• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • Bijlage V – Wierdense bijstandsfraude

    Wierdense bijstandsfraude

    HR (civiele kamer) 11 november 1994, NJ 1995, 400 m.nt HJS en
    RvdW 1994, 241C m.nt EAA (Artt. 8 lid 2 EVRM, 19 IVBP, 10
    Grondwet, 25a en 25b,3 Wet Inkomensvoorziening oudere en
    gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
    (IOAZ))

    lees meer

    Bijlage V – Witwassen informatie

    Witwassen informatie

    HR 26 april 1994, NJ 1994, 737 m.nt. Sch
    (Art. 2 lid 1 aanhef onder b Opiumwet)
    In het gewraakte proces-verbaal stond dat bij de chef van het
    bureau CID van de (..) is informatie
    binnengekomen dat …. Ter terechtzitting bij de rechtbank
    verklaard verbalisant: Tijdens het afluisteren van de telefoon van
    rechter-commissaris heb ik zelf die de informatie over ene Hans uit
    Amsterdam verkregen. Ik heb deze informatie niet aan de CID
    doorgegeven omdat ik ben vergeten een tipformulier ten behoeve van
    de CID op te maken. Ik heb deze informatie dus niet van de CID
    verkregen. Deze gang van zaken was noodzakelijk om de tap af te
    schermen.

    lees meer

    Bijlage V – 2.3 De voorwaarden van inzet van opsporingsmethoden

    2.3 De voorwaarden van inzet van opsporingsmethoden

    Centraal in het Wetboek van Strafvordering staat het begrip
    verdenking: het redelijk vermoeden dat iemand zich heeft schuldig
    gemaakt aan een strafbaar feit. Vrijwel alle in dat wetboek
    behandelde dwangmiddelen eisen dat het dwangmiddel slechts wordt
    toegepast in geval van een verdenking jegens een verdachte; soms
    eist de wet voor de toepassing van een dwangmiddel slechts de
    verdenking dat een strafbaar feit is begaan (bijvoorbeeld artikel
    97 Sv). Dikwijls clausuleert de wet de gevallen: dan mag een
    bepaald dwangmiddel bijvoorbeeld slechts worden gehanteerd in geval
    van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is
    toegelaten.

    lees meer

    Bijlage V – 4.8 Conclusies

    4.8 Conclusies

    1. Een informant is iemand, die onder zekere waarborgen
    aangaande zijn anonimiteit aan een opsporingsambtenaar gevraagd of
    ongevraagd inlichtingen verstrekt in verband met gepleegde of te
    plegen strafbare feiten. In de praktijk worden evenwel zeer veel
    verschillende definities gehanteerd, waardoor in het bijzonder het
    verschil tussen informanten en burgerinfiltranten onhelder is. 2.
    De meeste informanten worden geworven of dienen zich aan als zij
    als verdachte met de politie in aanraking zijn gekomen, zijn
    afkomstig uit het criminele milieu en hebben wetenschap van
    drugsdelicten. Een minderheid meldt zich spontaan aan of wordt
    benaderd door de CID. Eveneens is een minderheid afkomstig uit het
    relatienetwerk van een subject, of uit het dienstverlenende
    bedrijfsleven, en/of heeft informatie over fraude en andere
    niet-klassieke delicten. Geconstateerd is dat ook politieambtenaren
    als informant worden geregistreerd.

    lees meer

    Bijlage V – 7.11 Totaal aantal containers en kilo’s

    7.11 Totaal aantal containers en kilo’s

    Het is duidelijk dat grote hoeveelheden verdovende middelen met
    medeweten en onder regie van politie en justitie op de markt
    verdwenen zijn. Een dag voor het begin van de openbare verhoren van
    de commissie, op 5 september 1995, sprak de minister van Justitie
    in de Kamer van 100 tot 400 ton softdrugs die waren doorgeleverd.
    Hoeveel daarvan op de markt was gekomen was nog onderwerp van
    onderzoek.

    lees meer

    Bijlage V – 9.1 Inleiding

    9 CORRUPTIE-GEVOELIGHEID VAN BIJZONDERE
    OPSPORINGSMETHODEN

    9.1 Inleiding

    9.1.1 Achtergrond en vraagstelling

    Sinds de jaren zeventig, toen bijvoorbeeld in het Amsterdamse
    korps werd gediscussieerd over gevallen van normafwijkend gedrag
    (naggen) en het verkrijgen van speciale politiekortingen (dalven)
    Noot , staat het onderwerp van politile corruptie
    regelmatig in het brandpunt van de belangstelling. In 1989 sprak
    bijvoorbeeld een aantal korpschefs openlijk hun bezorgdheid uit
    over de corruptie binnen hun eigen gelederen. Noot
    Hoofdcommissaris Brand van Den Haag verwoordde hun zorg als volgt:
    Er zijn altijd vormen van normafwijkend gedrag geweest, maar
    gemiddeld beperkte zich dat tot kleinere zaken. Maar waar we nu
    tegen aankijken, is tegen een georganiseerde criminaliteit, die
    meer dan in het verleden over geweldige hoeveelheden geld beschikt.
    En dan kun je er donder op zeggen dat er ook corruptie is binnen
    overheidsorganen. Je moet je realiseren dat er zoveel geld
    beschikbaar is dat ze proberen mensen tot echte corruptie over te
    halen. Ik moet helaas zeggen dat we het ook tegenkomen. Ook in
    politie-organisaties ontdekken we zo nu en dan dat het er is. Dat
    feit is op zich verontrustend. We zullen er geweldig achterheen
    moeten zitten. Het is nu ook dat we er soms rekening mee houden,
    dat wij soms dingen doen of laten omdat we weten dat corruptie in
    ons bedrijf niet meer is uitgesloten. Noot Het gevoelen
    dat politile corruptie een zeer ernstige zaak is en dat de ernst
    hiervan zal groeien naarmate de belangen van de geldbedragen in het
    criminele milieu toenemen was in maart 1990 voor de Recherche
    Advies Commissie (RAC) reden om een werkgroep in te stellen die
    onderzoek zou moeten doen naar de aard en de omvang van de
    corruptie binnen de politie. In 1992 verscheen het advies van
    Fijnaut aan deze commissie. Noot Dit advies was voor de
    Rechercheschool Zutphen aanleiding om op 14 oktober 1993 een
    studiedag te organiseren met als titel Politile corruptie in
    Nederland: verschijningsvormen, achtergronden en
    beheersingsstrategien Noot In 1991 wijdde het
    tijdschrift Justitile Verkenningen, dat onder andere wordt
    uitgegeven door het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatie
    Centrum van het ministerie van Justitie (WODC), een themanummer aan
    de betrouwbaarheid van de overheid. Dit nummer stond volledig in
    het teken van politile corruptie, omdat het politieapparaat, door
    het permanente contact met de criminele wereld, kwetsbaar is en
    omdat de betrouwbaarheid van het politieapparaat een absolute
    voorwaarde vormt voor haar optreden. De Raad van
    Hoofdcommissarissen, waarvan een lid speciaal is belast met het
    onderwerp integriteit, heeft eind 1994 een overzicht laten maken
    van de maatregelen die in de verschillende korpsen in Nederland
    worden genomen ter bestrijding van politile corruptie.
    Noot De noodzaak voor dergelijke maatregelen werd kort
    geleden nog onderstreept. In het voorjaar van 1995 verschenen
    verschillende berichten in de pers waarin
    vertrouwensfunctionarissen van twee grote korpsen in Nederland
    stelden, dat er het een en ander grondig mis is met de integriteit
    bij de politie. Andere korpsen hebben deze berichten inmiddels met
    klem van de hand gewezen. Noot

    lees meer

    Bijlage VI – 12.1 Inleiding

    12 MINISTERIES

    12.1 Inleiding

    12.1.1 Algemene introductie

    De ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken staan bekend
    als de politieministeries. De minister van Justitie draagt op
    centraal niveau de primaire verantwoordelijkheid voor het
    strafrechtelijk beleid, met inbegrip van het beleid ten aanzien van
    de georganiseerde criminaliteit. De minister van Binnenlandse Zaken
    draagt op centraal niveau de primaire verantwoordelijkheid voor het
    binnenlands bestuur en voor het beleid inzake de openbare orde.

    lees meer

    Bijlage VI – 3.6 Conclusie

    3.6 Conclusie

    1. De werkzaamheden die de CID verricht ter uitvoering van de in
    de CID-regeling neergelegde taak, zijn te onderscheiden in
    inlichtingenwerk dat bestaat uit het verzamelen en bewerken van
    informatie en inlichtingenwerk dat bestaat uit het genereren van
    informatie. Het inlichtingenwerk geschiedt ook in de proactieve
    fase dat wil zeggen voordat een verdenking bestaat jegens een
    persoon en/of voordat het redelijk vermoeden bestaat dat een
    strafbaar feit is gepleegd), maar ook parallel aan tactisch
    recherche-onderzoek en/of parallel aan gerechtelijk
    vooronderzoek.

    lees meer

    Bijlage VI – 6.2 Oprichting en ontwikkeling kernteams

    6.2 Oprichting en ontwikkeling kernteams

    De ontwikkeling naar de oprichting van de huidige zes kernteams
    vindt zijn oorsprong in de tachtiger jaren. In die periode groeit
    bij politie, justitie en politiek de belangstelling voor de aanpak
    van georganiseerde criminaliteit. In 1985 verschijnt het
    beleidsplan Samenleving en Criminaliteit. In dat plan kiest
    de regering in feite voor een tweesporenbeleid. Enerzijds wordt
    voor wat betreft de veel voorkomende criminaliteit gekozen voor een
    bestuurlijke, preventieve benadering. Anderzijds wordt expliciet
    meer aandacht en inspanning gevraagd voor de aanpak van de
    georganiseerde criminaliteit in Nederland. Naar aanleiding van het
    beleidsplan Samenleving en Criminaliteit (1985) heeft de
    Vergadering van procureurs-generaal de Werkgroep
    prioriteitenstelling (werkgroep-Addens) ingesteld. Deze werkgroep
    doet in 1986 en 1987 de aanbeveling om op het vlak van organisatie
    en beheer te zoeken naar manieren om – binnen het toenmalige bestel
    – te komen tot een doelmatige en doeltreffende aanpak van de
    georganiseerde criminaliteit.

    lees meer

    Bijlage VI – 8.2 De Binnenlandse veiligheidsdienst

    8.2 De Binnenlandse veiligheidsdienst

    8.2.1 Organisatie

    De BVD bestaat uit zes directies die hirarchisch ressorteren
    onder het hoofd van de BVD. In de eerste directie zijn
    ondergebracht strategie, planning en controle alsmede juridische
    zaken en communicatie. Deze directie kan worden beschouwd als een
    stafafdeling. Directie twee (D2) heeft als aandachtsgebied de
    democratische rechtsorde, directie drie (D3) de veiligheid van de
    staat, en directie vier (D4) het maatschappelijk en
    economisch leven. Elk van deze drie directies heeft vijf
    afdelingen: teamleiders, onderzoek, documentatie, studie en
    bewerking, en beveiligingsadvies. De vijfde directie (operationele
    informatievergaring) geeft ondersteuning aan het primaire proces.
    In deze directie zijn de vaardigheid en deskundigheid aanwezig die
    de inzet van bijzondere middelen ter informatievergaring, zoals de
    telefoontap en de observatie van personen vereisen. Directie zes
    houdt zich bezig met managementadvies en de centrale faciliteiten
    (personeelszaken, financin e.d.). Bij de BVD zijn ongeveer 560
    personen werkzaam.

    lees meer

    Bijlage VII – II. DE DEFINITIE VAN GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT

    II. DE DEFINITIE VAN GEORGANISEERDE
    CRIMINALITEIT

    Er is in de voorbije jaren veel geschreven over de geschiedenis
    van de georganiseerde criminaliteit, en ook over de geschiedenis
    van haar bestrijding. Veel en veel minder aandacht is daarentegen
    geschonken aan de geschiedenis van de maatschappelijke discussie
    over deze vorm van criminaliteit, in het bijzonder de discussie
    over de definitie van dit fenomeen. Toch is ook dit geen
    onbelangrijke kwestie, zoals de werkgroep-Van Traa terecht heeft
    vastgesteld. Want de manier waarop georganiseerde criminaliteit
    wordt gedefinieerd, bepaalt niet alleen in hoge mate het uitzicht
    dat dit verschijnsel heeft, maar heeft ook verstrekkende gevolgen
    voor het beleid dat ertegen wordt of moet worden gevoerd. Tegen de
    achtergrond van de discussie die in Nederland over de definitie van
    georganiseerde criminaliteit heeft gespeeld, wordt in II.2 de
    definitie verantwoord en gepreciseerd die in dit onderzoek is
    gehanteerd.

    lees meer

    Bijlage VII – IV.7. Besluit

    IV.7. Besluit

    Hiervoor kon om redenen die in de inleiding zijn genoemd, geen
    compleet beeld worden geschetst van de aard en omvang van de
    traditionele georganiseerde criminaliteit in Nederland. Bezien naar
    haar aard ontbreekt een kenschets van het illegale gokwezen. En wat
    haar omvang betreft ontbreken zelfs voor de drughandel maatgevende
    cijfers. In de voorgaande paragrafen is dus hoofdzakelijk
    uiteengezet hoe bepaalde vormen van traditionele georganiseerde
    criminaliteit er op een aantal wezenlijke punten uitzien: wat voor
    groepen zijn betrokken bij de criminele activiteiten in kwestie,
    hoe organiseren zij die en welke is de bestemming van de aldus
    gegenereerde inkomsten. Dat in deze uiteenzetting de drugshandel
    een prominente plaats inneemt, is niet alleen een gevolg van het
    feit dat de opsporingscapaciteit van politie en justitie voor een
    groot deel op de bestrijding van deze handel is gericht. Deze
    enorme inzet van de schaarse middelen correspondeert tot op zekere
    hoogte met de vooraanstaande rol die de drugshandel in de
    georganiseerde criminaliteit in Nederland speelt.

    lees meer

    Bijlage VII – VII.3. Besluit

    VII.3. Besluit

    Vorenstaande beschrijvingen maken duidelijk dat ook in Nederland
    de democratische rechtsstaat, vooral in de vorm van de
    strafrechtspleging, tegenwoordig op uiteenlopende manieren onder
    druk wordt gezet door criminele groepen. Hoe hoog deze druk is valt
    in het algemeen niet te beantwoorden. Wel is duidelijk dat hij in
    Amsterdam de laatste jaren veel hoger is geweest dan in steden als
    Arnhem, Nijmegen en Enschede. Er kan dus eigenlijk alleen in
    relatieve termen iets over worden gezegd. Maar dit neemt niet weg
    dat kan worden gesteld dat ook in Arnhem de spanning in welbepaalde
    gevallen hoog is opgelopen. Bij het vorenstaande moet worden
    aangetekend dat de toepassing van contrastrategien tot op dit
    moment kennelijk goeddeels beperkt is gebleven tot ambtenaren in
    uitvoerende functies bij overheidsorganen die het meest direct zijn
    betrokken bij de repressieve bestrijding van georganiseerde
    criminaliteit, in het bijzonder de (algemene en reguliere)
    politiediensten, de koninklijke marechaussee en de douane. En dit
    ligt natuurlijk ook voor de hand: zij belichamen het meest tastbaar
    het risico dat de democratische rechtsstaat die zich teweerstelt,
    betekent voor criminele groepen. Er is dus geen sprake van dat
    zulke groepen langs de weg van corruptie en/of intimidatie
    belangrijke overheidsdiensten, laat staan gewichtige bestuurlijke
    organen of autoriteiten, onder controle zouden hebben. Niettemin
    geven enkele voorvallen uit de genoemde steden aan dat in elk geval
    op plaatselijk niveau de grens tussen openbaar bestuur (lees:
    (deel)gemeenteraad) en criminele groepen niet absoluut is en dus
    zorgvuldig moet worden bewaakt.

    lees meer

    Bijlage VIII – 4.1. Diagonaal door Nederland

    4.1. Diagonaal door Nederland: van Maastricht tot
    Amsterdam

    De man wiens schaarse centrale politiegegevens de insteek vormen
    in het algemene criminele netwerk dat hier in vogelvlucht wordt
    blootgelegd, is zo ongeveer halverwege de diagonaal
    Maastricht-Amsterdam genesteld. In het nabije verleden heeft hij
    zich bij de politie in de streek vooral doen kennen als een wat
    patserig type, betrokken bij gewapende overvallen, met companen
    bezig over de ontvoering van gefortuneerde mensen, thuis in de
    illegale wapenhandel, in staat om allerhande duurdere gestolen
    spullen (horloges, auto’s) te leveren, en actief in de handel in
    verdovende middelen. Verder was hij kind aan huis bij diverse
    roemruchte woonwagenfamilies. Deze laatste opmerking is relevant,
    omdat die connectie wellicht verklaart waarom hij op het einde van
    de jaren tachtig opdook in de schaduw van enkele kampers in de
    Randstad die op dat moment bezig waren hun drugsgroothandelsgroepen
    op te bouwen. Hoe nauw hun relatie toen is geweest, is niet zo
    duidelijk. De betrokkene heeft in zijn lokale kennissenkring
    kennelijk nogal hoog opgegeven over zijn rol als strong arm
    van de bedoelde internationale dealers. Zelf meen ik dat zijn
    betekenis voor hen niet zo groot is geweest: in de gedetailleerde
    analyses van de betrokken groepen ben ik zijn naam niet eenmaal
    tegengekomen. Hoogstwaarschijnlijk had hij in die tijd ook contact
    met de Bruinsma-clan in Amsterdam. Enkele van zijn toenmalige
    Nederlandse en Belgische kameraden, waaronder de houder van een
    sportschool, betrokken van deze groep in elk geval redelijk grote
    porties hash, bedoeld voor distributie in de regio. Maar het is ook
    niet uitgesloten dat hij met hen voor die clan een tijdlang
    hashtransporten heeft verzorgd. Deze voor-geschiedenis werpt reeds
    enig licht op het latere netwerk van betrokkene en zijn positie
    daarin. Het lijkt vast te staan dat hij aan zijn activiteiten in
    Holland een aantal goede bekenden heeft overgehouden die tot op de
    dag van vandaag tot de subtop van de Randstedelijke drugshandel
    moeten worden gerekend. Met name onderhoudt hij kennelijk nauwe
    relaties met een tweespan dat zowel in de hashhandel bedrijvig is
    als ook grondstoffen kan leveren voor de aanmaak van synthetische
    drugs. In het kader van deze laatste activiteit werken de
    handelaren in kwestie vermoedelijk nauw samen met vrij bekende
    pep-fabrikanten in Brabant. Wat
    het contact met deze Hollandse subtoppers inhoudelijk voorstelt,
    valt op grond van de beschikbare informatie in het geheel niet te
    zeggen. Dat is een aanwijzing temeer dat hij met de betrokkenen
    niet zoiets als een hoog-georganiseerde groep vormt, zoals een van
    de CRI-inventarisaties wil doen geloven. In zijn natuurlijke
    omgeving schijnt de man in kwestie ondertussen dezelfde weg te
    hebben afgelegd als andere belangrijke figuren in de internationale
    Nederlandse drugshandel. Gestart als geweldenaar, ontpoppen zij
    zich vervolgens tot rechterhand van een geduchte drugssmokkelaar,
    en nemen tenslotte – wanneer de baas het loodje legt of anderszins
    uitvalt – diens positie over. Zover is zijn loopbaan nu nog niet
    gevorderd. Maar hij is wel op weg naar een dergelijke positie. Op
    dit moment fungeert hij nog maar als tweede man van een
    drugshandelsclique die op zichzelf genomen niet erg omvangrijk is,
    en die door haar stille manier van werken in Nederland zelf ook
    geen grote bekendheid geniet, maar die, internationaal gesproken,
    in het nabije verleden heeft bewezen mee te tellen in de kring van
    de echte drugsgroothandelaren. Wanneer het moment gekomen is dat
    hij de leiding van deze clique overneemt of, als het hem te
    lang duurt, een eigen groep formeert, valt niet te voorspellen.
    Zeker is alleen dat hij in het diepe zuiden van het land ruim
    voldoende geharde beroepsmisdadigers kent om een serieuze criminele
    groep mee op te bouwen. Hier onderhoudt hij, om te beginnen, de
    nauwste contacten met twee criminele figuren die de harde kern
    vormen van een clique van vier vijf personen. De criminele
    staat van dienst van dit duo is indrukwekkend. Evenals onze man
    staan ze van oudsher te boek als gewelddadige figuren: altijd
    bewapend, bereid om hun wapens zonodig tegen iedereen,
    politiemensen incluis, te gebruiken, zeker in het verleden
    betrokken bij (het bedenken van) overvallen en ontvoeringen, als
    zodanig goed bekend met overvallers en autodieven aan de andere
    kant van de grens, thuis in zowel de grensoverschrijdende
    wapenhandel als de wapenhandel van Amsterdam, niet vies van het
    gebruik van vals geld en hierom bekend met de kring van
    valsemunters, ook die in de Randstad, etcetera. Geen wonder dat van
    hen – althans n van hen – wordt gezegd dat hij al eens iemand heeft
    geliquideerd, en dat hij serieus heeft overwogen om een goede
    bekende, door middel van iemands gijzeling, te bevrijden uit een
    buitenlandse gevangenis. De berichten dat zij bij tijd en wijle
    rechtstreeks en indirect, via Waalse kameraden, in contact staan
    met de Italiaanse (Siciliaanse) mafia, zijn – gelet op het
    vorenstaande – niet ongeloofwaardig, temeer niet omdat een van deze
    beide kompanen van Italiaanse origine is en altijd nauwe contacten
    heeft onderhouden met dubieuze Italiaanse kringen van over de
    Belgische grens. Hier staat tegenover dat zij ook jarenlang hebben
    gefungeerd als helers, niet alleen van gestolen auto’s, maar ook
    van kunstvoorwerpen, als het zo uitkwam, en van grotere partijen
    gestolen textiel en meubilair, met name afkomstig uit Belgi.
    Hierbij kwam het erop aan steeds weer voldoende geschikte
    bergplaatsen te arrangeren en de spullen na een tijdje zo ongemerkt
    mogelijk door te stoten naar genteresseerde bekenden,
    ogenschijnlijk volkomen oirbaar werkzaam in de desbetreffende
    branches. Dat misdadigers als zij op een gegeven moment zich ook in
    de drugshandel, en vooral de handel in synthetische drugs, zouden
    storten, lag voor de hand. Zij doen hier, volgens de berichten, met
    enkele intimi alles dat op hun niveau maar denkbaar is: kopen van
    grondstoffen in Oost-Europa, opstarten van laboratoria in binnen-
    en buitenland, verkoop van partijen pillen. Deze clique leeft in
    een soort haat-liefde verhouding met een persoon die als n van de
    zwaarste jongens in het zuiden wordt aangezien. Deze is ook wel
    actief in de grotere wapenhandel, maar het zwaartepunt van zijn
    activiteiten ligt toch in de drugshandel. Anders dan onze man liep
    hij rondom 1990 niet in de schaduw van de grote drugshandelaren in
    het westen van het land, maar deed hij zelf zaken met hen. Dit
    blijkt ook uit de analyses die van hun groepen zijn gemaakt. Niet
    alleen participeerde hij minstens n keer in een groot
    internationaal drugstransport, maar hij nam ook geregeld grote
    partijen af. Ook dealde hij niet alleen rechtstreeks met de
    Hollandse drugsgroothandelaren, maar ook wel met Marokkaanse
    drugsimporteurs. Een eigen criminele groep bouwde hij evenwel,
    voorzover bekend, niet op. Hij houdt het liever bij n of enkele
    getrouwen waarop hij blindelings kan rekenen. Op bepaalde momenten
    was hij kennelijk wl bereid om met de zoven genoemde clique samen
    te werken, maar even zovele keren ging het waarschijnlijk mis. In
    het bijzonder werd hij er keer op keer van verdacht
    gemeenschappelijke partijen drugs stilletjes te hebben laten
    verdwijnen of ze te hebben laten rippen, met de bekende
    gevolgen vandien: bedreigingen met liquidaties tot regelrechte
    bomaanslagen op zijn huis. En keer, dat wordt althans verteld,
    hebben twee van de grootste Randstedelijke drugshandelaren die zelf
    een schrikbarende reputatie te verliezen hadden, zich verwaardigd
    om hem gezamenlijk de wacht aan te zeggen. Tot nu toe heeft hij ze
    echter allemaal overleefd – letterlijk en figuurlijk.

    lees meer

    Bijlage VIII – 2.2. De schone schijn van de negentiende eeuw

    2.2. De schone schijn van de negentiende eeuw

    Op grond van de literatuur over de ontwikkeling van de
    criminaliteit in de negentiende eeuw zou men kunnen denken dat het
    na de ondergang van de grote roversbendes rond 1800 afgelopen was
    met zulke vormen van georganiseerde criminaliteit. Immers, voor wat
    betreft de negentiende eeuw is er nog nooit een serieuze studie
    gemaakt van onderwerelden in de grote steden, noch van bendes die
    al dan niet vanuit de steden op het platteland opereerden. Maar de
    schone schijn die de bestaande literatuur op dit punt opwekt, moet
    ook in dit geval bedrieglijk zijn. Indirect kan dit worden
    opgemaakt uit het feit dat in de loop van de negentiende eeuw
    eveneens in Nederland de strafrechtspleging steeds verder werd
    uitgebouwd om bepaalde misdaadproblemen beter te kunnen beheersen.
    Natuurlijk heeft haar toenmalige versterking ook haar wortels in de
    politieke en economische veranderingen welke in die tijd
    plaatsgrepen, maar zij stoelde vooral op de gedachte – en voor veel
    tijdgenoten op het feit – dat zeker in de steden de misdaad een
    steeds groter gevaar voor de gevestigde orde begon te vormen
    (Fijnaut, 1985). Direct blijkt de realiteit van de voortzetting van
    zoiets als stedelijke onderwerelden uit de schaarse studies die de
    laatste jaren zijn gemaakt over de problematiek van orde en
    veiligheid in de negentiende eeuw (Manneke, 1993).

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>