IX – De verzekeringsbranche – VOORWOORDJanuary 1, 1999
Gerben Bruinsma Universiteit Twente
VOORWOORD
De verzekeringsmaatschappijen klagen al jaren steen en been over
het feit dat zij de financile gevolgen van de toenemende
criminaliteit voor hun rekening moeten nemen. In diverse
publikaties melden vertegenwoordigers van
verzekeringsmaatschappijen dat Nederlandse burgers het niet zo nauw
meer nemen met het indienen van een schadeclaim. Zij zouden
majoreren, fingeren of valse claims indienen om wat geld te
verdienen ten koste van een onpersoonlijk slachtoffer. Als gevolg
van fraudes op grote schaal zijn de verzekeringsmaatschappijen
gedwongen de premies elk jaar weer te verhogen om de toenemende
uitgaven op te kunnen vangen.
lees meer
IX – De wildlifebranche – 3.2. Soorten van criminele
activiteitenJanuary 1, 1999
3.2. Soorten van criminele activiteiten
Om de illegale handel in wildlife produkten vorm te geven moeten
verschillende soorten criminele handelingen worden verricht: 1) het
smokkelen van dieren en/of planten; 2) het valselijk opmaken of
vervalsen van vereiste CITES-documenten en het gebruik daarvan en
3) het omkopen van overheidsvertegenwoordigers. De smokkel
van levende dieren vereist veel vernuft, creativiteit en kennis bij
de smokkelaars. Handelaren moeten goed op de hoogte zijn van de
CITES-lijsten. Zij moeten beschikken over kennis van het produkt
(tropische vissen, reptielen, vogels, katachtigen en primaten), zij
moeten op de hoogte zijn van de zwakke plekken in het
internationale wildlife- beleid, de internationale wetgeving en van
de verschillen daarin tussen landen en, ten slotte, van de
opsporingsinstanties en hun werkwijzen.
lees meer
Eindrapport – 10.4 De Delta-methodeJanuary 1, 1999
10.4 De Delta-methode
10.4.1 Uitvoering Delta-methode
A. Delta-methode onverantwoord
lees meer
Eindrapport – 2.5 Autochtone groepenJanuary 1, 1999
2.5 Autochtone groepen
Het onderzoek naar criminele groepen in Nederland is
onderverdeeld in twee delen: autochtone groepen en allochtone en
buitenlandse groepen. Dit onderscheid is gemaakt omdat belangrijke
verschillen bestaan tussen deze soorten groepen. De Hollandse
netwerken hebben hun basis in Nederland zelf, terwijl in allochtone
gemeenschappen in Nederland criminaliteit voorkomt die direct
verbonden is met de drugeconomie in het land van herkomst, te weten
Suriname, Turkije en Marokko. De verbinding met de drugeconomie in
deze landen heeft duidelijk andere effecten op de allochtone
gemeenschappen in Nederland dan op de Hollandse netwerken, waarin
allochtonen overigens ook een rol kunnen vervullen. Daarnaast zijn
er buitenlandse criminele groepen die nauwelijks een binding hebben
met personen van die nationaliteit in Nederland. In deze paragraaf
komen de autochtone criminele groepen aan de orde.
lees meer
Eindrapport – 3.8 Beveronderzoek RotterdamJanuary 1, 1999
3.8 Beveronderzoek Rotterdam
In de zomer van 1992 werd in Rotterdam het
Haveninformatieproject gestart. Het doel van het project was de
informatie van verschillende diensten over de georganiseerde
criminaliteit in de haven bij elkaar te brengen. Uit het
Haveninformatieproject bleek dat een aantal personen zich in
georganiseerd verband bezig hield met strafbare feiten. De
Rotterdamse recherche en CID startten mede naar aanleiding hiervan
een onderzoek tegen een handelaar in verdovende middelen die al
meermalen veroordeeld was. Onder de codenaam Bever werd zodoende
eind 1993 een onderzoek gestart door het kernteam
Rotterdam-Rijnmond. De RCID Rotterdam had contact met de RCID
Kennemerland. Uit dit contact bleek dat de RCID Kennemerland een
informant runde die voor het Beveronderzoek belangrijke informatie
zou kunnen bieden (hier verder informant 3 genoemd).
lees meer
Eindrapport – 6.4 CasusonderzoekJanuary 1, 1999
6.4 Casusonderzoek
6.4.1 RAMOLA (Rabo Money Laundering)
Feiten en omstandigheden
lees meer
Eindrapport – 9.1 InleidingJanuary 1, 1999
HOOFDSTUK 9 STURING EN CONTROLE VAN DE
OPSPORING
9.1 Inleiding
De sturing en controle van de opsporing zijn in het voorgaande
hoofdstuk kort aan de orde gekomen. De commissie heeft onderzoek
gedaan naar de functionarissen en de organisaties die de sturing en
controle van de opsporing moeten uitvoeren. De Werkgroep
vooronderzoek opsporingsmethoden heeft vele vragen gesteld die
betrekking hebben op deze organisaties. De commissie besteedt in
dit hoofdstuk aandacht aan het openbaar ministerie, de
rechters-commissarissen, de zittingsrechters, de burgemeesters en
korpsbeheerders, de ministeries van Justitie en van Binnenlandse
Zaken en de Tweede Kamer. De commissie heeft deze organisaties en
instanties onderzocht voorzover zij betrokkenheid hebben bij de
sturing en controle van opsporingsmethoden.
lees meer
fort2_101January 1, 1999
165 Entken vulde deze redengeving aan met het argument dat men ook het eigen onderzoek zo lang mogelijk geheim wilde houden 359: “De linking pin tussen ons team en het meineedonderzoek was een lid van de rijksrecherche. Wij waren van dat onderzoek op de hoogte (…). Bovendien hoopten wij ons onderzoek zo lang mogelijk onder de roos te kunnen houden. Wanneer wij zelf betrokken zouden zijn bij het meineedonderzoek, dan zou bekend zijn dat het landelijk rechercheteam met een onderzoek tegen L. en Van V. bezig was. En dat wilden wij zo lang mogelijk geheim houden.” Waarbij men niet uit het oog mag verliezen dat ook deze beslissing de nodige vragen opriep bij de andere sporen. Zo zei Teeven360: “Het LRT heeft allerlei dingen onderzocht. Met name heeft het zich ook in de financiën van J. verdiept, maar wat ik nu zo vreemd vind is dat men niet heeft gekeken naar de financiën van betrokkenen, naar het kasboek, naar de verantwoording in Haarlem van de gelden die werden besteed; daar is bij mijn weten helemaal niet naar gekeken. En dat had toch eigenlijk ook heel goed gepast in de opdracht, want die was met name gericht op de financiële kant van de zaak, om die boven water te krijgen. Maar kennelijk heeft men daar vanaf gezien. Waarom? Ik weet het niet.” Van de drie deelonderzoeken die wel ter hand werden genomen kan in het algemeen worden gezegd dat zij in twee fasen en projectmatig werden uitgevoerd. De eerste fase liep van 18 augustus tot 12 september, de tweede van 15 september tot eind 1997. Per deel onderzoek en per fase werd vrij gedetailleerd bepaald welke kwesties moesten worden onderzocht.361 Het meest uitgebreide onderzoek was ongetwijfeld dat naar J. Zowel via een aantal diensten – in het bijzonder de CRI, de Kamer van Koophandel, het Kadaster en de Belastingdienst (FIOD), andere rechercheteams – als via diverse gegevensbestanden – onder meer het Herkenningsdienst Systeem (HKS), het Bedrijfsprocessen Systeem (BPS) en de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) – werd gepoogd zo onopgemerkt mogelijk informatie te verzamelen over de criminele antecedenten en activiteiten van deze verdachte, zijn familiale en sociale netwerk, zijn persoonlijke eigendommen en bemoeienissen met bepaalde bedrijven – in het bijzonder een buitenlandse onderneming -, zijn financiën en financiële transacties, zijn betrokkenheid bij een bepaalde sportclub, et cetera.362 Deze informatievergaring gebeurde grotendeels in Nederland zelf, met machtigingen van de betrokken officieren van justitie. Meer informatie over het dat bedrijf werd verkregen via internationale rechtshulp. Bovendien werden er enkele kortlopende observatie-acties uitgevoerd om een beter beeld te krijgen van bepaalde situaties. De resultaten van dit informatieve onderzoek werden neergelegd in een proces-verbaal van 13 november 1997 dat was bedoeld als een aanvraag om een gerechtelijk vooronderzoek tegen de verdachte te verkrijgen. Het behelst niet alleen een overzicht van de ondernomen acties maar somt ook de bevindingen op. In concluderende zin werd enerzijds gesteld dat een deel van de informatie zoals die in juni 1997 was verstrekt door de CID en de BVD werd bevestigd door de gegevens, en anderzijds dat op grond van deze gegevens het vermoeden was 359 Interview P. Entken d.d. 16 januari 2001. 360 Interview F. Teeven d.d. 7 februari 2001. 361 Vergelijk de nota “Project 060, Versie 2.0, tactische fase” d.d. 4 september 1997 (C3). Een groot aantal van de projecten is opgenomen in C3. 362 De vorenstaande en navolgende beschrijving is met name gebaseerd op het proces-verbaal d.d. november 1997 betreffende de aanvraag van een gerechtelijk vooronderzoek inzake de verdachte (F16), de mutaties in het journaal van het team (F23) en de mappen bij het LRT met de processen-verbaal van ambtshandelingen uit de betrokken periode, en de mappen bij hetzelfde team met rapporten over onder meer de CID-berichten en de observatie.
fort2_116January 1, 1999
180 heeft over zijn collega-hoofdofficieren in (dit deel van) het land, zou kunnen instaan voor de nodige coördinatie tussen de diverse onderzoeken. Er is dus meer dan één reden om het beleid van het college van procureurs-generaal ten aanzien van de inrichting, de start en het eerste verloop van het post-Fort-onderzoek kritisch te bezien. Dit mag echter niet verhullen dat het college zich in de voorbije jaren op een naar verhouding zeer intensieve manier met dit onderzoek heeft beziggehouden: alle belangrijke beslissingen met betrekking tot het verloop van het onderzoek werden door het college – in samenspraak trouwens met de minister van Justitie – genomen, bij tijd en wijle liet het college zich direct voorlichten door de onderzoekers, een van de procureurs-generaal kreeg speciaal de verantwoordelijkheid voor het onderzoek toebedeeld en de voorzitter van het college beraadslaagde veelvuldig rechtstreeks met sommige onderzoeksleiders en onderzoekers over de voortgang van hun werk. Waarom dan toch die teleurstellende bevindingen met betrekking tot de strategie, de organisatie en hiermee ook de (voorlopige) uitkomst van zulk een belangrijk onderzoek? Vanuit het perspectief van het college bezien spelen tenminste de volgende factoren hierbij een rol. Ten eerste dat er bij herhaling cruciale besluiten werden genomen op grond van impressies in plaats van doorwrochte analyses: het vervolgonderzoek werd opgezet op grond van een paar A4tjes van enkele rechercheurs en het werd anderhalf jaar later op niet veel steviger basis tussentijds beoordeeld. Ten tweede dat het college – ondanks alle bemoeienissen met post-Fort – toch niet volledig en grondig genoeg werd geïnformeerd respectievelijk zich liet informeren over wat er leefde bij de verschillende partijen en over de werkelijke samenhang en voortgang van de diverse deelonderzoeken: in zijn discussie over de inrichting van het onderzoek bleven enkele belangrijke bezwaren van de kant van het LRT en het landelijk parket sterk onderbelicht, terwijl in de discussie over de voortgang van alle onderzoeken de hoofdofficieren in de richting van het college meer eensgezindheid tentoonspreidden dan er in feite bestond; de wet van de selectieve informatievoorziening naar de top van organisaties geldt dus ook voor het openbaar ministerie. Bij de twee voorgaande opmerkingen sluit ten derde nauw aan dat het college (deel)onderzoeken eigenlijk te lang liet lopen zonder om informatieve tussenbalansen te vragen en de opstellers ervan desnoods te verplichten tot minutieuze verantwoording voor beweringen, bevindingen en conclusies, eventueel ook ten overstaan van kritische buitenstaanders. Tot slot past het om helemaal op het begin terug te komen: op de discussie in het voorjaar van 1996 omtrent de wijze waarop er een vervolg moest worden gegeven aan de resultaten van het Fort- onderzoek. Hiervoor is opnieuw tot uitdrukking gebracht dat in het college, en zeker bij Docters van Leeuwen, de gedachte leefde dat niet alleen via een strikt strafrechtelijk onderzoek de bekende “onderste steen” – dat “iets” waarover in juni 1997 nog met zoveel verbetenheid werd gesproken – boven de grond kon worden gehaald. Vandaar dat er een spoor 2 naast spoor 1 werd georganiseerd. De opheffing van dat tweede spoor leidde er als vanzelf toe dat nog hogere verwachtingen moesten worden gesteld aan spoor 1 en werkte evenzo gemakkelijk in de hand dat er ruimte werd geschapen voor vervangende sporen (3 en 4), die eveneens meer op een intelligence-achtige manier de IRT- affaire meenden te kunnen/moeten oplossen. Dit betekent dus dat het dilemma waarmee in het begin van het onderzoek werd geworsteld in de tweede helft van 1997 nog steeds onverkort speelde. En dit roept de fundamentele vraag op of het niet beter was geweest wanneer het vervolgonderzoek in eerste instantie volledig buiten de strafrechtelijke sfeer was gehouden en was toevertrouwd aan een groep van onderzoekers uit de hoek van de (criminele en politieke) inlichtingendiensten. En dat er pas een strafrechtelijk onderzoek was opgestart als die groep voldoende gegevens zou hebben aangedragen voor een strafrechtelijk vooronderzoek tegen bepaalde personen. De ironie wil immers in zekere zin dat de doorstart van spoor 1 in de zomer van 1997 bovenal te danken was aan berichten uit die hoek!
fort2_25January 1, 1999
89 het hoofd LBOM. Hij richtte haar evenwel rechtstreeks aan het college van procureurs-generaal. Achteraf verklaarde Zwerwer dat, toen hij de notitie van 7 augustus schreef, hij niet wist96: “(…) dat er een notitie lag van Van der Burg en Van Gemert. Achteraf bekeken zou ik er niet aan zijn begonnen als ik dat stuk toen had gelezen.” In het begin van zijn notitie wees Zwerwer erop dat hij ten behoeve van het hoofd LBOM een korte oriënterende notitie had gemaakt met betrekking tot het onderzoeksveld en dat hij die staande de vergadering met de procureurs-generaal ook zou uitreiken maar dat hij haar na afloop van de vergadering weer graag zou innemen. Verder wees hij erop dat er reeds uitzicht bestond op een locatie waar de beide teams konden worden ondergebracht. Het voordeel van een gecombineerde locatie was, aldus Zwerwer, dat zijn team voor het oog van de buitenwereld redelijk anoniem kon blijven. Tijdens het interview nam Zwerwer overigens weer afstand van dit standpunt97: “Ervan uitgaande dat het onderzoek dat ik zou gaan doen volstrekt los stond van het strafrechtelijk onderzoek, was ik bezig met het zoeken van een eigen locatie. Tot ik in de gaten kreeg dat er ook een strafrechtelijk spoor zou gaan lopen op het LRT en dat Entken en Noordhoek ook bezig waren een locatie te vinden. Ik begreep dat mijn tweede onderzoek bij dat andere onderzoek zou moeten worden aangeknoopt. Ik vond dat geen goed idee omdat op die manier de zachte informatie uit ons onderzoek zou gaan interfereren met opsporingsinformatie.” Wat de samenstelling van het team betreft stelde Zwerwer in zijn notitie dat “gezien het onderzoeksveld en de te verwachten moeilijkheden” moest worden gedacht aan een team met een hoogwaardige samenstelling. In overleg met Holthuis deed hij het volgende voorstel: — buiten hemzelf nog een lid van het openbaar ministerie — politieleiding: A. Godlieb (Regio IJsselland) en R. Martena (Regio Drenthe) — coördinator rijksrecherche — adviseur: een commissaris van politie uit de Regio Brabant-Noord — administratieve ondersteuning: 2 personen — analist: P. Schouten (CRI), eventueel nog aangevuld — financieel deskundige: vanuit het LRT — CID-officier van justitie: vanuit het LBOM — rijksrecherche: twee, eventueel drie, medewerkers Als bijlage voegde Zwerwer de notitie van Pijl toe betreffende de voorwaarden voor deelname van de rijksrecherche. Hij tekende hierbij aan dat de opstelling van Pijl hem enigszins formeel voorkwam en dat in de praktijk zou blijken dat te zijner tijd een wisselwerking zou ontstaan tussen de deelnemers van de rijksrecherche en de politionele deelnemers. Verder merkte hij op dat indien “feitelijk onderzoek” zou moeten worden verricht het noodzakelijk zou zijn om enkele zeer ervaren rechercheurs uit de politie aan het team toe te voegen. Het lag volgens Zwerwer voor de hand daartoe gebruik te maken van het LRT. Wat de timing betreft stelde Zwerwer in het begin van de notitie dat zij “een schets van de voorgenomen activiteiten gedurende de periode van 1 oktober 1996 t/m ongeveer 1 februari 1997” bevatte. Om welke activiteiten het concreet gaat wordt in deze notitie echter niet met zoveel woorden gezegd. Er wordt alleen opgemerkt dat ervan moest worden uitgegaan dat de eerste maanden werden besteed aan de inventarisatie en analyse van het beschikbare materiaal en dat het daarom 96 Interview S. Zwerwer d.d. 16 januari 2001. 97 Interview S. Zwerwer d.d. 16 januari 2001.
fort2_4January 1, 1999
68 Fort-dossier niet zonder meer konden aangewend in het eigen onderzoek. En het team van spoor 2 kon niet uit de voeten als gevolg van het al eerder gesignaleerde gebrek aan bevoegdheden en mogelijkheden. Daarenboven raakten de beide teams – mede als gevolg van de herformulering van de opdracht van het Zwerwer-team – meer en meer met elkaar in conflict. Wederzijdse ergernissen over de omgang met (mogelijke) informanten bewerkstelligden een breuk in hun onderlinge verhoudingen. Het gevolg hiervan was uiteindelijk dat het spoor 2-team in juni 1997 werd opgeheven. Ongeveer op hetzelfde moment als waarop het LRT-team via verschillende kanalen informatie ontving die het in staat stelden een strafrechtelijk onderzoek te starten. Maar tezelfdertijd kregen de Randstadparketten Haarlem – in de persoon van Snijders, gesteund door Van Brummen – en Amsterdam – in de persoon van Teeven, gesteund door Vrakking – de kans om alsnog hun eigen opties en belangen in het onderzoek naar de IRT-affaire door te zetten. Deze kans werd hen geboden in de vorm van een onderzoek naar (berichten over) de bedreiging van een officier van justitie in Noord-Holland. De verwikkelingen in de zomer en het najaar van 1997 worden besproken in hoofdstuk 7. Zij behelzen aan de ene kant gerichte opsporingsactiviteiten met betrekking tot twee van de vier personen tegen wie bij voorrang verdenkingen bestonden van betrokkenheid bij allerhande strafbare feiten. Deze acties liepen in de winter van 1997-1998, zij het ook op verschillende tijdstippen, uit op vorderingen van een gerechtelijk vooronderzoek tegen hen beiden die door een rechter-commissaris in Haarlem werden ingewilligd. De vraag die hierbij voor de hand ligt is natuurlijk waarom de andere twee onderzoekssubjecten buiten schot bleven. Aan de andere kant omvatten die verwikkelingen de negatieve afloop van het onderzoek naar de zo-even genoemde bedreiging door de officieren van justitie uit Amsterdam en Haarlem en de voorbereiding van een gewaagd initiatief van Snijders richting het buitenland: het zogenaamde “Schilderstraject”. Hoofdstuk 8 tenslotte is helemaal gewijd aan de vergadering die het college van procureurs- generaal op 26 november 1997 speciaal heeft besteed aan de onderzoeken naar de IRT-affaire. Hierbij zal eerst de presentatie van de onderscheiden onderzoeken worden besproken. Vervolgens zal worden ingegaan op de besluitvorming van het college omtrent hun voortzetting. En tenslotte wordt de nasleep van dit beraad in ogenschouw genomen.
fort2_54January 1, 1999
118 Fort-archief met de kennelijke bedoeling – getuige ook de opstelling in de zaak-Swennen – om op korte termijn de harde kern van de IRT-affaire aan te kunnen pakken. Omdat inwilliging van die eis zeker op dat moment niet tot de mogelijkheden behoorde leidde het Amsterdamse power-play ertoe dat slechts op informeel niveau vertrouwelijke informatie werd uitgewisseld. Dit was blijkbaar niet die informatie die in samenhang met andere informatie – zoals het parket Amsterdam beweerde – voldoende was om enkele subjecten van spoor 1 à la minute op te pakken. Want, zo mag men aannemen, dan was dat wel gebeurd. Tegen de achtergrond van de ontwikkelingen die hiervoor zijn geschetst wordt de vraag naar de sturing van het onderzoek een klemmende kwestie. Zoals eerder al werd aangegeven was Holthuis feitelijk niet echt in de positie om spoor 2 op het rechte pad te houden en formeel zeker niet in de positie om de andere betrokken parketten met zachte of harde hand te bewegen tot samenwerking met het landelijk parket, laat staan ze te dwingen hun onderzoeken te integreren in zijn onderzoek zoals het college op 4 september had besloten. En ze forceren was wel het laatste wat Holthuis – de IRT-affaire indachtig – wilde. Maar ook het college, en in het bijzonder Docters van Leeuwen en/of Gonsalves, liet de ontwikkelingen betijen. Het had wel wat bedenkingen bij de ingrijpende koerswending van spoor 2 maar liet Zwerwer c.s. desalniettemin voorlopig hun gang gaan. De terugtrekking van de rijksrecherche en daarmee de “uitkleding” van spoor 2 stuitte evenmin op verzet. En de regelrechte ontkrachting van de integratiegedachte door, in het bijzonder, het parket Amsterdam werd ook niet tegengegaan.
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>