• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • Bijlage V – 5.3 Juridische grondslag

    5.3 Juridische grondslag

    Het Wetboek van Strafvordering noch enige andere Nederlandse wet
    in formele zin kent de opsporingsmethode infiltratie. Hoewel art. 1
    Sv bepaalt dat strafvordering alleen plaats heeft op de wijze bij
    de wet voorzien, heeft deze bepaling tot nu toe in de rechtspraak
    niet in de weg gestaan aan de toepassing van infiltratie. In de
    jurisprudentie is sedert het Tallonarrest (HR 4 december 1979, NJ
    1980, 356 m.nt ThWvV) infiltratie als opsporingsmethode erkend.
    Reeds in dit arrest kwam de mogelijkheid aan de orde dat de
    infiltrant strafbare feiten (mede)pleegt.

    lees meer

    Bijlage V – 7.3 Ontstaansgeschiedenis

    7.3 Ontstaansgeschiedenis

    Vanaf het begin van de jaren tachtig werkte het Duitse
    Bundeskriminalamt (BKA) samen met de Nederlandse politie bij
    gecontroleerde afleveringen. Noot Deze gecontroleerde
    afleveringen werden over het algemeen in beslag genomen nadat zij
    door de ontvangende organisatie aan anderen waren doorverkocht.
    Daarbij speelden zowel de lokale CID-en als de NCID een belangrijke
    rol. Het BKA maakte voor de financiering van een deel van dat
    traject gebruik van crimineel geld.

    lees meer

    Bijlage V – 9.4 Gecontroleerde aflevering

    9.4 Gecontroleerde aflevering

    9.4.1 Casus

    (Mede-)plegen van strafbare feiten

    lees meer

    Bijlage VI – 12.4 Verhouding tussen de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken

    12.4 Verhouding tussen de ministeries van Justitie en
    Binnenlandse Zaken

    De twee politie-ministeries hebben elk eigen bevoegdheden en
    verantwoordelijkheden op het gebied van de rechts- en
    ordehandhaving. De spreiding van bevoegdheden en
    verantwoordelijkheden die het Nederlandse politiebestel kenmerkt,
    komt mede tot uitdrukking in het naast elkaar bestaan van de twee
    ministeries. Dat is de prijs die wordt betaald voor het gezochte
    evenwicht tussen justitile en bestuurlijke belangen en tussen
    centrale en decentrale inspanningen bij de rechts- en
    ordehandhaving. Het evenwicht tussen de bevoegdheden en
    verantwoordelijkheden van de twee ministeries en de voor- en
    nadelen van het bestaan van twee ministeries op dit gebied zijn
    voortdurend onderwerp van publieke en politieke, maar zeker ook
    ambtelijke discussie. Op verschillende terreinen van de bestrijding
    van de georganiseerde criminaliteit hebben de twee ministeries
    gedeelde of complementaire bevoegdheden en verantwoordelijkheden.
    In veel gevallen zijn de ministers gehouden in overeenstemming dan
    wel in of na overleg met elkaar te handelen. Des te opvallender is
    het ontbreken van een gestructureerd overleg tussen de beide
    ministeries over de georganiseerde criminaliteit en de
    opsporingsmethoden. Dit klemt te meer omdat de verdeling van
    bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de twee ministeries in
    de praktijk niet altijd even duidelijk is. In de praktijk bestaat
    bijvoorbeeld nogal eens het misverstand dat de bestrijding van de
    georganiseerde criminaliteit het exclusieve domein van Justitie is.
    Niet voor niets adviseert de Recherche adviescommissie de beide
    ministers over de meest doelmatige inrichting en werking van de
    recherchediensten van de politie en over de uitrusting van die
    diensten met apparatuur en technische hulpmiddelen. Binnenlandse
    Zaken en Justitie hebben beide via het beheer invloed
    op de kernteams.
    Zolang als er twee politie-ministeries zijn, is er discussie over
    de voor- en nadelen daarvan en worden voorstellen gedaan om tot n
    politie-ministerie te komen. De commissie-Donner constateert dat
    het gebrek aan slagvaardigheid terzake op landelijk niveau, met
    name door het dooreen lopen van de verantwoordelijkheden van twee
    bewindspersonen en hun beider apparaten, door velen binnen en
    buiten het OM wordt ervaren als een zelfstandige factor van
    belemmering voor een effectief gezag over de politie.
    Noot Volgens sommigen zou de bundeling van de centrale
    verantwoordelijkheid binnen n ministerie de bestrijding van de
    georganiseerde criminaliteit ten goede komen.

    lees meer

    Bijlage VI – 4.3 Beslissingen over de keuze van zaken en methoden

    4.3 Beslissingen over de keuze van zaken en methoden

    4.3.1 Zaken

    Omdat de regionale, centrale recherche-eenheden in grootte
    variren, verschilt ook het aantal onderzoeken dat de centrale,
    tactische recherche-afdelingen per jaar tot een einde brengen. Het
    gaat om tussen de n en zeven zaken. Meer dan de helft van het
    aantal onderzoeken dat de regionale rechercheteams doen, heeft
    betrekking op drugs. Daarnaast treffen we in volgorde van afnemende
    hoeveelheid respectievelijk onderzoeken aan naar fraude en
    witwassen, hooggeorganiseerde overvallen en afpersingen,
    georganiseerde autodiefstallen, levensdelicten, vrouwenhandel en
    milieuzaken.

    lees meer

    Bijlage VI – 6.5 Beslissingen over de keuze van zaken en methoden

    6.5 Beslissingen over de keuze van zaken en methoden

    6.5.1 Zaken

    De keuze van onderzoeken van de kernteams en het LRT geschiedt
    door het College van procureurs-generaal op voordracht van het
    Cordinerend beleidsoverleg (CBO). Het CBO moet bij de advisering
    over de onderzoeksdoelen van de kernteams en van het LRT het
    landelijke en het internationale belang voorop stellen. Maar de
    systematiek van de – doorgaans ressortelijk ingedeelde – kernteams
    brengt met zich mee dat het ressortelijke/interregionale belang
    veel gewicht in de schaal legt. Inmiddels wordt het gewicht dat aan
    ressortelijke/interregionale belangen wordt toegekend, als te zwaar
    ervaren en daarmee als probleem onderkend.

    lees meer

    Bijlage VI – 8.5 Informatievergaring, -opslag en -verstrekking

    8.5 Informatievergaring, -opslag en -verstrekking

    8.5.1 Wettelijk kader

    Artikel 13, eerste lid, WIV schrijft voor dat de diensten
    elkaar, mede door het verschaffen van gegevens, zoveel mogelijk
    medewerking verlenen. De mogelijkheid tot informatieuitwisseling
    tussen de Binnenlandse veiligheidsdienst en de Militaire
    Inlichtingendienst is daarmee onbegrensd. In artikel 14 WIV is de
    zorg voor geheimhouding van gegevens en bronnen alsmede voor de
    veiligheid van personen met wier medewerking gegevens worden
    verzameld, opgedragen aan de cordinator van de inlichtingen- en
    veiligheidsdiensten en de hoofden van deze diensten. De bepaling
    biedt daarmee onder meer bescherming aan informanten en
    agenten.

    lees meer

    Bijlage VII – II.2. De definitie van georganiseerde criminaliteit in dit onderzoek

    II.2. De definitie van georganiseerde criminaliteit in dit
    onderzoek

    Door georganiseerd te werken zijn mensen in staat grote
    prestaties te leveren. Georganiseerd staat voor doelgerichte
    samenhandeling en rationele arbeidsdeling. Het is niet overdreven
    om te stellen dat het huidige peil van welvaart zonder de inbreng
    van informele en formele organisaties nooit zou zijn bereikt. Het
    begrip georganiseerde criminaliteit drukt treffend de ongerijmdheid
    uit dat deze functionele samenwerkingsvorm tegelijkertijd ook
    bedreigend kan zijn voor de samenleving. De samenleving
    wordt met haar eigen wapens bestreden.

    lees meer

    Bijlage VII – V.2. De horeca

    V.2. De horeca

    De horeca in Nederland is over het algemeen een goed lopende,
    bloeiende sector waarin veel geld omgaat. Mede vanwege de lage
    toetredingseisen komen er nog steeds veel caf’s, restaurants en
    snackbars bij en hun gezamelijke omzet stijgt. In totaal zijn er
    bijna 40.000 horecagelegenheden in ons land. Het is een financieel
    interessante branche waarin veel wordt verdiend. De gemakkelijke
    toetredingsvoorwaarden trekken veel onervaren en laag opgeleide
    ondernemers aan die niet altijd opgewassen zijn tegen de realiteit
    van het horecabedrijf. Vooral voor de kleinere bedrijven in de
    grote steden wordt de spoeling steeds dunner en is de concurrentie
    zwaar. Ruim een kwart van de cafetariahouders heeft directe
    concurrentie van vijf of meer andere snackbar-uitbaters, nog eens
    60 procent ondervindt broodstrijd van n tot vijf
    collega-ondernemers (Lenting en partners, 1991). De
    modegevoeligheid van het uitgaanspubliek vergt ondernemersinzicht n
    kapitaal voor nieuwe investeringen. Door een stijging van de kosten
    balanceert een aantal kleine horecabedrijven op de grens van het
    faillissement. De toenemende plaatsingsbeperking van speelautomaten
    kan voor velen de zaak naar de verkeerde kant doen overhellen.
    Minder vermogende horeca-uitbaters vinden hun financiering zelden
    bij de reguliere geldinstellingen en zijn aangewezen op leningen
    van brouwerijen en – in toenemende mate – van
    speelautomatenexploitanten. Zo worden velen van hen afhankelijk van
    geldschieters die hun financile belangen in deze sector hebben
    geconcentreerd. Vooral de zwakke broeders onder de
    horeca-exploitanten hebben hierin weinig keus.

    lees meer

    Bijlage VII – VIII.1. De ernst van de situatie

    VIII.1. De ernst van de situatie

    De vraag van de Enqutecommissie naar de aard en omvang van de
    georganiseerde criminaliteit in Nederland is in wezen dezelfde
    vraag als die naar de ernst van de georganiseerde criminaliteit in
    dit land. Dat aard en omvang en ernst hier aan elkaar gelijkgesteld
    kunnen worden blijkt duidelijk uit het rapport Opsporing
    gezocht
    van de werkgroep-Van Traa en ook uit de parlementaire
    discussie die over dit rapport heeft
    plaatsgevonden met het oog op de instelling van de Enqutecommissie.
    De herformulering van de vraag naar de aard en omvang in de vraag
    naar de ernst is desalniettemin niet zonder betekenis. Z
    geformuleerd brengt deze vraag ons namelijk dichter bij de
    parallelle vraag die in dit verband aan de orde is, nl. de vraag
    naar wat er kan en misschien moet worden gedaan om de
    georganiseerde criminaliteit effectiever en als het kan, efficinter
    aan te pakken. Hoe ernstiger dit probleem immers is, des te
    ingrijpender middelen, ook in de sfeer van de opsporingsmethoden,
    zijn geboden om het te beheersen (Fijnaut en Marx, 1995). Ook
    volgens Amerikaans onderzoek moet de ernst van het probleem van
    georganiseerde criminaliteit niet alleen worden uitgedrukt in de
    aard en in de omvang van die criminaliteit maar ook in de schade
    die zij aanricht (Maltz, 1990). Idealiter zou ter bepaling van de
    ernst van een probleem van georganiseerde criminaliteit, in een
    land of in een stad, dus zowel de aard en de omvang als de schade
    van deze criminaliteit moeten worden vastgesteld. Welnu, dit ideaal
    is nog nooit ergens ter wereld op een verantwoorde manier bereikt,
    niet in kwalitatieve termen, laat staan in kwantitatieve termen.
    Zelfs voor die vorm van georganiseerde criminaliteit die ook
    beleidsmatig zo prominent de aandacht trekt, de internationale
    drugshandel, is wereldwijd of nationaal geen adequate ernstmeting
    voorhanden.

    lees meer

    Bijlage VIII – 4.3. De Hells Angels

    4.3. De Hells Angels: een netwerk apart

    Hierboven – bij de beschrijving van twee netwerken die actief
    zijn in de produktie van synthetische drugs – kwam al naar voren
    dat n van deze netwerken een deel van de amphetamine verkocht aan
    Hells Angels in Amsterdam, die dat dan weer onmiddellijk
    doorverkochten naar Engeland. Wat bij de bespreking van het andere
    netwerk niet werd aangestipt, maar hier wel moet worden gemeld, is
    dat een bepaalde hoeveelheid van de illegaal ingevoerde
    grondstoffen, via omwegen in Brabant, ook terecht kwam bij de Hells
    Angels in de hoofdstad. Geconfronteerd met zulke feiten, moet men
    zich wel de vraag stellen wat de rol van de Angels in de
    georganiseerde criminaliteit is.

    lees meer

    Bijlage VIII – Woord vooraf

    Woord vooraf

    Over de vraag in hoeverre gevestigde etnische minderheden met
    politie en justitie in aanraking komen, is sedert de opheffing van
    de samenzwering van zwijgzaamheid naar aanleiding van de discussie
    over een Amsterdams rapport over Marokkaanse straatroof in 1989
    zeer veel geschreven, maar in die literatuur wordt geen aparte
    aandacht besteed aan de mate waarin etnische minderheden betrokken
    zijn bij de zware en georganiseerde criminaliteit. Komt de
    lucratieve georganiseerde misdaad in deze kring eigenlijk wel voor
    of bevinden de allochtonen zich ook in dit opzicht onder aan de
    criminele ladder aangezien zij vooral worden aangehouden voor
    lichte en niet winstgevende vergrijpen? Zijn op Nederlands
    grondgebied transnationale criminele organisaties actief (vergelijk
    de mafia) die in zoverre van uitheemse herkomst zijn dat zij vanaf
    elders worden aangestuurd? Politie en justitie weten hier naar
    verhouding weinig van af en dat komt onder andere doordat deze
    groepen moeilijk benaderbaar zijn en ook omdat zij geneigd kunnen
    zijn hun geschillen af te doen in de beslotenheid van hun eigen
    milieu. Voor zover zij er iets over weten, leggen hun
    vertegenwoordigers een zekere terughoudendheid aan de dag, omdat
    het taboe dat er op dit type misdaad rust nog grotendeels intact is
    en niemand dat graag doorbreekt. Ook ingeburgerde immigranten die
    ons erover zouden kunnen berichten weten soms maar weinig over hun
    onderwerelden af en voor zover zij ervan weten, bestaat bij hen de
    begrijpelijke angst dat openhartigheid hun hele groep in diskrediet
    kan brengen. Zonder deskundig commentaar uit deze kring zou het
    evenwel niet eenvoudig zijn geweest om de grote hoeveelheid
    feitelijk materiaal die wel bij de politie aanwezig is en die wij
    hier, net als bij alle rapporten over aard, omvang en ontwikkeling
    van de georganiseerde misdaad ten behoeve van de Enqutecommissie,
    tot uitgangspunt nemen van onze analyse, in volle omvang te
    doorgronden. Uitingen van georganiseerde misdaad in allochtone
    gemeenschappen in Nederland zijn moeilijk te begrijpen zonder dat
    insiders iets vertellen over de politieke context waarbinnen deze
    criminaliteit tot bloei kwam in het land van herkomst, over de
    economische belangen die ermee zijn gemoeid en over de manifestatie
    ervan binnen de etnische gemeenschap hier te lande.

    lees meer

    Bijlage VIII – IV.1. Uit de hete schaduw van de Islam

    IV. MAROKKAANSE GROEPEN IN NEDERLAND

    IV.1. Uit de hete schaduw van de Islam

    Geen land in de wereld is in de afgelopen vijf of tien jaar zo
    snel omhooggeschoten aan het firmament van drugs-exporterende
    landen als Marokko. Naast de Gouden Driehoek (Birma, Laos en
    Thailand), de Gouden Sikkel (Irak, Pakistan en Afghanistan) en de
    Gouden Ruit (Venezuela, Peru, Colombia, Bolivia en Brazili) is
    Marokko thans bezig met een illegale drugseconomische opmars uit de
    hete schaduw van de Islam (om met de ondertitel van een bekende
    beschrijving van het Marokkaanse land en volk te zeggen;
    Heinemeijer, 1960). Naar schatting is nu reeds tweederde van de
    inkomsten van de export of tien procent van de inkomsten van het
    land afkomstig van de drugshandel. Omdat het land zich, gemeten
    naar de maatstaven van de formele en legale economie, in een
    langdurige economische crisis bevindt mag men niet anders
    verwachten dan dat de houding van de koning en de overheid in de
    oorlog tegen de drugs die zij op instigatie van het Westen vanaf
    oktober 1992 voeren, op zijn minst ambivalent is. De minister van
    Binnenlandse Zaken van Marokko stelde in 1994 publiekelijk vast dat
    ruim 100.000 gezinnen er voor hun inkomsten van afhankelijk zijn.
    Sommige Marokkaanse intellectuelen en ook de politieke oppositie
    (vergelijk De Volkskrant, 1.7.1995) maken zich ernstige zorgen om
    de corrumperende invloed die uitgaat van de groeiende macht van de
    georganiseerde misdaad in wiens handen deze handel is gevallen. De
    onafhankelijke onderzoeksinstelling Observatoire Gopolitique des
    Drogues
    te Parijs onder leiding van Professor Alain Labrousse
    aarzelt niet om in haar recente landenoverzicht van 1994 Marokko in
    te delen bij de Narco-staten, dat wil zeggen dat de
    georganiseerde misdaad, gelieerd aan de drugshandel, in alle
    staatsinstellingen macht uitoefent. Over de opkomst van de
    drugshandel in Marokko is veel geschreven door beoefenaren van de
    wetenschap en er is veel te vinden in (Franse en Arabisch-talige)
    kranten. Deze zijn voor ons ontsloten door enkele intellectuelen
    uit de Marokkaanse gemeenschap, die overigens als gesprekspartner
    veel waardevolle informatie hebben verschaft. Dat zij anoniem
    willen blijven, vormt op zichzelf een illustratie van het probleem
    van de beheersing van Marokkaanse emigranten door de Marokkaanse
    staat. Zij zijn bevreesd hun Marokkaanse staatsburgerschap kwijt te
    raken omdat alle Marokkanen geacht worden loyaal te zijn aan de
    islamitische godsdienst, de koning en het vaderland. Verder lopen
    zij het risico strafrechtelijk te worden vervolgd wegens
    hoogverraad. De Amsterdamse sociaal-geograaf Paolo De Mas heeft
    zich al meer dan tien jaar ontpopt als Marokko-watcher en van zijn
    informatie is hier dan ook dankbaar gebruik gemaakt. Tenslotte
    berust dit hoofdstuk op wetenschappelijke literatuur en op
    informatiebronnen van de politie als alle andere. De zeer
    omvangrijke
    literatuur over Marokkaanse criminaliteit in Nederland is slechts
    beperkt bruikbaar, omdat deze gaat over de oorzaken van de
    Marokkaanse jeugdcriminaliteit en nauwelijks over georganiseerde
    misdaad.

    lees meer

    Bijlage VIII – VI. DE ITALIAANSE MAFIA

    VI. DE ITALIAANSE MAFIA:

    HAAR AANWEZIGHEID OP NEDERLANDSE BODEM

    In de voorbije jaren is bij herhaling de vraag opgeworpen of er
    sprake is van penetratie van de Italiaanse mafia

    lees meer

    Bijlage VIII – VIII.2. De situatie in Nederland

    VIII.2. De situatie in Nederland

    Hoe de toestand in Nederland ligt, valt eigenlijk ook niet te
    beoordelen, gewoon door het gebrek aan gericht onderzoek, zowel op
    lokaal als op nationaal niveau. Niettemin is het voor alles van
    belang om iets te zeggen over de grootte van de Nigeriaanse en
    Ghanese gemeenschappen in Nederland. Met name ook omdat de
    uitspraken van de Amsterdamse hoofdcommissaris hierover, alweer
    enkele jaren geleden, voor veel commotie hebben gezorgd. Volgens de
    officile cijfers liepen de aantallen Nigerianen en Ghanezen in ons
    land op het einde van de jaren tachtig en in het begin van de jaren
    negentig snel op. Het aantal Nigeriaanse asielzoekers bedroeg in
    1987 nog slechts 167, in 1990 was het 901 en in 1991.740. Dat van
    de Ghanese asielzoekers wisselde nog sterker: in 1987 was het
    2.515, in 1990.715 en in 1991.465. In totaal in de periode
    1987-1991 bedroeg het aantal Nigeriaanse en Ghanese asielzoekers
    2.356 respectievelijk 5.427. Per 1 januari 1993
    verbleven er 9.385 mensen van Ghanese herkomst in ons land, en
    2.407 van Nigeriaanse herkomst. Waarbij natuurlijk direct moet
    worden aangetekend dat hiermee nog niets is gezegd over het aantal
    Nigerianen respectievelijk Ghanezen dat toen en nu illegaal in ons
    land verbleef/verblijft. Maar enigermate betrouwbare landelijke
    schattingen van hun aantal zijn niet voorhanden. Wij onthouden ons
    dan ook van elke uitspraak op dit punt (Muus, 1994). De grootste
    concentratie van Ghanezen en Nigerianen wordt, hoe dan ook,
    aangetroffen in Amsterdam, in het bijzonder in Zuidoost
    (Bijlmermeer). Hun maatschappelijke situatie ziet er in het
    algemeen niet rooskleurig uit. Tezamen met het feit dat velen de
    Nederlandse taal niet machtig zijn en (ook hierom) hun eigen
    cultuur blijven koesteren, is hun integratie in de Nederlandse
    samenleving bepaald niet vanzelfsprekend (Nimako, 1993). Ofschoon
    deze groepen nog maar weinig aansluiting hebben gevonden bij
    Nederlanders, bestaan er wel contacten met (creoolse)
    Surinamers.

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>