Bijlage V – 10.1 InleidingJanuary 1, 1999
10 INTERNATIONALE OPSPORING
10.1 Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de internationale samenwerking en
gegevensuitwisseling ter bestrijding van de grensoverschrijdende
(georganiseerde) misdaad beschreven. Tevens komt het functioneren
van buitenlandse opsporingsambtenaren in Nederland en dat van
Nederlandse opsporingsambtenaren in het buitenland aan de orde.
Samenwerking en gegevensuitwisseling kunnen diverse vormen
aannemen. Hier staan de internationale assistentieverzoeken
centraal waarin bijzondere opsporingsmethoden zoals
(grensoverschrijdende) observatie, gecontroleerde aflevering,
pseudo-koop en infiltratie worden gehanteerd. Deze
assistentieverzoeken doen zich tegenwoordig met grotere regelmaat
voor, omdat het aantal internationaal gecordineerde
opsporingsonderzoeken, alsmede het aantal internationaal opererende
criminele groepen is toegenomen. In .10.2 wordt ingegaan op
justitile en politile rechtshulp in het algemeen. Hoewel het
juridisch van belang is of het daarbij gaat om hulp door Nederland
aan het buitenland, of vice versa blijkt dit onderscheid in de
praktijk soms moeilijk te maken, omdat dikwijls sprake is van een
intensieve samenwerking. Daarom is in de opzet in .10.3 gekozen
voor de samenvattende term informatie-uitwisseling, al vertroebelt
deze enigszins het juridisch relevante onderscheid. De
daaropvolgende paragrafen betreffen het gebruik van niet-wettelijk
geregelde opsporingsmethoden in internationaal verband: in .10.4
wordt ingegaan op de uitvoering van buitenlandse
assistentieverzoeken door Nederland en .10.5 de uitvoering van
Nederlandse assistentieverzoeken in het buitenland. De laatste
paragrafen gaan over het optreden van opsporingsambtenaren buiten
de landsgrenzen: .10.6 betreft Nederlandse opsporingsambtenaren in
het buitenland en .10.7 de buitenlandse opsporingsambtenaren in
Nederland. Afgesloten wordt met enkele conclusies.
lees meer
Bijlage V – HugoJanuary 1, 1999
Hugo
HR 2 november 1993, nr. 94.851 en DD 24 (1994) 94.110 (94.851)
p. 306-308 (ook wel fronstore Mertrans) In het kader van een
onderzoek naar een internationaal vanuit Colombia opererende groep
Zuidamerikanen, die zich op grote schaal zou bezig houden met het
vervoer van grote hoeveelheden cocane en marihuana naar
West-Europa, is door het Bundeskriminalamt te Wiesbaden Duitsland
(BKA) een transport- en opslagonderneming genaamd Mertrans
opgericht. Deze onderneming werd gedreven door politie-ambtenaren
van het BKA, met name A 253 en A 256, welke laatste als eigenaar
van de onderneming te boek stond. De reden van oprichting was
gelegen in de mogelijkheid cocane en marihuana, in afwachting van
verdere distributie naar diverse Europese landen (waaronder
Nederland), op te slaan en zodoende de afnemers van verdovende
middelen te achterhalen.
lees meer
Bijlage V – De zaak Charles Z.January 1, 1999
De zaak Charles Z.
Gerechthof Amsterdam, 10 januari 1995, NJ 1995, 254
(Artt. 47, 56, 57, 140 Sr, 3 en 11 Opiumwet)
De beschrijving van deze zaak zal als volgt plaatsvinden: Per
aangevoerd verweer (1 t/m 9) zal een korte inhoud van dat verweer
gegeven worden, waarna gelijk (veelal door middel van een
samenvatting) de overweging en beslissing op dit punt door het hof
zal volgen. Bij het eerste verweer worden de inleidende opmerkingen
van het hof, gemaakt voor de behandeling van de verweren, vermeld.
1. Verweer onvolledig proces-verbaal: Het proces-verbaal van de
hoofdinspecteur van politie, Woelders, voldoet niet aan opdracht
van het hof aan de procureur-generaal een volledige rapportgage met
betrekking tot de gehanteerde opsporingsmethoden te
verstrekken.
lees meer
Bijlage V – Illegaal gokkenJanuary 1, 1999
Illegaal gokken
HR 4 januari 1994, NJ 1994, 294 (DD 24 (1994) 94.185 (95. 607 E)
p. 430.
(Artt.1a en 30b Wet op de Kansspelen)
Verbalisanten (politile infiltranten A 119 en A 127) mengden zich
in het spelende publiek in een casino en deden zelf mee aan de
spellen om illegale gokactiviteiten te kunnen gadeslaan en
opsporen.. Rechtsvraag:
lees meer
Bijlage V – 4.4 Feitelijk gebruik van de methodeJanuary 1, 1999
4.4 Feitelijk gebruik van de methode
4.4.1 Kwantitatieve gegevens
De NCID beheert een systeem waar alle CID-en hun informaten
gecodeerd aanmelden (zie hierover Bijlage 6 Organisaties,
hoofdstuk 3 Criminele inlichtingen diensten). Dit systeem
bevatte echter lange tijd geen totaaloverzicht, omdat tot 14
september 1995 zes regionale CID-en hebben nagelaten de informanten
aan te melden.
lees meer
Bijlage V – 6.4 Feitelijk gebruikJanuary 1, 1999
6.4 Feitelijk gebruik
6.4.1 Misdaadanalyse
Wie
lees meer
Bijlage VI – 11.1 InleidingJanuary 1, 1999
11 BURGEMEESTERS EN KORPSBEHEERDERS
11.1 Inleiding
In dit hoofdstuk staan de sturing van en controle op de politie
door burgemeesters en korpsbeheerders centraal. Aan de
korpsbeheerder, doorgaans de burgemeester van de grootste gemeente
in de politieregio, is het beheer van het regionale politiekorps
opgedragen. Noot Het openbaar ministerie heeft in de
persoon van de hoofdofficier van justitie sinds het nieuwe
politiebestel voor het eerst een stem in het beheer van de politie.
Noot Bestuur en OM zijn, in de personen van korpsbeheerder en
hoofdofficier van justitie, beide verantwoordelijk voor het beheer
van een regiokorps. Beheersbevoegdheden met betrekking tot
territoriale onderdelen van de politie kunnen door de
korpsbeheerder worden overgedragen aan de burgemeester van de
betrokken gemeente. Daarnaast dragen burgemeesters het gezag over
de politie voor wat betreft de handhaving van de openbare orde.
Noot
lees meer
Bijlage VI – 3.1 InleidingJanuary 1, 1999
3 CRIMINELE INLICHTINGENDIENSTEN
3.1 Inleiding
3.1.1 Algemene introductie
Van oudsher heeft de politie belangstelling voor wat leeft in
het criminele milieu. Altijd hebben mensen vanuit het milieu zich
bereid getoond de politie informatie te verschaffen.
lees meer
Bijlage VI – 5.3 Beslissingen over de keuze van zaken en
methodenJanuary 1, 1999
5.3 Beslissingen over de keuze van zaken en methoden
5.3.1 Zaken
Voor alle ondersteunende diensten geldt formeel en materieel dat
zij niet zelfstandig onderzoeken verrichten. Ze ondersteunen
onderzoeken of participeren daarin. In die zin is het eenvoudig te
stellen dat de selectie van werkzaamheden die door een OT of een
andere dienst worden verricht elders wordt gemaakt, namelijk bij de
tactische leiding van een onderzoek of eventueel bij de leiding van
een CID-traject. In de praktijk verdient dit uitgangspunt toch
enige relativering. Door capaciteitsproblemen weigeren de chef van
een OT of een STO geregeld een onderzoek te ondersteunen. Soms
spelen ook inhoudelijke overwegingen een rol, bijvoorbeeld als
gevraagd wordt op te treden ten behoeve van onderzoeken die de
betreffende dienst absoluut te gering danwel niet proportioneel
acht.
lees meer
Bijlage VI – 7.5 De rechtshandhaving op SchipholJanuary 1, 1999
7.5 De rechtshandhaving op Schiphol
7.5.1 De organisatie
De Koninklijke marechaussee, district luchtvaart, is per 1
januari 1994 belast met de uitvoering van de politietaken op
Schiphol. Veel rijkspolitiemensen die hiervoor werkzaam waren op
Schiphol zijn overgestapt naar de marechaussee. De organisatie
omvat drie diensten: de Politiedienst (uniformdienst), die onder
meer de handhaving van de openbare orde op Schiphol tot taak heeft,
de Dienst grensbewaking, die zich onder meer bezig houdt met de
opvang, de intake en het uitzetten van asielzoekers, en de
Justitile dienst (in burger), die zich onder meer bezighoudt met
aanhoudingen in het kader van de Opiumwet, maar ook in verband met
vrouwenhandel en mensensmokkel. Noot De Kmar heeft een
uitgebreid takenpakket. Zo doet de Kmar – op mandaat van de BVD
ingevolge de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten – sinds
drie jaar antecedentenonderzoek naar nieuwe medewerkers op
Schiphol. Hiertoe wordt onder meer samengewerkt met de CRI. Indien
blijkt dat iemand een criminele achtergrond heeft wordt dwingend
geadviseerd diegene niet in dienst te nemen. Noot Tevens
houdt zij toezicht op de particuliere beveiligingsdiensten die
werkzaam zijn op Schiphol. Hiertoe is zij gemandateerd door de
korpschef van de politieregio Kennemerland. Sinds 1985 beschikt het
Kmar-district luchtvaart over een eigen criminele
inlichtingendienst van zeven personen, een chef, een
plaatsvervangend chef, 4 runners en een documentaliste. Tevens
heeft de Kmar de beschikking over een observatieteam.
lees meer
Bijlage VI – 9.6 ConclusiesJanuary 1, 1999
9.6 Conclusies
1. Bij de criminaliteitbestrijding is het OM sterk
arrondissementsgewijs georinteerd. Dit leidt ertoe dat van
eenvormig beleid geen sprake is. Voor het takenpakket en de
organisatorische plaats van de CID-officieren, de
kernteam-officieren en de ZwaCri-officieren ontbreekt een
landelijke standaard. Dat verklaart mede het verschil in invulling
van deze taak.
lees meer
Bijlage VII – IV.1. InleidingJanuary 1, 1999
IV. ACTUELE VERSCHIJNINGSVORMEN VAN TRADITIONELE
GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT
IV.1. Inleiding
Traditioneel wordt georganiseerde criminaliteit bovenal
geassocieerd met de illegale organisatie van gokspelen, de controle
over de prostitutie, de handel in verboden drugs, de illegale
wapenhandel, en afpersing bedrijven, met name in de sfeer van de
horeca. Daarenboven wordt steevast aangenomen dat criminele –
afpersing niet alleen van personen die eveneens zulke illegale
activiteiten ontplooien, maar ook van legale groepen die in
bovengenoemde sectoren van de georganiseerde criminaliteit actief
zijn, heel goed ook nog andere vormen van misdaad kunnen bedrijven.
Hierbij kan zowel worden gedacht aan allerhande vormen van diefstal
(autodiefstallen, bankovervallen) als aan allerhande vormen van
fraude (sociale fraude, belastingfraude). Waarmee meteen nog eens
is gezegd dat niet iedere dief of dievengroep, en ook niet iedere
fraudeur of groep fraudeurs, mag worden bestempeld als een (bende)
georganiseerde misdadiger(s). In hoofdstuk II werd dit onderscheid
al toegelicht.
lees meer
Bijlage VII – VI.2. De rol van de
vrije-beroepsbeoefenaarsJanuary 1, 1999
VI.2. De rol van de vrije-beroepsbeoefenaars
In de afgelopen jaren zijn enkele vrije-beroepsbeoefenaars in
opspraak geraakt omdat zij banden zouden onderhouden met de
georganiseerde misdaad. Ook binnen de beroepsgroepen zelf is
toenemende zorg ontstaan over de dreiging die van de georganiseerde
criminaliteit uitgaat op de integriteit van deze vrije beroepen. In
dit kader zijn vooral de advocatuur, het notariaat en de
accountancy van belang. Hoe zeer deze beroepen inhoudelijk ook van
elkaar verschillen, zij zijn alle drie professionele
beroepen. Van professionele beroepsbeoefenaars wordt verwacht dat
zij op grond van de maatschappelijke functie van hun beroep een
zekere mate van maatschappelijke verantwoordelijkheid dragen. Deze
maatschappelijke functie gaat gepaard met een aantal privileges,
zoals een monopoliepositie met betrekking tot het verlenen van
bepaalde diensten en een verschoningsrecht voor de advocaat en de
notaris. De maatschappelijke status van deze beroepen, vooral dat
van de traditionele professionele beroepsbeoefenaars als de
advocaat en de notaris, komt tot uitdrukking in hun uitstraling van
respectabiliteit en betrouwbaarheid. Het fundamentele belang van
dit goede vertrouwen voor het maatschappelijk verkeer kan moeilijk
worden overschat.
lees meer
Bijlage VIII – 3. De top van de autochtone georganiseerde
criminaliteitJanuary 1, 1999
3. De top van de autochtone georganiseerde
criminaliteit
In het licht van de opmerkingen die hiervoor zijn gemaakt over
de bronnen van dit landelijke onderzoek zal het niet verbazen dat
hier geen poging wordt ondernomen om de top van de autochtone
georganiseerde criminaliteit in Nederland te kwantificeren in
termen van groepen en personen. Een acceptabele becijfering hiervan
is, zoals gezegd, niet mogelijk door het gebrek aan inzicht, zeker
op landelijk niveau, in het doen en laten van een aantal mensen
die, met hun omgeving, eventueel tot die top gerekend moeten
worden. Wat – binnen bepaalde grenzen – wel mogelijk is, is om een
kwalitatief beeld te schetsen van een klein aantal groepen die vrij
algemeen tot die top werden respectievelijk worden gerekend. Binnen
bepaalde grenzen, want ook hier speelt het feit dat de bescherming
van de belangen die zijn gemoeid met enkele lopende onderzoeken,
uitsluit dat diverse belangrijke aspecten van de groepen in kwestie
worden aangeroerd. De analyse die hierna van de huidige top van de
autochtone georganiseerde criminaliteit wordt gegeven, is in de
kern gebaseerd op documenten en interviews met betrekking tot de
organisatie en activiteiten van zeven toonaangevende criminele
groepen in Nederland. Hoe deze zeven groepen werden verzameld, is
reeds aangegeven in de algemene inleiding. Hiermee is
vanzelfsprekend niet gezegd dat de autochtone top van de
georganiseerde criminaliteit uit niet meer dan zeven groepen
bestaat. Het zijn er zeker meer. Het probleem is alleen dat op dit
moment niet valt uit te maken hoeveel meer.
lees meer
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>