IX – De bouwnijverheid – 5.2. Overige vormen van
criminaliteitJanuary 1, 1999
5.2. Overige vormen van criminaliteit
Naast de in de vorige paragrafen genoemde vormen van
organisatiecriminaliteit kunnen eigenaren van bouwbedrijven zich
schuldig maken aan andere vormen van crimineel gedrag. Deze vormen
zijn op de n of andere manier verbonden aan de bouwnijverheid zelf,
in het bijzonder om verlichting te brengen in de grote druk die de
bouwnijverheid nu eenmaal op de participanten uitoefent.
Fraudegevoeligheid in de bouw heeft vooral te maken met kenmerken
van de structuur en de organisatie van de bouwnijverheid en is mede
het gevolg van het feit dat administratieve controles doorgaans
zeer moeilijk zijn en zeer tijdrovend. Deze fraudes zijn lastig te
onderscheiden van fraudes die door malafide bouwondernemingen of
door criminele groepen worden veroorzaakt.
lees meer
IX – De afvalverwerkingsbranche – 5.3.
ZelfreguleringJanuary 1, 1999
5.3. Zelfregulering
De gebrekkige handhaving en controle op de naleving van die
wetten en regels worden pijnlijk zichtbaar wanneer de overheid,
zoals de laatste jaren is te zien, in de afvalbranche het principe
van zelfregulering gaat toepassen. Het milieubeleid loopt daarmee
niet uit de pas met het overige overheidsbeleid waarin een
herijking van de relaties tussen overheid en maatschappij plaats
vindt: de terugtredende overheid. De overheid is de laatste jaren
meer tot de overtuiging gekomen dat overreden beter is dan
straffen. Overreding gaat in die visie samen met een verinnelijking
van milieunormen (Aalders, 1994). Het vergunningenstelsel moet z
worden dat vergunningen en procedures het bedrijfsleven niet meer
onnodig belemmeren. Deze nieuwe aanpak belemmert wel het Openbaar
Ministerie in zijn vervolgende rol, omdat wanneer de ene overheid
een bepaalde gang van zaken toestaat, dat de andere overheid wel
heel moeilijk maakt voor dezelfde zaken een strafvervolging te
beginnen.
lees meer
IX – De afvalverwerkingsbranche – 4.1. De definiring van
zware milieucriminaliteitJanuary 1, 1999
4. DE AFVALCRIMINALITEIT
4.1. De definiring van zware milieucriminaliteit
De belangrijkste milieudelicten zijn verwoord in de Hinderwet,
de Wet geluidshinder, de Wet inzake de luchtverontreiniging, de
Afvalstoffenwet, de Wet chemische afvalstoffen, de Wet
milieubeheer, de Visserijwet, de Bestrijdingsmiddelenwet en de Wet
verontreiniging oppervlaktewater. Milieucriminaliteit is
criminaliteit die heeft te maken met het milieu. Het milieu kan
worden omschreven als de fysieke, levende en niet-levende omgeving
van de mens. Het gaat daarbij om overtredingen van de
miliewetgeving en milieuregelgeving waardoor schade ontstaat aan de
fysieke, levende en niet-levende omgeving van de mens. In de
ambtelijke literatuur veel omschrijvingen van het begrip
milieucriminaliteit in de ambtelijke literatuur te vinden.
Vele instanties zijn betrokken die allemaal vanuit een bepaald
perspectief of normatief kader naar milieucriminaliteit kijken. Een
belangrijk aspect van deze literatuur is dat vrijwel altijd het
bijvoeglijk naamwoord zware aan het woord milieucriminaliteit wordt
toegevoegd. Hiermee wordt aangegeven dat het milieu ernstig schade
wordt toegebracht wanneer de regels worden overtreden en dat de
volksgezondheid op korte of lange termijn groot gevaar loopt of zal
lopen. In een enkel geval wordt in de omschrijving van
milieucriminaliteit ook de economische schade gerekend die aan de
samenleving wordt toegebracht (Holtackers, 1995).
lees meer
IX – De wildlifebranche – 2. ACHTERGRONDEN VAN DE
WILDLIFEBRANCHEJanuary 1, 1999
2. ACHTERGRONDEN VAN DE WILDLIFEBRANCHE
Duizenden jaren geleden begonnen mensen in West-Azi en in het
Midden-Oosten wilde dieren tot huisdieren te maken. Honden, geiten,
varkens, runderen, schapen en paarden waren de eerste
gedomesticeerde dieren die met het oog op de voedselvoorziening, de
huiden en het vervoer in gevangenschap werden gehouden. Eeuwen
later werden wilde dieren vaker als gezelschapsdier gehouden. De
rijke vorstenhuizen, farao’s, keizers en andere
hoogwaardigheidsbekleders namen wilde dieren als statussymbool op
in hun huishouding. In Rome vochten 2.000 jaar geleden christenen
en slaven voor hun leven tegen wilde dieren terwijl duizenden
toeschouwers van het geboden spektakel genoten.
lees meer
Eindrapport – 2.2 DefinitieJanuary 1, 1999
2.2 Definitie
De definitie van de georganiseerde criminaliteit geeft
aanleiding tot veel verwarring. Velen hanteren een verschillende
definitie. Het debat over de georganiseerde criminaliteit blijft
vaak steken in discussies over de definitie van het verschijnsel.
Zo hanteert de Divisie centrale recherche-informatie (CRI) een
lijst van kenmerken om te kunnen bepalen of een groepering valt
binnen de categorie van georganiseerde criminaliteit. Met behulp
van de antwoorden op enkele vragen kan de organisatiegraad van de
verschillende groepen worden aangegeven.
lees meer
Eindrapport – 3.5 Commissie-Wierenga en politieke
besluitvormingJanuary 1, 1999
3.5 Commissie-Wierenga en politieke besluitvorming
3.5.1 Instelling en rapport commissie-Wierenga
Op 26 januari 1994 lichtten de ministers van Justitie en van
Binnenlandse Zaken de Kamer in over de opheffing van het IRT.
Noot In deze brief werd gesproken over het uit de hand
lopen van een op zichzelf geoorloofde methode. In de brief en in
het daarop volgende debat werd een nader onderzoek toegezegd.
lees meer
Eindrapport – 6.1 OmschrijvingJanuary 1, 1999
HOOFDSTUK 6 INFILTRATIE
6.1 Omschrijving
Infiltratie is het met het oog op opsporing en vervolging onder
gezag en regie van politie en openbaar ministerie binnendringen in
een criminele organisatie of groep, het ervan deel uitmaken, het
gebruik maken van personen die er reeds deel van uitmaken of het
(desgevraagd) ondersteunen ervan, indien dit optreden gepaard gaat
met het I) aannemen van een valse identiteit en/of II) plegen van
strafbare feiten en/of III) aanbieden van goederen en/of diensten
aan de criminele organisatie of groep. Infiltratie doet zich in
verschillende vormen voor. De commissie is de volgende vormen van
infiltratie tegengekomen:
lees meer
Eindrapport – 8.5 KernteamsJanuary 1, 1999
8.5 Kernteams
8.5.1 Inleiding
In de tweede helft van de jaren tachtig is de belangstelling
voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit toegenomen.
Noot In dit kader ontstond de gedachte om permanente
opsporingscapaciteit vrij te maken ter bestrijding van dit type
criminaliteit. Gezien het feit dat de criminele activiteiten zich
veelal uitstrekten over grote delen van Nederland en het buitenland
werd besloten tot de oprichting van interregionale opsporingsteams.
Aanvankelijk werd gesproken van interregionale recherche-teams
(IRT’s); vanaf 1994 van kernteams. Het zijn er thans zes, te weten
Noord-Oost-Nederland, Randstad-Noord en Midden, Zuid, Rotterdam,
Haaglanden en Amsterdam. Er is een landelijk team (LRT) in
oprichting.
lees meer
fort2_1January 1, 1999
Deel I De periode maart 1996 tot november 1997
fort2_113January 1, 1999
177 Via het hoofd van het LBOM had Zwerwer enkele weken eerder het college van procureurs generaal op de hoogte gesteld van zijn plannen. Ficq liet in het periodiek overleg met het LBOM op 28 november 1997 weten dat het college akkoord ging met het voorstel om de personen in kwestie om de tafel samen te brengen met een bandrecorder. Het doel hiervan was, aldus het verslag van het periodiek overleg, het beveiligen van de mensen zelf (hun vastgelegde verhaal komt ergens te liggen), alsmede het vinden van samenhang in hun verhalen. Als notulisten voor de bijeenkomst werden De Wit en Schouten genoemd.403 Zwerwer leunde in zijn voorstel op de premisse dat “er tussen de vier deelnemers aan het ronde tafel gesprek geen ingebouwde argwaan bestond”.404 Hierin bleek hij zich schromelijk te hebben vergist. In het bijzonder tussen Teeven en Snijders was een dusdanige vorm van wantrouwen gegroeid, dat het oriënterende gesprek, dat gepland stond voor 19 januari 1998, nimmer plaatsvond. Holthuis bevestigde later in het interview dat het geen gering probleem was “dat het onderling tussen de betrokken personen niet boterde”.405 Van Straelen gaf in het interview de hier bedoelde problematiek kernachtig weer406: “(…) in zo’n zaak, met zoveel vertakkingen, met zoveel pijn en met zulke persoonlijkheden die betrokken zijn, zou er iemand moeten zijn die boven iedereen gezeten alle belangrijke beslissingen neemt. Er is geen procureur-generaal geweest die de zaak naar zich toe heeft getrokken, die heeft gezegd ik voel me ervoor verantwoordelijk en ik ga het nu goed aanpakken. Het 060-onderzoek is onder een ongelukkig gesternte gestart na het Fort- onderzoek. Want het Fort-onderzoek heeft in Haarlem zowel bij het openbaar ministerie als bij de politie grote wonden geslagen. Het was achteraf bekeken (…) beter geweest wanneer men had gezegd dat Haarlem zich niet met het post-Fort-onderzoek zou mogen bemoeien. En het was ook verstandig geweest, daar waar meerdere parketten betrokken waren, de zaak in één hand te houden, dus één parket de leiding te geven. Of men had sterke centrale coördinatie erop moeten zetten. Maar beide zijn niet gebeurd.” 8.5 Conclusie Eerst en vooral moet het opmerkelijk worden genoemd dat ook op zulk een cruciaal strategisch moment in het project als het overleg van het college van procureurs-generaal in november 1997 geheel onvoorbereid betrekkelijk ingrijpende beslissingen worden genomen op grond van losse stukken, beeldmateriaal en mondelinge uiteenzettingen. Een of meer rapporten waarin op een systematische manier de grondslag van onderzoeken, de kwaliteit van de bijbehorende informatie, de relaties tussen onderzoeken, de mogelijkheden voor hun voortzetting, et cetera worden behandeld, lagen ook nu niet voor. De korzelige opmerkingen van verschillende procureurs-generaal over een en ander vallen in dit licht goed te begrijpen. Hierom is het in zekere zin echter even opmerkelijk dat niet alsnog van de verschillende onderzoeksleiders werd verlangd dat zij op korte termijn een onderbouwde rapportage omtrent hun bevindingen en voorstellen zouden schrijven. Ook met het oog op toekomstig overleg over de onderscheiden onderzoeken: hoe zou men over enige tijd zonder dergelijke hulpmiddelen hun voortgang nog kunnen beoordelen? De indruk dringt zich op dat dit niet gebeurde omdat de leden van het college, in elk geval Docters van Leeuwen zelf, niet alleen het gevoel hadden dat zij wel over het nodige overzicht beschikten maar ook dat er, zij het met kleine stapjes, vooruitgang werd geboekt. Dit gevoel stemde 403 Notulen periodiek overleg tussen procureur-generaal portefeuillehouder en LBOM d.d. 28 november 1997 (B2). 404 Brief S. Zwerwer aan J. Snijders, F. Teeven en (…) d.d. 18 december 1997 (D2). 405 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001. 406 Interview F. van Straelen d.d. 15 januari 2001.
fort2_22January 1, 1999
86 betrokken politiemensen onderzoeksdoel zouden worden en of de verdwenen gelden konden worden opgespoord. Niettemin, zo schreven zij tot slot, moest de projectvoorbereiding voor een strafrechtelijk onderzoek hoe dan ook ter hand worden genomen. Zowel het LBOM als het LRT zouden hiervoor aanvang september capaciteit vrijmaken. Dit zou moeten leiden tot een verdere verkenning van de genoemde kwesties en de formulering van een projectopzet met een operationele strafrechtelijke doelstelling. Deze notitie werd op 12 augustus 1996 door de gehele voorbereidingsgroep geaccordeerd. Waarbij nadrukkelijk werd aangetekend dat – gezien de wenselijkheid voor spoor 1 en spoor 2 “om gescheiden te gaan zitten” – er ook een aparte begroting diende te worden opgemaakt. Twee dagen later bracht Van Gemert, samen met het plaatsvervangend hoofd van het LRT, een apart bezoek aan Pijl, de directeur van de rijksrecherche, om een en ander te bespreken. Over dit gesprek tekende Van Gemert in zijn dagrapport aan dat Pijl het eens was met de punten in de blauwdruk. Ook hij voorzag problemen. Ze hadden eveneens uitgebreid gesproken over het tweede spoor; dit zou voor Pijl volledig onduidelijk zijn.91 Hier staat echter een notitie van Pijl aan Zwerwer d.d. 13 augustus 1996 tegenover waarin hij deze naar aanleiding van een gesprek eerder op die dag (met Zwerwer) schreef dat hij uiteraard bereid was om leden van de rijksrecherche in beginsel beschikbaar te stellen voor spoor 2.92 Zowel de inhoudelijke informatie uit het Fort-team als de mogelijke corruptie waarop kon worden gestuit vormden daarvoor de belangrijkste redenen. Vervolgens somde hij de voorwaarden op waaronder de beschikbaarstelling van leden van de rijksrecherche zou kunnen. Deze voorwaarden waren de volgende: — bij de personele toedeling moest rekening worden gehouden met de eventuele assistentie aan spoor 1; — de “rijksrecherche-identiteit en –entiteit” zou herkenbaar moeten zijn; daartoe zou een afzonderlijk deelproject met deeltaken benoemd moeten worden in het plan van aanpak voor spoor 2; — er zou een afzonderlijke deelprojectleider van de rijksrecherche moeten komen die rechtstreeks moest worden “opgehangen aan de OM-verantwoordelijke die namens het college van PPGG het gezag over het team heeft”; — de deelname werd vooralsnog beperkt tot een half jaar; — de rechtspositionele en beheersmatige condities moesten tevoren worden geregeld, geaccordeerd namens de rijksrecherche en kenbaar worden gemaakt aan betrokkenen; — en de directeur rijksrecherche moest van de belangrijkste activiteiten en resultaten van het deelproject binnen “de mogelijkheden der redelijkheid” op de hoogte worden gesteld. De eensgezindheid tussen het LRT en de directeur rijksrecherche was dus heel wat minder groot dan Van Gemert had opgemaakt uit zijn gesprek met Pijl. Op 22 augustus besprak de leiding van het LRT opnieuw het hele project. Tijdens dit overleg kwam naar voren dat een van de procureurs-generaal niet zo gelukkig was met de blauwdruk. Het plaatsvervangend hoofd van het LRT werd belast met het schrijven van een notitie die voor het college geschikt was en waarin alle pijnpunten uit de blauwdruk waren opgenomen. Waarschijnlijk is deze notitie nooit geschreven omdat ondertussen het LBOM het initiatief had genomen om een projectplan te maken op grond van de notitie van 6 augustus. Dit plan werd op 28 augustus samen met een notitie van Zwerwer d.d. 21 augustus over de start van het onderzoek in het kader van spoor 91 Het vorenstaande is gebaseerd op het eerder genoemde persoonlijk dagrapport van W. van Gemert (F24). 92 Notitie van D. Pijl d.d. 13 augustus 1996 aan S. Zwerwer (B6). Deze notitie werd ook aan D. Steenhuis doorgefaxt die vanuit het college van procureurs-generaal het toezicht op de rijksrecherche uitoefent. Op 21 augustus 1996 kwam zij binnen op het LBOM. Een en ander blijkt uit de postafdrukken op de onderhavige kopie van deze notitie.