• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • fort1_1

    i Voorwoord In    de    afgelopen    anderhalf    jaar    verrichten    wij    in    opdracht    van    de    minister    van    Justitie    een evaluatieonderzoek   naar   de   activiteiten   die   politie   en   justitie   in   de   periode   1996-1999   hebben ontplooid   om   de   ware   toedracht   van   de   IRT-affaire   te   achterhalen.   Het   onderzoek   werd   door   de minister  van  Justitie  in  1999  toegezegd  aan  de  Tweede  Kamer  naar  aanleiding  van  de  bevindingen van de Commissie-Kalsbeek. Deze commissie stelde niet alleen vast dat er 15.000 kilo cocaïne door middel  van  zogenaamde  parallel-importen  het  land  was  binnengesmokkeld  in  de  IRT-periode,  maar ook    dat    het    strafrechtelijk    onderzoek    hiernaar    –    het    post-Fort-onderzoek     –    stagneerde.    De onderhavige  evaluatie  richt  zich  op    het  laatstgenoemde  bevinding:  het  verloop  van  het  post-Fort- onderzoek   in   de   periode   maart   1996   –   juni   1999   wordt   in   dit   rapport   in   kaart   gebracht   en geanalyseerd. Met  de  evaluatie  is  in  februari  2000  een  aanvang  gemaakt.  Het  rapport  is  gebaseerd  op  vele documenten   die   vanuit   diverse   bij   het   post-Fort-onderzoek   betrokken   instanties   werden   verstrekt. Daarnaast    zijn    met    de    belangrijkste    hoofdrolspelers    interviews    gehouden.    De    evaluatie    was gecompliceerd  en  belastend,  niet  in  de  laatste  plaats  vanwege  de  vele  emoties  die  de  IRT-affaire  en inmiddels ook het post-Fort-onderzoek bleken op te roepen bij onze gesprekspartners. Hoewel  het  onderzoek  in  tal  van  opzichten  een  eenzaam  avontuur  was  voor  ons  drieën,  zouden we  het  rapport  niet  binnen  de  gestelde  termijn  hebben  kunnen  afronden  als  we  niet  de  steun  van  tal van personen hadden gehad. In de eerste plaats moet worden vermeld dat vrijwel alle hoofdrolspelers zich  zeer  coöperatief  hebben  opgesteld.  Behalve  dat  met  hen  langdurige  interviews  zijn  gehouden, hebben we gedurende enige tijd gebivakkeerd bij het Landelijk rechercheteam, waar de leden van dat team  alle  medewerking  verleenden  die  gevraagd  werd.  Onze  thuisbasis  was  het  gerechtsgebouw  te Den Bosch, waar een speciale kamer was ingericht voor ons en onze documenten. Ilse van der Wiel heeft daar voor ons snel en accuraat de interviews uitgewerkt. De leden van de begeleidingscommissie, onder voorzitterschap van prof. C. Schuyt, hebben soms onder grote tijdsdruk moeten werken, maar waren niettemin in staat ons van tal van waardevolle raadgevingen te voorzien. Tenslotte een woord  van  dank  aan  het  Wetenschappelijk  Onderzoek-  en  Documentatiecentrum (WODC)  van  het  ministerie  van  Justitie.  Het  WODC  heeft  niet  alleen  het  onderzoek  gefinancierd  en één   van   zijn   medewerkers   maandenlang   vrijgesteld   voor   het   onderzoek,   ook   in   tal   van   andere opzichten   is   dit   centrum   ondersteunend   en   faciliterend   geweest.   Zowel   aan   het   begin   van   het onderzoek  –  bij  het  kopiëren  van  de  talrijke  stukken  –  als  in  de  eindfase  –  bij  de  opmaak  van  het rapport  –  stond  het  secretariaat  van  het  WODC  voor  ons  klaar.  In  het  bijzonder  Vivian  van  de  Broek moet in dit verband worden genoemd. We  hopen  dat  het  onderzoek  zijn  doel  niet  mist  en  dat  er  lering  uit  het  rapport  kan  worden getrokken voor de aanpak van grote, gecompliceerde opsporingsonderzoeken in de toekomst. Juni 2001 Amsterdam, Tilburg Henk van de Bunt Cyrille Fijnaut Hans Nelen

    Eindrapport – 9.7 Tweede Kamer

    9.7 Tweede Kamer

    9.7.1 Bevindingen

    Onderzoek commissie

    lees meer

    Eindrapport – 9.6 Ministeries

    9.6 Ministeries

    9.6.1 Inleiding

    De minister van Justitie draagt de primaire verantwoordelijkheid
    voor de opsporing. De minister van Binnenlandse Zaken is op grond
    van zijn beheersverantwoordelijkheid betrokken bij de opsporing. De
    commissie heeft onderzoek gedaan naar de wijze waarop de beide
    departementen in het verleden betrokken zijn geweest bij de
    organisatie van de opsporing en de besluitvorming rond het gebruik
    van opsporingsmethoden.

    lees meer

    Eindrapport – 9.5 Korpsbeheerders

    9.5 Korpsbeheerders

    Ook korpsbeheerders dragen verantwoordelijkheid voor de sturing
    en controle van opsporingsmethoden.

    lees meer

    Eindrapport – 9.4 De korpsleiding

    9.4 De korpsleiding

    9.4.1 Bevindingen

    Veel – zij het niet alle – korpschefs hebben te weinig aandacht
    gehad voor de ontwikkeling van bijzondere
    opsporingsmethoden.

    lees meer

    Eindrapport – 9.3 Rechters-commissarissen

    9.3 Rechters-commissarissen

    9.3.1 Inleiding

    De Nederlandse rechter-commissaris roept niet dezelfde beelden
    op als de Italiaanse. In ons land staan de rechters-commissarissen
    niet in de frontlinie van de strijd tegen de misdaad. Dit is het
    gevolg van het feit dat in Nederland niet de rechter-commissaris,
    maar de officier van justitie de aard en de omvang van het
    strafrechtelijk onderzoek bepaalt. Dat neemt niet weg dat er
    actieve en minder actieve rechters-commissarissen in Nederland
    zijn, ook waar het onderzoeken naar georganiseerde criminaliteit
    betreft. De commissie besteedt aandacht aan de organisatie en het
    functioneren van de rechters-commissarissen. Het gaat daarbij dan
    vooral om de rol die de rechter-commissaris speelt en kan spelen
    bij de inzet van opsporingsmethoden.

    lees meer

    Eindrapport – 9.2 Openbaar ministerie

    9.2 Openbaar ministerie

    9.2.1 Inleiding

    Het openbaarministerie (OM) is belast met de strafrechtelijke
    handhaving van de rechtsorde. Daartoe draagt het OM het gezag over
    de opsporing en beschikt het over het vervolgingsmonopolie. Verder
    heeft het OM verschillende andere taken en sinds de
    inwerkingtreding van de Politiewet 1993, taken die voorvloeien uit
    het medebeheer van de politie. De officieren van justitie staan in
    het hirarchische verband van het openbaar ministerie onder het
    gezag van de hoofdofficier van justitie en via deze onder dat van
    de procureur-generaal bij het hof. Daarnaast bestaat
    ondergeschiktheid van alle leden van het openbaar ministerie aan de
    minister van Justitie (artikel 5 RO). De opsporingsbevoegdheid
    wordt door de wet toebedeeld aan de individuele officier van
    justitie (artikel 141 Sv). Hij kan bevelen geven inzake de
    opsporing van strafbare feiten aan andere personen met opsporing
    belast (artikel 148 Sv) en kan strafbare feiten doen opsporen
    (artikel 149 Sv). Met de opsporing van strafbare feiten zijn, naast
    de politie, ook andere diensten belast. Het onderstaande beperkt
    zich tot het gezag dat het OM over de politie uitoefent. Veel wat
    in dit hoofdstuk aan de orde komt is ook van toepassing op de
    relatie tussen het OM en de bijzondere opsporingsdiensten.

    lees meer

    Eindrapport – 9.1 Inleiding

    HOOFDSTUK 9 STURING EN CONTROLE VAN DE
    OPSPORING

    9.1 Inleiding

    De sturing en controle van de opsporing zijn in het voorgaande
    hoofdstuk kort aan de orde gekomen. De commissie heeft onderzoek
    gedaan naar de functionarissen en de organisaties die de sturing en
    controle van de opsporing moeten uitvoeren. De Werkgroep
    vooronderzoek opsporingsmethoden heeft vele vragen gesteld die
    betrekking hebben op deze organisaties. De commissie besteedt in
    dit hoofdstuk aandacht aan het openbaar ministerie, de
    rechters-commissarissen, de zittingsrechters, de burgemeesters en
    korpsbeheerders, de ministeries van Justitie en van Binnenlandse
    Zaken en de Tweede Kamer. De commissie heeft deze organisaties en
    instanties onderzocht voorzover zij betrokkenheid hebben bij de
    sturing en controle van opsporingsmethoden.

    lees meer

    Eindrapport – 8.7 Koninklijke marechaussee en Rijksrecherche

    8.7 Koninklijke marechaussee en Rijksrecherche

    lees meer

    Eindrapport – 8.6 Bijzondere opsporingsdiensten

    8.6 Bijzondere opsporingsdiensten

    8.6.1 Inleiding

    In het rapport van de Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden
    is een aantal vragen gerezen over de betrokkenheid van de
    bijzondere opsporingsdiensten bij de bestrijding van zware,
    georganiseerde misdaad. Immers vele bijzondere opsporingsdiensten
    worden op n of andere manier geconfronteerd met uitingen van
    georganiseerde misdaad en een aantal draagt ook actief bij aan de
    bestrijding ervan (denk aan BTW-fraude, verdovende middelen,
    EG-fraude, milieu-fraude). Derhalve heeft de commissie aandacht
    besteed aan de organisatie en het functioneren van de Fiscale
    inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) van het ministerie van
    Financin, de Economische controledienst (ECD) van het ministerie
    van Economische Zaken, de Algemene inspectiedienst (AID) van het
    ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, het
    Milieubijstandsteam ( MBT) en de Dienst recherchezaken (DRZ),
    beiden van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
    Ordening en Milieu. Documenten zijn bestudeerd en vele interviews
    zijn gehouden met betrokken functionarissen.

    lees meer

    Eindrapport – 8.5 Kernteams

    8.5 Kernteams

    8.5.1 Inleiding

    In de tweede helft van de jaren tachtig is de belangstelling
    voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit toegenomen.
    Noot In dit kader ontstond de gedachte om permanente
    opsporingscapaciteit vrij te maken ter bestrijding van dit type
    criminaliteit. Gezien het feit dat de criminele activiteiten zich
    veelal uitstrekten over grote delen van Nederland en het buitenland
    werd besloten tot de oprichting van interregionale opsporingsteams.
    Aanvankelijk werd gesproken van interregionale recherche-teams
    (IRT’s); vanaf 1994 van kernteams. Het zijn er thans zes, te weten
    Noord-Oost-Nederland, Randstad-Noord en Midden, Zuid, Rotterdam,
    Haaglanden en Amsterdam. Er is een landelijk team (LRT) in
    oprichting.

    lees meer

    Eindrapport – 8.4 Ondersteunende diensten

    8.4 Ondersteunende diensten

    8.4.1 Inleiding

    De CID-en en de tactische recherche maken gebruik van
    verschillende ondersteunende eenheden. Het gaat daarbij om eenheden
    die werkzaamheden met een geheim karakter verrichten, met name
    observatie-acties. De commissie heeft onderzoek gedaan naar de
    organisatie en het functioneren van observatieteams (OT’s),
    arrestatieteams (AT’s), Secties technische ondersteuning (STO’s),
    de Dienst technisch operationele ondersteuning (DTOO) van het Korps
    landelijke politiediensten (KLPD), de politile infiltratieteams
    (PIT’s) en de bureaus financile ondersteuning (BFO’s).

    lees meer

    Eindrapport – 8.3 Tactische recherche

    8.3 Tactische recherche

    8.3.1 Inleiding

    Rond 1900 wordt binnen de politie de scheiding aangebracht
    tussen de algemene politiedienst en de justitile dienst. Later
    groeide dit uit tot de scheiding tussen de surveillancedienst en de
    recherche. De recherche verzamelt inlichtingen over strafbare
    feiten en personen die daarvan verdacht worden, teneinde de
    onderliggende strafzaken bij het OM aan te brengen ter afdoening.
    Noot De tactisch rechercheur is derhalve georinteerd op
    het aanleveren van bewijsmateriaal voor concrete zaken.

    lees meer

    Eindrapport – 8.2 Criminele inlichtingendiensten

    8.2 Criminele inlichtingendiensten

    8.2.1 Inleiding

    Informatie vanuit de criminele wereld is altijd belangrijk
    geweest voor het werk van politie en justitie. Vanaf de jaren
    zeventig wordt op een systematische manier criminele informatie
    verzameld. Het leggen en onderhouden van contacten met informanten
    en het op andere wijze verzamelen van criminele informatie, door
    bijvoorbeeld observatie, wordt in de loop der tijd meer en meer
    werk voor specialisten. Sinds het begin van de jaren zeventig is
    sprake van aparte criminele inlichtingendiensten (CID-en).

    lees meer

    Eindrapport – 8.8 Binnenlandse veiligheidsdienst

    8.8 Binnenlandse veiligheidsdienst

    8.8.1 Inleiding

    De commissie heeft besloten ook onderzoek te doen naar de rol
    die de Binnenlandse veiligheidsdienst (BVD) en de Regionale
    inlichtingendiensten (RID-en) spelen bij de bestrijding van de
    georganiseerde criminaliteit. De commissie is van oordeel dat het
    van belang is voor het beeld van de organisatie en het functioneren
    van de opsporing dat de commissie inzicht krijgt in de methoden die
    de BVD en de RID-en hanteren bij de bestrijding van de
    georganiseerde criminaliteit.

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>