IX – De bouwnijverheid – 2.4. De hoge kosten van
vertragingenJanuary 1, 1999
2.4. De hoge kosten van vertragingen
Het bouwproces staat altijd onder grote tijdsdruk. Wanneer niet
op tijd wordt opgeleverd moeten door de aannemers boetes worden
betaald aan de opdrachtgever. Het bouwproces moet dus zo gladjes
mogelijk verlopen en het liefst zonder vertraging. De kosten van
vertragingen zijn namelijk hoog. Naast de eventuele hoge boetes
voor te late oplevering, kost elke vertraging handen vol geld aan
de aannemer: kapitaalgoederen worden niet gebruikt (renteverlies),
arbeid ligt stil (zeer hoge uitgaven voor niet-produktieve arbeid)
en bouwmaterialen worden daardoor te vroeg geleverd
(renteverlies).
lees meer
IX – De afvalverwerkingsbranche – 7. SAMENVATTING EN
CONCLUSIESJanuary 1, 1999
7. SAMENVATTING EN CONCLUSIES
De afvalbranche heeft zich in Nederland in relatief korte tijd
kunnen ontwikkelen van een marginale bezigheid naar een krachtige
economische sector. De omzet is groot en er valt veel geld te
verdienen aan de restanten van de welvaartsmaatschappij. Afval is
een inelastisch goed waardoor de bedrijven in zekere zin zelf de
prijs voor de verwerking kunnen bepalen. Het milieubeleid van de
Nederlandse overheid heeft aan de ene kant geleid tot het
opschroeven van de eisen die aan de verwerking van het afval werden
gesteld en aan de andere kant heeft zij aangestuurd op een
verregaande vorm van zelfregulering en privatisering zonder voor
een adequaat controlesysteem te zorgen. Bepaalde condities in de
afvalverwerkingsbranche hebben zich jarenlang redelijk ongestoord
kunnen ontwikkelen waardoor een gelegenheidsstructuur is ontstaan
die een voedingsbodem voor zware milieucriminaliteit vormt. Er zijn
veel instanties bij betrokken die door de branche-organisaties en
handige afvalverwerkers tegen elkaar worden uitgespeeld. In deze
branche zijn bedrijven actief die een monopoliepositie in de
afvalketen nastreven. Daarmee kan de prijs van afvalverwerking
worden verhoogd en kunnen (overheids)controles worden
bemoeilijkt.
lees meer
IX – De verzekeringsbranche – 3. VERZEKERINGSFRAUDE NADER
GEANALYSEERDJanuary 1, 1999
3. VERZEKERINGSFRAUDE NADER GEANALYSEERD
Onder verzekeringsfraude wordt verstaan het verrichten van een
handeling bij de totstandkoming en/of bij de uitvoering van een
verzekeringsovereenkomst, die erop is gericht een uitkering te
verwerven waarop geen recht bestaat, of zich een
verzekeringsdekking te verschaffen onder vals voorwendsel.
Verzekeringsfraude kan worden gepleegd door de direct bij de
uitvoering van de verzekeringsovereenkomst betrokkenen, of door
intermediairen (tussenpersonen, assuradeuren en expertisebureaus)
of gevolmachtigden. In het eerste geval is sprake van
externe fraude, in het tweede geval van interne
fraude ( Westerman, 1992, p.103). Naast dit onderscheid kan
verzekeringsfraude worden getypeerd op basis van vier criteria: (1)
het tijdstip waarop fraude wordt gepleegd, (2) de aard van de
fraude, en (3) het type fraudeurs dat de fraude pleegt (Westerman,
1994) en (4) de soort verzekering waarom het gaat. Fraude kan in de
eerste plaats betrekking hebben op het tijdstip in de
afwikkeling van de overeenkomst tussen verzekeraar en
verzekeringnemer. Er kan gefraudeerd worden ten tijde van het
sluiten van de overeenkomst, tijdens de aangifte van het
schadevoorval en tijdens het claimen van een schadevergoeding.
Gedacht kan worden aan het frauderen met de provisie (door een
verzekeringsagent), met het geven van een verkeerde voorstelling
van zaken met betrekking tot de verzekering (maatschappij) en door
het onderdrukken of vervalsen van informatie die relevant is voor
de beoordeling van de polisaanvraag (verzekeringnemer). Bovendien
kan er worden gefraudeerd met de omvang en hoogte van de geleden
schade, er kan opzettelijk schade worden geleden om voor vergoeding
in aanmerking te komen of een schadeclaim kan worden voorgewend
(Wittkmper, 1990, p. 24).
lees meer
IX – De illegale handel in nucleair materiaal –
LITERATUURJanuary 1, 1999
LITERATUUR
H. Abadinsky, Organized Crime, Nelson-Hall, Chicago,
19913. CBO, Landelijke inventarisatie criminele
groeperingen 1995, CRI, Zoetermeer, 1995 CRI, Risico analyse
afvalmarkt, CRI, Zoetermeer, 1992.
lees meer
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalJanuary 1, 1999
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
1 februari 1996
De Enqutecommissie Opsporingsmethoden biedt u hierbij het verslag
aan van het onderzoek dat zij op grond van de haar op 22 november
1994 gegeven opdracht heeft ingesteld. De voorzitter van de
commissie,
M. van Traa
De griffier van de commissie,
N. J. P. Coenen
lees meer
Eindrapport – 1.1 Voorgeschiedenis en instellingJanuary 1, 1999
HOOFDSTUK 1 INLEIDING
1.1 Voorgeschiedenis en instelling
1.1.1 Instelling commissie
Aan het einde van het kamerdebat van 7 april 1994 over de
opheffing van het interregionaal rechercheteam ( IRT)
Noord-Holland/Utrecht nam de Kamer de motie Dijkstal c.s. aan.
Noot Deze motie bracht de wens tot uitdrukking om een
parlementair onderzoek in te stellen naar de opsporingsmethoden die
in Nederland gebruikt worden en de controle erop. Hier ligt het
begin van het werk van de parlementaire enqute opsporingsmethoden.
Het was duidelijk dat de Kamer, tegen de achtergrond van de
IRT-affaire, beter genformeerd wilde zijn over dit onderwerp.
lees meer
Eindrapport – 3.11 Totaal aantal containers en
kilo’sJanuary 1, 1999
3.11 Totaal aantal containers en kilo’s
Het is duidelijk dat grote hoeveelheden verdovende middelen met
medeweten en onder regie van politie en justitie op de markt
verdwenen zijn. Een dag voor het begin van de openbare verhoren van
de commissie, op 5 september 1995, sprak de minister van Justitie
in de Kamer van 100 tot 400 ton softdrugs die waren doorgeleverd.
Hoeveel daarvan op de markt was gekomen was nog onderwerp van
onderzoek.
lees meer
Eindrapport – 5.1 OmschrijvingJanuary 1, 1999
HOOFDSTUK 5 INFORMANTEN
5.1 Omschrijving
Zolang er politie bestaat wordt er gewerkt met informanten,
personen die op basis van vertrouwelijkheid informatie aan de
politie verstrekken. Zij zijn de belangrijkste bron van informatie
voor de criminele inlichtingendiensten (CID-en).
Noot
lees meer
Eindrapport – 8.1 InleidingJanuary 1, 1999
HOOFDSTUK 8 OPSPORINGSORGANISATIES EN
INLICHTINGENDIENSTEN
8.1 Inleiding
De commissie heeft onderzoek gedaan naar de structuur en het
functioneren van de verschillende organisaties die een rol spelen
tijdens de opsporing. De inzet van opsporingsmethoden hangt immers
samen met de organisatie van de diensten die zich bezighouden met
de bestrijding van georganiseerde criminaliteit. Derhalve komen in
dit hoofdstuk de criminele inlichtingendiensten (CID-en), de
tactische recherche, de kernteams, verschillende ondersteunende
diensten, enkele grote bijzondere opsporingsdiensten en de
Binnenlandse veiligheidsdienst (BVD) aan de orde. In het rapport
van de Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden zijn vele vragen
opgenomen over de organisatie en het functioneren van deze
eenheden. Voor een uitgebreidere beschrijving en analyse van het
functioneren van deze organisaties verwijst de commissie naar
bijlage 6 Organisaties van de opsporing. In dit hoofdstuk komen de
belangrijkste bevindingen aan de orde, gevolgd door
beoordelingen.
lees meer
fort1_10January 1, 1999
2 het licht gebrachte feiten aantonen dat er veel meer aan de hand was dan de Commissie-Van Traa boven water bracht”.4 De grote publiciteit kwam voor het ministerie van Justitie onverwacht omdat twee belangrijke adviseurs van de minister na lezing van het conceptrapport nog hadden voorspeld niet veel “rumoer” te verwachten.5 Zowel binnen het departement als binnen het openbaar ministerie waren er inmiddels twijfels gerezen of de Commissie-Kalsbeek er wel goed aan deed om over de parallelimporten te schrijven. Eind mei had de minister al in een reactie op een conceptversie van het rapport laten weten dat het bij de parallelimporten nog om vermoedens ging en hij gaf de commissie in overweging de vermelding van de aantallen kilo’s cocaïne achterwege te laten.6 In zijn brief aan de Tweede Kamer nam de minister van Justitie behoedzaam afstand van de bevindingen van de Commissie-Kalsbeek over de parallelimporten. De minister stelde dat er inderdaad “aanwijzingen” bestonden van parallelimporten (tot 1994), maar dat het voor discussie vatbaar was of van “harde feiten” gesproken kon worden. Vervolgens stelde hij dat er na een zorgvuldige inventarisatie van de gegevens geen duidelijke aanwijzingen bleken te bestaan dat na 1994 met behulp van de Deltamethode nog parallelimporten zouden hebben plaatsgevonden.7 Stagnatie in het post-Fort-onderzoek Naast de opmerkelijke conclusies over de parallelimporten trokken nog enkele andere bevindingen van de commissie sterk de aandacht. De commissie constateerde dat het strafrechtelijke onderzoek dat was ingesteld naar aanleiding van de bevindingen van de Enquêtecommissie Opsporingsmethoden en het rijksrechercheonderzoek (Fort-onderzoek) stagneerde. Zij pleitte voor een diepgaand onderzoek naar de stagnatie in het zogenaamde post-Fort-onderzoek dat klaarheid zou moeten scheppen in het complex van feiten, gebeurtenissen en geruchten met betrekking tot de IRT-affaire en de Deltamethode. Er zou om deze reden een integraal onderzoek moeten komen waarbij alle beschikbare informatie zou moeten worden betrokken. Dit integrale onderzoek zou onder de directe verantwoordelijkheid van de minister van Justitie moeten plaatsvinden.8 De minister erkende in zijn reactie op het rapport-Kalsbeek dat het onderzoek van het Landelijk Rechercheteam (LRT) inderdaad moeilijkheden had ondervonden. Hij gaf aan dat er een geringe voortgang was geboekt in 1997 en een groot deel van 1998. In de afgelopen maanden zou er, volgens de minister, echter daadwerkelijk sturing zijn gegeven door het college van procureurs-generaal aan het onderzoek en zou er “meer vaart” in het geheel zijn gekomen. De minister zegde toe dat er een integraal onderzoek zou komen.9 Intussen had het openbaar ministerie in eigen gelederen al de balans opgemaakt van drie jaar onderzoek naar de gebeurtenissen in de IRT-periode. Op verzoek van de voorzitter van het college gaven de drie hoofdofficieren, die tot dan toe een bepaalde betrokkenheid hadden gehad bij het post- Fort-onderzoek, hun visie op de problemen. Zij waren het in elk geval over één ding eens, namelijk dat de stroeve samenwerking tussen de drie parketten in het post-Fort-traject tegenover de politiek niet meer viel weg te poetsen.10 Voor het overige gaven hun antwoorden op de vraag waarom het mis was gegaan blijk van grote onderlinge verdeeldheid. Er zou tussen de betrokken parketten sprake zijn geweest van “groot onderling wantrouwen” en van een steeds groter wordende “verwijdering” 4 De Volkskrant d.d. 10 juni 1999. 5 Memo d.d. 4 juni 1999 aan directeur-generaal Rechtshandhaving Dessens (A 1). 6 Brief van de minister van Justitie aan de voorzitter van de tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden d.d. 31 mei 1999 (A 1). De minister schrijft verder: “Ik wijs er overigens op dat het door u geschetste strafrechtelijk relevante vermoedens betreft, die evenwel nader onderzocht dienen te worden om ook echt strafrechtelijk relevant te worden.” 7 Brief van de minister van Justitie d.d. 17 juni 1999 aan de Tweede Kamer, TK 26 269, nr. 7. 8 Aanbeveling 65, rapport Commissie-Kalsbeek, blz. 232. 9 Brief van de minister van Justitie d.d. 31 augustus 1999 aan de Tweede Kamer, TK 26 269, nr. 14. 10 Vertrouwelijk deel van de besluitenlijst van de vergadering van het college van procureurs-generaal gehouden op 15 juni 1999 (B2).
fort2_109January 1, 1999
173 8 Het beraad met het college op 26 november 1997 8.1 Inleiding Hiervoor is duidelijk gebleken dat het college van procureurs-generaal vanaf maart 1996 op geregelde tijdstippen de start en de voortgang van de verschillende onderzoekssporen heeft georganiseerd respectievelijk geaccordeerd. Dit is volgens onze zegslieden reeds een hele bijzondere gang van zaken. Normaal bemoeit het college zich niet zo vaak zo intensief met één enkel onderzoek. Helemaal bijzonder was dan ook het initiatief om op 26 november 1997 een speciale vergadering te wijden aan de presentatie en bespreking van de diverse onderzoekslijnen die hiervoor zijn behandeld. Om meer dan één reden was dit een belangrijke bijeenkomst: behalve dat het college een overzicht kreeg van de lopende en voorgenomen activiteiten, werd het ook gevraagd om een paar belangrijke knopen door te hakken. In het onderhavige hoofdstuk wordt eerst uiteengezet op welke wijze het college door de verschillende “partijen” werd geïnformeerd en welke kwesties ter beslissing werden voorgelegd. Vervolgens wordt bekeken waarover uiteindelijk een besluit is gevallen. Tenslotte wordt ingegaan op de nasleep van deze belangrijke beraadslaging. 8.2 De presentatie van de onderzoeken De vergadering van 26 november 1997 werd opgeluisterd door de aanwezigheid van vrijwel alle hoofdrolspelers in het post-Fort-traject. Alleen een vertegenwoordiging van het Amsterdamse parket ontbrak.391 De presentatie viel uiteen in vier delen: 1. het inlichtingentraject/“Schilders” (verzorgd door J. de Wit);392 2. de voorlopige inventarisatie van het IRT-dossier (door P. Schouten); 3. het onderzoek van het LRT (door een lid van het LRT); 4. slotopmerkingen. De presentatie van de onderdelen 1 en 2 ging gepaard met het vertonen van tientallen dia’s. Ad 1 De Wit ging in zijn presentatie uitvoerig in op de vermeende parallel-transporten. Hij deed dit aan de hand van de notitie “Colombiaans dubbelspel”.393 In deze notitie wordt beschreven hoe in oktober 1995 tijdens het Fort-onderzoek informatie werd verkregen over “dé regeling” tussen het “Cali-kartel” en enkele Nederlandse criminelen. In de periode zomer 1992 – januari 1995 zou 10.000-20.000 kilo cocaïne Nederland zijn ingevoerd. Daarbij speelde volgens de berichten een informant een dubbelrol en zouden enkele douanemensen zijn omgekocht. In de notitie wordt het begrip parallel-transport als volgt gedefinieerd: 391 Kort verslag van de presentatie post-Fort-traject in Utrecht d.d. 26 november 1997, getekend LG (B1) 392 Twee dagen eerder hadden J. de Wit en P. Schouten een proefpresentatie gehouden ten overstaan van P. Aalbersberg (hoofd NCID/CRI) 393 Behalve dat deze notitie gebruikt werd bij de presentatie ten overstaan van het college van procureurs-generaal d.d. 26 november 1997 is zij als bijlage toegevoegd aan de brief van H. Holthuis en H. van Brummen aan het college van procureurs-generaal d.d. 9 december 1997 (B1).
fort2_18January 1, 1999
82 Dit antwoord bevredigde Ficq niet helemaal. Hij vond het te formeel en achtte tegen de achtergrond van het rapport van de Commissie-Van Traa een meer inhoudelijke toets geboden. Daarom – zo schreef hij op 3 juni 1996 aan de minister van Justitie – had hij aan het college voorgesteld om de gegevens uit het Delta-onderzoek door een ervaren lid van het openbaar ministerie die niet in het Delta-onderzoek betrokken is geweest, te laten toetsen teneinde na te gaan welk deel van het materiaal als rechtmatig verkregen kan worden beschouwd en dus nog beschikbaar is als basis voor verder onderzoek. Het college, zo rondde hij zijn brief af, stemde op 29 mei met deze benadering in en belastte Van Straelen met de analyse van het voorhanden materiaal. Naar verwachting zou na de zomer een beslissing kunnen worden genomen.80 In het interview preciseerde Van Straelen dat hij alleen het verzoek had gekregen om het zogeheten Van der Heiden-dossier te bestuderen en dat het dus81: “(…) niet de bedoeling (was) het gehele besmette IRT-dossier te bekijken. Het onderzoek (…) spitste zich alleen toe op de haalbaarheid van een opsporingsonderzoek.” 3.4.2 Het archief van het Fort-team In verband met het archief van het Fort-team werd in de vergadering van het college van procureurs- generaal op 24 april 1996 opgemerkt dat van verschillende kanten ten behoeve van vervolgonderzoek werd gevraagd om opheffing van de classificatie “staatsgeheim” op het rijksrechercherapport.82 De vervolgonderzoeken waarop werd gedoeld hadden onder meer betrekking op het strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke meineed door L. en Van V. ten overstaan van de Commissie-Van Traa, op de afronding van eventuele opsporingsonderzoeken in Kennemerland en op de afwikkeling van een strafrechtelijk onderzoek waarin de verdachte stelde dat hij had geopereerd als politie-infiltrant. Overigens wilde hijzelf in het kader van zijn onderzoek naar het optreden van individuele leden van het openbaar ministerie – het onderzoek van de zogenaamde “Equipe Ficq” (zie paragraaf 2.2.4) – op een gegeven moment ook graag delen van het achterliggende archief inzien. Uit de stukken betreffende de onderhavige periode valt niet op te maken wanneer en waarom het rapport respectievelijk het archief dat zware etiket kreeg opgeplakt. In de notulen van de genoemde vergadering wordt hierover met geen woord gerept. Hierin wordt alleen de beslissing van het college weergegeven dat voor kennisneming van het rapport deze classificatie niet behoefde te worden opgeheven. Indien bepaalde informatie uit het rapport in dossiers moest worden opgenomen, was opheffing van de classificatie volgens de notulen mogelijk op de betreffende onderdelen. In een geheime nota aan Zwerwer en Pijl van (vermoedelijk) 4 juni 1996 over de inzage in geheime stukken hernam Gonsalves – in zijn hoedanigheid van portefeuillehouder zware georganiseerde criminaliteit – dit standpunt.83 Er moesten volgens hem vooraf steeds duidelijke afspraken gemaakt worden over de inzage en het gebruik dat van de informatie kon worden gemaakt. Ingeval van verschil van mening daarover diende met hem te worden overlegd voordat tot inzage kon worden overgegaan. Afspraken ter zake moesten duidelijk schriftelijk worden vastgelegd en door de feitelijke beheerder, Pijl, worden bewaard. Pas veel later werd, voor buitenstaanders in elk geval, duidelijk hoe de classificatie van het Fort- archief als “staatsgeheim” tot stand was gekomen. In een brief van Borghouts d.d. 18 maart 1997 aan de Haagse officier van justitie Slits die belast was met het meineedonderzoek tegen L. en Van V., schreef deze dat in overleg met de BVD begin 1996 was afgesproken dat het complete archief van het Fort-team als staatsgeheim gerubriceerd diende te worden en dat een beslissing tot derubricering ten 80 De correspondentie waarnaar hier wordt verwezen bevindt zich in B1. 81 Interview F. Van Straelen d.d. 15 januari 2001. 82 Uittreksel collegevergadering d.d. 24 april 1996 (B7). 83 Nota R. Gonsalves d.d. (vermoedelijk) 4 juni 1996 aan S. Zwerwer en D. Pijl (B6).
fort2_32January 1, 1999
96 “(…) hij had geen informatiepositie en die hadden wij zelf in het begin eigenlijk ook niet en dan wordt het heel moeilijk om nog gegevens te krijgen van anderen. Zowel voor ons als voor een CID-officier als Frits de Groot in dat geval.” Hier kwam bij, zoals Holthuis heeft aangegeven, dat De Groot niet door alle betrokken officieren van justitie werd geaccepteerd.109 Het feit dat het team, hoe dan ook, niet beschikte over een dergelijke officier van justitie werd door de leiding110: “(…) wel gezien als een handicap. Noordhoek wilde deze lacune wel zelf invullen, maar het team was hier erg op tegen, want dan vermeng je precies opsporing aan de ene kant en CID-werk aan de andere kant.” Het team dat spoor 2 moest onderzoeken kreeg echter met zeker zo grote problemen te kampen. In de eerste plaats was de leiding van de CRI er niet zo happig op om twee mensen voor dit team af te staan. Zij wilde aanvankelijk voor het gehele project enkel Schouten ter beschikking stellen.111 In de tweede plaats ontstond er een conflict met de rijksrecherche. Eerst leek dit probleem niet zo hoog op te zullen lopen zoals Zwerwer had gesuggereerd in zijn onderzoeksplan voor het college van procureurs-generaal. Op 15 oktober 1996 tekenden vier van de vijf medewerkers die waren bestemd voor spoor 2 zelfs een verklaring waarin zij Pijl verzekerden dat zij akkoord gingen met de rechtspositionele voorwaarden die deze in een nota van 11 oktober 1996 had voorgesteld.112 Een maand later maakte Pijl echter een verklaring op over de positionering van de rijksrecherche in onderzoek 060 waarin hij strak vasthield aan het standpunt dat hij op 13 augustus 1996 reeds had ingenomen in zijn notitie aan Zwerwer. In deze verklaring, die kennelijk was bedoeld als een convenant tussen Zwerwer, Noordhoek en hemzelf, maar die – in de versie tenminste waarover wij beschikken – kennelijk alleen door hemzelf werd ondertekend, schreef Pijl dat omtrent de positionering van de rijksrecherche in onderzoek 060 was afgesproken dat de rijksrecherche een adviesfunctie zou vervullen ten behoeve van de leiding van spoor 1 en spoor 2. Dit betekende dat, op basis van de kennis uit het Fort-team, zou worden geadviseerd aan de OM-leiding van beide sporen. Hiertoe zouden in beginsel de vergaderingen van de teamleidingen door de rijksrecherche worden bijgewoond. Externe uitvoeringshandelingen zouden in het kader van onderzoek 060 echter niet plaatsvinden. Er was derhalve geen sprake van onderschikking van de rijksrecherche aan de reguliere politie of het LRT. Naar zijn mening kon ten behoeve van deze adviesfunctie worden volstaan met de deelname van twee leden van de rijksrecherche. Na verloop van tijd kon worden bezien welke deelonderzoeken onder verantwoordelijkheid van de rijksrecherche zouden worden uitgevoerd. De inlichtingendienst van de rijksrecherche zou ondertussen de sporen 1 en 2 blijven “bijlopen” en hiervoor uitsluitend worden aangestuurd door de OM-leiding van het onderzoek. “Vakmatig” zouden zij in hun activiteiten worden begeleid door de CID-officier van justitie De Groot van het LBOM.113 109 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001. 110 Interview P. Entken d.d. 16 januari 2001. 111 Persoonlijk dagrapport van W. van Gemert (F24). 112 Nota rijksrechercheur d.d. 15 oktober 1996 aan D. Pijl (F18). 113 Verklaring D. Pijl d.d. 20 november 1996 omtrent “positionering rijksrecherche in onderzoek 060” (C1). Kennelijk bestonden de gemengde gevoelens die W. van Gemert al eerder uit de mond van D. Pijl had opgetekend, ook in oktober nog. In zijn persoonlijk dagrapport tekende eerstgenoemde tenminste aan bij 15 oktober: “Gesproken met Dick Pijl. Zijn visie op de zaak doorgenomen. Met name waar het gaat om een haalbare operationele doelstelling. Is wederom dezelfde mening toegedaan. Ook voor zijn mensen geldt een wat onduidelijke lijn als het gaat om hoe groot de leiding is en wie waar over gaat” (F24).
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>