Eindrapport – 4.1 InleidingJanuary 1, 1999
HOOFDSTUK 4 OBSERVATIE
4.1 Inleiding
De commissie heeft systematisch onderzoek gedaan naar het
gebruik van opsporingsmethoden. De basis van dit onderzoek ligt in
de vragen die de Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden
hierover gesteld heeft. In de volgende hoofdstukken wordt
weergegeven hoe opsporingsmethoden in Nederland worden ingezet. De
commissie hanteert daarbij het onderscheid tussen observatie,
informanten runnen, infiltratie en overige opsporingsmethoden. De
commissie besteedt per methode aandacht aan de regelgeving en de
jurisprudentie, het feitelijk gebruik, de sturing en controle van
het gebruik door het OM en de verslaglegging. Afsluitend wordt bij
een aantal methoden aandacht besteed aan de corruptiegevoeligheid
hiervan. Noot De inzet van methoden waarbij veelvuldig
contact wordt onderhouden met criminele derden levert
corruptierisico’s op. Dit is het geval bij het runnen van
informanten, infiltratie, gecontroleerde aflevering en het
doorlaten van drugs. In de hoofdstukken over informanten en
infiltranten wordt hierop nader ingegaan. De commissie heeft veel
onderzoeken naar criminele organisaties aangetroffen waarbij sprake
was van de inzet van een combinatie van methoden. Een omvangrijk
onderzoek naar een criminele organisatie betekent al snel de inzet
van verschillende methoden tegelijkertijd. Naast een tactisch
onderzoek met specifieke methoden ten aanzien van verdachten loopt
dan ook een zogenaamd pro-actief onderzoek dat zich concentreert op
andere personen. Zo gaat een methode als politie-infiltratie
vrijwel altijd gepaard met observatie. Ook bestaat gecontroleerde
aflevering niet zonder observatie. Inkijkoperaties gaan vaak samen
met gecontroleerde afleveringen. Het plaatsen van peilzenders
zonder volgen heeft geen zin. De commissie realiseert zich derhalve
terdege dat een aparte bespreking van methoden, zoals hier voor
gekozen is, vaak geweld doet aan de praktijk. Gezien het feit dat
het hier gaat om duidelijk te onderscheiden opsporingsmethoden, is
gekozen voor een aparte bespreking en beoordeling.
lees meer
Eindrapport – 3.9 Gooi en VechtstreekJanuary 1, 1999
3.9 Gooi en Vechtstreek
3.9.1 Doorgelaten containers Gooi en Vechtstreek
Uit het onderzoek van de commissie blijkt dat de politieregio
Gooi en Vechtstreek verschillende malen betrokken is geweest bij
gecontroleerde afleveringen. De drugs zouden wel steeds in beslag
zijn genomen. CID-chef Van der Putten vertrok van de politie
Dordrecht naar de politie Gooi en Vechtstreek. Van der Putten
introduceerde FIOD-medewerker De Jongh bij de CID Gooi en
Vechtstreek. Voor de activiteiten van De Jongh voor Gooi en
Vechtstreek is een convenant afgesloten tussen de FIOD en de
politie Gooi en Vechtstreek. Het OM zou voor deze gecontroleerde
afleveringen toestemming hebben gegeven. Het is echter onduidelijk
of toenmalig CID-officier van justitie Van der Kerk ook op de
hoogte is gesteld van de rol van de politie. De
commissie heeft verschillende voorbeelden aangetroffen in de regio
Gooi en Vechtstreek van het gebruik van deze methode.
Informant
In september 1994 werd een container met 11.000 kilo softdrugs
via een gecontroleerd traject binnengebracht en in beslag genomen.
Daarbij is een vergelijkbare methode gehanteerd als hiervoor is
beschreven. Een criminele organisatie heeft een informant
benaderd om een partij van ongeveer 10.000 kilo binnen te
trekken. De informant zou daarvoor de beschikking krijgen
over de bill of lading. Een andere informant zou met hulp
van de politie de drugs naar een loods vervoeren, waarna de politie
de drugs verder zou verspreiden naar de adressen die de criminele
organisatie zou opgeven.
lees meer
Eindrapport – 3.8 Beveronderzoek RotterdamJanuary 1, 1999
3.8 Beveronderzoek Rotterdam
In de zomer van 1992 werd in Rotterdam het
Haveninformatieproject gestart. Het doel van het project was de
informatie van verschillende diensten over de georganiseerde
criminaliteit in de haven bij elkaar te brengen. Uit het
Haveninformatieproject bleek dat een aantal personen zich in
georganiseerd verband bezig hield met strafbare feiten. De
Rotterdamse recherche en CID startten mede naar aanleiding hiervan
een onderzoek tegen een handelaar in verdovende middelen die al
meermalen veroordeeld was. Onder de codenaam Bever werd zodoende
eind 1993 een onderzoek gestart door het kernteam
Rotterdam-Rijnmond. De RCID Rotterdam had contact met de RCID
Kennemerland. Uit dit contact bleek dat de RCID Kennemerland een
informant runde die voor het Beveronderzoek belangrijke informatie
zou kunnen bieden (hier verder informant 3 genoemd).
lees meer
Eindrapport – 3.7 Betrokkenheid FIOD/douanerechercheJanuary 1, 1999
3.7 Betrokkenheid FIOD/douanerecherche
3.7.1 Doorlaten van containers
De douane en de douanerecherche waren van wezenlijk belang voor de
uitvoering van deze methode. De douane diende op verzoek van de
politie controle van bepaalde containers achterwege te laten, ook
al waren er signalen dat zich in de containers drugs bevonden. Het
Douane Informatie Centrum (DIC) selecteerde de containers waarmee
mogelijk iets aan de hand was. Ongeveer 30 tot 40 % van de
geselecteerde containers werd op verzoek van de politie
doorgelaten.
lees meer
Eindrapport – 3.6 KennemerlandJanuary 1, 1999
3.6 Kennemerland
Bij het IRT en het verdere vervolg van de Delta-methode speelde de
CID van de politieregio Kennemerland een belangrijke rol. Onder
verantwoordelijkheid van de CID Kennemerland blijkt de methode ook
na de ophefffing van het IRT te zijn toegepast. In het onderzoek
van de commissie zijn nieuwe feiten naar voren gekomen die een
ander licht werpen op de door het IRT toegepaste Delta-methode.
lees meer
Eindrapport – 3.5 Commissie-Wierenga en politieke
besluitvormingJanuary 1, 1999
3.5 Commissie-Wierenga en politieke besluitvorming
3.5.1 Instelling en rapport commissie-Wierenga
Op 26 januari 1994 lichtten de ministers van Justitie en van
Binnenlandse Zaken de Kamer in over de opheffing van het IRT.
Noot In deze brief werd gesproken over het uit de hand
lopen van een op zichzelf geoorloofde methode. In de brief en in
het daarop volgende debat werd een nader onderzoek toegezegd.
lees meer
Eindrapport – 3.4 Delta-methode IRT
Noord-Holland/UtrechtJanuary 1, 1999
3.4 Delta-methode IRT Noord-Holland/Utrecht
3.4.1 Inleiding
Medio 1992 was er contact tussen CID-chef Dordrecht Van der
Putten en CID-chef Haarlem Langendoen, waarbij de problematiek van
het invoeren van containers met verdovende middelen aan de orde
kwam. Noot Langendoen zocht een chauffeur om een
container uit de haven te halen. Van der Putten introduceerde
chauffeur M. bij Langendoen. Langendoen verklaart dat chauffeur M.
vanaf 1992 ook daadwerkelijk is ingeschreven bij de CID Haarlem. De
commissie heeft dat niet kunnen vaststellen. M. was behulpzaam bij
het binnenhalen van containers voor het IRT. Daarmee was de
Delta-methode voor het IRT begonnen.
lees meer
Eindrapport – 3.3 OntstaansgeschiedenisJanuary 1, 1999
3.3 Ontstaansgeschiedenis
Vanaf het begin van de jaren tachtig werkte het Duitse
Bundeskriminalamt (BKA) samen met de Nederlandse politie bij
gecontroleerde afleveringen. Noot Deze gecontroleerde
afleveringen werden over het algemeen in beslag genomen nadat zij
door de ontvangende organisatie aan anderen waren doorverkocht.
Daarbij speelden zowel de lokale CID-en als de NCID een belangrijke
rol. Het BKA maakte voor de financiering van een deel van dat
traject gebruik van crimineel geld.
lees meer
Eindrapport – 3.2 Omschrijving methodeJanuary 1, 1999
3.2 Omschrijving methode
De methode bestaat uit het onder regie van politie en justitie
gebruik maken van informanten die criminele organisaties facilitair
ondersteunen. De politie gebruikt de informanten om informatie te
verzamelen over het functioneren van de criminele organisatie. De
informanten hebben op n of andere wijze contact met leden van
criminele organisaties. Het gaat onder andere om informanten die
werkzaam zijn in de transportwereld. Noot De politie
wordt door een informant in kennis gesteld van de verwachte
aankomst van een container waarin verdovende middelen zijn
verborgen. De informant draagt kennis van de gegevens van de
container, het schip en de vermoedelijke datum van aankomst. De
politie zorgt er met hulp van FIOD-medewerker(s), voor dat de
container niet door de douane wordt gecontroleerd. De FIOD/politie
heeft afspraken met de douane dat indien de FIOD/politie daarom
vraagt bepaalde containers zonder verder vragen door de douane
worden geloodst. Onder regie van de politie en door tussenkomst van
de FIOD wordt de container dan door een burgerchauffeur, die met de
politie samenwerkt, uit het havengebied gereden en getransporteerd
naar een neutraal terrein, bijvoorbeeld een parkeerplaats.
Vervolgens zorgt politiepersoneel of de burgerchauffeur voor
transport naar een loods. Een medewerker van de FIOD zorgt
inmiddels voor de inklaring van de containers en de daarvoor
benodigde documenten. In een aantal gevallen vervoeren
politiemensen zelf de container vanaf het haventerrein naar de
loods.
In de loods wordt door politiefunctionarissen de lading in de
container gecontroleerd. De politie weegt de hoeveelheid verdovende
middelen. De lading drugs wordt opgesplitst en op afroep door de
politie vervoerd naar een plaats die door leden van de criminele
organisatie is opgegeven aan de burgerinfiltrant. De deklading (de
lading die noodzakelijk is om de drugs te verstoppen) wordt apart
gezet en eventueel later verkocht, dan wel om niet aan bepaalde
bedrijven weggegeven. In andere gevallen heeft de politie geen
bemoeienis met de dekladingen.
lees meer
Eindrapport – 3.13 BeoordelingJanuary 1, 1999
3.13 Beoordeling
De commissie is, met inachtneming van alle beschikbare
informatie, tot de volgende beoordelingen gekomen over de
Delta-methode.
lees meer
Eindrapport – 3.12 Kennis en verantwoordelijkheidJanuary 1, 1999
3.12 Kennis en verantwoordelijkheid
In het onderzoek heeft de commissie getracht te achterhalen wat
verantwoordelijke politiefunctionarissen, bestuurders en officier
van justitie wisten. Wat wisten de betrokkenen en hoe hebben zij
hun verantwoordelijkheden uitgeoefend? De commissie gaat daarbij
ervan uit dat, voor het kunnen uitoefenen van het gezag over de
politie, het OM op de hoogte dient te zijn van de gebruikte
methoden en het functioneren van de CID en haar medewerkers. Ook de
korpsleiding dient naar het oordeel van de commissie weet te hebben
van de activiteiten van de CID om tot een verantwoorde sturing van
de CID te kunnen komen. Korpsleiding en OM hebben naar het oordeel
van de commssie de verantwoordelijkheid zich op de hoogte te
stellen van de activiteiten van de CID. Dat neemt niet weg dat de
commissie tevens van oordeel is dat het de verantwoordelijkheid van
betrokken CID-functionarissen is om de korpsleiding en het OM op de
hoogte te stellen van hun activiteiten. Noot
lees meer
Eindrapport – 3.11 Totaal aantal containers en
kilo’sJanuary 1, 1999
3.11 Totaal aantal containers en kilo’s
Het is duidelijk dat grote hoeveelheden verdovende middelen met
medeweten en onder regie van politie en justitie op de markt
verdwenen zijn. Een dag voor het begin van de openbare verhoren van
de commissie, op 5 september 1995, sprak de minister van Justitie
in de Kamer van 100 tot 400 ton softdrugs die waren doorgeleverd.
Hoeveel daarvan op de markt was gekomen was nog onderwerp van
onderzoek.
lees meer
Eindrapport – 3.10 Verdiensten en criminele geldenJanuary 1, 1999
3.10 Verdiensten en criminele gelden
3.10.1 Verdiensten
Tijdens het onderzoek stuitte de commissie op het feit dat
informanten de gelden die zij verdienden met het binnenhalen van de
containers mochten behouden. De criminele organisaties betaalden de
informanten voor het binnenhalen van de containers. En informant
heeft de commissie meegedeeld dat hij per container gemiddeld 1
miljoen gulden verdiende. Dit geld behoefden de informanten niet af
te dragen aan de politie. Verschillende informanten hebben vele
miljoenen guldens verdiend aan deze activiteiten. De informanten
moesten wel zorgdragen voor het huren van een loods, de benodigde
papieren en het betalen van de chauffeur. De informant gaf het geld
voor deze betalingen aan de politie, die vervolgens de betalingen
verrichtte.
lees meer
Eindrapport – 3.1 InleidingJanuary 1, 1999
-
HOOFDSTUK 3 DE DELTA-METHODE:
- DOORLATEN VAN DRUGS ONDER REGIE VAN POLITIE EN
JUSTITIE
3.1 Inleiding
De commissie heeft intensief onderzoek gedaan naar de methode
van het bewust doorlaten van drugs onder verantwoordelijkheid van
politie en justitie, waarbij gestuurde informanten of beter gezegd
burgerinfiltranten behulpzaam zijn. Deze methode, die bekend is
geraakt als de Delta-methode, heeft mede ten grondslag gelegen aan
de opheffing van het interregionaal rechercheteam
Noord-Holland/Utrecht (IRT), eind 1993. Bij haar aantreden in
december 1994 stond voor de commissie vast dat ook de methode die
gebruikt werd door het opgeheven IRT nader onderzocht moest worden.
Zij kon toen nog niet voorzien dat deze Delta-methode ook na de
opheffing van het IRT door de CID in Kennemerland was voortgezet.
Daarvoor kreeg zij de eerste aanwijzingen in maart 1995. De
commissie beschikte over informatie dat een informant in Rotterdam
actief was geweest bij het doorlaten van drugs nadat het IRT was
opgeheven. Het ging hier om de zaak die later bekend werd onder de
naam Bever. Op grond van deze gegevens en nieuwe feiten rond
sigarettensmokkel is een rijksrecherche-onderzoek begonnen op
aanvraag van de korpschef en de hoofdofficier van justitie in
Haarlem en de hoofdofficier te Rotterdam. Nadat deze zaak in de
openbaarheid was gekomen, heeft het College van procureurs-generaal
in april 1995 een algemeen rijksrecherche-onderzoek gelast naar het
functioneren van de CID Kennemerland. Vanaf het begin is de
commissie in de persoon van haar voorzitter en de vice-voorzitter
op de hoogte gehouden van de voortgang van het
rijksrecherche-onderzoek. De commissie heeft gekozen voor een
breder onderzoek dan de rijksrecherche. Niet alleen de politieregio
Kennemerland was onderwerp van onderzoek, maar de commissie heeft
ook gekeken naar enkele andere regio’s waar sprake was van het
doorlaten van drugs onder regie van de politie, zoals Rotterdam,
Gooi en Vechtstreek, Twente en Haaglanden. Noot De
commissie wilde niet het onderzoek van de commissie-Wierenga, die
onderzoek deed naar de redenen voor de opheffing van het IRT,
volledig over doen. De bestuurlijke en organisatorische
verhoudingen rondom het IRT zijn derhalve geen direct onderwerp van
onderzoek geweest van de commissie. De methode van het IRT en het
oordeel van de commissie-Wierenga hierover daarentegen des te meer.
Het onderzoek van de commissie naar deze methode leverde veel
gegevens op. De commissie heeft noodgedwongen een selectie moeten
maken uit deze gegevens. Tijdens het onderzoek naar deze methode
werd de commissie geconfronteerd met elkaar tegensprekende
verklaringen van leden van het OM en politiefunctionarissen. Indien
mogelijk heeft de commissie een oordeel gegeven over de
verschillende verklaringen. In een aantal gevallen bleek het niet
mogelijk tot een oordeel te komen. Sommige feiten waren niet meer
te achterhalen. Desondanks wordt in dit hoofdstuk een zo goed
mogelijke chronologische weergave gegeven van de
gebeurtenissen.
lees meer
Eindrapport – 2.9 Fraude, misbruik legale constructies en
witwassenJanuary 1, 1999
2.9 Fraude, misbruik legale constructies en witwassen
2.9.1 Aanleiding onderzoek
Onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit beperkt zich
veelal tot de traditionele vormen van georganiseerde criminaliteit:
drugshandel, wapenhandel, vrouwenhandel en andere vormen van handel
in illegale goederen en diensten. Maar ook bij
financieel-economische criminaliteit (fraude, witwassen, misbruik
van legale constructies) kan sprake zijn van georganiseerde
criminaliteit. Bevindingen over de aard en omvang van deze
financieel-economische georganiseerde criminaliteit bieden inzicht
in de aard, omvang en ernst van
de georganiseerde criminaliteit in Nederland.
lees meer
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>