Bijlage VI – 7.2 De Fiscale inlichtingen- en
opsporingsdienst (FIOD)January 1, 1999
7.2 De Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst
(FIOD)
7.2.1 De organisatie
De FIOD valt onder het Directoraat-generaal der belastingen van
het ministerie van Financin, en in het bijzonder onder de Directie
algemene fiscale zaken. Bij de FIOD zijn 750 personen werkzaam,
verdeeld over de Fiscale recherche met elf regionale teams en n
centraal team, de Douanerecherche met zes regionale teams en twee
centrale teams, de Inlichtingendienst, alsmede twee stafafdelingen.
In de nabije toekomst zal een reorganisatie plaatsvinden. Er komen
drie resultaatgebieden: documentatie, informatie en opsporing.
Binnen het resultaatgebied opsporing wordt geen onderscheid meer
gemaakt in aparte afdelingen douanerecherche en fiscale
recherche.
lees meer
Bijlage VI – 7.1 InleidingJanuary 1, 1999
7 BIJZONDERE OPSPORINGSDIENSTEN
7.1 Inleiding
In het rapport van de Werkgroep vooronderzoek
opsporingsmethoden, Opsporing gezocht, zijn de volgende
vragen gerezen over de betrokkenheid van de bijzondere
opsporingsdiensten bij de bestrijding van georganiseerde misdaad.
Noot
lees meer
Bijlage VI – 6.8 ConclusiesJanuary 1, 1999
6.8 Conclusies
1. De eerste initiatieven voor de totstandkoming van kernteams
kwamen van de zijde van de politie. Zij waren gericht op
onderzoeken die een bovenregionale aanpak vereisten. Later werden
de kernteams door het ministerie van Justitie en de top van het
openbaar ministerie ook beschouwd als instrumenten voor een
centrale aansturing van de bestrijding van de georganiseerde
misdaad.
lees meer
Bijlage VI – 6.7 Sturing en controleJanuary 1, 1999
6.7 Sturing en controle
6.7.1 De korpsbeheerders en de korpsleiding
De kernteams zijn beheers- en gezagsmatig ondergebracht bij
bepaalde regiokorpsen en arrondissementen. Formeel ligt de
beheersverantwoordelijkheid bij de korpsbeheerder van het
regiokorps waar het team is gevestigd. Dat zijn de drie grote
steden, Haarlem (kernteam Randstad Noord en Midden), Eindhoven
(kernteam Zuid) en Zwolle (kernteam Noord-Oost-Nederland). Toch
achten de korpsen die aan de kernteams personeel leveren, zich
hiermee nog niet ontslagen van alle verantwoordelijkheden.
lees meer
Bijlage VI – 6.6 SamenwerkingJanuary 1, 1999
6.6 Samenwerking
Kernteams worden geacht zelfstandig en herkenbaar georganiseerd
te zijn. Kernteam-zaken betreffen vaak complexe onderzoeken naar
georganiseerde criminaliteit, waarbij de politie, ook intern, een
zekere mate van geheimhouding wil garanderen. Dit is bijvoorbeeld
begrijpelijk als van de onderzochte criminele groep verwacht wordt
dat deze corrumptieve contacten aangaat. Zowel de organisatievorm
van de kernteams als de aard van hun onderzoeken leiden ertoe dat
informatie zodanig vertrouwelijk is dat deze zeer beperkt wordt
uitgewisseld.
lees meer
Bijlage VI – 6.5 Beslissingen over de keuze van zaken en
methodenJanuary 1, 1999
6.5 Beslissingen over de keuze van zaken en methoden
6.5.1 Zaken
De keuze van onderzoeken van de kernteams en het LRT geschiedt
door het College van procureurs-generaal op voordracht van het
Cordinerend beleidsoverleg (CBO). Het CBO moet bij de advisering
over de onderzoeksdoelen van de kernteams en van het LRT het
landelijke en het internationale belang voorop stellen. Maar de
systematiek van de – doorgaans ressortelijk ingedeelde – kernteams
brengt met zich mee dat het ressortelijke/interregionale belang
veel gewicht in de schaal legt. Inmiddels wordt het gewicht dat aan
ressortelijke/interregionale belangen wordt toegekend, als te zwaar
ervaren en daarmee als probleem onderkend.
lees meer
Bijlage VI – 6.4 Landelijk rechercheteam (LRT)January 1, 1999
6.4 Landelijk rechercheteam (LRT)
De ontwikkelingen rond de oprichting en het functioneren van de
kernteams lijken het belang van een LRT te onderstrepen. De
korpschef van het Korps landelijke politiediensten (KLPD) heeft in
september 1994 de opdracht gekregen een plan van aanpak te maken
voor de oprichting van een LRT. Dat plan is gemaakt door de Divisie
ondersteuning van het KLPD in samenwerking met de CRI.
lees meer
Bijlage VI – 6.3 Organisatie kernteamsJanuary 1, 1999
6.3 Organisatie kernteams
6.3.1 Een aparte structuur
Volgens het rapport Structuur van de aanpak van
georganiseerde misdaad (1994) hebben de ervaringen met de
kernteams duidelijk geleerd dat het minder gemakkelijk is
daadwerkelijk los te komen van het regionale belang. De kernteams
zijn feitelijk – zowel qua organisatie als qua onderzoekskeuze – in
staat zodanig te opereren dat landelijk dekking ontstaat en dat
voldoende oog bestaat voor de internationale dimensie. Er bestaat
variatie in de structuur en organisatie van de zes kernteams. Zij
worden geacht te functioneren als identificeerbare aparte
organisatie. Dat is het geval bij het kernteam Randstad Noord en
Midden, het kernteam Noord-Oost-Nederland en het kernteam Zuid. Wat
het kernteam Noord-Oost-Nederland betreft moet dit in zoverre
worden gerelativeerd dat het team is verspreid over vier locaties.
Aan genoemde kernteams nemen respectievelijk vier, negen en vijf
regiokorpsen deel.
lees meer
Bijlage VI – 6.2 Oprichting en ontwikkeling
kernteamsJanuary 1, 1999
6.2 Oprichting en ontwikkeling kernteams
De ontwikkeling naar de oprichting van de huidige zes kernteams
vindt zijn oorsprong in de tachtiger jaren. In die periode groeit
bij politie, justitie en politiek de belangstelling voor de aanpak
van georganiseerde criminaliteit. In 1985 verschijnt het
beleidsplan Samenleving en Criminaliteit. In dat plan kiest
de regering in feite voor een tweesporenbeleid. Enerzijds wordt
voor wat betreft de veel voorkomende criminaliteit gekozen voor een
bestuurlijke, preventieve benadering. Anderzijds wordt expliciet
meer aandacht en inspanning gevraagd voor de aanpak van de
georganiseerde criminaliteit in Nederland. Naar aanleiding van het
beleidsplan Samenleving en Criminaliteit (1985) heeft de
Vergadering van procureurs-generaal de Werkgroep
prioriteitenstelling (werkgroep-Addens) ingesteld. Deze werkgroep
doet in 1986 en 1987 de aanbeveling om op het vlak van organisatie
en beheer te zoeken naar manieren om – binnen het toenmalige bestel
– te komen tot een doelmatige en doeltreffende aanpak van de
georganiseerde criminaliteit.
lees meer
Bijlage VI – 6.1 InleidingJanuary 1, 1999
6 KERNTEAMS
6.1 Inleiding
6.1.1 Algemene introductie
Als in de tweede helft van de tachtiger jaren de belangstelling
voor georganiseerde criminaliteit toeneemt, komt de gedachte op
permanente opsporingscapaciteit vrij te maken ter bestrijding
daarvan. Dit leidt tot de oprichting van interregionale
rechercheteams (IRT’s) die vanaf 1994 kernteams heten. Er zijn er
zes, te weten Noord-Oost-Nederland, Randstad Noord en Midden, Zuid,
Rotterdam, Haaglanden en Amsterdam. Aan deze teams nemen wisselende
aantallen regionale politiekorpsen deel.
lees meer
Bijlage VI – 5.6 ConclusiesJanuary 1, 1999
5.6 Conclusies
1. Een aantal deeltaken is in de loop van de tijd van de
klassieke recherche afgesplitst. Zij betreffen naast de
activiteiten rond de inwinning van criminele inlichtingen die een
speciale expertise vereisen: de observatie (volgerij), het optreden
in gevaarlijke situaties (aanhouding, maar ook heimelijke betreding
van plaatsen), het financile onderzoek, het heimelijk plaatsen van
technische hulpmiddelen (videocamera’s, peilbakens,
afluisterapparatuur en dergelijke), en de infiltratie. Zij worden
toegepast achtereenvolgens door de observatieteams (OT), de
arrestatieteams (AT), de bureaus financile ondersteuning (BFO), de
secties technische ondersteuning (STO) en de politile infiltratie
teams (PIT).
lees meer
Bijlage VI – 5.5 Sturing en controleJanuary 1, 1999
5.5 Sturing en controle
5.5.1 Korpsbeheerder
De rol van de korpsbeheerder in relatie tot de ondersteunende
diensten is beperkt. Hij kan een rol spelen met betrekking tot een
eventuele begeleidingscommissie. Zo vermeldt het Convenant
betreffende de ressortelijke arrestatieteams van de regionale
politiekorpsen in Rotterdam-Rijnmond, Haaglanden, Hollands-Midden,
Zuid-Holland-Zuid en Zeeland dat er een Begeleidingscommissie
eenvormige AT-zorg moet zijn. En van de vijf leden van die
commissie wordt door een korpsbeheerder aangewezen. Deze
commissie bestaat uit de plaatsvervangend korpschef Hollands
Midden, een officier van justitie uit Dordrecht, een Zeeuwse
burgemeester, niet zijnde de Zeeuwse korpsbeheerder, maar
wel op diens voordracht, de chef Regionale operationele
ondersteunende diensten (ROOD) uit Rotterdam-Rijnmond en de chef
Centrale taken uit Haaglanden.
lees meer
Bijlage VI – 5.4 Samenwerking en uitvoering op landelijk
niveauJanuary 1, 1999
5.4 Samenwerking en uitvoering op landelijk niveau
De specialisatie van de hier besproken afdelingen heeft tot
gevolg dat de inhoudelijke sturing van en controle op de
werkzaamheden vooral uitgaan van vaktechnische specialisten. Binnen
de politie-organisaties zijn dat de leidinggevenden van het OT, AT,
BFO, STO en PIT.
lees meer
Bijlage VI – 5.3 Beslissingen over de keuze van zaken en
methodenJanuary 1, 1999
5.3 Beslissingen over de keuze van zaken en methoden
5.3.1 Zaken
Voor alle ondersteunende diensten geldt formeel en materieel dat
zij niet zelfstandig onderzoeken verrichten. Ze ondersteunen
onderzoeken of participeren daarin. In die zin is het eenvoudig te
stellen dat de selectie van werkzaamheden die door een OT of een
andere dienst worden verricht elders wordt gemaakt, namelijk bij de
tactische leiding van een onderzoek of eventueel bij de leiding van
een CID-traject. In de praktijk verdient dit uitgangspunt toch
enige relativering. Door capaciteitsproblemen weigeren de chef van
een OT of een STO geregeld een onderzoek te ondersteunen. Soms
spelen ook inhoudelijke overwegingen een rol, bijvoorbeeld als
gevraagd wordt op te treden ten behoeve van onderzoeken die de
betreffende dienst absoluut te gering danwel niet proportioneel
acht.
lees meer
Bijlage VI – 5.2 Organisatie ondersteunende dienstenJanuary 1, 1999
5.2 Organisatie ondersteunende diensten
5.2.1 Algemeen
De taak en organisatie van deze diensten zijn in de 25
regiokorpsen niet altijd dezelfde. Zelfs de naamgeving verschilt.
Toch zijn enkele algemene opmerkingen vooraf te maken.
De taken van de ondersteunende diensten worden gekenmerkt door
enerzijds een vereiste van expertise, specialisatie en anderzijds
door het geheime karakter van een aantal gehanteerde methoden. Dit
laatste kenmerkt wordt nu verder behandeld. Zaken betreffende het
kenmerk expertise en specialisatie komen in de volgende
deelparagrafen aan de orde.
lees meer
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>