201 bekend was, kunnen betekenen dat de getuigen niet meer beschikbaar of bereid zouden zijn. In de tweede plaats was het doel van de getuigenverklaring mede het verkrijgen van aanwijzingen over de identiteit van één of meer mogelijke verdachten.433 De rechter-commissaris vormde zich op basis van de door Snijders aangeleverde informatie een oordeel over de status van bedreigde getuige aan de hand van een door de CRI uitgevoerde dreigingsanalyse en uitlatingen van de getuigen zelf. De rechter-commissaris was overtuigd van de aannemelijkheid van de bedreiging en besloot getuige 1, en maanden daarna getuige 2, anoniem te horen. De rechter-commissaris oordeelde dat het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor duldde en ging onmiddellijk tot het verhoor van de getuige NN1 over. De mondelinge beslissing van de rechter-commissaris om de getuigen de status van bedreigde getuigen te geven, werd na het verhoor in een schriftelijke verklaring bekrachtigd en vervolgens aan de getuige in persoon en aan de onbekende verdachte ter griffie betekend. Na het verstrijken van de wettelijk voorgeschreven appèltermijn van 14 dagen werd de op schrift gestelde verklaring door de rechter- commissaris aan Van Straelen ter beschikking gesteld.434 9.4.6 De betrouwbaarheid van de getuige Een bijzonder element in het geheel is dat er door sommigen sterk werd getwijfeld aan de betrouwbaarheid van (met name) getuige NN1. Dit als gevolg van het feit dat de gegevens die door deze getuige in het verleden in een ander onderzoek waren verstrekt, (partieel) onbetrouwbaar waren gebleken. Deze mogelijke onbetrouwbaarheid van de getuige kwam al in het eerste stadium van de besprekingen over het mogelijke verhoren van de getuige aan de orde in een overleg tussen Snijders, Schouten, Van Stormbroek, De Wit, Van Slobbe en Noordhoek. Geen van de aanwezigen zag hierin een reden om niet verder te gaan met de betrokken persoon. Schouten verwoordde dit standpunt als volgt435: “Eind 1997 is in aanwezigheid van Noordhoek, Van Slobbe, Snijders, Van Stormbroek, De Wit en ik gesproken over de mogelijkheid om X als getuige te horen. Bij alle aanwezigen was de kwestie over de mate van betrouwbaarheid van X bekend en als eerste werd besproken of dit een hindernis zou kunnen zijn om de persoon als getuige te horen. Iedereen was het er snel over eens dat de betrouwbaarheid van een getuige in het proces getoetst wordt. (…) Ter controle van de betrouwbaarheid konden aan de getuige ook vragen worden gesteld door de verdediging en de rechter-commissaris.” Snijders voegde hier nog een element aan toe436: 433 Van Straelen houdt in zijn notitie de mogelijkheid open dat aan de verdachte, nadat deze geïdentificeerd is, alsnog de gelegenheid wordt geboden tegen de beschikking van de rechter-commissaris beroep aan te tekenen. Maar het is de vraag of deze mogelijkheid wel bestaat. De consequentie van gegrondverklaring van hoger beroep is dat het proces- verbaal van de getuigenverklaring wordt vernietigd en niet bij het dossier wordt gevoegd, noch in afschrift aan het openbaar ministerie wordt gezonden. In het onderhavige geval van de NN-verdachte is – uiteraard – geen hoger beroep ingesteld en is de getuigenverklaring na het verstrijken van de beroepstermijn bij het dossier gevoegd en ter beschikking gekomen van de officier van justitie. Uitgaande van een eventueel appèlrecht voor de later alsnog geïdentificeerde verdachte zou – indien men dit consequent had doorgetrokken – hebben moeten betekenen dat de rechter-commissaris de getuigenverklaring onder zich had gehouden tot de werkelijke identiteit van de NN-verdachte bekend was. Dit is in deze zaak niet gebeurd en dat zou ook paradoxaal zijn. De bedoeling van de getuigenverklaring NN was nu juist om een verdachte te kunnen identificeren. Het zou vreemd zijn als een dergelijke verklaring dan niet gebruikt zou mogen worden totdat de verdachte is geïdentificeerd. Hoewel de handboeken er over zwijgen lijkt dit een argument te zijn om geen appèlrecht toe te kennen aan de later alsnog geïdentificeerde verdachte. 434 Memo van F. van Straelen aan H. van Brummen d.d. 14 juni 1999 (B2). 435 Interview P. Schouten d.d. 9 februari 2001. 436 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001.
145 6 Voorjaar 1997: de stagnatie in de uitvoering van de plannen 6.1 Inleiding In de onderhavige periode leek het er aanvankelijk op dat de onderzoeken eindelijk van start konden gaan. In het bijzonder omdat het college van procureurs-generaal zich vierkant achter de voorstellen van de beide teams schaarde. Al vlug bleek echter opnieuw dat de problemen nog lang niet van de baan waren. Enerzijds stagneerde de daadwerkelijke aanpak van de onderzoeken als gevolg van vragen omtrent de bruikbaarheid van vooral het archief van het Fort-team voor strafrechtelijk onderzoek. Anderzijds speelden bij vlagen wederom de problemen in de verhouding tussen de beide teams in alle hevigheid op. Veel van het onderzoek dat feitelijk gebeurde had – achteraf gezien – dan ook nog steeds een voorbereidend karakter, in de zin dat de activiteiten het vertrekpunt vormden van het onderzoek dat in juni 1997 door het LRT daadwerkelijk werd aangepakt. Voor het team van spoor 2 liep deze periode heel anders af: om een samenstel van redenen besliste het college van procureurs-generaal dat het moest worden opgeheven … Maar hier stond de doorbraak van de sporen 3 en 4 tegenover: de Amsterdams-Haarlemse samenwerking bij het onderzoek naar de (berichten over de) bedreiging van een officier van justitie. De Randstedelijke justitie zag ook in dit onderzoek een kans om alsnog greep te krijgen op het onderzoek naar de IRT-affaire. 6.2 Het fiat van het college van procureurs-generaal voor de onderzoeksvoorstellen In de vergadering van het college op 2 april 1997 kondigde Gonsalves aan dat er op termijn van enkele weken een voortgangsrapportage van het “post-Fort-team 2” aan het college zou worden aangeboden waarin ook een voorstel voor een vervolgonderzoek was opgenomen.275 Blijkens de brieven die Holthuis op 8 respectievelijk 9 april 1997 aan Docters van Leeuwen en Gonsalves stuurde met het oog op de vergadering van het college op 15 april 1997 – en blijkens de notulen van deze vergadering – ging het echter om meer. Het college beschikte op deze datum zowel over de rapportage van spoor 1 als over die van spoor 2, over een ontwerpbegroting en over een paar belangrijke brieven. In zijn aanbiedingsbrief van 8 april 1997 aan Docters van Leeuwen volstond Holthuis niet met een opsomming van de bijgevoegde stukken.276 Hij vatte het voorstel van het LRT voor het nadere onderzoek hierin ook samen en onderschreef dit voorstel kennelijk helemaal, inclusief het besluit dat in eerste instantie een opsporingsonderzoek moest worden opgestart tegen J. en Van V. Tegen hen waren de meeste feiten en omstandigheden aanwezig die konden leiden tot een redelijk vermoedelijk van schuld aan een of meer strafbare feiten. Aan het einde van zijn brief stipte hij bovendien een vijftal kwesties aan die – na accordering van het voorstel door het college – zouden moeten worden geregeld: — de continuering van het uiterst terughoudende mediabeleid; — de beschikbaarstelling van de benodigde financiële middelen conform de bijgevoegde begroting; 275 Notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 2 april 1997 (C9). 276 Brief H. Holthuis d.d. 8 april 1997 aan A. Docters van Leeuwen (C3). In de brief van H. Holthuis d.d. 9 april 1997 aan R. Gonsalves – in hetzelfde archief – wordt van deze kwesties geen melding gemaakt.
146 — de instemming van de directeur rijksrecherche met een samenwerkingsverband “waar het te vervolgen ambtenaren betreft”; — de bevoegdheid van de leden van de beide onderzoeksteams om kennis te nemen van het dossier van de Commissie-Van Traa omdat dit kon leiden tot verduidelijking van de feiten die zijn opgenomen in het Fort-dossier; — en de beëindiging van de rubricering “stg.-geheim” van het Fort-dossier. Wat deze voorwaarden aangaat is het allereerst van belang op te merken dat de bedoelde begroting alleen betrekking had op het onderzoek van spoor 1. Hieruit mag echter niet worden afgeleid dat op dat moment al werd gedacht aan de opheffing van het team dat het andere spoor – spoor 2 – onderzocht. Op 17 april 1997 stuurde Holthuis ook een begroting voor dit team in bij het parket- generaal en deze begroting was opgemaakt voor de periode maart-december 1997.277 Met het oog op de invulling van de twee laatstgenoemde voorwaarden schreef Holthuis op dezelfde dag een tweede brief aan Docters van Leeuwen waarin hij hem meer en detail over de beide kwesties informeerde en waarbij hij concepten voegde van de beoogde verzoekschriften aan respectievelijk de voorzitter van de Tweede Kamer en de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie.278 Wat de deelname van de rijksrecherche betreft stuurde Pijl op 9 april 1997 een brief aan Steenhuis waarin hij deze – naar aanleiding van een verzoek van Noordhoek en Entken d.d. 3 april 1997 – niet alleen van advies diende omtrent de deelname van de rijksrecherche aan een opsporingsonderzoek “als follow-up van het voorbereidend onderzoek 060” maar ook omtrent de opheffing van de rubricering staatsgeheim.279 Inzake het laatste punt gaf Pijl aan dat hij niet ten volle kon overzien welke consequenties de opheffing van die rubricering in juridisch opzicht allemaal zou hebben maar hij neigde niettemin toch naar het standpunt dat Noordhoek c.s. onder stringente voorwaarden – onder meer dat het gebruik van de informatie de levens van burgers en politiepersoneel niet in gevaar mocht brengen en dat naar derden toe de bron van de informatie in beginsel niet mocht worden genoemd – gebruik zouden moeten kunnen maken van de informatie in het Fort-archief. Wat het tweede punt betreft vond hij deelname van de rijksrecherche – omwille van haar kennis van het Fort-dossier en omwille van de hieraan verbonden corrumptieve aspecten – gewenst. Hij wilde dan ook graag twee rijksrechercheurs ter beschikking stellen, maar wel onder bepaalde voorwaarden … Een van de voorwaarden was dat dezen de mogelijkheid behielden om zich via de eigen rijksrecherchelijn te wenden tot het college van procureurs-generaal, dat zij in formele zin niet zouden worden aangestuurd door de LRT-leiding maar – praktisch gesproken – wel uitvoerende recherchewerkzaamheden zouden verrichten en ook optimaal zouden samenwerken binnen het betrokken team. Verder moesten zij in de gelegenheid worden gesteld aanwezig te zijn bij de bespreking van de teamleiding met het openbaar ministerie en hierbij hun mening te kunnen geven. Ook de inlichtingendienst van de rijksrecherche tenslotte zou het onderzoek op informatieve wijze ondersteunen. De notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal op 15 april 1997 – die ook werd bijgewoond door Holthuis, Noordhoek, en Entken – hebben vooral betrekking op het overleg inzake de voortzetting van het 060-onderzoek. Belangrijk is eerst en vooral dat het college blijkens deze notulen akkoord ging met het aangegeven projectvoorstel en de daaruit voortvloeiende organisatorische consequenties. Wat de verzoekschriften aan de Tweede Kamer en het departement van Justitie betreft koos het college voor een meer behoedzame benadering. Wat het eerstbedoelde verzoekschrift betreft wilde het college eerst het advies inwinnen van het departement. Ten aanzien van het laatstbedoelde verzoekschrift vond het college dat er nader advies moest worden gevraagd bij 277 Brief H. Holthuis d.d. 17 april 1997 (C9). Opmerkelijk is wel dat Holthuis in deze brief opmerkte dat hij graag zag dat de begrotingen van de beide teams gescheiden werden gehouden “tot de definitieve positionering van beide onderzoeken duidelijk is”. 278 Brief H. Holthuis d.d. 8 april 1997 aan A. Docters van Leeuwen (C3). 279 Brief D. Pijl d.d. 9 april 1997 aan D. Steenhuis (C3).
Bijlage X – Deelonderzoek 3
1. De vrije-beroepsbeoefenaars: advocaten, notarissen en
accountants
Henk van de Bunt (VU/WODC)
m.m.v. Roelof Jan Bokhorst en Hans Werdmlder (beiden WODC)
Voorwoord
Tal van mensen zijn bij de totstandkoming van dit rapport
betrokken geweest. In de eerste plaats gaat mijn dank uit naar de
personen die bereid waren een gesprek te voeren over de
problematiek van de vrije-beroepsbeoefenaars in relatie tot de
georganiseerde misdaad. In bijlage 1 staan de namen van de
genterviewden vermeld. In de tweede plaats is veelvuldig en nimmer
tevergeefs een beroep gedaan op stafmedewerkers van de
beroepsorganisaties, de NOVA, de KNB, de NIVRA en de NOvAA. Ten
derde zijn door het gehele land gesprekken gevoerd en telefonische
contacten onderhouden met rechercheurs over gesignaleerde
voorvallen van verwijtbare betrokkenheid. Speciale dank ben ik
verschuldigd aan Jan Janse en Theo Akse, beiden werkzaam bij de
afdeling Finpol van de CRI, die altijd bereid waren tekst en uitleg
te geven over de Finpol-meldingen.
2.5. De voorvallen
2.5.1. Inleiding
Advocaten kunnen voor het karretje worden gespannen van een
criminele organisatie zonder dat zij het zich bewust zijn. Onbewust
en onbedoeld, dat wil zeggen: niet verwijtbaar, wordt een
bijdrage geleverd aan de misdrijven die deze groepen plegen. Ter
verduidelijking volgt een concreet voorbeeld van deze
niet-verwijtbare betrokkenheid.
2.6. Slotbeschouwing
De advocaat heeft een moeilijk beroep: hij dient partijdig te
zijn, doch hierbij zijn onafhankelijkheid jegens de clint te
bewaren. De normering van – en controle op – de beroepsuitoefening
is sterk professioneel van karakter. Het beroep evolueert evenwel
steeds meer in de richting van een gewoon, commercieel beroep. Het
werkterrein van de advocaat (wat is eigenlijk des advocaten?) is
niet duidelijk afgegrensd, terwijl de beroepsbeoefenaar wel alle
parafernalia bezit van het klassieke, professionele beroep.
3. HET NOTARIAAT
3.1. Kerngegevens
3.1.1. Openbaar ambtenaar in een vrij beroep
De notaris is een openbaar ambtenaar, die in de gevallen waarin
de wetgever zijn tussenkomst dwingend voorschrijft, een specifieke
overheidstaak uitoefent. De notaris wordt bij Koninklijk Besluit
benoemd. Aan hem wordt tevens een standplaats toegewezen. Hij is
geen gewoon ambtenaar want hij krijgt zijn inkomsten uit de
opbrengst van zijn dienstverlening. In die zin is hij ondernemer,
maar dan wel een die als monopolist opereert op een markt zonder
veel risico’s.
3.2. De karakteristiek van het beroep
3.2.1. De plicht tot dienstverlening
Als openbaar ambtenaar c.q. als de functionaris wiens
tussenkomst dwingend is voorgeschreven, heeft de notaris veel
minder speelruimte dan bijvoorbeeld de advocaat of de accountant om
clinten of diensten te weigeren. Sterker nog, hij is volgens de
heersende leer in beginsel zelfs verplicht om zijn diensten te
verlenen als daarom wordt gevraagd. Op deze ministerieplicht kan
alleen uitzondering worden gemaakt als de notaris gegronde redenen
heeft om zijn dienst te weigeren. In de gedragsregels, die de KNB
onlangs heeft gepubliceerd, en in de ontwerpwet op het Notarisambt
zijn enkele gronden gespecificeerd.
3.3. De tuchtrechtspraak
3.3.1. Twee vormen van tuchtrecht
Het notariaat kent twee vormen van tuchtrecht: het wettelijke
tuchtrecht en het verenigingstuchtrecht. Het verenigingstuchtrecht
is in het kader van deze bespreking niet van belang. Via deze
procedure worden de relatief mineure klachten over de
beroepsuitoefening van de notaris behandeld. Het betreffen klachten
over bijvoorbeeld het gebrek aan snelheid in het notarile optreden
of over de hoogte van de declaratie. De uitspraken van het
scheidsgerecht (eerste aanleg) en het college van beroep zijn
bindend. Zo kan de uitspraak luiden dat de notaris zijn declaratie
moet verlagen.
3.4. De kwetsbare positie van de notaris
3.4.1. Onmisbaar en aantrekkelijk voor criminele
organisaties
De notaris is een onmisbare schakel in tal van dubieuze
constructies. Of het nu gaat om de oprichting van BV’s waarmee
gefraudeerd gaat worden, of om witwasoperaties waar onroerend goed
mee is gemoeid of waarbij rechtspersonen worden gebruikt, de
tussenkomst van de notaris is wettelijk voorgeschreven. In deze zin
is er een grote mate van potentile betrokkenheid tussen het
notariaat en de georganiseerde misdaad.
3.5. De voorvallen
3.5.1. Inleiding
Evenals bij de advocaat kan de verwijtbare betrokkenheid van de
notaris bij georganiseerde misdaad eruit bestaan dat hij specifieke
kennis (informatie, e.d.) levert en afscherming biedt. Als
bijzonder kenmerk van de notaris komt erbij dat zijn tussenkomst
wettelijk is voorgeschreven voor het kunnen verrichten van
rechtshandelingen.
3.6. Slotbeschouwing
De notaris is een openbaar ambtenaar wiens tussenkomst dwingend
is voorgeschreven; de notaris heeft door zijn ministerieplicht veel
minder speelruimte om clinten of diensten te weigeren dan
bijvoorbeeld de advocaat. Het takenpakket van de notaris is in de
afgelopen periode uitgebreid. Hij verleent in toenemende mate
advieswerkzaamheden voor clinten. In de uitoefening van deze
werkzaamheden is de notaris partijdig.
