i Voorwoord In de afgelopen anderhalf jaar verrichten wij in opdracht van de minister van Justitie een evaluatieonderzoek naar de activiteiten die politie en justitie in de periode 1996-1999 hebben ontplooid om de ware toedracht van de IRT-affaire te achterhalen. Het onderzoek werd door de minister van Justitie in 1999 toegezegd aan de Tweede Kamer naar aanleiding van de bevindingen van de Commissie-Kalsbeek. Deze commissie stelde niet alleen vast dat er 15.000 kilo cocaïne door middel van zogenaamde parallel-importen het land was binnengesmokkeld in de IRT-periode, maar ook dat het strafrechtelijk onderzoek hiernaar – het post-Fort-onderzoek – stagneerde. De onderhavige evaluatie richt zich op het laatstgenoemde bevinding: het verloop van het post-Fort- onderzoek in de periode maart 1996 – juni 1999 wordt in dit rapport in kaart gebracht en geanalyseerd. Met de evaluatie is in februari 2000 een aanvang gemaakt. Het rapport is gebaseerd op vele documenten die vanuit diverse bij het post-Fort-onderzoek betrokken instanties werden verstrekt. Daarnaast zijn met de belangrijkste hoofdrolspelers interviews gehouden. De evaluatie was gecompliceerd en belastend, niet in de laatste plaats vanwege de vele emoties die de IRT-affaire en inmiddels ook het post-Fort-onderzoek bleken op te roepen bij onze gesprekspartners. Hoewel het onderzoek in tal van opzichten een eenzaam avontuur was voor ons drieën, zouden we het rapport niet binnen de gestelde termijn hebben kunnen afronden als we niet de steun van tal van personen hadden gehad. In de eerste plaats moet worden vermeld dat vrijwel alle hoofdrolspelers zich zeer coöperatief hebben opgesteld. Behalve dat met hen langdurige interviews zijn gehouden, hebben we gedurende enige tijd gebivakkeerd bij het Landelijk rechercheteam, waar de leden van dat team alle medewerking verleenden die gevraagd werd. Onze thuisbasis was het gerechtsgebouw te Den Bosch, waar een speciale kamer was ingericht voor ons en onze documenten. Ilse van der Wiel heeft daar voor ons snel en accuraat de interviews uitgewerkt. De leden van de begeleidingscommissie, onder voorzitterschap van prof. C. Schuyt, hebben soms onder grote tijdsdruk moeten werken, maar waren niettemin in staat ons van tal van waardevolle raadgevingen te voorzien. Tenslotte een woord van dank aan het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie. Het WODC heeft niet alleen het onderzoek gefinancierd en één van zijn medewerkers maandenlang vrijgesteld voor het onderzoek, ook in tal van andere opzichten is dit centrum ondersteunend en faciliterend geweest. Zowel aan het begin van het onderzoek – bij het kopiëren van de talrijke stukken – als in de eindfase – bij de opmaak van het rapport – stond het secretariaat van het WODC voor ons klaar. In het bijzonder Vivian van de Broek moet in dit verband worden genoemd. We hopen dat het onderzoek zijn doel niet mist en dat er lering uit het rapport kan worden getrokken voor de aanpak van grote, gecompliceerde opsporingsonderzoeken in de toekomst. Juni 2001 Amsterdam, Tilburg Henk van de Bunt Cyrille Fijnaut Hans Nelen
9.6 Ministeries
9.6.1 Inleiding
De minister van Justitie draagt de primaire verantwoordelijkheid
voor de opsporing. De minister van Binnenlandse Zaken is op grond
van zijn beheersverantwoordelijkheid betrokken bij de opsporing. De
commissie heeft onderzoek gedaan naar de wijze waarop de beide
departementen in het verleden betrokken zijn geweest bij de
organisatie van de opsporing en de besluitvorming rond het gebruik
van opsporingsmethoden.
9.5 Korpsbeheerders
Ook korpsbeheerders dragen verantwoordelijkheid voor de sturing
en controle van opsporingsmethoden.
9.4 De korpsleiding
9.4.1 Bevindingen
Veel – zij het niet alle – korpschefs hebben te weinig aandacht
gehad voor de ontwikkeling van bijzondere
opsporingsmethoden.
9.3 Rechters-commissarissen
9.3.1 Inleiding
De Nederlandse rechter-commissaris roept niet dezelfde beelden
op als de Italiaanse. In ons land staan de rechters-commissarissen
niet in de frontlinie van de strijd tegen de misdaad. Dit is het
gevolg van het feit dat in Nederland niet de rechter-commissaris,
maar de officier van justitie de aard en de omvang van het
strafrechtelijk onderzoek bepaalt. Dat neemt niet weg dat er
actieve en minder actieve rechters-commissarissen in Nederland
zijn, ook waar het onderzoeken naar georganiseerde criminaliteit
betreft. De commissie besteedt aandacht aan de organisatie en het
functioneren van de rechters-commissarissen. Het gaat daarbij dan
vooral om de rol die de rechter-commissaris speelt en kan spelen
bij de inzet van opsporingsmethoden.
9.2 Openbaar ministerie
9.2.1 Inleiding
Het openbaarministerie (OM) is belast met de strafrechtelijke
handhaving van de rechtsorde. Daartoe draagt het OM het gezag over
de opsporing en beschikt het over het vervolgingsmonopolie. Verder
heeft het OM verschillende andere taken en sinds de
inwerkingtreding van de Politiewet 1993, taken die voorvloeien uit
het medebeheer van de politie. De officieren van justitie staan in
het hirarchische verband van het openbaar ministerie onder het
gezag van de hoofdofficier van justitie en via deze onder dat van
de procureur-generaal bij het hof. Daarnaast bestaat
ondergeschiktheid van alle leden van het openbaar ministerie aan de
minister van Justitie (artikel 5 RO). De opsporingsbevoegdheid
wordt door de wet toebedeeld aan de individuele officier van
justitie (artikel 141 Sv). Hij kan bevelen geven inzake de
opsporing van strafbare feiten aan andere personen met opsporing
belast (artikel 148 Sv) en kan strafbare feiten doen opsporen
(artikel 149 Sv). Met de opsporing van strafbare feiten zijn, naast
de politie, ook andere diensten belast. Het onderstaande beperkt
zich tot het gezag dat het OM over de politie uitoefent. Veel wat
in dit hoofdstuk aan de orde komt is ook van toepassing op de
relatie tussen het OM en de bijzondere opsporingsdiensten.
HOOFDSTUK 9 STURING EN CONTROLE VAN DE
OPSPORING
9.1 Inleiding
De sturing en controle van de opsporing zijn in het voorgaande
hoofdstuk kort aan de orde gekomen. De commissie heeft onderzoek
gedaan naar de functionarissen en de organisaties die de sturing en
controle van de opsporing moeten uitvoeren. De Werkgroep
vooronderzoek opsporingsmethoden heeft vele vragen gesteld die
betrekking hebben op deze organisaties. De commissie besteedt in
dit hoofdstuk aandacht aan het openbaar ministerie, de
rechters-commissarissen, de zittingsrechters, de burgemeesters en
korpsbeheerders, de ministeries van Justitie en van Binnenlandse
Zaken en de Tweede Kamer. De commissie heeft deze organisaties en
instanties onderzocht voorzover zij betrokkenheid hebben bij de
sturing en controle van opsporingsmethoden.
8.7 Koninklijke marechaussee en Rijksrecherche
8.6 Bijzondere opsporingsdiensten
8.6.1 Inleiding
In het rapport van de Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden
is een aantal vragen gerezen over de betrokkenheid van de
bijzondere opsporingsdiensten bij de bestrijding van zware,
georganiseerde misdaad. Immers vele bijzondere opsporingsdiensten
worden op n of andere manier geconfronteerd met uitingen van
georganiseerde misdaad en een aantal draagt ook actief bij aan de
bestrijding ervan (denk aan BTW-fraude, verdovende middelen,
EG-fraude, milieu-fraude). Derhalve heeft de commissie aandacht
besteed aan de organisatie en het functioneren van de Fiscale
inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) van het ministerie van
Financin, de Economische controledienst (ECD) van het ministerie
van Economische Zaken, de Algemene inspectiedienst (AID) van het
ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, het
Milieubijstandsteam ( MBT) en de Dienst recherchezaken (DRZ),
beiden van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieu. Documenten zijn bestudeerd en vele interviews
zijn gehouden met betrokken functionarissen.
8.5 Kernteams
8.5.1 Inleiding
In de tweede helft van de jaren tachtig is de belangstelling
voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit toegenomen.
Noot In dit kader ontstond de gedachte om permanente
opsporingscapaciteit vrij te maken ter bestrijding van dit type
criminaliteit. Gezien het feit dat de criminele activiteiten zich
veelal uitstrekten over grote delen van Nederland en het buitenland
werd besloten tot de oprichting van interregionale opsporingsteams.
Aanvankelijk werd gesproken van interregionale recherche-teams
(IRT’s); vanaf 1994 van kernteams. Het zijn er thans zes, te weten
Noord-Oost-Nederland, Randstad-Noord en Midden, Zuid, Rotterdam,
Haaglanden en Amsterdam. Er is een landelijk team (LRT) in
oprichting.
8.4 Ondersteunende diensten
8.4.1 Inleiding
De CID-en en de tactische recherche maken gebruik van
verschillende ondersteunende eenheden. Het gaat daarbij om eenheden
die werkzaamheden met een geheim karakter verrichten, met name
observatie-acties. De commissie heeft onderzoek gedaan naar de
organisatie en het functioneren van observatieteams (OT’s),
arrestatieteams (AT’s), Secties technische ondersteuning (STO’s),
de Dienst technisch operationele ondersteuning (DTOO) van het Korps
landelijke politiediensten (KLPD), de politile infiltratieteams
(PIT’s) en de bureaus financile ondersteuning (BFO’s).
8.3 Tactische recherche
8.3.1 Inleiding
Rond 1900 wordt binnen de politie de scheiding aangebracht
tussen de algemene politiedienst en de justitile dienst. Later
groeide dit uit tot de scheiding tussen de surveillancedienst en de
recherche. De recherche verzamelt inlichtingen over strafbare
feiten en personen die daarvan verdacht worden, teneinde de
onderliggende strafzaken bij het OM aan te brengen ter afdoening.
Noot De tactisch rechercheur is derhalve georinteerd op
het aanleveren van bewijsmateriaal voor concrete zaken.
8.2 Criminele inlichtingendiensten
8.2.1 Inleiding
Informatie vanuit de criminele wereld is altijd belangrijk
geweest voor het werk van politie en justitie. Vanaf de jaren
zeventig wordt op een systematische manier criminele informatie
verzameld. Het leggen en onderhouden van contacten met informanten
en het op andere wijze verzamelen van criminele informatie, door
bijvoorbeeld observatie, wordt in de loop der tijd meer en meer
werk voor specialisten. Sinds het begin van de jaren zeventig is
sprake van aparte criminele inlichtingendiensten (CID-en).
8.8 Binnenlandse veiligheidsdienst
8.8.1 Inleiding
De commissie heeft besloten ook onderzoek te doen naar de rol
die de Binnenlandse veiligheidsdienst (BVD) en de Regionale
inlichtingendiensten (RID-en) spelen bij de bestrijding van de
georganiseerde criminaliteit. De commissie is van oordeel dat het
van belang is voor het beeld van de organisatie en het functioneren
van de opsporing dat de commissie inzicht krijgt in de methoden die
de BVD en de RID-en hanteren bij de bestrijding van de
georganiseerde criminaliteit.
