2.3. Drugs en alcohol
Het gebruik van drugs en alcohol neemt onder bepaalde groepen in
de samenleving toe. Exacte cijfers over het Nederlands drugsgebruik
bestaan niet; alle genoemde percentages zijn dan ook
schattingen.
Het gebruik van drugs en alcohol neemt onder bepaalde groepen in
de samenleving toe. Exacte cijfers over het Nederlands drugsgebruik
bestaan niet; alle genoemde percentages zijn dan ook
schattingen.
A. Appel en J. Rijnaarts, Omgaan met alcohol, drugs- en
gokverslaving, SVH Uitgeverij, Zoetermeer, 1993 Bedrijfschap
Horeca, Horeca Barometer vierde kwartaal 1994, Bedrijfschap
Horeca, Zoetermeer, 1995 Bedrijfschap Horeca, Horeca in
cijfers, Bedrijfschap Horeca, Zoetermeer, 1994 Bedrijfschap
Horeca, Criminaliteitspreventie in de horeca; Maatregelen in de
praktijk Bedrijfschap Horeca, Zoetermeer, 1994
In deze branche-beschrijving hebben we de nadruk gelegd op het
voorkomen van criminaliteit en de connecties met de georganiseerde
misdaad omdat deze vraag hier aan de orde is. De lezer zou uit
de
opsomming van problemen gemakkelijk kunnen begrijpen dat de
sectoren van de horeca en de gokautomaten geheel door de misdaad
worden beheerst. Dat is niet zo. De overgrote meerderheid van
ondernemers in beide branches hebben met georganiseerde misdaad
hoegenaamd niets van doen en dat geldt zeker voor bepaalde
deelsectoren zoals de hotels, restauranten en sociteiten. Maar
tegelijkertijd is er wel een serieus probleem ontstaan en dat is,
naar onze indruk, van betrekkelijk recente datum. De meeste
gesignaleerde problemen van georganiseerde criminaliteit zijn vijf
of hoogstens tien jaar oud. De branches als geheel lopen daardoor
schade op en dan bedoelen we niet in de eerste plaats de materile
schade van het slachtofferschap, maar veeleer het bezoedelen van de
goede naam van de branche. De gokkasten-exploitanten zien zich
geplaatst voor het probleem om de bedorven identiteit die de
branche aankleeft van zich af te schudden (morele bezwaren tegen
gokken en problemen van gokverslaving). De aanwezigheid van
misdaadondernemers in hun gelederen maakt dit extra moeilijk. De
horeca ondervindt in het algemeen ook hinder van de georganiseerde
misdaad, doordat deze oneerlijke concurrentie met zich
meebrengt.
De Amsterdamse politie meent dat er een groot aantal
schijn-horecagelegenheden bestaat, die louter en alleen dienen om
geld uit het criminele circuit wit te wassen. Het gaat dan meestal
om coffeeshops en andere vormen van droge horeca; het starten van
een dergelijke onderneming is immers eenvoudig. De werkelijke omzet
van deze zaken is gering: volgens het HIT-team van de Amsterdamse
politie gaat er soms maar 1000 gulden per jaar in deze cafeetjes
om. Maar aan de belastingdienst worden forse omzetbedragen gemeld.
De uitbaters (vaak pachters) van dergelijke gelegenheden ontvangen
maandelijks een bedrag van de automatenexploitant (soms ook de
verpachter) om de zaak draaiende te houden, concludeerde het
HIT-team. De speelautomaten zouden hier de was doen; de opbrengst
uit de kasten is op papier op te voeren en de controle hierop is
niet sluitend. Het HIT-team maakt melding van een automaat die een
omzet van 180.000 per jaar zou maken. Volgens een woordvoerder van
Economische Zaken gaat er bij dergelijke hoge bedragen wel een
belletje rinkelen bij de belastingdienst. Echter, slechts door
middel van observatie ter plekke kan worden aangetoond dat de
bewuste automaat die omzet niet draait.
Er zijn redenen om aan te nemen dat automatenhandelaren
bepaalden districten bezetten; in bepaalde uitgaansgebieden staan
veel automaten van eenzelfde bedrijf opgesteld; een soort van
clustering. Uit het al eerder genoemde onderzoek van het HIT-team
bleek dat 70 % van alle gokkasten in de Amsterdamse binnenstad in
handen is van vijf bedrijven. Over de hele stad gemeten, beheerde
deze handvol ondernemingen vijftig procent van alle opgesteld
speelautomaten. In totaal zijn er bijna 150 automatenhandelaren in
deze regio actief. Ook het recherchebureau Hoffman maakt melding
van concentratievorming door automatenhandelaren.
Automatenhandelaren begeven zich in toenemende mate op de markt
van leningen voor startende horeca-ondernemers. Zij lijken hierin
de rol van brouwerijen en banken steeds meer te hebben overgenomen.
Doordat de lening altijd wordt gekoppeld aan de automatenplaatsing
is het risico voor de leningverstrekker relatief klein. Een normale
lening ligt, volgens genterviewden van de VAN, tussen de tien- en
twintigduizend gulden en staat netjes op papier.
Speelautomatenexploitatie is nog steeds lukratief. Er is geld
mee te verdienen, en met de hoeveelheid lijkt gemakkelijk te kunnen
worden geschoven, omdat er nog steeds geen geijkte teller is. Dit
kan de speelautomaat maken tot een gewild instrument voor zowel de
witte als de zwarte was. Sinds de steeds verdergaande
plaatsingsbeperking van de kansspelautomaten, duiken de illegale
gokhuizen weer op, zo verklaren gesprekspartners van de
branchevereniging. In Den Bosch draaien volgens een genterviewde
ten minste twee illegale gokhuizen vol kansspelautomaten. Ook in
Roosendaal is een illegale gokhal. De VNG (1993) telde in 1993
zeven illegale casino’s. Vooral sinds het verbod op de populaire
piekautomaten bestaat het sterke vermoeden dat deze kasten in
illegale gokhallen en – op kleinere schaal – in de bezemkasten van
snackbars en cafs staan opgesteld. Volgens een ondernemer uit de
speelautomatenbranche deelt de georganiseerde misdaad de wijken van
Amsterdam nu al in: hij verwacht dat de gokindustrie in de toekomst
voor een groot deel opnieuw ondergronds zal duiken.
De automatenbranche heeft het imago van een besmette sector. De
gokwereld wordt van oudsher geassocieerd met de handel in drugs en
andere criminele activiteiten. Veel harde feiten om de slechte
reputatie van het gokwezen te bewijzen, zijn er niet, hoewel enkele
gerichte onderzoeken plaatselijke gegevens opleveren die er niet om
liegen. Het Bedrijfschap Horeca trok in 1993 aan de bel; een
vertrouwelijk onderzoek van het recherchebureau Hoffman wees op een
vergaande vervlechting van georganiseerde misdaad met de legale
horeca-branche, die liep via de handel en exploitatie van
gokautomaten. De Rotterdamse hoofdcommissaris Ottevanger beweerde
in 1992 dat twintig procent van de speelautomatenhandelaren in de
stad gelieerd is aan organisaties die zich bezighouden met de
handel in verdovende middelen en andere vormen van zware
criminaliteit. Horeca Nederland kwam met een schatting in dezelfde
orde van grootte (Fijnaut e.a. 1993). Ook Boerman noemt in zijn
onderzoek in Rotterdam (1994) de betrokkenheid van leidende figuren
uit het criminele circuit in de speelautomatenhandel. Het al eerder
genoemde politieonderzoek van het Amsterdamse HIT-team toonde aan
dat een vijftal criminele organisaties een groot deel (70 %) van de
speelautomaten in handen heeft, en de betrokkenen zich bezig
hielden met de handel in drugs, wapens en prostitutie (Brief van
Van
Riessen aan de burgemeester van Amsterdam, 1993).
Fijnaut cum suis (1993) stellen dat we te maken hebben met forse
problemen van georganiseerde misdaad. Zij wijzen daarbij vooral op
de parallel tussen de directe en indirecte gokspelen; vooral
daar waar automaten in het geding zijn; investeringen in het
benodigde onroerende goed, het opdringen van zakenrelaties, het
genadeloos exploiteren van andermans inspanningen, de dreiging met
geweld en de toepassing daarvan en meer. Overigens wijzen
Fijnaut en de zijnen eveneens op de dubieuze rol die de
gemeentelijke overheid in de bestudeerde Rotterdams zaak heeft
gespeeld: willens en wetens werden zakelijke overeenkomsten
gesloten met een vooraanstaand lid van de onderwereld die de
financile middelen grotendeels verkreeg uit illegale activiteiten.
Tegen deze persoon liep tijdens de onderhandelingen zelfs een
grootscheeps justitieel onderzoek. Ook in de pers verschijnen
regelmatig publikaties waarin gesproken wordt over calamiteiten die
wijzen op inmenging van de georganiseerde criminaliteit in de
exploitatie van speelautomaten. Zo staat in een artikel van Missets
Horeca (1993) te lezen dat er bonussen van 10.000 tot 15.000 gulden
worden betaald aan horeca-ondernemers voor de plaatsing van
gokkasten. Ook het aanbieden van leningen teneinde startende
ondernemers te binden, waarna de terugbetaling geschiedt door
middel van automaten-exploitatie om niet. Over de aard en omvang
van alle genoemde feiten blijft het tasten in het duister, maar dat
er iets aan de hand is, lijkt duidelijk.
De VAN – de Vereniging Automatenhandel Nederland – bestaat sinds
1971 en verenigt iets meer dan de helft van alle
speelautomatenhandelaren (400 van de 850). Samen exploiteren de
VAN-leden tachtig procent van
alle speelautomaten in Nederland, wat er op wijst dat de meeste
grotere bedrijven bij de VAN zijn aangesloten. De organisatie
streeft vooral naar eenduidigheid in het beleid; de huidige grote
gemeentelijke beslissingsbevoegdheid in de regels rond het gokken
leidt volgens de VAN tot willekeur en rechtsongelijkheid. Voorts
wil de organisatie dat de speelautomatenwereld een politiek
aanvaarde en maatschappelijk geaccepteerd en gerespecteerde branche
wordt. De vereniging begon enkele jaren terug een sterke lobby om
de negatieve beeldvorming die aan de sector kleeft te bestrijden.
De branche moet en wil de verantwoordelijkheid nemen voor haar
eigen vuil, zo schrijft de organisatie in haar beleidsplan
(VAN, 1989: 13). De VAN-leden verplichten zich tot het handhaven
van strengere voorwaarden rond de exploitatie van speelautomaten
dan door de overheid wordt geist; zelfregulering. Zo geldt er bij
de amusementshallen van VAN-leden een minimumleeftijd van 18 jaar,
in plaats van 16 jaar elders. Ook is de VAN organisator van de
cursus vroegsignalering van problematisch gokken aan de
Jellinek-kliniek. Daarnaast probeert de VAN gemeentelijke
convenanten af te sluiten omtrent het gokbeleid.
Het ministerie van Justitie becijferde dat het bedrijfsleven in
1992 bijna vier miljard schade opliep door veel voorkomende
criminaliteit; eenderde deel van alle bedrijven wordt jaarlijks
door n of meer vormen van criminaliteit getroffen. Gemiddeld wordt
een Nederlands bedrijf acht keer per jaar het slachtoffer van
criminaliteit. Het gaat dan om alle vormen van lichte
criminaliteit, zoals diefstal, inbraak, vernieling en bedreiging.
De detailhandel en de horeca zijn de twee branches met het hoogste
riscio: van alle ondernemingen in deze bedrijfstakken wordt
jaarlijks respectievelijk zestig en vijftig procent slachtoffer van
een misdrijf.
De gokautomatenbranche is een duidelijk voorbeeld van een sector
met een besmette identiteit. Het produkt dat de
gokautomatenproducenten, handelaren en exploitanten aanbieden is
maatschappelijk maar ten dele geaccepteerd; men onderkent de
bestaande menselijke behoefte aan de spanning en ontspanning van
het gokspel, maar deze staat toch in laag aanzien. De organisatie
voor speelautomatenfabrikanten spreekt over de Calvinistische
moraal die het gokken afkeurt; het spelen op automaten wordt door
velen gezien als een tijd- en geldverspillende bezigheid. Vooral
het steeds groter wordende probleem van de gokverslaving is zeer
schadelijk voor het imago en aanzien van de branche. De
verslavingsproblematiek kan niet los worden gezien van
maatschappelijke gevolgen als verwervingscriminaliteit en problemen
van openbare orde en deze leveren een aanzienlijke kostenpost op
voor de maatschappij en de overheid.
Gokkasten moeten aan een aantal voorwaarden voldoen volgens het
Speelautomatenbesluit dat voornamelijk ter bescherming van de klant
is opgesteld. Zo moet het uitkeringspercentage gemiddeld minimaal
60 procent bedragen en mag het gemiddelde uurverlies niet hoger dan
vijftig gulden zijn. Ook zijn de automaten zo afgesteld dat er een
beperkte tijd onafgeboken op gespeeld kan worden. Het Nederlands
MeetInstituut (NMI) keurt alle modellen speelautomaten en voorziet
ze van een merkteken. Wanneer een bepaald (buitenlands) model door
het NMI is goedgekeurd, mag het in produktie worden genomen. De
kasten die daaruit voortkomen, worden niet meer systematisch
gekeurd, maar krijgen ongezien het verplichte merkteken. Het is
alom bekend dat dit teken gemakkelijk te vervalsen is. Sinds 1993
wordt op alle nieuwe automaten een nieuw merkteken aangebracht dat
fraudebestendiger moet zijn.
Onder het begrip speelautomaten vallen enerzijds
behendigheidsautomaten en anderzijds
kansspelautomaten: de zogenaamde fruitautomaten. Tot de
behendigheidsautomaten rekent men alle automaten waarbij de speler
de uitslag zelf benvloedt. Het gaat hierbij om flipperkasten en
videospellen; ze keren geen geld uit. De kansspelautomaten doen dat
wel. De uitslag van het spel kan door de klant niet worden
benvloed; daarom spreken we van gokkasten. De kansspelautomaten die
in de Holland Casino’s staan opgesteld worden in dit stuk niet
besproken, omdat zij onder een andere wetgeving vallen. Naast de
behendigheids- en kansspelautomaten biedt de speelautomatenbranche
nog andere amusementsapparatuur, zoals jukeboxen en
hobbelbeesten.
In 86 procent van alle cafs staan n of meer gokkasten opgesteld
(Lenting, 1990). Hier stonden in 1991 23.000 gokkasten; bijna
eenderde van het totale aantal 73.000 automaten – dat er toen in
heel Nederland stond (Horeca Nederland, 1992). Dit aantal bestond
toen uit 20.300 behendigheidsautomaten en 52.700 kansspelkasten. In
maar liefst 97 % van alle snackbars staan gokkasten (Lenting,
1991). Het totale aantal kansspelautomaten neemt de laatste jaren
af: in 1993 waren er 48.700; 4.000 minder dan in 1991 (Mutsaers en
Van Loef, 1993). Deze afname komt voor rekening van de losse
lokaties: de cafs en de snackbars. Twintig procent van alle
fruitautomaten staat in de laagdrempelige horeca en 55 procent
staat in cafs en restaurants (hoogdrempelige horeca). Het aantal
gokkasten dat in speelhallen staat, neemt juist toe.
In de jaren dertig kwamen in Nederland de eerste speelautomaten
op de markt en omstreeks 1950 stonden ze door het hele land
verspreid. Het spelen op de automaten was illegaal, maar werd op
grote schaal gedoogd. In 1964 trad de Wet op de Kansspelen in
werking die alle speelautomaten in principe verbood, op enkele
behendigheidsautomaten na. Uitkering van prijzen of premies was
niet toegestaan. Het was echter alom bekend dat de spelers onder de
tapkast geld kregen uitgekeerd. In de jaren zeventig kwamen er
steeds meer kansspelautomaten op de markt en opende bovendien een
groot aantal speelhallen hun deuren, waar vooral fruitautomaten
werden gexploiteerd.
de VAN. Met meer bedoelt de organisatie de sprekende aap, de
jukebox, de flipperkast en het videospel. Maar wie echt verder
kijkt, ziet inderdaad meer in de speelautomaat; een
uitstekende manier om zwart geld wit te wassen, bijvoorbeeld, of
juist om zwart geld te creeren. De branche is actief, veelzijdig en
verantwoordelijk meent de branchevereniging. De eerste twee
aspecten lijden geen twijfel, maar over het derde punt bestaan bij
politie en justitie wellicht twijfels. In allerlei berichten uit de
media wordt de speelautomatenbranche in verband gebracht met zware,
georganiseerde criminaliteit: misdaadondernemers zouden op grote
schaal bezig zijn met het verwerven van belangen in
horecagelegenheden om zodoende automaten te kunnen plaatsen voor
het witwassen van criminele gelden. De publieke opinie over gokken
is altijd negatief geweest: er bestaat een sterke morele afkeuring
voor deze schijnbaar zinloze en verspillende tijdsbesteding.
Bovendien verbindt het publiek gokken en criminaliteit aan elkaar,
zo blijkt uit onderzoek (VAN, 1992). Dit kan iets te maken hebben
met de geschiedenis van het gokwezen in de VS: de
strafbaarheidsstelling van het gokken speelde een grote rol in de
opkomst van de Amerikaanse mafia. Het beeld dat in Nederland
bestaat van de georganiseerde misdaad is sterk gebaseerd op
mafia-literatuur uit de VS. Is dit beeld waarheid of slechts
fictie? De branche-organisatie doet er alles aan om het imago te
verbeteren.
In dit gedeelte schetsen we de markt van de
automatenexploitanten. We bekijken hier dus – tot onze spijt – niet
het gehele spectrum van het gokwezen, maar beperken ons tot de
bedrijfstak van de speelautomaten. We beginnen met een kort
overzicht van het Nederlandse beleid ten aanzien van speelautomaten
en vervolgen met een economisch overzicht van de branche. Ook
kijken we naar de voorwaarden die verbonden zijn aan plaatsing en
exploitatie van gokkasten. Vervolgens zetten we de potentile
criminele ingangen in de speelautomatenwereld op een rijtje en
bekijken wat er hierover in de literatuur bekend is. Voor dit
onderzoek hebben we een aantal gesprekken gevoerd met betrokkenen
uit de branche, zoals een speelautomatenexploitant,
vertegenwoordigers van de branche-organisatie de VAN (Vereninging
Automatenhandel Nederland) en enkele horecakenners. Verder zijn
weer politiebronnen geraadpleegd, zoals van het Amsterdamse Horeca
Interventie Team.