7. SLOTBESCHOUWING
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste conclusies weergegeven
van het onderzoek naar de aard, de ernst en de omvang van de
georganiseerde criminaliteit in Arnhem, Enschede en Nijmegen.
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste conclusies weergegeven
van het onderzoek naar de aard, de ernst en de omvang van de
georganiseerde criminaliteit in Arnhem, Enschede en Nijmegen.
De reguliere procedurevergaderingen van de commissie vonden n
keer in de week plaats. Regelmatig terugkerende agendapunten
waren:
De commissie heeft gedurende haar onderzoek intensief contact
gehad met het rijksrechercheteam, het zogenaamde Fort-team, dat
onderzoek doet naar de RCID-Kennemerland. De voorzitter en de
ondervoorzitter van de commissie zijn steeds op de hoogte gehouden
van de voortgang van het onderzoek. Tevens hebben beide ministers
en de voorzitter van het college van procureurs-generaal de
commissie twee maal ingelicht over de voortgang van het onderzoek.
De bevindingen van het rijksrechercheteam hebben een belangrijke
rol gespeeld in het onderzoek van de commissie en in het bijzonder
tijdens de verhoren.
33. de heer M. van Steeg
34. drs. N.H.E. van Helten
35. mr. A.C. Maan
36. mevrouw mr. A. Rutten-Roos
37. de heer H.M. Huisman
38. mr. M.A.A. van Capelle
39. de heer R. Karstens
40. mr. J.M. Valente
41. de heer G.J.C.M. Bakker
42. de heer F. van der Putten
43. mr. J. Wiarda
44. mr. F. Teeven
45. de heer K. Langendoen
46. de heer J. van Vondel
47. mr. ing. J.W.P. Snijders
48. de heer A. Lith
49. mr. drs. J.A.M. van Blijswijk
50. mr. O.C.W. van der Veen
51. jhr. mr. L.A.R.J. de Beaufort
52. mr. R.J.C. Graaf van Randwijck
53. mr. J.M. Vrakking
54. mr. R. de Groot
55. de heer J.C. van Riessen
56. mr. M.A. Straver
57. mevrouw mr. P.M.H. van der
Molen-Maesen
58. mr. J.M. Jansen
59. mr. Tj.E. van der Spoel
1. De meeste door de commissie en door Tak c.s. onderzochte
landen kampen met een als ongrijpbaar ervaren criminaliteit van
georganiseerde aard. In alle landen zoekt de overheid naar nieuwe
wegen in de misdaadbestrijding. Nergens bestond tien jaar geleden
toereikende regelgeving. Overal zijn sindsdien in de rechtspraak
grenzen getrokken. In veel landen is de laatste jaren het
wetgevingsproces op gang gekomen. Daarbij valt op dat geavanceerde
opsporingstechnieken zeker in wetgeving zijn te vatten en dat de
opsporing niet vanwege de vorm van de regelgeving wordt belemmerd.
In de landen met wetgeving is de geheime opsporing niet beperkter,
maar wel strakker gekaderd dan de landen waar met circulaires wordt
gewerkt. Tot slot, vrijwel overal zijn in de loop van de tijd
excessen geweest, die de aanleiding zijn gebleken tot verandering.
De IRT-affaire is een relatief – in vergelijking met de landen om
ons heen – late gebeurtenis. Met de aanpak van de regelgeving loopt
Nederland niet voorop.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens 16 december 1992, NJ
1993, 400 m.nt. EJD (Artikel 8 EVRM)
Tegen Klaus Wegener werd in januari 1986 in Mnchen een procedure
gestart wegens belediging. In een brief aan de rechtbank van
Freising, ondertekend door ene Klaus W., werd namelijk de
handelwijze van een rechter, tijdens een proces tegen een werkgever
die uit overtuiging had geweigerd voor zijn werknemers
kerkbelasting af te dragen, ondemocratisch en terroristisch
genoemd. In het kader van dit onderzoek was een huiszoekingsbevel
uitgevaardigd dat betrekking had op het kantoor van de advocaat
Niemietz. Niemietz was een aantal jaren voorzitter geweest van de
Antiklerikaler Arbeitskreis, een werkgroep van de Freiburgse partij
Bunte Liste, waaraan Klaus Wegener verbonden was geweest (de
voornoemde brief was blijkens het onderschrift geschreven in naam
van Antiklerikale Arbeitskreis geschreven). Tot eind 1985 werd de
post voor de Bunte Liste, naar het kantoor van Niemietz (klager in
dit geding) gestuurd. Door middel van deze huiszoeking hoopten de
autoriteiten meer over Wegener te weten te komen.
HR 3 mei 1988, NJ 1989, 165 en NJB 1988 (33), nr. 240, p. 1207
e.v.
(Artt. 43 Sr en 2 lid 1 onder b Opiumwet)
Met de informatie dat verdachte een aanbod had gedaan op zeer korte
termijn elke gewenste hoeveelheid amfetamine te kunnen leveren en
dat hij te kennen had gegeven al vijf jaar in de business te
zitten, ging een informant (nummer 32) naar de politie.
Daaruit vloeide een vertrouwensaankoop van 1 kilo en een tweede
definitieve aankoop van een grotere hoeveelheid door de
burger-infiltrant (informant) voort.
Rechtsvragen:
1. Traditionele observatie – vanuit een vast punt of door volgerij
– levert onder omstandigheden een inbreuk op het recht op privacy
op.
2. De telefoontap – meer algemeen het tappen van gegevensverkeer
via de telecommunicatie-infrastructur – is wettelijk geregeld. Deze
wettelijke regeling en de wijze waarop daarmee wordt gewerkt worden
algemeen in de rechtspraak in overeenstemming met het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden
geacht.
1. Infiltratie is het met het oog op opsporing en vervolging
onder regie en gezag van politie en openbaar ministerie
binnendringen in een criminele organisatie of groep, het ervan deel
uitmaken, het gebruik maken van personen die er reeds deel van
uitmaken en het (desgevraagd) ondersteunen ervan, indien dit
optreden gepaard gaat met I) het aannemen van een valse identiteit
en/of II) het plegen van strafbare feiten en/of III) bieden van
steun aan de criminele organisatie of groep.
De douane en de douanerecherche waren van wezenlijk belang voor
de uitvoering van deze methode. De douane diende op verzoek van de
politie controle van bepaalde containers achterwege te laten, ook
al waren er signalen dat zich in de containers drugs bevonden. Het
Douane Informatie Centrum (DIC) selecteerde de containers waarmee
mogelijk iets aan de hand was. Ongeveer 30 tot 40 % van de
geselecteerde containers werd op verzoek van de politie
doorgelaten.
De rechter-commissaris heeft twee hoofdtaken. Hij dient
allereerst het gebruik van ingrijpende dwangmiddelen te bewaken,
dat wil zeggen te beslissen of in het belang van het
strafrechtelijk onderzoek inbreuken op vrijheid
en privacy van verdachten en andere personen kunnen worden gemaakt.
Deze bevoegdheid hangt samen met de onafhankelijkheid van de
rechter-commissaris. Hij wordt beter dan de officier van justitie
in staat geacht een onpartijdig oordeel te vellen. Als de officier
van justitie zulke ingrijpende maatregelen nodig acht, zal hij
daarvoor altijd de toestemming van de rechter-commissaris moeten
vragen. De toepassing van de klassieke dwangmiddelen wordt door de
officier gevorderd en de rechter-commissaris beslist op die
vordering. De tweede hoofdtaak is het instellen en verrichten van
het gerechtelijk vooronderzoek door het verhoren van verdachten en
getuigen (artt. 181, 184 lid 2, 185, 200 en 210 Sv), het
onderzoeken van plaatsen (artt. 112 en 192 Sv) en andere
onderzoekswerkzaamheden. De rechter-commissaris voert zijn taken in
beginsel uit in aanwezigheid van de verdachte of diens raadsman,
die hij steeds de gelegenheid moet geven vragen te stellen en
opmerkingen te maken.
De taak van de politie is de daadwerkelijke handhaving van de
rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven
(artikel 2 Politiewet 1993). Deze taak dient in overeenstemming met
de geldende rechtsregels te worden uitgeoefend. Voor zover het
betreft de opsporing van strafbare feiten zijn bevoegdheden van de
politie daartoe vastgelegd in het Wetboek van Strafvordering en in
andere wetten, zoals bijvoorbeeld de Opiumwet, de Wet wapens en
munitie en de Wet op de economische delicten. Van oudsher
geschieden evenwel handelingen waartoe in de wet niet uitdrukkelijk
een bevoegdheid is verleend, zoals sporenonderzoek en het horen van
getuigen.
Buiten de Randstad (bijvoorbeeld in het regiokorps Limburg-Noord
en in Drenthe) worden door politie en OM pogingen ondernomen om het
medebeheer van het OM gestalte te geven; binnen de Randstad zijn de
verhoudingen tussen politie en OM daar niet goed genoeg voor. Dat
betekent dat in een aantal niet-randstedelijke regiokorpsen het OM
wordt geraadpleegd bij benoemingen van recherchechefs. Bij andere
beheersonderwerpen zoals de omvang van afdelingen, de vorming en
opleiding van personeel en de materile omstandigheden is het OM
niet echt betrokken. Voor dergelijke onderwerpen is de
belangstelling bij het OM minder groot, terwijl de politie op die
gebieden haar autonomie wil behouden. Hoewel het OM in verreweg de
meeste gewone strafzaken geen directe bemoeienis heeft met de
opsporing, worden grote onderzoeken van tactische teams soms zeer
intensief geleid door de zaaksofficier van justitie. Zo bezoekt
de zaaksofficier voor een van de grote onderzoeken van de
centrale recherche-afdeling in het regiokorps Utrecht een aantal
keren per week het politiebureau, en andersom bezoekt de politie
de zaaksofficier een aantal keren per week op het parket. De
Utrechtse recherche streeft ernaar de zaaksofficier zodanig
te informeren dat hij alle risico’s van een bepaalde koerswijziging
kan beoordelen. In de meeste gewone strafzaken heeft het
openbaar ministerie, ondanks zijn directe verantwoordelijkheid,
geen bemoeienis met de opsporing. Dit is in het veld als probleem
gesignaleerd, maar sommigen zijn beducht voor een te grote
betrokkenheid van het openbaar ministerie bij de praktijk van de
opsporing. Tussen het openbaar ministerie en de politie heerst een
cultuur van wederzijds vertrouwen waarbij feitelijke sturing en
controle van
het openbaar ministerie op de politie ongebruikelijk zijn.
Over de vraag of en in welke mate een zaaksofficier van justitie op
de hoogte moet zijn van datgene wat in de proactieve fase gebeurt,
wordt verschillend gedacht. De praktijk varieert van enerzijds: de
zaaksofficier moet evenveel weten als de CID-officier van justitie
tot anderzijds: de zaaksofficier behoeft slechts te weten wat
volgens de CID-officier relevant is. De tendens is de zaaksofficier
en de CID-officier over dezelfde informatie te doen beschikken.
In het rapport van de Werkgroep vooronderzoek
opsporingsmethoden, Opsporing gezocht, zijn de volgende
vragen gerezen over de betrokkenheid van de bijzondere
opsporingsdiensten bij de bestrijding van georganiseerde misdaad.
Noot
Artikel 13, eerste lid Politiewet 1993 bepaalt dat de politie
onder het gezag van de officier van justitie staat, indien zij
optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel
diensten verricht ten dienste van justitie (onder andere
vreemdelingentoezicht en uitvoering van de wet-Mulder). Onder
strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde wordt verstaan: