Bijlage V – 5.3 Juridische grondslagJanuary 1, 1999
5.3 Juridische grondslag
Het Wetboek van Strafvordering noch enige andere Nederlandse wet
in formele zin kent de opsporingsmethode infiltratie. Hoewel art. 1
Sv bepaalt dat strafvordering alleen plaats heeft op de wijze bij
de wet voorzien, heeft deze bepaling tot nu toe in de rechtspraak
niet in de weg gestaan aan de toepassing van infiltratie. In de
jurisprudentie is sedert het Tallonarrest (HR 4 december 1979, NJ
1980, 356 m.nt ThWvV) infiltratie als opsporingsmethode erkend.
Reeds in dit arrest kwam de mogelijkheid aan de orde dat de
infiltrant strafbare feiten (mede)pleegt.
lees meer
Bijlage V – 7.3 OntstaansgeschiedenisJanuary 1, 1999
7.3 Ontstaansgeschiedenis
Vanaf het begin van de jaren tachtig werkte het Duitse
Bundeskriminalamt (BKA) samen met de Nederlandse politie bij
gecontroleerde afleveringen. Noot Deze gecontroleerde
afleveringen werden over het algemeen in beslag genomen nadat zij
door de ontvangende organisatie aan anderen waren doorverkocht.
Daarbij speelden zowel de lokale CID-en als de NCID een belangrijke
rol. Het BKA maakte voor de financiering van een deel van dat
traject gebruik van crimineel geld.
lees meer
Bijlage V – 9.4 Gecontroleerde afleveringJanuary 1, 1999
9.4 Gecontroleerde aflevering
9.4.1 Casus
(Mede-)plegen van strafbare feiten
lees meer
Bijlage VI – 12.4 Verhouding tussen de ministeries van
Justitie en Binnenlandse ZakenJanuary 1, 1999
12.4 Verhouding tussen de ministeries van Justitie en
Binnenlandse Zaken
De twee politie-ministeries hebben elk eigen bevoegdheden en
verantwoordelijkheden op het gebied van de rechts- en
ordehandhaving. De spreiding van bevoegdheden en
verantwoordelijkheden die het Nederlandse politiebestel kenmerkt,
komt mede tot uitdrukking in het naast elkaar bestaan van de twee
ministeries. Dat is de prijs die wordt betaald voor het gezochte
evenwicht tussen justitile en bestuurlijke belangen en tussen
centrale en decentrale inspanningen bij de rechts- en
ordehandhaving. Het evenwicht tussen de bevoegdheden en
verantwoordelijkheden van de twee ministeries en de voor- en
nadelen van het bestaan van twee ministeries op dit gebied zijn
voortdurend onderwerp van publieke en politieke, maar zeker ook
ambtelijke discussie. Op verschillende terreinen van de bestrijding
van de georganiseerde criminaliteit hebben de twee ministeries
gedeelde of complementaire bevoegdheden en verantwoordelijkheden.
In veel gevallen zijn de ministers gehouden in overeenstemming dan
wel in of na overleg met elkaar te handelen. Des te opvallender is
het ontbreken van een gestructureerd overleg tussen de beide
ministeries over de georganiseerde criminaliteit en de
opsporingsmethoden. Dit klemt te meer omdat de verdeling van
bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de twee ministeries in
de praktijk niet altijd even duidelijk is. In de praktijk bestaat
bijvoorbeeld nogal eens het misverstand dat de bestrijding van de
georganiseerde criminaliteit het exclusieve domein van Justitie is.
Niet voor niets adviseert de Recherche adviescommissie de beide
ministers over de meest doelmatige inrichting en werking van de
recherchediensten van de politie en over de uitrusting van die
diensten met apparatuur en technische hulpmiddelen. Binnenlandse
Zaken en Justitie hebben beide via het beheer invloed
op de kernteams.
Zolang als er twee politie-ministeries zijn, is er discussie over
de voor- en nadelen daarvan en worden voorstellen gedaan om tot n
politie-ministerie te komen. De commissie-Donner constateert dat
het gebrek aan slagvaardigheid terzake op landelijk niveau, met
name door het dooreen lopen van de verantwoordelijkheden van twee
bewindspersonen en hun beider apparaten, door velen binnen en
buiten het OM wordt ervaren als een zelfstandige factor van
belemmering voor een effectief gezag over de politie.
Noot Volgens sommigen zou de bundeling van de centrale
verantwoordelijkheid binnen n ministerie de bestrijding van de
georganiseerde criminaliteit ten goede komen.
lees meer
Bijlage VI – 4.3 Beslissingen over de keuze van zaken en
methodenJanuary 1, 1999
4.3 Beslissingen over de keuze van zaken en methoden
4.3.1 Zaken
Omdat de regionale, centrale recherche-eenheden in grootte
variren, verschilt ook het aantal onderzoeken dat de centrale,
tactische recherche-afdelingen per jaar tot een einde brengen. Het
gaat om tussen de n en zeven zaken. Meer dan de helft van het
aantal onderzoeken dat de regionale rechercheteams doen, heeft
betrekking op drugs. Daarnaast treffen we in volgorde van afnemende
hoeveelheid respectievelijk onderzoeken aan naar fraude en
witwassen, hooggeorganiseerde overvallen en afpersingen,
georganiseerde autodiefstallen, levensdelicten, vrouwenhandel en
milieuzaken.
lees meer
Bijlage VI – 6.5 Beslissingen over de keuze van zaken en
methodenJanuary 1, 1999
6.5 Beslissingen over de keuze van zaken en methoden
6.5.1 Zaken
De keuze van onderzoeken van de kernteams en het LRT geschiedt
door het College van procureurs-generaal op voordracht van het
Cordinerend beleidsoverleg (CBO). Het CBO moet bij de advisering
over de onderzoeksdoelen van de kernteams en van het LRT het
landelijke en het internationale belang voorop stellen. Maar de
systematiek van de – doorgaans ressortelijk ingedeelde – kernteams
brengt met zich mee dat het ressortelijke/interregionale belang
veel gewicht in de schaal legt. Inmiddels wordt het gewicht dat aan
ressortelijke/interregionale belangen wordt toegekend, als te zwaar
ervaren en daarmee als probleem onderkend.
lees meer
Bijlage VI – 8.5 Informatievergaring, -opslag en
-verstrekkingJanuary 1, 1999
8.5 Informatievergaring, -opslag en -verstrekking
8.5.1 Wettelijk kader
Artikel 13, eerste lid, WIV schrijft voor dat de diensten
elkaar, mede door het verschaffen van gegevens, zoveel mogelijk
medewerking verlenen. De mogelijkheid tot informatieuitwisseling
tussen de Binnenlandse veiligheidsdienst en de Militaire
Inlichtingendienst is daarmee onbegrensd. In artikel 14 WIV is de
zorg voor geheimhouding van gegevens en bronnen alsmede voor de
veiligheid van personen met wier medewerking gegevens worden
verzameld, opgedragen aan de cordinator van de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten en de hoofden van deze diensten. De bepaling
biedt daarmee onder meer bescherming aan informanten en
agenten.
lees meer
Bijlage VII – II.2. De definitie van georganiseerde
criminaliteit in dit onderzoekJanuary 1, 1999
II.2. De definitie van georganiseerde criminaliteit in dit
onderzoek
Door georganiseerd te werken zijn mensen in staat grote
prestaties te leveren. Georganiseerd staat voor doelgerichte
samenhandeling en rationele arbeidsdeling. Het is niet overdreven
om te stellen dat het huidige peil van welvaart zonder de inbreng
van informele en formele organisaties nooit zou zijn bereikt. Het
begrip georganiseerde criminaliteit drukt treffend de ongerijmdheid
uit dat deze functionele samenwerkingsvorm tegelijkertijd ook
bedreigend kan zijn voor de samenleving. De samenleving
wordt met haar eigen wapens bestreden.
lees meer
Bijlage VII – V.2. De horecaJanuary 1, 1999
V.2. De horeca
De horeca in Nederland is over het algemeen een goed lopende,
bloeiende sector waarin veel geld omgaat. Mede vanwege de lage
toetredingseisen komen er nog steeds veel caf’s, restaurants en
snackbars bij en hun gezamelijke omzet stijgt. In totaal zijn er
bijna 40.000 horecagelegenheden in ons land. Het is een financieel
interessante branche waarin veel wordt verdiend. De gemakkelijke
toetredingsvoorwaarden trekken veel onervaren en laag opgeleide
ondernemers aan die niet altijd opgewassen zijn tegen de realiteit
van het horecabedrijf. Vooral voor de kleinere bedrijven in de
grote steden wordt de spoeling steeds dunner en is de concurrentie
zwaar. Ruim een kwart van de cafetariahouders heeft directe
concurrentie van vijf of meer andere snackbar-uitbaters, nog eens
60 procent ondervindt broodstrijd van n tot vijf
collega-ondernemers (Lenting en partners, 1991). De
modegevoeligheid van het uitgaanspubliek vergt ondernemersinzicht n
kapitaal voor nieuwe investeringen. Door een stijging van de kosten
balanceert een aantal kleine horecabedrijven op de grens van het
faillissement. De toenemende plaatsingsbeperking van speelautomaten
kan voor velen de zaak naar de verkeerde kant doen overhellen.
Minder vermogende horeca-uitbaters vinden hun financiering zelden
bij de reguliere geldinstellingen en zijn aangewezen op leningen
van brouwerijen en – in toenemende mate – van
speelautomatenexploitanten. Zo worden velen van hen afhankelijk van
geldschieters die hun financile belangen in deze sector hebben
geconcentreerd. Vooral de zwakke broeders onder de
horeca-exploitanten hebben hierin weinig keus.
lees meer
Bijlage VII – VIII.1. De ernst van de situatieJanuary 1, 1999
VIII.1. De ernst van de situatie
De vraag van de Enqutecommissie naar de aard en omvang van de
georganiseerde criminaliteit in Nederland is in wezen dezelfde
vraag als die naar de ernst van de georganiseerde criminaliteit in
dit land. Dat aard en omvang en ernst hier aan elkaar gelijkgesteld
kunnen worden blijkt duidelijk uit het rapport Opsporing
gezocht van de werkgroep-Van Traa en ook uit de parlementaire
discussie die over dit rapport heeft
plaatsgevonden met het oog op de instelling van de Enqutecommissie.
De herformulering van de vraag naar de aard en omvang in de vraag
naar de ernst is desalniettemin niet zonder betekenis. Z
geformuleerd brengt deze vraag ons namelijk dichter bij de
parallelle vraag die in dit verband aan de orde is, nl. de vraag
naar wat er kan en misschien moet worden gedaan om de
georganiseerde criminaliteit effectiever en als het kan, efficinter
aan te pakken. Hoe ernstiger dit probleem immers is, des te
ingrijpender middelen, ook in de sfeer van de opsporingsmethoden,
zijn geboden om het te beheersen (Fijnaut en Marx, 1995). Ook
volgens Amerikaans onderzoek moet de ernst van het probleem van
georganiseerde criminaliteit niet alleen worden uitgedrukt in de
aard en in de omvang van die criminaliteit maar ook in de schade
die zij aanricht (Maltz, 1990). Idealiter zou ter bepaling van de
ernst van een probleem van georganiseerde criminaliteit, in een
land of in een stad, dus zowel de aard en de omvang als de schade
van deze criminaliteit moeten worden vastgesteld. Welnu, dit ideaal
is nog nooit ergens ter wereld op een verantwoorde manier bereikt,
niet in kwalitatieve termen, laat staan in kwantitatieve termen.
Zelfs voor die vorm van georganiseerde criminaliteit die ook
beleidsmatig zo prominent de aandacht trekt, de internationale
drugshandel, is wereldwijd of nationaal geen adequate ernstmeting
voorhanden.
lees meer
Bijlage VIII – 4.3. De Hells AngelsJanuary 1, 1999
4.3. De Hells Angels: een netwerk apart
Hierboven – bij de beschrijving van twee netwerken die actief
zijn in de produktie van synthetische drugs – kwam al naar voren
dat n van deze netwerken een deel van de amphetamine verkocht aan
Hells Angels in Amsterdam, die dat dan weer onmiddellijk
doorverkochten naar Engeland. Wat bij de bespreking van het andere
netwerk niet werd aangestipt, maar hier wel moet worden gemeld, is
dat een bepaalde hoeveelheid van de illegaal ingevoerde
grondstoffen, via omwegen in Brabant, ook terecht kwam bij de Hells
Angels in de hoofdstad. Geconfronteerd met zulke feiten, moet men
zich wel de vraag stellen wat de rol van de Angels in de
georganiseerde criminaliteit is.
lees meer
Bijlage VIII – Woord voorafJanuary 1, 1999
Woord vooraf
Over de vraag in hoeverre gevestigde etnische minderheden met
politie en justitie in aanraking komen, is sedert de opheffing van
de samenzwering van zwijgzaamheid naar aanleiding van de discussie
over een Amsterdams rapport over Marokkaanse straatroof in 1989
zeer veel geschreven, maar in die literatuur wordt geen aparte
aandacht besteed aan de mate waarin etnische minderheden betrokken
zijn bij de zware en georganiseerde criminaliteit. Komt de
lucratieve georganiseerde misdaad in deze kring eigenlijk wel voor
of bevinden de allochtonen zich ook in dit opzicht onder aan de
criminele ladder aangezien zij vooral worden aangehouden voor
lichte en niet winstgevende vergrijpen? Zijn op Nederlands
grondgebied transnationale criminele organisaties actief (vergelijk
de mafia) die in zoverre van uitheemse herkomst zijn dat zij vanaf
elders worden aangestuurd? Politie en justitie weten hier naar
verhouding weinig van af en dat komt onder andere doordat deze
groepen moeilijk benaderbaar zijn en ook omdat zij geneigd kunnen
zijn hun geschillen af te doen in de beslotenheid van hun eigen
milieu. Voor zover zij er iets over weten, leggen hun
vertegenwoordigers een zekere terughoudendheid aan de dag, omdat
het taboe dat er op dit type misdaad rust nog grotendeels intact is
en niemand dat graag doorbreekt. Ook ingeburgerde immigranten die
ons erover zouden kunnen berichten weten soms maar weinig over hun
onderwerelden af en voor zover zij ervan weten, bestaat bij hen de
begrijpelijke angst dat openhartigheid hun hele groep in diskrediet
kan brengen. Zonder deskundig commentaar uit deze kring zou het
evenwel niet eenvoudig zijn geweest om de grote hoeveelheid
feitelijk materiaal die wel bij de politie aanwezig is en die wij
hier, net als bij alle rapporten over aard, omvang en ontwikkeling
van de georganiseerde misdaad ten behoeve van de Enqutecommissie,
tot uitgangspunt nemen van onze analyse, in volle omvang te
doorgronden. Uitingen van georganiseerde misdaad in allochtone
gemeenschappen in Nederland zijn moeilijk te begrijpen zonder dat
insiders iets vertellen over de politieke context waarbinnen deze
criminaliteit tot bloei kwam in het land van herkomst, over de
economische belangen die ermee zijn gemoeid en over de manifestatie
ervan binnen de etnische gemeenschap hier te lande.
lees meer
Bijlage VIII – IV.1. Uit de hete schaduw van de
IslamJanuary 1, 1999
IV. MAROKKAANSE GROEPEN IN NEDERLAND
IV.1. Uit de hete schaduw van de Islam
Geen land in de wereld is in de afgelopen vijf of tien jaar zo
snel omhooggeschoten aan het firmament van drugs-exporterende
landen als Marokko. Naast de Gouden Driehoek (Birma, Laos en
Thailand), de Gouden Sikkel (Irak, Pakistan en Afghanistan) en de
Gouden Ruit (Venezuela, Peru, Colombia, Bolivia en Brazili) is
Marokko thans bezig met een illegale drugseconomische opmars uit de
hete schaduw van de Islam (om met de ondertitel van een bekende
beschrijving van het Marokkaanse land en volk te zeggen;
Heinemeijer, 1960). Naar schatting is nu reeds tweederde van de
inkomsten van de export of tien procent van de inkomsten van het
land afkomstig van de drugshandel. Omdat het land zich, gemeten
naar de maatstaven van de formele en legale economie, in een
langdurige economische crisis bevindt mag men niet anders
verwachten dan dat de houding van de koning en de overheid in de
oorlog tegen de drugs die zij op instigatie van het Westen vanaf
oktober 1992 voeren, op zijn minst ambivalent is. De minister van
Binnenlandse Zaken van Marokko stelde in 1994 publiekelijk vast dat
ruim 100.000 gezinnen er voor hun inkomsten van afhankelijk zijn.
Sommige Marokkaanse intellectuelen en ook de politieke oppositie
(vergelijk De Volkskrant, 1.7.1995) maken zich ernstige zorgen om
de corrumperende invloed die uitgaat van de groeiende macht van de
georganiseerde misdaad in wiens handen deze handel is gevallen. De
onafhankelijke onderzoeksinstelling Observatoire Gopolitique des
Drogues te Parijs onder leiding van Professor Alain Labrousse
aarzelt niet om in haar recente landenoverzicht van 1994 Marokko in
te delen bij de Narco-staten, dat wil zeggen dat de
georganiseerde misdaad, gelieerd aan de drugshandel, in alle
staatsinstellingen macht uitoefent. Over de opkomst van de
drugshandel in Marokko is veel geschreven door beoefenaren van de
wetenschap en er is veel te vinden in (Franse en Arabisch-talige)
kranten. Deze zijn voor ons ontsloten door enkele intellectuelen
uit de Marokkaanse gemeenschap, die overigens als gesprekspartner
veel waardevolle informatie hebben verschaft. Dat zij anoniem
willen blijven, vormt op zichzelf een illustratie van het probleem
van de beheersing van Marokkaanse emigranten door de Marokkaanse
staat. Zij zijn bevreesd hun Marokkaanse staatsburgerschap kwijt te
raken omdat alle Marokkanen geacht worden loyaal te zijn aan de
islamitische godsdienst, de koning en het vaderland. Verder lopen
zij het risico strafrechtelijk te worden vervolgd wegens
hoogverraad. De Amsterdamse sociaal-geograaf Paolo De Mas heeft
zich al meer dan tien jaar ontpopt als Marokko-watcher en van zijn
informatie is hier dan ook dankbaar gebruik gemaakt. Tenslotte
berust dit hoofdstuk op wetenschappelijke literatuur en op
informatiebronnen van de politie als alle andere. De zeer
omvangrijke
literatuur over Marokkaanse criminaliteit in Nederland is slechts
beperkt bruikbaar, omdat deze gaat over de oorzaken van de
Marokkaanse jeugdcriminaliteit en nauwelijks over georganiseerde
misdaad.
lees meer
Bijlage VIII – VI. DE ITALIAANSE MAFIAJanuary 1, 1999
-
VI. DE ITALIAANSE MAFIA:
- HAAR AANWEZIGHEID OP NEDERLANDSE BODEM
In de voorbije jaren is bij herhaling de vraag opgeworpen of er
sprake is van penetratie van de Italiaanse mafia
lees meer
Bijlage VIII – VIII.2. De situatie in NederlandJanuary 1, 1999
VIII.2. De situatie in Nederland
Hoe de toestand in Nederland ligt, valt eigenlijk ook niet te
beoordelen, gewoon door het gebrek aan gericht onderzoek, zowel op
lokaal als op nationaal niveau. Niettemin is het voor alles van
belang om iets te zeggen over de grootte van de Nigeriaanse en
Ghanese gemeenschappen in Nederland. Met name ook omdat de
uitspraken van de Amsterdamse hoofdcommissaris hierover, alweer
enkele jaren geleden, voor veel commotie hebben gezorgd. Volgens de
officile cijfers liepen de aantallen Nigerianen en Ghanezen in ons
land op het einde van de jaren tachtig en in het begin van de jaren
negentig snel op. Het aantal Nigeriaanse asielzoekers bedroeg in
1987 nog slechts 167, in 1990 was het 901 en in 1991.740. Dat van
de Ghanese asielzoekers wisselde nog sterker: in 1987 was het
2.515, in 1990.715 en in 1991.465. In totaal in de periode
1987-1991 bedroeg het aantal Nigeriaanse en Ghanese asielzoekers
2.356 respectievelijk 5.427. Per 1 januari 1993
verbleven er 9.385 mensen van Ghanese herkomst in ons land, en
2.407 van Nigeriaanse herkomst. Waarbij natuurlijk direct moet
worden aangetekend dat hiermee nog niets is gezegd over het aantal
Nigerianen respectievelijk Ghanezen dat toen en nu illegaal in ons
land verbleef/verblijft. Maar enigermate betrouwbare landelijke
schattingen van hun aantal zijn niet voorhanden. Wij onthouden ons
dan ook van elke uitspraak op dit punt (Muus, 1994). De grootste
concentratie van Ghanezen en Nigerianen wordt, hoe dan ook,
aangetroffen in Amsterdam, in het bijzonder in Zuidoost
(Bijlmermeer). Hun maatschappelijke situatie ziet er in het
algemeen niet rooskleurig uit. Tezamen met het feit dat velen de
Nederlandse taal niet machtig zijn en (ook hierom) hun eigen
cultuur blijven koesteren, is hun integratie in de Nederlandse
samenleving bepaald niet vanzelfsprekend (Nimako, 1993). Ofschoon
deze groepen nog maar weinig aansluiting hebben gevonden bij
Nederlanders, bestaan er wel contacten met (creoolse)
Surinamers.
lees meer
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>