147 de landsadvocaat. Tot slot maakte Holthuis kenbaar dat hij kon leven met de positionering van de leden van de rijksrecherche zoals die door Pijl was geclausuleerd.280 Dat het college van procureurs-generaal in april 1997 niet alleen achter het onderzoek van spoor 1 stond maar toen ook het onderzoek van spoor 2 nog steunde blijkt het beste uit de brief die Docters van Leeuwen op 23 april 1997 stuurde naar alle hoofdofficieren van justitie.281 In deze brief herinnerde hij aan het besluit van het college van procureurs-generaal d.d. 6 februari 1997 om een voorbereidend opsporingsonderzoek te laten instellen naar “de bredere achtergronden met betrekking tot het criminele handelen dat tijdens het rijksrecherche-onderzoek (Fort-team) naar het functioneren van de RCID Kennemerland is gebleken”. Ook de vraagstelling die aan dit onderzoek ten grondslag lag werd in deze brief geciteerd. Hierbij werd het beoogde resultaat uitdrukkelijk vermeld: “het vinden van concrete aanknopingspunten die kunnen leiden tot een of meer tactische vervolgonderzoeken”. Verder gaf hij aan dat tot de activiteiten van het team onder meer zouden behoren: interviews met deskundigen en betrokkenen, verzameling van gegevens uit zowel lopende als afgesloten opsporingsonderzoeken, en raadpleging van CID-registers. Tenslotte verzocht hij de hoofdofficieren met klem hun medewerking aan het onderzoeksteam te verlenen en om de gevraagde/beschikbare informatie te verstrekken. Terwijl de raadpleging van de landsadvocaat en het departement van Justitie omtrent de perikelen met de toegang tot respectievelijk het gebruik van de betrokken archieven aan de gang was, zaten de beide teams vanzelfsprekend niet stil. Toch zal hier eerst worden ingegaan op de uitkomst van dat overleg omdat die in belangrijke mate de aard hun onderzoeksactiviteiten heeft bepaald. 6.3 De uitkomst van het beraad over het gebruik van de Fort- en PEC-archieven Uit het voorafgaande kan worden afgeleid dat het er niet langer om ging om in het kader van een bepaalde strafzaak een of meer stukken uit het Fort-archief te raadplegen en eventueel te voegen in het dossier, maar om de opheffing van de rubricering “staatsgeheim” als zodanig. Met het oog hierop werd door enkele leden van het team van spoor 1 op 20 maart 1997 een nota over deze rubricering geschreven.282 In deze nota die in overleg met de plaatsvervangend beveiligingsambtenaar van het ministerie van Justitie was vervaardigd, werd enerzijds de regeling uiteengezet die in de rijksdienst geldt om documenten als staatsgeheim te kunnen betitelen. Anderzijds werd beschreven welke de relevantie van deze regeling was voor het Fort-archief. De conclusie was dat in dit geval de secretaris- generaal van het ministerie van Justitie de ambtenaar was die de rubricering kon herzien of beëindigen. Aanbevolen werd verder om het advies van de directeur van de rijksrecherche in te winnen, zijnde de voormalige registerbeheerder. Met name om te achterhalen welke afspraken er waren gemaakt en welke voorwaarden er waren gesteld ten overstaan van de gehoorde personen. Na beëindiging van de procedure zouden de beschermende bepalingen van de Wet op de politieregisters en het daarbij behorende besluit van toepassing (kunnen) zijn. Dit advies werd onderschreven in een intern memo van het team, zij het met de toevoeging dat het ter vermijding van problemen aangewezen was om ook de landsadvocaat te raadplegen omtrent een en ander.283 In zekere zin leek de genoemde conclusie overigens in strijd te zijn met het standpunt dat de secretaris-generaal in de eerder geciteerde brief van 18 maart 1997 aan de officier van justitie Slits in de meineedzaak tegen Van V. en L. verwoordde, namelijk dat een beslissing tot derubricering ten behoeve van een strafzaak ook namens hem zou kunnen worden genomen door een lid van het college van procureurs-generaal. 280 Conceptnotulen vergadering college van procureurs-generaal d.d. 15 april 1997 (B1). 281 Brief A. Docters van Leeuwen d.d. 23 april 1997 aan de hoofdofficieren van justitie (F1). 282 Deze nota is getiteld “Toelichting op het stg.staatsgeheim F-dossier” d.d. 20 maart 1997 (C4). 283 Dit memo, dat niet is gedateerd, werd geschreven door een lid van het team (C3).
162 7 De verwikkelingen in de zomer en het najaar van 1997 7.1 Inleiding Dat “Amsterdam” en “Haarlem” eigenlijk ook niet door één deur konden werd al enigermate zichtbaar in de zomer van 1997 toen Snijders, zonder Teeven daarbij te betrekken, een nieuwe aanzet gaf tot zijn onderzoek naar de Colombiaanse drugshandel op Nederland in de voorafgaande jaren: het zogenaamde “Schilderstraject”. Maar de opbouw van dit traject was niet de meest opvallende ontwikkeling in deze fase van het onderzoek. Het kwam bij wijze van spreken toen pas op kousenvoeten van de grond. De meest opmerkelijke ontwikkeling was de afbouw van spoor 2 en de ontmanteling van het bijbehorende team in ruimtelijk, financieel, personeel en het belangrijkst van al, in inhoudelijk opzicht: de opsplitsing van het onderzoek in een aantal deelprojecten. Op bepaalde punten verliep dit laatste niet zo gemakkelijk. Maar eind september 1997 was deze klus geklaard. De tweede belangrijke ontwikkeling omvatte allereerst de aanzet tot de opening van een (gerechtelijk) vooronderzoek tegen J. en het bijlopen van het Haarlemse onderzoek naar de “Taartman”. Maar als gevolg van een (tweede) BVD-bericht over De J. en een familielid d.d. 31 juli 1997 moest het onderzoek van het LRT-team ook in hun richting worden uitgebreid. Uit de stukken valt af te leiden dat er in de zomer van 1997 door het team keihard werd gewerkt om deze drie deelonderzoeken verder op de rails te zetten, het deelonderzoek naar J. voorop. Het onderzoek naar de (berichten over de) bedreiging van een officier dat in de late lente van 1997 de parketten van Amsterdam en Haarlem had samengebracht, verloor nog deze periode zijn bindend vermogen. Halverwege september kwam namelijk vast te staan dat de dreiging die had bestaan was geweken. Dit betekende echter niet de stopzetting van de analyse van het IRT-dossier. 7.2 De afbouw van spoor 2 Op initiatief van de plaatsvervanger van Zwerwer, Welschen, werd begin juli 1997 een lijst opgemaakt van activiteiten die met het oog op de afbouw van KL 26-01 moesten worden ondernomen.344 Op deze lijst prijkten kwesties als de beschrijving van de over te dragen projecten, de herplaatsing van personeel, de financiële verantwoording, bekendmaking van de afsluiting van het onderzoek et cetera. In de loop van juli en augustus werden de meeste van deze onderwerpen ter hand genomen en afgewikkeld. Een klein deel van de projectbeschrijvingen werd direct afgewerkt. De meerderheid werd eind augustus opgesteld. Dit kwam erop neer dat per project een kort rapport werd geschreven waarin melding werd gemaakt van de status van de betrokken informatie, van de bevoegdheid om er kennis van te nemen, van de overdracht en bruikbaarheid van de informatie, van de doelstelling van het project, van de onderzoeksmogelijkheden en van de mate waarin er onderzoek was verricht.345 Rond 10 juli 1997 schreef Godlieb de politiekorpsen aan die opsporingsambtenaren hadden gedetacheerd voor het onderzoek. Hij deelde de betrokken diensthoofden beleefd mede wat het 344 Vergelijk het concept van dit document in C9. Overigens geeft ook het journaal van het team dat werd bijgehouden tot 15 september 1997, een zeker beeld van de manier waarop zijn afbouw is verlopen (F2). 345 De rapporten (met bijlagen) bevinden zich in F2 en C10.
210 gebruik van de telefoontap. Hierdoor werd het onderzoek nog sterker dan voorheen gericht op de actuele gedragingen van de verdachte en werd het moeilijker om de aanpalende activiteiten in andere parketten, de externe impulsen uit de Randstad die betrekking hadden op feiten uit de achterliggende IRT-periode, in het onderzoek te betrekken. Behalve het verschil in tactiek dreef de controverse over de NN-verklaringen en het gebruik daarvan de partijen verder uiteen. De klankbordgroep, in 1997 opgericht om de afstemming tussen de betrokkenen te bevorderen, groeide in 1998 uit tot een arena waarin Haarlem en het landelijk parket lijnrecht tegenover elkaar kwamen te staan. Opmerkelijk genoeg voerden beide partijen juridisch- technische argumenten aan om hun gelijk aan te tonen. Aan de ene kant Noordhoek, die de totstandkoming van het NN-GVO op juridische gronden onzuiver achtte; aan de andere kant Snijders en Van Straelen die meenden dat verstrekking van bepaalde CID-informatie alleen mogelijk was met een verzoek dat gebaseerd was op de inhoud van de NN-verklaringen. Het conflict tussen “Haarlem” en het “LRT” over de NN-verklaringen zou echter in complexiteit worden gereduceerd wanneer het uitsluitend werd gerelateerd aan tegenstellingen van juridische aard. De controverse stak aanmerkelijk dieper en reflecteerde een toenemend gebrek aan vertrouwen tussen Snijders en Noordhoek. Deze evaluatie onderstreept eens te meer dat in de relatie tussen een CID-officier en een zaaksofficier een basaal vertrouwen in elkaars professionaliteit een conditio sine qua non is. De verschillende visies op de verhouding CID-officier – zaaksofficier doen hier niet aan af. Zeker wanneer men de Haarlemse opvatting aanhangt dat de functies van de CID-officier en de zaaksofficier strikt moeten worden gescheiden465 is wederzijds vertrouwen van groot belang. De rechtlijnige opstelling van Noordhoek in het onderhavige geval kan niet los worden gezien van het feit dat achtereenvolgens Zwerwer en Snijders niet onder stoelen of banken staken dat zij zijn kennis, ervaring en professionaliteit laag inschatten. Onder dergelijke omstandigheden was het veel gevraagd – en voor Noordhoek te veel – om te leven met het vooruitzicht dat ter terechtzitting verantwoording moest worden afgelegd voor getuigenverklaringen die onder auspiciën van Snijders tot stand waren gekomen. Het conflict tussen Noordhoek en Snijders legt ook een belangrijk organisatorisch gebrek bloot. In het bijzonder ten aanzien van de commotie rondom de NN-verklaringen werd een CID-officier aan de zijde van het landelijk parket node gemist. De opstelling van Noordhoek was wellicht minder rigide geweest wanneer een collega van het landelijk parket inzage had gehad in de veiligheidsanalyse. Reeds eerder was echter al gebleken dat het vertrouwen van Snijders en Teeven in CID-officier De Groot ook niet bijster groot was. Het wederzijdse gebrek en vertrouwen verklaart ook goeddeels de verharding van de “slag om de informatie”. Het voortdurende getouwtrek rondom de CID-informatie uit Kennemerland, de woede van Snijders over het CID-bericht uit Amsterdam dat plotsklaps op de burelen van het LRT neerdwarrelde en de mislukte pogingen om het parallel-proces-verbaal in recherchetactische zin te onderbouwen, zijn allemaal voorbeelden van de “Chinese walls” die door de betrokkenen rondom hun eigen informatiepositie werden opgeworpen. De eerstverantwoordelijken om deze patstelling te doorbreken waren de betrokken hoofdofficieren. Van Brummen en Holthuis trachtten weliswaar in onderling overleg en in gesprekken met registerbeheerder Visser de angel uit het conflict te halen, maar bleven in dit verband steken in het blootleggen en bespreken van de juridische voetangels en klemmen. De dieperliggende oorzaken van de fricties tussen de officieren van justitie roerden zij niet aan. 465 Ook de Commissie-Kalsbeek pleitte overigens nadrukkelijk voor een scheiding van deze functies (aanbeveling 53, pp. 225)
225 11 De ontwikkeling van andere onderzoeken 11.1 Inleiding In de periferie van het 060-onderzoek speelden ook de parketten Amsterdam en Haarlem een belangrijke rol. Zoals uit het voorgaande duidelijk is geworden, was in het bijzonder het parket Haarlem nadrukkelijk bij een aantal post-Fort-activiteiten betrokken. Zo is in deel I gewezen op de rol van Snijders bij de afbouw van informanten uit het IRT-tijdperk, op het rapport dat hij samen met Teeven schreef naar aanleiding van de bedreiging van een officier van justitie en – in hoofdstuk 9 – op het dossier “Rollaag”. Het laatstgenoemde dossier bevat de aanwijzingen – onder meer gebaseerd op de twee besproken NN-verklaringen en het parallel-proces-verbaal – omtrent het bestaan van de parallel-importen. Snijders c.s. hadden in het najaar van 1997 ook een begin gemaakt met het zogenaamde “Schilderstraject”. Aan het einde van het eerste deel van dit rapport (hoofdstuk 8) is reeds vastgesteld dat het college van procureurs-generaal en de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie eind 1997 hun toestemming verleenden om de oriëntatiefase van dit traject – dat kort gezegd neerkwam op het voeren van gesprekken met een aantal buitenlandse ingewijden in de cocaïnehandel – in te gaan. De activiteiten van Snijders c.s. beperkten zich echter niet tot cocaïnetransporten in relatie tot Zuid-Amerika. Naast het dossier “Rollaag” en het “Schilderstraject” vormde het zogenaamde XTC/Van T.-dossier een andere belangrijke hoofdactiviteit. Ook inventariseerde het “team-Snijders” aanwijzingen over allerhande vormen van corruptie en/of compromitterende kwesties. Een deel van dit materiaal was afkomstig uit het “besmette” IRT-dossier. Het parket Amsterdam was op een andere wijze bij de post-Fort-activiteiten betrokken. In hoofdstuk 9 is reeds vermeld dat Teeven medio 1998 een proces-verbaal met operationeel bruikbare informatie over J. aan het LRT ter beschikking stelde. Aan het parket Amsterdam was evenwel ook een zelfstandige rol toebedeeld in het kader van het post-Fort-traject. Eind 1997 was immers besloten – zie paragraaf 7.4 – dat Teeven als zaaksofficier leiding zou geven aan een nader onderzoek in de XTC-zaak en aan het onderzoek naar de liquidatie van Van der Heiden. De laatste activiteit die in het kader van dit rapport van belang is, betreft de pre-deal die door het Amsterdamse parket werd gesloten met K. In dit hoofdstuk wordt het verloop van de hierboven aangestipte onderzoeken nader beschreven. Paragraaf 11.2 staat in het teken van het verloop van het “Schilderstraject”. Paragraaf 11.3 is gereserveerd voor het onder gezag van Snijders samengestelde XTC/Van T.-dossier. De relatie met het 063-onderzoek van het LRT komt in deze paragraaf ook aan bod. In paragraaf 11.4 wordt aandacht besteed aan de activiteiten die onder auspiciën van het parket Amsterdam werden geïnitieerd. 11.2 Het “Schilderstraject” In hoofdstuk 8 is vastgesteld dat eind 1997 zowel het college van procureurs-generaal als secretaris- generaal Borghouts toestemming gaven voor de oriënterende fase van het zogenaamde “Schilderstraject”. Langs informele weg was vanuit het college het licht reeds eerder op groen gezet, getuige het feit dat een delegatie van Nederlandse opsporingsambtenaren en officieren van justitie reeds naar Zuid-Amerika was afgereisd om dit traject nader vorm te geven voordat het
239 12 De informatievoorziening aan het college van procureurs-generaal 12.1 Inleiding De beschrijving in de vorige hoofdstukken van de commotie die het NN-GVO, de verklaringen van de bedreigde getuigen, het parallel-proces-verbaal, de deal met R. in het 062-onderzoek en de pre-deal met K. in Amsterdam veroorzaakten, maakt reeds duidelijk dat de verhouding tussen Noordhoek en Snijders, alsmede die tussen Teeven en Snijders ernstig onder druk was komen te staan. De vertroebelde werkrelatie tussen het eerstgenoemde tweetal drong in de zomer van 1998 ook door tot Ficq. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens beschreven hoe het college werd geïnformeerd over de voortgang en in het bijzonder de knelpunten die zich voordeden en welke initiatieven vervolgens werden ontplooid om de ernst van de situatie in te schatten en een verdere escalatie te voorkomen. Eén van deze initiatieven betrof het beleggen van een bijeenkomst op 6 oktober 1998, waarop Noordhoek en Snijders in de gelegenheid werden gesteld in de vorm van presentaties het college van procureurs-generaal te informeren. Met de bespreking van deze presentaties – waarvan er één, te weten die van Noordhoek, ook werd gehouden ten overstaan van de minister van Justitie en de secretaris-generaal van Justitie – wordt het hoofdstuk afgesloten. 12.2 De inventarisatie van de gerezen problemen in de zomer van 1998 Op 3 juli 1998 vond een periodiek overleg plaats tussen Ficq, Holthuis en Noordhoek. Ficq leidde uit die bijeenkomst af dat de verhouding tussen een aantal leden van het landelijk parket en het parket Haarlem behoorlijk vertroebeld was geraakt. Tevens werd hem duidelijk dat de landsadvocaat door de verschillende partijen over de gang van zaken was geïnformeerd. In een handgeschreven briefje aan een ambtenaar van het parket-generaal van een dag later sprak Ficq zijn zorgen uit over de ontstane situatie en deed hij het verzoek om bij de landsadvocaat te informeren wat hij precies had meegekregen van de controverse.532 De betreffende ambtenaar reageerde op 30 juli 1998 via een vertrouwelijke nota. Een gesprek met de landsadvocaat op 6 juli 1998 had hem duidelijk gemaakt dat533: — zowel Snijders als Noordhoek de landsadvocaat gebruikten als uitlaatklep voor kritiek op elkaar; in mildere vorm had dat volgens de landsadvocaat wel eens eerder gespeeld, maar hij schatte de zaak dit keer veel ernstiger in en meende daarom dat van hogerhand moest worden ingegrepen; — Snijders en Noordhoek wel met elkaar praatten, maar elkaar niet wilden verstaan; — beiden te weinig vertrouwen hadden in elkaars professionaliteit; — de landsadvocaat een tekort signaleerde aan communicatie van beide zijden; — Van Brummen en Holthuis dringend en indringend met elkaar in gesprek moesten. Tot nader overleg tussen Holthuis en Van Brummen kwam het al snel. In juli 1998 voerden zij diverse gesprekken. Uit de correspondentie die hieromtrent voorhanden is, ontstaat de indruk dat de lucht tijdelijk was geklaard. In een brief van Holthuis aan Ficq van 30 juli 1998 wordt bijvoorbeeld uiteengezet dat alle aspecten van het 060-onderzoek werden besproken, incluis de moeizame 532 Handgeschreven brief van C. Ficq d.d. 4 juni 1998 (B2). 533 Vertrouwelijke nota vanuit het parket-generaal d.d. 30 juli 1998 aan C. Ficq (B2).
255 13.4 Resultaten Uiteindelijk kristalliseerde het 061-onderzoek door toedoen van de taps en door de inbreng van externe onderzoeken en andere politiediensten – waarover hieronder meer – uit in acht deelonderzoeken. Zo vond in maart 1999 een eerste concrete actie plaats waarbij 3,5 kilo cocaïne in beslag werd genomen. De belangrijkste zaak, waarbij sprake was van de identificatie en inbeslagname van een forse partij cocaïne (1200 kilo), speelde echter in augustus 1999 en leidde uiteindelijk in februari 2000 tot de aanhouding van J. en een aantal medeverdachten. Deze zaak wordt in het zaakdossier als zaak 1 aangeduid. Wij zullen de acht zaken hieronder kort beschrijven, waarbij de volgorde van de nummering van het zaaksdossier wordt aangehouden. Op één uitzondering na: teneinde het criminele netwerk rondom J. en diens eigen rol daarin te verhelderen, wordt met zaak 3 begonnen. Voordat de zaken worden beschreven zij nogmaals benadrukt – zie hiervoor ook hoofdstuk 1 – dat de omstandigheid dat jegens bepaalde personen op enig moment verdenkingen hebben bestaan, dan wel dat zij als “onderzoekssubjecten” zijn aangemerkt, onverlet laat dat redelijkerwijze slechts gevolgtrekkingen over strafrechtelijke aansprakelijkheid kunnen worden verbonden aan de uitkomsten van strafrechtelijk onderzoek. In dit verband is het van belang er op te wijzen dat op 6 april 2001 de rechtbank Haarlem vonnis wees in de zaak J. Op vordering van het openbaar ministerie sprak de rechtbank J. vrij van de ten laste gelegde strafbare feiten (140 Sr; invoer harddrugs) met betrekking tot de periode 1-1-1993 tot 31-12-1994. De rechtbank veroordeelde J. wel voor deelname aan een criminele organisatie (over de periode 1-1-1997 tot 14-2-2000), terwijl hij hiervan de bestuurder en leider was. Ook werd hij veroordeeld voor het in georganiseerd verband overtreden van de Opiumwet door mee te werken aan het internationale transport en opslag van aanzienlijke hoeveelheden cocaine en hennep. Tenslotte werd hij veroordeeld voor het overtreden van de Wet op de Kansspelen. J. werd door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar onvoorwaardelijk en 1 miljoen gulden boete. Hij heeft tegen dit vonnis hoger beroep aangetekend. De belangrijkste zaak, die ook van grote invloed op de strafmaat is geweest, betrof de betrokkenheid bij de invoer van 1200 kilo cocaine. In het onderstaande worden de resultaten van het 061-onderzoek weergegeven. Wij gaan concreet in op aard van de zaken, waarvan J. werd verdacht, omdat op deze wijze kan worden verduidelijkt waartoe precies de activiteiten om de onderste steen boven te krijgen hebben geleid. Zaak 3 Zaak 3 is het zogeheten art. 140-verbaal, waarin de criminele organisatie rond J. wordt beschreven. Deze analyse is hoofdzakelijk gebaseerd op de inhoud van afgeluisterde telefoongesprekken, reisbewegingen van J. en zijn kompanen, en observaties van kontakten die tussen verschillende personen plaatsvonden. Hieruit zou naar het oordeel van de verbalisanten naar voren zijn gekomen dat J. een leidinggevende rol speelde in het organiseren van cocaïnetransporten vanuit Colombia naar Nederland. Deze rol van J. zou eruit bestaan dat hij bemiddelde tussen Colombiaanse leveranciers en Nederlandse afnemers, die het transport naar West-Europa en de verdere distributie voor hun rekening namen. Als zodanig zou J. deel uitmaken van een “vennootschap” van bemiddelaars die tussen de Colombiaanse leveranciers en het distributienetwerk in zou zitten. De vennoten zouden onderling afspraken maken over het delen van de risico’s, het verdelen en aansturen van eigen distributienetwerken. De verdachten die in het onderzoek naar J. via taps en observaties in beeld kwamen, zouden ook tot het distributienetwerk van J. behoren. Er werden drie groepjes geïdentificeerd rond twee Nederlanders (S. en L.) en een Zuid-Amerikaanse contactpersoon die gescheiden van elkaar werkten en die zich overigens ook zelfstandig, los van J., bezig hielden met de handel in drugs (cocaïne, XTC, hasj).
269 De wrevel van Snijders over de werkwijze van Van der Burg schuilde in het volgende618: “De afspraak was dat Gerrit van der Burg een tactisch dossier zou opbouwen. Analoog aan de voorgestelde, maar nooit ten uitvoer gebrachte werkwijze voor Amsterdam, die naar de moord op Van der Heiden en de XTC dumpingen zouden kijken, zou het dossier worden opgebouwd uit het materiaal dat op dat moment beschikbaar was en zou na deze eerste inventarisatie bezien worden wat Van der Burg nog nodig had uit het “besmette” IRT-dossier. Via mij zou hij ontbrekende informatie dan kunnen opvragen. Van der Burg heeft zich niet geheel aan die afspraken gehouden. Hij heeft bijvoorbeeld ook een blik geworpen op het Fort-dossier. Daarover ontstond een pittige woordenwisseling, maar de relatie met Van der Burg bleef werkbaar.” Van der Burg had volgens Snijders dus getornd aan het uitgangspunt van een “onbesmette” start van het onderzoek, dat wil zeggen dat in eerste instantie alleen gebruik zou worden gemaakt van nieuw verkregen informatie, in het bijzonder de verklaringen van Van T. De consequentie van het feit dat hij delen van het Fort-archief had geraadpleegd, bracht volgens Snijders met zich dat deze stukken in het strafdossier moesten worden gevoegd. Indien het laatste niet wenselijk werd geacht, was in de ogen van Snijders de meest verregaande optie om Van der Burg door een andere zaaksofficier te vervangen.619 In een uitvoerig ambtsbericht van 5 april 1999 van Snijders aan Van Brummen werd verreweg de meest aandacht besteed aan de onderbouwing van de stelling dat er wel degelijk sprake was van nieuwe feiten en dat derhalve aanvullend strafrechtelijk onderzoek dringend geboden was. De in 1998 afgelegde verklaringen van Van T. plaatsten in de optiek van Snijders ieder CID-rapport van P. in een ander perspectief. De betrokken informant zou een veel grotere rol hebben gespeeld in de criminele organisatie dan tot dan toe was aangenomen en zou in zijn handelen veel verder zijn gegaan dan waarvoor toestemming was verleend door het openbaar ministerie. De meeste details daaromtrent waren pas recentelijk bekend geworden, zodat er wel degelijk nieuwe informatie was die een onderzoek naar de actieve rol van P. in de XTC-organisatie rechtvaardigde.620 Snijders en Schouten achtten dus gegronde redenen aanwezig om het gerechtelijk vooronderzoek dat tegen P. en enkele medeverdachten was gevorderd mede te baseren op art. 140 Sr. (deelname aan een criminele organisatie). Hun wens werd echter niet vervuld. Op 5 maart 1999 werd op aanwijzing van Van Daalen door officier van justitie Smid van het landelijk parket een gerechtelijk vooronderzoek gevorderd tegen vier verdachten – onder wie P. – uitsluitend terzake van een verdenking van bedreiging van Van T. Haast was op dat moment geboden, aangezien de verjaringstermijn voor dit delict dreigde te verlopen. Tot ongenoegen van Schouten en Snijders werd in de haast echter de bodem weggeslagen onder de door hen uitgestippelde strategie. Snijders vatte de gang van zaken als volgt samen621: “De dossiers van Van T. waren strategisch opgebouwd. De eerste verklaringen zijn vrij algemeen van aard, maar gaandeweg worden ze steeds specifieker. De strategie was om deze verklaringen gedoseerd in te brengen. Rick Smid heeft deze strategie uiteindelijk om zeep geholpen: hij, als vervanger van de met vakantie zijnde Noordhoek en bij afwezigheid van Gerrit van der Burg, opende bij de Haagse rechtbank een gerechtelijk vooronderzoek om verjaring van een eventuele zaak tegen P. te voorkomen. Het gerechtelijk vooronderzoek was uitsluitend gebaseerd op een geval van bedreiging van Van T. door P. Pogingen om in 618 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001. 619 Ambtsbericht J. Snijders d.d. 5 april 1999 aan H. van Brummen (D13). 620 Rapportage van P. Schouten d.d. 7 mei 1999 aan J. Snijders (D13). 621 Interview J. Snijders d.d. 15 februari 2001.
284 vertellen over wat waarheid en verdichting was in de IRT-kwestie, zo omzichtig zijn behandeld. Maar ook hier is het de vraag of het – gegeven het feit dat gekozen was voor een strafrechtelijk onderzoek – wel anders had gekund. Er bleken ten aanzien van de drie verdachten gaandeweg minder concrete aanknopingspunten over te blijven die een verdergaand strafrechtelijk onderzoek rechtvaardigden. De strafrechtelijke actiemogelijkheden werden daardoor beperkt. Anderzijds lag de omzichtige benadering in de lijn van de gekozen tactiek. Deze was er immers op gericht via enkele andere verdachten tegen wie wel voldoende bewijsmateriaal bestond uiteindelijk uit te komen bij de drie overheidsfunctionarissen. Tegen de achtergrond van de zwijgplicht die enkele overheidsfunctionarissen die een sleutelrol hebben vervuld in de IRT-affaire zichzelf hebben opgelegd, doemt overigens wel de vraag op waarom hun leidinggevenden in het verleden geen dienstopdracht hebben verstrekt om in eigen kring opheldering van zaken te verschaffen over vragen die naar aanleiding van hun optreden waren gerezen. Voor Van V., L. en De J. was deze optie overigens een gepasseerd station, zodra aan hun dienstbetrekking bij de politie, respectievelijk de FIOD, een einde kwam. Ten aanzien van de Haarlemse officier van justitie Van der Veen waren de mogelijkheden voor het bewandelen van deze alternatieve route uitgebreider, maar werd de kans om buiten de strafvorderlijke kaders om meer licht te werpen op de IRT-affaire – en in het bijzonder op het XTC-traject naar Engeland – ook niet benut. Wat betreft sturing en toezicht van het post-Fort-traject valt allereerst op dat het college van procureurs-generaal na het vertrek van Docters van Leeuwen in januari 1998 op grotere afstand van het onderzoeksproces kwam te staan dan daarvoor. Niet alleen was het wegvallen van de twee aanjagers van de post-Fort-onderzoeken – Docters van Leeuwen en Gonsalves – daar debet aan, ook het feit dat het “gekortwiekte” college alle zeilen moest bijzetten om zijn reguliere taken te kunnen vervullen leidde tot afnemende aandacht voor het verloop van gevoelige opsporingsonderzoeken, waaronder de onderzoeken in het kader van het post-Fort-traject. Daar komt bij dat de informatievoorziening in de richting van het college van procureurs-generaal selectief te noemen was. Met name Van Brummen en Holthuis maskeerden gedurende lange tijd de hoog opgelopen spanningen door de complexiteit van de geschillen te reduceren tot verschillen van inzicht in juridisch-technische kwesties. Ook tijdens de presentaties ten overstaan van het college kwamen de gerezen problemen onvoldoende aan bod. Er werd bij deze gelegenheden een rooskleurig beeld geschetst van zowel de te verwachten resultaten als van de bereidheid om de onderzoeken eendrachtig tot een goed einde te brengen. Ondanks deze verzachtende omstandigheden lijdt het geen twijfel dat het college van procureurs- generaal, en waarnemend voorzitter Ficq in het bijzonder, zich zeer wel bewust was van de onderhuidse spanningen en van de ernst van de situatie. Hoewel een terughoudende opstelling van het college in aangelegenheden die primair behoren tot de competentie van hoofdofficieren gepast is, had op het moment dat duidelijk werd dat van een werkbare relatie tussen een aantal officieren van justitie geen sprake meer was en dat de hoofdofficieren hierop onvoldoende grip hadden, direct ingrijpen vanuit het college voor de hand gelegen. De maatregelen betreffende de structuur en de ophanging van het 060- onderzoek, die naar aanleiding van het rapport van de Commissie-Kalsbeek in juni 1999 werden genomen, waren met andere woorden al een jaar eerder op zijn plaats geweest. De vragen die in het voorjaar van 1999 vanuit het ministerie van Justitie werden opgeworpen, verraden dat de kennis binnen het departement over de actuele stand van zaken in de post-Fort- onderzoeken gering was. In het eerste deel van dit rapport is een vergelijkbare conclusie getrokken ten aanzien van de periode maart 1996- november 1997. Over de gehele drie jaar die deze evaluatie omvat kan dan ook worden gesteld dat het binnen het departement ontbrak aan voldoende feeling met en inzicht in het verloop van dit – ook in politiek opzicht – gevoelig dossier. Het gegeven dat ook het departement in deze periode werd gereorganiseerd, was hier mede debet aan.
3.2 Na de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden:
veranderingen en reorganisaties
3.2.1 Veranderingen in de politieregio’s
HOOFDSTUK 6 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
6.1 Verantwoording
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 9
11 september 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
maandag 11 september 1995
in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord
worden mr. H.P. Wooldrik en mr. G.P. van de Beek
Zie ook: Tweede verhoor mr. H.P. Wooldrik (red.)
Aanvang 9.32 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 25
25 september 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
maandag 25 september 1995
in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
mr. L.A.J.M. de Wit
Zie ook: Tweede verhoor mr. L.A.J.M. de Wit (red.)
Aanvang 9.30 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 41
4 oktober 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
woensdag 4 oktober 1995 in
de vergaderzaal van de Eerste
Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt de
heer G.J.C.M. Bakker
Aanvang 12.10 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 57
16 oktober 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
maandag 16 oktober 1995 in
de vergaderzaal van de Eerste
Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
mevrouw mr. P.M.H. van der Molen-Maesen
Aanvang 14.15 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 73
27 oktober 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
vrijdag 27 oktober 1995 in de
vergaderzaal van de Eerste
Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt mr. J.
Koers
Zie ook: Eerste verhoor mr. J. Koers (red.)
Aanvang 12.30 uur
