• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • IX – De verzekeringsbranche – VOORWOORD

    Gerben Bruinsma Universiteit Twente

    VOORWOORD

    De verzekeringsmaatschappijen klagen al jaren steen en been over
    het feit dat zij de financile gevolgen van de toenemende
    criminaliteit voor hun rekening moeten nemen. In diverse
    publikaties melden vertegenwoordigers van
    verzekeringsmaatschappijen dat Nederlandse burgers het niet zo nauw
    meer nemen met het indienen van een schadeclaim. Zij zouden
    majoreren, fingeren of valse claims indienen om wat geld te
    verdienen ten koste van een onpersoonlijk slachtoffer. Als gevolg
    van fraudes op grote schaal zijn de verzekeringsmaatschappijen
    gedwongen de premies elk jaar weer te verhogen om de toenemende
    uitgaven op te kunnen vangen.

    lees meer

    IX – De wildlifebranche – 3.2. Soorten van criminele activiteiten

    3.2. Soorten van criminele activiteiten

    Om de illegale handel in wildlife produkten vorm te geven moeten
    verschillende soorten criminele handelingen worden verricht: 1) het
    smokkelen van dieren en/of planten; 2) het valselijk opmaken of
    vervalsen van vereiste CITES-documenten en het gebruik daarvan en
    3) het omkopen van overheidsvertegenwoordigers. De smokkel
    van levende dieren vereist veel vernuft, creativiteit en kennis bij
    de smokkelaars. Handelaren moeten goed op de hoogte zijn van de
    CITES-lijsten. Zij moeten beschikken over kennis van het produkt
    (tropische vissen, reptielen, vogels, katachtigen en primaten), zij
    moeten op de hoogte zijn van de zwakke plekken in het
    internationale wildlife- beleid, de internationale wetgeving en van
    de verschillen daarin tussen landen en, ten slotte, van de
    opsporingsinstanties en hun werkwijzen.

    lees meer

    Advies mr. J.K. Franx d.d. 20-10-1994 oververschoningsrechten (25/31)

    108

    Ambstedig proces-verbaal J.C.J.G. Barkman-Kuitert naaraanleiding van vragen van de commissie (10/28)

    124

    Ambstedig proces-verbaal J.C.J.G. Barkman-Kuitert naaraanleiding van vragen van de commissie (26/28)

    140

    Eindrapport – 10.4 De Delta-methode

    10.4 De Delta-methode

    10.4.1 Uitvoering Delta-methode

    A. Delta-methode onverantwoord

    lees meer

    Eindrapport – 2.5 Autochtone groepen

    2.5 Autochtone groepen

    Het onderzoek naar criminele groepen in Nederland is
    onderverdeeld in twee delen: autochtone groepen en allochtone en
    buitenlandse groepen. Dit onderscheid is gemaakt omdat belangrijke
    verschillen bestaan tussen deze soorten groepen. De Hollandse
    netwerken hebben hun basis in Nederland zelf, terwijl in allochtone
    gemeenschappen in Nederland criminaliteit voorkomt die direct
    verbonden is met de drugeconomie in het land van herkomst, te weten
    Suriname, Turkije en Marokko. De verbinding met de drugeconomie in
    deze landen heeft duidelijk andere effecten op de allochtone
    gemeenschappen in Nederland dan op de Hollandse netwerken, waarin
    allochtonen overigens ook een rol kunnen vervullen. Daarnaast zijn
    er buitenlandse criminele groepen die nauwelijks een binding hebben
    met personen van die nationaliteit in Nederland. In deze paragraaf
    komen de autochtone criminele groepen aan de orde.

    lees meer

    Eindrapport – 3.8 Beveronderzoek Rotterdam

    3.8 Beveronderzoek Rotterdam

    In de zomer van 1992 werd in Rotterdam het
    Haveninformatieproject gestart. Het doel van het project was de
    informatie van verschillende diensten over de georganiseerde
    criminaliteit in de haven bij elkaar te brengen. Uit het
    Haveninformatieproject bleek dat een aantal personen zich in
    georganiseerd verband bezig hield met strafbare feiten. De
    Rotterdamse recherche en CID startten mede naar aanleiding hiervan
    een onderzoek tegen een handelaar in verdovende middelen die al
    meermalen veroordeeld was. Onder de codenaam Bever werd zodoende
    eind 1993 een onderzoek gestart door het kernteam
    Rotterdam-Rijnmond. De RCID Rotterdam had contact met de RCID
    Kennemerland. Uit dit contact bleek dat de RCID Kennemerland een
    informant runde die voor het Beveronderzoek belangrijke informatie
    zou kunnen bieden (hier verder informant 3 genoemd).

    lees meer

    Eindrapport – 6.4 Casusonderzoek

    6.4 Casusonderzoek

    6.4.1 RAMOLA (Rabo Money Laundering)

    Feiten en omstandigheden

    lees meer

    Eindrapport – 9.1 Inleiding

    HOOFDSTUK 9 STURING EN CONTROLE VAN DE
    OPSPORING

    9.1 Inleiding

    De sturing en controle van de opsporing zijn in het voorgaande
    hoofdstuk kort aan de orde gekomen. De commissie heeft onderzoek
    gedaan naar de functionarissen en de organisaties die de sturing en
    controle van de opsporing moeten uitvoeren. De Werkgroep
    vooronderzoek opsporingsmethoden heeft vele vragen gesteld die
    betrekking hebben op deze organisaties. De commissie besteedt in
    dit hoofdstuk aandacht aan het openbaar ministerie, de
    rechters-commissarissen, de zittingsrechters, de burgemeesters en
    korpsbeheerders, de ministeries van Justitie en van Binnenlandse
    Zaken en de Tweede Kamer. De commissie heeft deze organisaties en
    instanties onderzocht voorzover zij betrokkenheid hebben bij de
    sturing en controle van opsporingsmethoden.

    lees meer

    fort2_101

    165 Entken  vulde  deze  redengeving  aan  met  het  argument  dat  men  ook  het  eigen  onderzoek  zo  lang mogelijk geheim wilde houden 359: “De    linking    pin    tussen    ons    team    en    het    meineedonderzoek    was    een    lid    van    de rijksrecherche.  Wij  waren  van  dat  onderzoek  op  de  hoogte  (…).  Bovendien  hoopten  wij  ons onderzoek  zo  lang  mogelijk  onder  de  roos  te  kunnen  houden.  Wanneer  wij  zelf  betrokken zouden zijn bij het meineedonderzoek, dan zou bekend zijn dat het landelijk rechercheteam met een onderzoek tegen L. en Van V. bezig was. En dat wilden wij zo lang mogelijk geheim houden.” Waarbij  men  niet  uit  het  oog  mag  verliezen  dat  ook  deze  beslissing  de  nodige  vragen  opriep  bij  de andere sporen. Zo zei Teeven360: “Het LRT heeft allerlei dingen onderzocht. Met name heeft het zich ook in de financiën van J. verdiept, maar wat ik nu zo vreemd vind is dat men niet heeft gekeken naar de financiën van betrokkenen,   naar   het   kasboek,   naar   de   verantwoording   in   Haarlem   van   de   gelden   die werden besteed; daar is bij mijn weten helemaal niet naar gekeken. En dat had toch eigenlijk ook  heel  goed  gepast  in  de  opdracht,  want  die  was  met  name  gericht  op  de  financiële  kant van  de  zaak,  om  die  boven  water  te  krijgen.  Maar  kennelijk  heeft  men  daar  vanaf  gezien. Waarom? Ik weet het niet.” Van de drie deelonderzoeken die wel ter hand werden genomen kan in het algemeen worden gezegd dat  zij  in  twee  fasen  en  projectmatig  werden  uitgevoerd.  De  eerste  fase  liep  van  18  augustus  tot  12 september,  de  tweede  van  15  september  tot  eind  1997.  Per  deel  onderzoek  en  per  fase  werd  vrij gedetailleerd bepaald welke kwesties moesten worden onderzocht.361 Het meest uitgebreide onderzoek was ongetwijfeld dat naar J. Zowel via een aantal diensten – in het bijzonder de CRI, de Kamer van Koophandel, het Kadaster en de Belastingdienst (FIOD), andere rechercheteams  –  als  via  diverse  gegevensbestanden  –  onder  meer  het  Herkenningsdienst  Systeem (HKS),  het  Bedrijfsprocessen  Systeem  (BPS)  en  de  Gemeentelijke  Basisadministratie  (GBA)  –  werd gepoogd   zo   onopgemerkt   mogelijk   informatie   te   verzamelen   over   de   criminele   antecedenten   en activiteiten  van  deze  verdachte,  zijn  familiale  en  sociale  netwerk,  zijn  persoonlijke  eigendommen  en bemoeienissen   met   bepaalde   bedrijven   –   in   het   bijzonder   een   buitenlandse   onderneming   -,   zijn financiën  en  financiële  transacties,  zijn  betrokkenheid  bij  een  bepaalde  sportclub,  et  cetera.362  Deze informatievergaring   gebeurde   grotendeels   in   Nederland   zelf,   met   machtigingen   van   de   betrokken officieren van justitie. Meer informatie over het dat bedrijf werd verkregen via internationale rechtshulp. Bovendien  werden  er  enkele  kortlopende  observatie-acties  uitgevoerd  om  een  beter  beeld  te  krijgen van   bepaalde   situaties.   De   resultaten   van   dit   informatieve   onderzoek   werden   neergelegd   in   een proces-verbaal   van   13   november   1997   dat   was   bedoeld   als   een   aanvraag   om   een   gerechtelijk vooronderzoek   tegen   de   verdachte   te   verkrijgen.   Het   behelst   niet   alleen   een   overzicht   van   de ondernomen  acties  maar  somt  ook  de  bevindingen  op.  In  concluderende  zin  werd  enerzijds  gesteld dat  een  deel  van  de  informatie  zoals  die  in  juni  1997  was  verstrekt  door  de  CID  en  de  BVD  werd bevestigd  door  de  gegevens,  en  anderzijds  dat  op  grond  van  deze  gegevens  het  vermoeden  was                                                 359 Interview P. Entken d.d. 16 januari 2001. 360 Interview F. Teeven d.d. 7 februari 2001. 361 Vergelijk  de  nota  “Project  060,  Versie  2.0,  tactische  fase”  d.d.  4  september  1997  (C3).  Een  groot  aantal  van  de projecten is opgenomen in C3. 362 De   vorenstaande   en   navolgende   beschrijving   is   met   name   gebaseerd   op   het   proces-verbaal   d.d.   november   1997 betreffende de aanvraag van een gerechtelijk vooronderzoek inzake de verdachte (F16), de mutaties in het journaal van het team (F23) en de mappen bij het LRT met de processen-verbaal van ambtshandelingen uit de betrokken periode, en de mappen bij hetzelfde team met rapporten over onder meer de CID-berichten en de observatie.

    fort2_116

    180 heeft  over  zijn  collega-hoofdofficieren  in  (dit  deel  van)  het  land,  zou  kunnen  instaan  voor  de  nodige coördinatie tussen de diverse onderzoeken. Er is dus meer dan één reden om het beleid van het college van procureurs-generaal ten aanzien van  de  inrichting,  de  start  en  het  eerste  verloop  van  het  post-Fort-onderzoek  kritisch  te  bezien.  Dit mag  echter  niet  verhullen  dat  het  college  zich  in  de  voorbije  jaren  op  een  naar  verhouding  zeer intensieve    manier    met    dit    onderzoek    heeft    beziggehouden:    alle    belangrijke    beslissingen    met betrekking tot het verloop van het onderzoek werden door het college – in samenspraak trouwens met de  minister  van  Justitie  –  genomen,  bij  tijd  en  wijle  liet  het  college  zich  direct  voorlichten  door  de onderzoekers,   een   van   de   procureurs-generaal   kreeg   speciaal   de   verantwoordelijkheid   voor   het onderzoek  toebedeeld  en  de  voorzitter  van  het  college  beraadslaagde  veelvuldig  rechtstreeks  met sommige onderzoeksleiders en onderzoekers over de voortgang van hun werk. Waarom dan toch die teleurstellende   bevindingen   met   betrekking   tot   de   strategie,   de   organisatie   en   hiermee   ook   de (voorlopige)   uitkomst   van   zulk   een   belangrijk   onderzoek?   Vanuit   het   perspectief   van   het   college bezien spelen tenminste de volgende factoren hierbij een rol. Ten  eerste  dat  er  bij  herhaling  cruciale  besluiten  werden  genomen  op  grond  van  impressies  in plaats  van  doorwrochte  analyses:  het  vervolgonderzoek  werd  opgezet  op  grond  van  een  paar  A4tjes van   enkele   rechercheurs   en   het   werd   anderhalf   jaar   later   op   niet   veel   steviger   basis   tussentijds beoordeeld.  Ten  tweede  dat  het  college  –  ondanks  alle  bemoeienissen  met  post-Fort  –  toch  niet volledig  en  grondig  genoeg  werd  geïnformeerd  respectievelijk  zich  liet  informeren  over  wat  er  leefde bij   de   verschillende   partijen   en   over   de   werkelijke   samenhang   en   voortgang   van   de   diverse deelonderzoeken:  in  zijn  discussie  over  de  inrichting  van  het  onderzoek  bleven  enkele  belangrijke bezwaren  van  de  kant  van  het  LRT  en  het  landelijk  parket  sterk  onderbelicht,  terwijl  in  de  discussie over   de   voortgang   van   alle   onderzoeken   de   hoofdofficieren   in   de   richting   van   het   college   meer eensgezindheid tentoonspreidden dan er in feite bestond; de wet van de selectieve informatievoorziening naar de top van organisaties geldt dus ook voor het openbaar ministerie. Bij de twee voorgaande opmerkingen sluit ten derde nauw aan dat het college (deel)onderzoeken eigenlijk te lang liet lopen zonder om informatieve tussenbalansen te vragen en de opstellers ervan desnoods te verplichten tot minutieuze verantwoording voor beweringen, bevindingen en conclusies, eventueel ook ten overstaan van kritische buitenstaanders. Tot  slot  past  het  om  helemaal  op  het  begin  terug  te  komen:  op  de  discussie  in  het  voorjaar  van 1996 omtrent de wijze waarop er een vervolg moest worden gegeven aan de resultaten van het Fort- onderzoek.  Hiervoor  is  opnieuw  tot  uitdrukking  gebracht  dat  in  het  college,  en  zeker  bij  Docters  van Leeuwen,   de   gedachte   leefde   dat   niet   alleen   via   een   strikt   strafrechtelijk   onderzoek   de   bekende “onderste  steen”  –  dat  “iets”  waarover  in  juni  1997  nog  met  zoveel  verbetenheid  werd  gesproken  – boven de grond kon worden gehaald. Vandaar dat er een spoor 2 naast spoor 1 werd georganiseerd. De  opheffing  van  dat  tweede  spoor  leidde  er  als  vanzelf  toe  dat  nog  hogere  verwachtingen  moesten worden gesteld aan spoor 1 en werkte evenzo gemakkelijk in de hand dat er ruimte werd geschapen voor  vervangende  sporen  (3  en  4),  die  eveneens  meer  op  een  intelligence-achtige  manier  de  IRT- affaire meenden te kunnen/moeten oplossen. Dit betekent dus dat het dilemma waarmee in het begin van het onderzoek werd geworsteld in de tweede helft van 1997 nog steeds onverkort speelde. En dit roept  de  fundamentele  vraag  op  of  het  niet  beter  was  geweest  wanneer  het  vervolgonderzoek  in eerste  instantie  volledig  buiten  de  strafrechtelijke  sfeer  was  gehouden  en  was  toevertrouwd  aan  een groep van onderzoekers uit de hoek van de (criminele en politieke) inlichtingendiensten. En dat er pas een    strafrechtelijk    onderzoek    was    opgestart    als    die    groep    voldoende    gegevens    zou    hebben aangedragen voor een strafrechtelijk vooronderzoek tegen bepaalde personen. De ironie wil immers in zekere  zin  dat  de  doorstart  van  spoor  1  in  de  zomer  van  1997  bovenal  te  danken  was  aan  berichten uit die hoek!

    fort2_25

    89 het   hoofd   LBOM.   Hij   richtte   haar   evenwel   rechtstreeks   aan   het   college   van   procureurs-generaal. Achteraf verklaarde Zwerwer dat, toen hij de notitie van 7 augustus schreef, hij niet wist96: “(…) dat er een notitie lag van Van der Burg en Van Gemert. Achteraf bekeken zou ik er niet aan zijn begonnen als ik dat stuk toen had gelezen.” In  het  begin  van  zijn  notitie  wees  Zwerwer  erop  dat  hij  ten  behoeve  van  het  hoofd  LBOM  een  korte oriënterende  notitie  had  gemaakt  met  betrekking  tot  het  onderzoeksveld  en  dat  hij  die  staande  de vergadering   met   de   procureurs-generaal   ook   zou   uitreiken   maar   dat   hij   haar   na   afloop   van   de vergadering  weer  graag  zou  innemen.  Verder  wees  hij  erop  dat  er  reeds  uitzicht  bestond  op  een locatie  waar  de  beide  teams  konden  worden  ondergebracht.  Het  voordeel  van  een  gecombineerde locatie  was,  aldus  Zwerwer,  dat  zijn  team  voor  het  oog  van  de  buitenwereld  redelijk  anoniem  kon blijven. Tijdens het interview nam Zwerwer overigens weer afstand van dit standpunt97: “Ervan   uitgaande   dat   het   onderzoek   dat   ik   zou   gaan   doen   volstrekt   los   stond   van   het strafrechtelijk  onderzoek,  was  ik  bezig  met  het  zoeken  van  een  eigen  locatie.  Tot  ik  in  de gaten kreeg dat er ook een strafrechtelijk spoor zou gaan lopen op het LRT en dat Entken en Noordhoek ook bezig waren een locatie te vinden. Ik begreep dat mijn tweede onderzoek bij dat andere onderzoek zou moeten worden aangeknoopt. Ik vond dat geen goed idee omdat op    die    manier    de    zachte    informatie    uit    ons    onderzoek    zou    gaan    interfereren    met opsporingsinformatie.” Wat    de    samenstelling    van    het    team    betreft    stelde    Zwerwer    in    zijn    notitie    dat    “gezien    het onderzoeksveld  en  de  te  verwachten  moeilijkheden”  moest  worden  gedacht  aan  een  team  met  een hoogwaardige samenstelling. In overleg met Holthuis deed hij het volgende voorstel: — buiten hemzelf nog een lid van het openbaar ministerie — politieleiding: A. Godlieb (Regio IJsselland) en R. Martena (Regio Drenthe) — coördinator rijksrecherche — adviseur: een commissaris van politie uit de Regio Brabant-Noord — administratieve ondersteuning: 2 personen — analist: P. Schouten (CRI), eventueel nog aangevuld — financieel deskundige: vanuit het LRT — CID-officier van justitie: vanuit het LBOM — rijksrecherche: twee, eventueel drie, medewerkers Als  bijlage  voegde  Zwerwer  de  notitie  van  Pijl  toe  betreffende  de  voorwaarden  voor  deelname  van  de rijksrecherche.  Hij  tekende  hierbij  aan  dat  de  opstelling  van  Pijl  hem  enigszins  formeel  voorkwam  en dat  in  de  praktijk  zou  blijken  dat  te  zijner  tijd  een  wisselwerking  zou  ontstaan  tussen  de  deelnemers van   de   rijksrecherche   en   de   politionele   deelnemers.   Verder   merkte   hij   op   dat   indien   “feitelijk onderzoek”    zou    moeten    worden    verricht    het    noodzakelijk    zou    zijn    om    enkele    zeer    ervaren rechercheurs uit de politie aan het team toe te voegen. Het lag volgens Zwerwer voor de hand daartoe gebruik te maken van het LRT. Wat   de   timing   betreft   stelde   Zwerwer   in   het   begin   van   de   notitie   dat   zij   “een   schets   van   de voorgenomen  activiteiten  gedurende  de  periode  van  1  oktober  1996  t/m  ongeveer  1  februari  1997” bevatte. Om welke activiteiten het concreet gaat wordt in deze notitie echter niet met zoveel woorden gezegd. Er wordt alleen opgemerkt dat ervan moest worden uitgegaan dat de eerste maanden werden besteed    aan    de    inventarisatie    en    analyse    van    het    beschikbare    materiaal    en    dat    het    daarom                                                 96 Interview S. Zwerwer d.d. 16 januari 2001. 97 Interview S. Zwerwer d.d. 16 januari 2001.

    fort2_4

    68 Fort-dossier  niet  zonder  meer  konden  aangewend  in  het  eigen  onderzoek.  En  het  team  van  spoor  2 kon  niet  uit  de  voeten  als  gevolg  van  het  al  eerder  gesignaleerde  gebrek  aan  bevoegdheden  en mogelijkheden.  Daarenboven  raakten  de  beide  teams  –  mede  als  gevolg  van  de  herformulering  van de  opdracht  van  het  Zwerwer-team  –  meer  en  meer  met  elkaar  in  conflict.  Wederzijdse  ergernissen over    de    omgang    met    (mogelijke)    informanten    bewerkstelligden    een    breuk    in    hun    onderlinge verhoudingen. Het gevolg hiervan was uiteindelijk dat het spoor 2-team in juni 1997 werd opgeheven. Ongeveer op hetzelfde moment als waarop het LRT-team via verschillende kanalen informatie ontving die   het   in   staat   stelden   een   strafrechtelijk   onderzoek   te   starten.   Maar   tezelfdertijd   kregen   de Randstadparketten   Haarlem   –   in   de   persoon   van   Snijders,   gesteund   door   Van   Brummen   –   en Amsterdam  –  in  de  persoon  van  Teeven,  gesteund  door  Vrakking  –  de  kans  om  alsnog  hun  eigen opties en belangen in het onderzoek naar de IRT-affaire door te zetten. Deze kans werd hen geboden in  de  vorm  van  een  onderzoek  naar  (berichten  over)  de  bedreiging  van  een  officier  van  justitie  in Noord-Holland. De  verwikkelingen  in  de  zomer  en  het  najaar  van  1997  worden  besproken  in  hoofdstuk  7.  Zij behelzen   aan   de   ene   kant   gerichte   opsporingsactiviteiten   met   betrekking   tot   twee   van   de   vier personen  tegen  wie  bij  voorrang  verdenkingen  bestonden  van  betrokkenheid  bij  allerhande  strafbare feiten.  Deze  acties  liepen  in  de  winter  van  1997-1998,  zij  het  ook  op  verschillende  tijdstippen,  uit  op vorderingen  van  een  gerechtelijk  vooronderzoek  tegen  hen  beiden  die  door  een  rechter-commissaris in  Haarlem  werden  ingewilligd.  De  vraag  die  hierbij  voor  de  hand  ligt  is  natuurlijk  waarom  de  andere twee  onderzoekssubjecten  buiten  schot  bleven.  Aan  de  andere  kant  omvatten  die  verwikkelingen  de negatieve  afloop  van  het  onderzoek  naar  de  zo-even  genoemde  bedreiging  door  de  officieren  van justitie uit Amsterdam en Haarlem en de voorbereiding van een gewaagd initiatief van Snijders richting het buitenland: het zogenaamde “Schilderstraject”. Hoofdstuk  8  tenslotte  is  helemaal  gewijd  aan  de  vergadering  die  het  college  van  procureurs- generaal  op  26  november  1997  speciaal  heeft  besteed  aan  de  onderzoeken  naar  de  IRT-affaire. Hierbij zal eerst de presentatie van de onderscheiden onderzoeken worden besproken. Vervolgens zal worden ingegaan op de besluitvorming van het college omtrent hun voortzetting. En tenslotte wordt de nasleep van dit beraad in ogenschouw genomen.

    fort2_54

    118 Fort-archief  met  de  kennelijke  bedoeling  –  getuige  ook  de  opstelling  in  de  zaak-Swennen  –  om  op korte  termijn  de  harde  kern  van  de  IRT-affaire  aan  te  kunnen  pakken.  Omdat  inwilliging  van  die  eis zeker  op  dat  moment  niet  tot  de  mogelijkheden  behoorde  leidde  het  Amsterdamse  power-play  ertoe dat  slechts  op  informeel  niveau  vertrouwelijke  informatie  werd  uitgewisseld.  Dit  was  blijkbaar  niet  die informatie   die   in   samenhang   met   andere   informatie   –   zoals   het   parket   Amsterdam   beweerde   – voldoende  was  om  enkele  subjecten  van  spoor  1  à  la  minute  op  te  pakken.  Want,  zo  mag  men aannemen, dan was dat wel gebeurd. Tegen  de  achtergrond  van  de  ontwikkelingen  die  hiervoor  zijn  geschetst  wordt  de  vraag  naar  de sturing  van  het  onderzoek  een  klemmende  kwestie.  Zoals  eerder  al  werd  aangegeven  was  Holthuis feitelijk  niet  echt  in  de  positie  om  spoor  2  op  het  rechte  pad  te  houden  en  formeel  zeker  niet  in  de positie  om  de  andere  betrokken  parketten  met  zachte  of  harde  hand  te  bewegen  tot  samenwerking met  het  landelijk  parket,  laat  staan  ze  te  dwingen  hun  onderzoeken  te  integreren  in  zijn  onderzoek zoals het college op 4 september had besloten. En ze forceren was wel het laatste wat Holthuis – de IRT-affaire  indachtig  –  wilde.  Maar  ook  het  college,  en  in  het  bijzonder  Docters  van  Leeuwen  en/of Gonsalves,    liet    de    ontwikkelingen    betijen.    Het    had    wel    wat    bedenkingen    bij    de    ingrijpende koerswending   van   spoor   2   maar   liet   Zwerwer   c.s.   desalniettemin   voorlopig   hun   gang   gaan.   De terugtrekking van de rijksrecherche en daarmee de “uitkleding” van spoor 2 stuitte evenmin op verzet. En    de    regelrechte    ontkrachting    van    de    integratiegedachte    door,    in    het    bijzonder,    het    parket Amsterdam werd ook niet tegengegaan.

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>