onderzoek  van  de  “Equipe  Ficq”  heb  gevoerd,  hebben  mij  duidelijk  gemaakt wat  voor  diepe  wonden  er  waren  geslagen.  Een  belangrijke  taak  van  de  “Equipe  Ficq”  was om het grote litteken dat er was binnen het openbaar ministerie netjes af te hechten. Let wel, dat  is  niet  hetzelfde  als  het  afdekken  van  strafbare  feiten.  Als  daar  concrete  aanwijzingen voor  waren  geweest  dan  was  nader  strafrechtelijk  onderzoek,  ook  naar  de  activiteiten  van individuele officieren van justitie, zeker op zijn plaats geweest. Maar ook bijvoorbeeld in het 063-verhaal  ontbrak  een  concrete  verdenking  om  het  onderzoek  door  te  trekken  naar  een officier van justitie. De gesprekken die ik heb gevoerd in het kader van het onderzoek van de “Equipe  Ficq”,  hebben  me  duidelijk  gemaakt  hoe  vergiftigend  dit  voor  een  organisatie  kan werken.” Hoewel  hij  in  1999  geen  deel  meer  uitmaakte  van  het  college  van  procureurs-generaal,  had  Docters van   Leeuwen   wel   de   totstandkoming   van   het   rapport   van   de   “Equipe   Ficq”   in   1996   van   nabij meegemaakt. Tijdens het met hem gehouden interview gaf hij aan dat hij de zienswijze van Ficq op dit punt deelde614: “Ficq heeft met de kennis die hij toen bezat een gedegen onderzoek uitgevoerd en je zou nu kunnen  zeggen,  maar  dat  is  dan  achteraf  met  het  inzicht  van  nu,  dat  hij  wellicht  op  een aantal punten te voorzichtig is geweest. En ik weet dat bij een aantal mensen, onder wie bij                                                 611 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 2 maart 1999 (B1). 612 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001. 613 Interview C. Ficq d.d. 29 januari 2001. 614 Interview A. Docters van Leeuwen d.d. 17 januari 2001.

    fort3_93

    Kennis van norrnering en opleidingen

    2.7 Kennis van norrnering en opleidingen

    In het onderzoek van de commissie is expliciet aandacht besteed
    aan de kennis van opsporingsambtenaren van de geldende normering in
    het bijzonder, en opleidingen van personen betrokken bij het
    recherchewerk in het algemeen. Eerst zal de in de praktijk
    aangetroffen kennis van de geldende regelingen en wetgeving worden
    besproken (paragraaf 2.6.1). Vervolgens komt de opleiding van
    politieambtenaren aan de orde (paragraaf 2.6.2). Tenslotte komt de
    opleiding van leden van het openbaar ministerie aan bod (paragraaf
    2.6.3).

    lees meer

    Ministeries

    4.6 Ministeries

    4.6.1 Vragen naar aanleiding van de beslispunten

    lees meer

    Verhoren – prof. dr. H. van de Bunt

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 6

    7 september 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    donderdag 7 september 1995
    in de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    prof. dr. H. van de Bunt
    Aanvang 12.00 uur

    lees meer

    Verhoren – de heren J.C. van Looijen en D. van Teijlingen

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 22

    18 september 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    maandag 18 september 1995
    in de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord
    worden de heren J.C. van Looijen en D. van Teijlingen
    Aanvang 9.30 uur

    lees meer

    Verhoren – mr. M.A.A. van Capelle

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 38

    2 oktober 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    maandag 2 oktober 1995 in de
    vergaderzaal van de Eerste
    Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt mr.
    M.A.A. van Capelle
    Aanvang 14.00 uur

    lees meer

    Verhoren – mr. R. de Groot

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 54

    12 oktober 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    donderdag 12 oktober 1995 in
    de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    mr. R. de Groot
    Aanvang 16.45 uur

    lees meer

    Verhoren – mr. H.P. Wooldrik en mr. A. Zwanenburg

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 70

    23 oktober 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    maandag 23 oktober 1995 in
    de vergaderzaal van de Eerste
    Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord worden mr.
    H.P. Wooldrik en mr. A. Zwanenburg
    Zie ook: Eerste verhoor mr. H.P. Wooldrik (red.)
    Aanvang 16.20 uur

    lees meer

    Verhoren – mr. drs. G.J. Wolffensperger

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 86

    8 november 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    woensdag 8 november 1995
    in de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    mr. drs. G.J. Wolffensperger
    Aanvang 10.00 uur

    lees meer

    Bijlage X – 4.3. De tuchtrechtspraak

    4.3. De tuchtrechtspraak

    Tot september 1993 hadden de NOvAA en het NIVRA ieder een eigen
    tuchtrechtspraak. Voor de AA’s werd de tuchtrechtspraak in eerste
    instantie uitgeoefend door de raad van tucht en in tweede instantie
    door het college van beroep van het bedrijfsleven. Voor de RA’s
    werd dit gedaan door de raad van tucht en door de raad van beroep.
    Sindsdien zijn de RA’s een AA’s onderworpen aan een gezamenlijk
    wettelijk geregeld tuchtrecht en wordt dit voor beide
    beroepsgroepen uitgeoefend door de raden van tucht en het college
    van beroep voor het bedrijfsleven. Maatregelen die door beide
    instanties kunnen worden opgelegd, zijn: schriftelijke
    waarschuwing, schriftelijke berisping, schorsing voor maximaal zes
    maanden en doorhaling in het accountantsregister. Naast de direct
    betrokkene kunnen ook het bestuur van de beroepsvereniging en de
    OvJ een klacht indienen over de gedragingen van een accountant. Wij
    hebben de tuchtrechtspraak – in beide instanties – van de twee
    beroepsorganisaties bekeken over de periode 1990 tot medio 1995,
    Noot met als doel voorbeelden van verwijtbare
    betrokkenheid van accountants bij criminele organisaties op het
    spoor te komen. De bestudeerde uitspraken vielen onder het oude
    regime omdat de uitspraken die op 10 september 1993 reeds aanhangig
    waren, nog door de desbetreffende instanties werden
    afgehandeld.

    lees meer

    Bijlage X – 4.3. Enkele basiskenmerken van de daders

    4.3. Enkele basiskenmerken van de daders

    De vorige paragraaf heeft duidelijk gemaakt dat fraudeurs
    moeilijk over n kam te scheren zijn. Hieronder wordt deze bevinding
    nader uitgewerkt aan de hand van de presentatie van een aantal
    achtergrondgegevens van de bij de bestudeerde fraudezaken betrokken
    daders. Deze gegevens zijn afkomstig uit de zaaksdossiers en de
    aantekeningen van de vraaggesprekken en uit uittreksels uit het
    justitile documentatieregister. Het laatste bestand is geraadpleegd
    om inzicht te verkrijgen in de justitile antecedenten van de
    personen die door de opsporingsambtenaren als hoofdverdachten waren
    aangemerkt.

    lees meer

    Bijlage X – 7.3. Overige rechtspersonen

    7.3. Overige rechtspersonen

    7.3.1. De stichting

    Naarmate de mogelijkheden tot het plegen van criminaliteit met
    behulp van BV’s worden ingeperkt, zullen des te meer malafide
    personen geneigd zijn hun toevlucht te zoeken tot andere
    rechtsvormen teneinde hun praktijken in rookgordijnen te hullen. De
    stichting vormt in dit verband in meer dan n opzicht een geschikt
    alternatief.

    lees meer

    Bijlage X – 11.3. Het overdragen van vermogen

    11.3. Het overdragen van vermogen

    Het overdragen van vermogen van de ene naar de andere persoon
    kan onder verschillende wettelijke titels plaats vinden,
    namelijk:
    * het schenken van vermogen
    * het ontvangen van gelden in het kader van gokken
    * het lenen van gelden.

    lees meer

    Bijlage XI – 3.2. De drugshandel

    3.2. De drugshandel

    Het drugsbeleid wordt in Nederland niet alleen gemaakt op het
    niveau van het rijk. De afzonderlijke gemeenten ontwikkelen binnen
    landelijke kaders ook hun eigen beleid. De nationale
    wetgevingsprocedure is log en tijdrovend, de speelruimte van de
    centrale overheid wordt door de internationale verdragen beperkt.
    Maar op het niveau van de gemeenten, waar men daadwerkelijk wordt
    geconfronteerd met overlast in de buurt en met de vraag om medische
    en andere hulp, is het mogelijk om flexibel en pragmatisch te werk
    te gaan. Het opportuniteitsbeginsel vormt de basis waarop binnen
    het zogenaamde driehoeksoverleg beslissingen kunnen worden genomen
    die zulk een werkwijze mogelijk maken. Maar ook de financiering van
    de drugshulpverlening wordt als beleidsinstrument gebruikt.
    Amsterdam liep in de jaren zestig voorop met het feitelijk gedogen
    van het gebruik van hash en marihuana. Er kwamen coffeeshops waar
    zogenaamde huisdealers werden toegelaten. Andere grote steden
    volgden. Zo werd het beleid dat in de grote steden was ontwikkeld,
    langzamerhand verheven tot nationaal beleid. Een belangrijke pijler
    daarvan is dat een scherp onderscheid wordt gemaakt tussen hard en
    soft drugs. Het is een verschil dat buitenlanders vaak ontgaat,
    maar door het beleid op dit verschil af te stemmen, wordt
    geprobeerd de circuits van beide gebruikerscategorien te scheiden.
    Dat is goed gelukt. Een andere pijler waarop het Nederlandse beleid
    is gebaseerd, is het onderscheid tussen het gebruik van drugs en de
    handel daarin. Dit onderscheid is gebaseerd op de acceptatie van
    een gebruikersmarkt die in wezen goedmoedig is en een uitvloeisel
    van de vrije jaren zestig. Hier openbaart zich echter ook volop de
    tegenstrijdigheid van het gevoerde beleid: de handel in een goed
    waarvan het gebruik wordt toegestaan, wordt fel bestreden.

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>