236 olifant in beeld te brengen”. Om op deze beeldspraak voort te bouwen: het 060-team trok hard aan de achterpoten, Snijders c.s. hingen aan de voorpoten, terwijl Teeven een ruk gaf aan de slurf. Deze metafoor laat zich als volgt verstaan. Het 060-onderzoek was, zoals uiteengezet is in hoofdstuk 9, gericht op het inzichtelijk maken en versterken van de bewijsvoering terzake van mogelijke actuele strafbare feiten, zoals gepleegd door respectievelijk de verdachte J. en de “Taartman”. De verwachting bestond dat de verdachten met het vooruitzicht van een langdurige vrijheidsstraf bereid zouden zijn een boekje open te doen over de gang van zaken in het IRT-tijdperk en de betrokkenheid van anderen – in het bijzonder overheidsfunctionarissen – daarbij. Waar het LRT dus van achteren naar voren rechercheerde en bij het vergaren van bewijsmateriaal nauwelijks gericht was op het IRT-tijdperk zelf, probeerden Snijders c.s. via getuigenverklaringen, het parallel-proces-verbaal, maar ook bijvoorbeeld via het nieuw leven inblazen van het onderzoek naar het XTC-traject naar Engeland, strafrechtelijke bouwstenen aan te dragen die juist wel rechtstreeks betrekking hadden op de bewuste periode. Hoewel de parallel-importen vanuit Zuid-Amerika en de XTC-handel op het oog niets met elkaar van doen hadden, waren er volgens het team van Snijders wel degelijk enkele treffende gelijkenissen: in beide trajecten zou mogelijk een informant hebben geopereerd, die met medeweten van, ja zelfs misschien wel op instigatie van personen uit het criminele milieu, dubbelspel had gespeeld. De verdachtengroep in beide trajecten vertoonde bovendien een zekere overlap. Teeven ten slotte koos voor de meest directe weg: nadat het onderzoek naar de moord op Swennen onvoldoende aanknopingspunten had opgeleverd en de onderzoeken naar de grondstoffen dumping in het XTC-traject en naar de moord op van der Heiden als gevolg van (een door Amsterdam gepercipieerd) gebrek aan medewerking vanuit de parketten Alkmaar en Haarlem niet van de grond gekomen was, verkende hij de mogelijkheden van een deal met K. De keuze van Amsterdam om de XTC-zaak en het onderzoek naar de moord op Van der Heiden niet op te pakken legt een ander belangrijk probleempunt bloot. Het betreft de neiging van de betrokken partijen om gemaakte afspraken bijzonder eng te interpreteren. In het onderhavige geval ging het om de verstrekking van informatie uit het besmette “IRT-dossier” door CID-officier Snijders aan zaaksofficier Teeven. Laatstgenoemde, die in 1997 naar aanleiding van de bedreiging van een officier van justitie samen met Snijders dit materiaal had verkend en dus heel goed wist wat er in het IRT-dossier aan informatie zat, rekende op verstrekking uit eigen beweging door Haarlem. Tegenover deze “pro-actieve” interpretatie van Amsterdam stond de reactieve opstelling van Haarlem. Snijders beriep zich op de clausule in de in augustus 1997 gemaakte afspraken dat verstrekking van informatie alleen plaats zou vinden op basis van aanvullende vragen van de leider van het onderzoek. De controverse tussen Haarlem en Amsterdam omtrent de voorwaarden waaronder informatie wordt verstrekt, respectievelijk kan worden opgevraagd, staat niet op zichzelf. De overeenkomsten met het in hoofdstuk 9 beschreven conflict omtrent de verstrekking van CID-informatie door Haarlem aan het LRT zijn treffend. In beide gevallen bleven partijen, onder verwijzing naar formele argumenten, als een kloek op de eigen informatie zitten. Het feit dat de verhoudingen tussen Teeven en Snijders in de loop van 1998 aantoonbaar verslechterden, had mede tot gevolg dat Teeven de banden opnieuw aanhaalde met Noordhoek. De in hoofdstuk 9 beschreven externe impuls van Teeven aan het 060-onderzoek in de vorm van de verstrekking medio 1998 van een CID-bericht van de regio Amsterdam-Amstelland, alsmede de woede van Snijders daaromtrent, berustten dan ook allesbehalve op toeval. Deze voorvallen onderstrepen het feit dat er lopende het post-Fort-traject geen sprake was van duurzame coalities tussen partijen, maar veeleer van combines die bij tijd en wijlen van samenstelling wisselden. De pre- deal die Teeven sloot met K. was het sluitstuk van een proces van afkalvend vertrouwen tussen Haarlem en Amsterdam. In het jaar dat nog zou volgen, zou die breuk onherstelbaar blijken te zijn. De vraag of en hoe van hogerhand getracht is om een bemiddelende rol te spelen in deze conflictueuze situatie en hoe de hoofdofficieren en het college van procureurs-generaal het post-Fort- proces in de bewuste periode hebben gestuurd, komt in het volgende hoofdstuk aan bod.
250 Gezien de harde opstelling van Snijders wekt het geen verbazing dat het overleg tussen de twee procureurs-generaal en de drie hoofdofficieren ook nu weinig effect sorteerde. Dit tot grote frustratie van de betrokken officieren van justitie. Noordhoek verwoordde zijn ergernis als volgt576: “Het is mij opgevallen dat de gesprekken die Ficq heeft gehouden met de drie hoofdofficieren niets hebben geholpen. Waar Holthuis terugkoppelde dat alles nu weer goed was, hoorde ik van Teeven dat Vrakking had gezegd dat het helemaal niets meer zou worden.” Hoofdofficier van Brummen gaf de volgende verklaring voor het gebrek aan daadkracht in het beraad met zijn collega’s en de procureurs-generaal577: “Wellicht heeft het ons parten gespeeld dat Hans Holthuis en ik goede vrienden zijn. Ik heb bij Hans Holthuis alles neergelegd wat op mijn hart lag. Dat laat onverlet dat bepaalde problemen in zekere zin gemaskeerd werden. Je brengt dit – gegeven de sterke horizontale relaties – niet gemakkelijk “boven-over”. Holthuis ging natuurlijk achter Rick Noordhoek staan en ik stond achter Peter Snijders. Tijdens besprekingen over belangrijke onderwerpen beperkten we ons vaak tot de juridische voetangels en klemmen. Een aantal zaken, zeker die in de personele sfeer, kwam niet op tafel. Ook niet in de periodieke overleggen met Ficq.” Verderop in het interview lichtte Van Brummen toe wat hij precies met de kracht van horizontale relaties binnen het openbaar ministerie bedoelde578: “Dat is een specifiek kenmerk van de OM-cultuur. Wij zijn er binnen het openbaar ministerie goed in om de dingen niet op scherp te stellen. Wanneer wij er in de horizontale collegiale relatie niet uitkomen, deinzen we er voor terug om het hogerop te spelen. Dat doen wij niet, daarvoor kennen wij elkaar allemaal te goed. En als het er dan om gaat om knopen door te hakken, dan is zo’n cultuur natuurlijk niet gunstig.” Hoe moeizaam de samenwerking eind 1998 verliep, blijkt ook uit de notulen van de collegevergadering van 23 december 1998. Tijdens deze vergadering maakte Van Daalen gewag van een bericht dat hij vanuit het landelijk parket had ontvangen inzake het achterhouden van relevante informatie ten behoeve van het 060 onderzoek door het parket Haarlem. Dit bericht sloeg terug op de (weer opgelaaide) discussie onder welke omstandigheden het LRT de beschikking kon krijgen over CID-informatie uit Kennemerland. In het volgende hoofdstuk zal de essentie van de gerezen meningsverschillen nader uit de doeken worden gedaan. Hier volstaan we met de constatering dat Van Daalen tijdens de collegevergadering van 23 december 1998 de toezegging deed hierover met Holthuis en Van Brummen te gaan praten.579 12.6 Conclusie Dit hoofdstuk stond geheel in het teken van de informatievoorziening aan het college en de sturing op en toezicht van het post-Fort-traject in de periode november 1997 tot en met oktober 1998. 576 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001. 577 Interview H. van Brummen d.d. 2 februari 2001. 578 Interview H. van Brummen d.d. 2 februari 2001. 579 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 23-12-1998 (B1).
265 14.2 Het plan van aanpak en advies Onder druk van het college van procureurs-generaal stelde Van der Burg op 13 januari 1999 een plan van aanpak ter beschikking van de hoofdofficier van het landelijk parket.606 Van der Burg stelde daarin een gefaseerde aanpak voor. Het stuk had uitsluitend betrekking op de eerste fase, waarvan de looptijd werd ingeschat op maximaal twee maanden. Deze periode achtte Van der Burg noodzakelijk om de strafvorderlijke haalbaarheid van de vervolging van een aantal als verdachten aangemerkte personen – onder wie P. – te beoordelen. Fase 1 richtte zich met andere woorden op het in kaart brengen van de risicofactoren. Van der Burg wees in dit verband op drie cruciale elementen: 1. De verklaringen van Van T., afgelegd in 1998. Deze vormden de start van het onderzoek en waren zeer belastend voor de verdachten. Nader onderzoek naar risicofactoren in de sfeer van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en/of de rechtmatigheid van bewijs werd van groot belang geacht. Daarbij moest gedacht worden aan onderzoek naar de eventuele aanwezigheid en aard en inhoud van afspraken met Van T., de aanleiding tot het afleggen van de verklaringen, eventuele eerdere soortgelijke verklaringen en de veiligheidsrisico’s voor Van T. 2. De “status” van de verdachten ten tijde van het plegen van de strafbare feiten in 1993. Een eerste bestudering van een gedeelte van het dossier liet volgens Van der Burg een groot aantal vragen open. Een nader onderzoek naar de positie van de verdachten achtte hij van groot belang, aangezien duidelijkheid geschapen moest worden in hoeverre zij bij de uitvoering van de strafbare feiten “onder regie” van de politie en/of het openbaar ministerie opereerden, dan wel dat er toezeggingen waren gedaan omtrent niet-vervolging. 3. De overeenkomst die in 1994 was gesloten door de Staat met P. Vast moest komen te staan dat een vorm van “strafrechtelijke immuniteit” terzake van de door de informant eventueel gepleegde strafbare feiten geen deel uitmaakte van die overeenkomst. Op 26 januari 1999 liet Van Daalen telefonisch weten akkoord te zijn met de voorgestelde fasering in het plan van aanpak. Bovendien maande hij Van der Burg nogmaals aan tot een voortvarende aanpak. Van der Burg van zijn kant gaf tijdens dit telefoongesprek aan reeds bezig te zijn met het derde onderdeel. Conform het voorstel in het plan van aanpak zou Snijders het eerste onderdeel voor zijn rekening nemen in de vorm van het concipiëren van een zogenaamd “startverbaal”. Over het tweede onderdeel maakte Van der Burg zich de meeste zorgen. Hij deed de toezegging de door hem gesignaleerde problemen systematisch op een rij te zetten. Op 17 februari 1999 kreeg het 063-traject een vervolg in de vorm van een advies van Van der Burg aan het college van procureurs-generaal.607 Dit advies had in het bijzonder betrekking op het tweede, als meest problematische gekenschetste, onderdeel. Van der Burg kwam tot de slotsom dat de overheid er het beste aan zou doen om af te zien van vervolging van de verdachten. De toenmalige CID-officier Van der Veen bleek namelijk in tenminste vier van de zes XTC-transporten toestemming voor gecontroleerde doorlevering te hebben gegeven. Politie en justitie wisten daarenboven, dan wel hadden kunnen weten, dat P. deel uitmaakte van de criminele organisatie. Men wist ook van de betrokkenheid van andere verdachten, maar had destijds bewust nagelaten hen te vervolgen. Daarmee was volgens Van der Burg het recht op vervolging verspeeld. De kans op niet- ontvankelijkheid van het openbaar ministerie achtte hij groot. Van der Burg’s negatieve advies was echter niet absoluut, integendeel. In een begeleidend schrijven beklemtoonde hij dat het advies uitsluitend betrekking had op de verdachten die Van T. in zijn verklaringen had genoemd. Anders gezegd, Van der Burg verzette zich tegen het vooruitzicht van een te beperkt opgezet 063-onderzoek. Verbreding van de kring van verdachten tot de bij het XTC-traject 606 Plan van aanpak 063, G. van de Burg d.d. 13 januari 1999 (D18). 607 Advies onderzoek 063 van G. van de Burg d.d. 17 februari 1999 aan het college van procureurs-generaal (B1).
279 hebben we reeds vastgesteld dat het departement van Justitie in de jaren 1996-1997 onvoldoende was toegerust om de verwikkelingen van complexe onderzoeken als de onderhavige goed te kunnen volgen en plaatsen. De situatie in 1999 bleek in dit opzicht nog nauwelijks ten goede gekeerd. Binnen het departement bestond onvoldoende inzicht in de actuele stand van zaken en de politieke gevoeligheid daarvan. Ook het college van procureurs-generaal kampte in het voorjaar van 1999 met een kennisachterstand. In het licht van de presentaties die op 6 oktober 1998 waren gehouden ten overstaan van de minister van Justitie en het college van procureurs-generaal doet de bovenstaande constatering vreemd aan. Noch het college noch de minister kon zich immers verschuilen achter het argument niet op hoofdlijnen te zijn geïnformeerd. De kritiek die na het verschijnen van het rapport van de Commissie-Kalsbeek op de hoofden van Snijders c.s. neerdaalde, was dan ook te sterk aangezet. De gebrekkige informatiepositie van het college en de minister houdt zeker ook verband de vorm waarin de overdracht van informatie plaatsvond. In alle overlegorganen waarin over de voortgang van de post-Fort-onderzoeken werd gesproken vond de kennisoverdracht namelijk veelal plaats aan de hand van “presentaties”, die visueel werden ondersteund door veel en op het oog indrukwekkend beeldmateriaal. Voortgangsrapportages speelden in dit geheel een bescheiden rol. Het “bombardement” aan dia’s, overheadsheets et cetera, waarop overigens in de regel niet de status van de geprojecteerde gegevens – hypothesen of bewijsbaar geachte feiten? – werd vermeld, leidde er toe dat de informatieoverdracht niet het karakter had van kritische, professionele reflectie of van informed consent van de hiërarchieke toezichthouders maar van éénrichtingsverkeer. De visies van de drie betrokken hoofdofficieren over het verloop van het post-Fort-traject vertonen enige belangrijke overeenkomsten. Deze hebben betrekking op het feit dat in complexe onderzoeken als de onderhavige, waaraan veel personen en instanties met uiteenlopende belangen deelnemen, een heldere doelstelling, een goede structuur en voldoende managementaandacht belangrijke randvoorwaarden zijn. Naast overeenkomsten manifesteren zich ook accentverschillen. Gezien de – in hoofdstuk 2 beknopt beschreven – sporen die de IRT-affaire in de Randstad, en in het bijzonder in Amsterdam, heeft nagelaten wekt het nauwelijks verbazing dat Vrakking in zijn ambtsbericht de nasleep van deze affaire en het institutionele wantrouwen dat die affaire tot gevolg heeft gehad benadrukte. Zijn pleidooi voor een – niet strafrechtelijk georiënteerde – “waarheidscommissie” moet ook in die context worden bezien. Strafrechtelijke vervolging en veroordeling van de hoofdrolspelers waren in het Amsterdamse perspectief ondergeschikt geraakt aan de drive om de “onderste steen boven te krijgen”. Het contrast met de visie van Holthuis is in dit opzicht groot. Gegeven de opdracht tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek die in 1996 aan het LBOM en het LRT was verstrekt, was Holthuis begrijpelijkerwijs gepreoccupeerd met vragen die primair betrekking hadden op de bewijsgaring. Deze insteek wordt weerspiegeld in zijn ambtsbericht van mei 1999, waarin hij behalve voor de hierboven reeds genoemde aspecten van managementtechnische en organisatorische aard vooral aandacht vroeg voor het probleem van het niet kunnen ontsluiten van relevante informatie. In dat kader stond hij uitgebreid stil bij de status van het Fort-onderzoek. Het feit dat de rijksrecherche een feitenonderzoek had verricht en dat aan de geïnterviewden de toezegging was gedaan dat zij strafrechtelijk gevrijwaard waren voor hetgeen zij hadden verklaard, vormde een ernstige belemmering voor de start van het 060-onderzoek. De aanstelling van Haverkate als coördinerend officier van justitie met een rechtstreekse lijn naar het college indiceert dat het college van procureurs-generaal reeds in het voorjaar van 1999 lering trok uit de gebeurtenissen van de jaren daarvoor en opteerde voor een versterkte regierol. Of deze nieuwe organisatievorm inderdaad de effecten sorteerde waarop was gehoopt, valt buiten het bestek van deze evaluatie. Pas in een eventueel vervolgonderzoek kan deze vraag afdoende worden beantwoord.
2.5 Overige methoden
De parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden heeft
in beperkte mate aandacht besteed aan verschillende aspecten van
het omgaan met informatie in het algemeen. De commissie heeft op
basis daarvan besloten in haar evaluatie- onderzoek beperkt
aandacht te besteden aan het verkennend onderzoek, bestuurlijke
rechtshandhaving en financieel rechercheren. Tevens heeft de
commissie besloten aandacht te besteden aan de door
opsporingsinstanties noodzakelijk geachte informatie-uitwisseling.
Daarbij waren de volgende onderzoeksvragen leidend:
a.Hoe krijgt bestuurlijke rechtshandhaving vorm in de praktijk van
de
opsporing?
b.Wat zijn de resultaten van financieel rechercheren?
c.Hoe krijgt financieel rechercheren in de praktijk van de
opsporing
vorm?
d.In hoeverre vindt er nog informele informatie-uitwisseling plaats
via
zogenoemde «U-bochten»?
4.4 Rechters-commissarissen
4.4.1 Vragen naar aanleiding van de beslispunten
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 4
6 september 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
woensdag 6 september 1995
in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
mr. R.A. Gonsalves
Aanvang 16.30 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 20
14 september 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
donderdag 14 september
1995 in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den
Haag
Verhoord worden de heren B.N. Barendregt en H.C.J.M. Theeuwes
Aanvang 15.30 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 36
29 september 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
vrijdag 29 september 1995 in
de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
mevrouw mr. A. Rutten-Roos
Aanvang 16.30 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 52
12 oktober 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
donderdag 12 oktober 1995 in
de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
mr. R.J.C. Graaf van Randwijck
Aanvang 12.00 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 68
23 oktober 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
maandag 23 oktober 1995 in
de vergaderzaal van de Eerste
Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt mr.
J.H.M. Willems
Aanvang 11.30 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 84
6 november 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
maandag 6 november 1995 in
de vergaderzaal van de Eerste
Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt mr.
A.H. Korthals
Aanvang 15.40 uur
4.2. Karakteristiek van het beroep
Zowel de accountant in dienst van een onderneming als de
zelfstandig of openbaar accountant vallen onder de gedragsregels
van de beroepsorganisaties. De accountant dient waarheidsgetrouw te
rapporteren, conform de professionele standaarden, wet- en
regelgeving. Belangrijke waarden van het beroep zijn
betrouwbaarheid en objectiviteit. Zo dient de accountant, die in
zijn optreden jegens anderen een bijzonder belang vertegenwoordigt
– bijvoorbeeld als accountant van een bedrijf – dit aan de
betrokkenen kenbaar te maken. Ook dan moet hij een zo groot
mogelijke objectiviteit in acht te nemen, zodat hij bijvoorbeeld
feiten die in het nadeel van zijn opdrachtgevers zijn, niet mag
verzwijgen. De openbaar accountant die als zodanig optreedt, heeft
daarnaast nog te voldoen aan de eis van onafhankelijkheid van de
opdrachtgever en andere belanghebbenden. Dit alles brengt met zich
mee dat vertrouwen gesteld moet kunnen worden in de getrouwheid van
de verklaringen van de accountant.
4. CRIMINELE ORGANISATIES OP FRAUDEGEBIED
4.1. Inleiding
In dit hoofdstuk wordt op basis van het beschikbare empirische
materiaal en de geraadpleegde literatuur een beeld geschetst van de
criminele groepen, die op het terrein van de georganiseerde fraude
zijn aangetroffen. Daartoe zal in paragraaf 4.2 allereerst de
diversiteit van de bestudeerde dadergroepen uit de doeken worden
gedaan. In paragraaf 4.3 zal de aandacht worden gevestigd op de
achtergrond van de individuele verdachten. Behalve op kenmerken als
geslacht, etnische afkomst en leeftijd zal het accent in deze
paragraaf gelegd worden op het verloop en de duur van de criminele
carrire. Tevens zal worden ingegaan op de vraag in hoeverre
fraudeurs marktgebonden opereren. Paragraaf 4.4 ten slotte staat in
het teken van de aard van de onderlinge samenwerking, de
gezagsstructuur binnen de verschillende groepen en de contacten die
worden onderhouden met andere criminele organisaties.
7. AFSCHERMING MET BEHULP VAN RECHTSFIGUREN
7.1. Inleiding
Deel 2 van deze rapportage staat in het teken van het misbruik
van rechtsfiguren. Zoals in deel 1 is aangegeven, maken fraudeurs
van allerhande schijnconstructies gebruik om hun activiteiten
winstgevend te maken en zich af te schermen tegen interventie van
buitenaf. Fraudeurs staan daarin bepaald niet alleen. De
strafrechtelijke onderzoeken van de laatste jaren hebben uitgewezen
dat ook in de drughandel rechtsfiguren worden aangewend om de
criminele winsten te versluieren. Voordat in deel 3 wordt ingegaan
op de verschillende wijzen waarop wederrechtelijk verkregen
voordeel wordt weggesluisd, willen we in dit hoofdstuk de
instrumenten belichten die voor de modus operandi, afscherming van
de dadergroepen en versluiering van de herkomst van illegaal
inkomen van cruciaal belang zijn. In hoofdstuk 8 wordt vervolgens
ingegaan op de natuurlijke personen die in dit proces een rol
spelen. Het belangrijkste instrument dat wordt aangewend is de
rechtspersoon. Er is vrijwel geen vorm van georganiseerde
criminaliteit meer denkbaar zonder inbreng van deze rechtsfiguur.
In het bijzonder springt daarbij het misbruik van de BV in het oog.
In paragraaf 7.2 zullen we de schijnwerpers richten op de factoren
die het toezicht op de oprichting en het gebruik van deze
rechtspersoon bemoeilijken. In paragraaf 7.3 zal de aandacht
uitgaan naar de voordelen die andere rechtsvormen bieden, zoals de
stichting, de Delaware corporation en de Antilliaanse NV. De
laatste paragraaf van dit hoofdstuk is gereserveerd voor een
beschouwing over andere vormen van versluiering. Daarbij zal in het
bijzonder aandacht worden besteed aan eigendomsconstructies en de
figuur van de trust.
