Bijlage V – Wierdense bijstandsfraudeJanuary 1, 1999
Wierdense bijstandsfraude
HR (civiele kamer) 11 november 1994, NJ 1995, 400 m.nt HJS en
RvdW 1994, 241C m.nt EAA (Artt. 8 lid 2 EVRM, 19 IVBP, 10
Grondwet, 25a en 25b,3 Wet Inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
(IOAZ))
lees meer
Bijlage V – Witwassen informatieJanuary 1, 1999
Witwassen informatie
HR 26 april 1994, NJ 1994, 737 m.nt. Sch
(Art. 2 lid 1 aanhef onder b Opiumwet)
In het gewraakte proces-verbaal stond dat bij de chef van het
bureau CID van de (..) is informatie
binnengekomen dat …. Ter terechtzitting bij de rechtbank
verklaard verbalisant: Tijdens het afluisteren van de telefoon van
rechter-commissaris heb ik zelf die de informatie over ene Hans uit
Amsterdam verkregen. Ik heb deze informatie niet aan de CID
doorgegeven omdat ik ben vergeten een tipformulier ten behoeve van
de CID op te maken. Ik heb deze informatie dus niet van de CID
verkregen. Deze gang van zaken was noodzakelijk om de tap af te
schermen.
lees meer
Bijlage V – 2.3 De voorwaarden van inzet van
opsporingsmethodenJanuary 1, 1999
2.3 De voorwaarden van inzet van opsporingsmethoden
Centraal in het Wetboek van Strafvordering staat het begrip
verdenking: het redelijk vermoeden dat iemand zich heeft schuldig
gemaakt aan een strafbaar feit. Vrijwel alle in dat wetboek
behandelde dwangmiddelen eisen dat het dwangmiddel slechts wordt
toegepast in geval van een verdenking jegens een verdachte; soms
eist de wet voor de toepassing van een dwangmiddel slechts de
verdenking dat een strafbaar feit is begaan (bijvoorbeeld artikel
97 Sv). Dikwijls clausuleert de wet de gevallen: dan mag een
bepaald dwangmiddel bijvoorbeeld slechts worden gehanteerd in geval
van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is
toegelaten.
lees meer
Bijlage V – 4.8 ConclusiesJanuary 1, 1999
4.8 Conclusies
1. Een informant is iemand, die onder zekere waarborgen
aangaande zijn anonimiteit aan een opsporingsambtenaar gevraagd of
ongevraagd inlichtingen verstrekt in verband met gepleegde of te
plegen strafbare feiten. In de praktijk worden evenwel zeer veel
verschillende definities gehanteerd, waardoor in het bijzonder het
verschil tussen informanten en burgerinfiltranten onhelder is. 2.
De meeste informanten worden geworven of dienen zich aan als zij
als verdachte met de politie in aanraking zijn gekomen, zijn
afkomstig uit het criminele milieu en hebben wetenschap van
drugsdelicten. Een minderheid meldt zich spontaan aan of wordt
benaderd door de CID. Eveneens is een minderheid afkomstig uit het
relatienetwerk van een subject, of uit het dienstverlenende
bedrijfsleven, en/of heeft informatie over fraude en andere
niet-klassieke delicten. Geconstateerd is dat ook politieambtenaren
als informant worden geregistreerd.
lees meer
Bijlage V – 7.11 Totaal aantal containers en kilo’sJanuary 1, 1999
7.11 Totaal aantal containers en kilo’s
Het is duidelijk dat grote hoeveelheden verdovende middelen met
medeweten en onder regie van politie en justitie op de markt
verdwenen zijn. Een dag voor het begin van de openbare verhoren van
de commissie, op 5 september 1995, sprak de minister van Justitie
in de Kamer van 100 tot 400 ton softdrugs die waren doorgeleverd.
Hoeveel daarvan op de markt was gekomen was nog onderwerp van
onderzoek.
lees meer
Bijlage V – 9.1 InleidingJanuary 1, 1999
9 CORRUPTIE-GEVOELIGHEID VAN BIJZONDERE
OPSPORINGSMETHODEN
9.1 Inleiding
9.1.1 Achtergrond en vraagstelling
Sinds de jaren zeventig, toen bijvoorbeeld in het Amsterdamse
korps werd gediscussieerd over gevallen van normafwijkend gedrag
(naggen) en het verkrijgen van speciale politiekortingen (dalven)
Noot , staat het onderwerp van politile corruptie
regelmatig in het brandpunt van de belangstelling. In 1989 sprak
bijvoorbeeld een aantal korpschefs openlijk hun bezorgdheid uit
over de corruptie binnen hun eigen gelederen. Noot
Hoofdcommissaris Brand van Den Haag verwoordde hun zorg als volgt:
Er zijn altijd vormen van normafwijkend gedrag geweest, maar
gemiddeld beperkte zich dat tot kleinere zaken. Maar waar we nu
tegen aankijken, is tegen een georganiseerde criminaliteit, die
meer dan in het verleden over geweldige hoeveelheden geld beschikt.
En dan kun je er donder op zeggen dat er ook corruptie is binnen
overheidsorganen. Je moet je realiseren dat er zoveel geld
beschikbaar is dat ze proberen mensen tot echte corruptie over te
halen. Ik moet helaas zeggen dat we het ook tegenkomen. Ook in
politie-organisaties ontdekken we zo nu en dan dat het er is. Dat
feit is op zich verontrustend. We zullen er geweldig achterheen
moeten zitten. Het is nu ook dat we er soms rekening mee houden,
dat wij soms dingen doen of laten omdat we weten dat corruptie in
ons bedrijf niet meer is uitgesloten. Noot Het gevoelen
dat politile corruptie een zeer ernstige zaak is en dat de ernst
hiervan zal groeien naarmate de belangen van de geldbedragen in het
criminele milieu toenemen was in maart 1990 voor de Recherche
Advies Commissie (RAC) reden om een werkgroep in te stellen die
onderzoek zou moeten doen naar de aard en de omvang van de
corruptie binnen de politie. In 1992 verscheen het advies van
Fijnaut aan deze commissie. Noot Dit advies was voor de
Rechercheschool Zutphen aanleiding om op 14 oktober 1993 een
studiedag te organiseren met als titel Politile corruptie in
Nederland: verschijningsvormen, achtergronden en
beheersingsstrategien Noot In 1991 wijdde het
tijdschrift Justitile Verkenningen, dat onder andere wordt
uitgegeven door het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatie
Centrum van het ministerie van Justitie (WODC), een themanummer aan
de betrouwbaarheid van de overheid. Dit nummer stond volledig in
het teken van politile corruptie, omdat het politieapparaat, door
het permanente contact met de criminele wereld, kwetsbaar is en
omdat de betrouwbaarheid van het politieapparaat een absolute
voorwaarde vormt voor haar optreden. De Raad van
Hoofdcommissarissen, waarvan een lid speciaal is belast met het
onderwerp integriteit, heeft eind 1994 een overzicht laten maken
van de maatregelen die in de verschillende korpsen in Nederland
worden genomen ter bestrijding van politile corruptie.
Noot De noodzaak voor dergelijke maatregelen werd kort
geleden nog onderstreept. In het voorjaar van 1995 verschenen
verschillende berichten in de pers waarin
vertrouwensfunctionarissen van twee grote korpsen in Nederland
stelden, dat er het een en ander grondig mis is met de integriteit
bij de politie. Andere korpsen hebben deze berichten inmiddels met
klem van de hand gewezen. Noot
lees meer
Bijlage VI – 12.1 InleidingJanuary 1, 1999
12 MINISTERIES
12.1 Inleiding
12.1.1 Algemene introductie
De ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken staan bekend
als de politieministeries. De minister van Justitie draagt op
centraal niveau de primaire verantwoordelijkheid voor het
strafrechtelijk beleid, met inbegrip van het beleid ten aanzien van
de georganiseerde criminaliteit. De minister van Binnenlandse Zaken
draagt op centraal niveau de primaire verantwoordelijkheid voor het
binnenlands bestuur en voor het beleid inzake de openbare orde.
lees meer
Bijlage VI – 3.6 ConclusieJanuary 1, 1999
3.6 Conclusie
1. De werkzaamheden die de CID verricht ter uitvoering van de in
de CID-regeling neergelegde taak, zijn te onderscheiden in
inlichtingenwerk dat bestaat uit het verzamelen en bewerken van
informatie en inlichtingenwerk dat bestaat uit het genereren van
informatie. Het inlichtingenwerk geschiedt ook in de proactieve
fase dat wil zeggen voordat een verdenking bestaat jegens een
persoon en/of voordat het redelijk vermoeden bestaat dat een
strafbaar feit is gepleegd), maar ook parallel aan tactisch
recherche-onderzoek en/of parallel aan gerechtelijk
vooronderzoek.
lees meer
Bijlage VI – 6.2 Oprichting en ontwikkeling
kernteamsJanuary 1, 1999
6.2 Oprichting en ontwikkeling kernteams
De ontwikkeling naar de oprichting van de huidige zes kernteams
vindt zijn oorsprong in de tachtiger jaren. In die periode groeit
bij politie, justitie en politiek de belangstelling voor de aanpak
van georganiseerde criminaliteit. In 1985 verschijnt het
beleidsplan Samenleving en Criminaliteit. In dat plan kiest
de regering in feite voor een tweesporenbeleid. Enerzijds wordt
voor wat betreft de veel voorkomende criminaliteit gekozen voor een
bestuurlijke, preventieve benadering. Anderzijds wordt expliciet
meer aandacht en inspanning gevraagd voor de aanpak van de
georganiseerde criminaliteit in Nederland. Naar aanleiding van het
beleidsplan Samenleving en Criminaliteit (1985) heeft de
Vergadering van procureurs-generaal de Werkgroep
prioriteitenstelling (werkgroep-Addens) ingesteld. Deze werkgroep
doet in 1986 en 1987 de aanbeveling om op het vlak van organisatie
en beheer te zoeken naar manieren om – binnen het toenmalige bestel
– te komen tot een doelmatige en doeltreffende aanpak van de
georganiseerde criminaliteit.
lees meer
Bijlage VI – 8.2 De Binnenlandse veiligheidsdienstJanuary 1, 1999
8.2 De Binnenlandse veiligheidsdienst
8.2.1 Organisatie
De BVD bestaat uit zes directies die hirarchisch ressorteren
onder het hoofd van de BVD. In de eerste directie zijn
ondergebracht strategie, planning en controle alsmede juridische
zaken en communicatie. Deze directie kan worden beschouwd als een
stafafdeling. Directie twee (D2) heeft als aandachtsgebied de
democratische rechtsorde, directie drie (D3) de veiligheid van de
staat, en directie vier (D4) het maatschappelijk en
economisch leven. Elk van deze drie directies heeft vijf
afdelingen: teamleiders, onderzoek, documentatie, studie en
bewerking, en beveiligingsadvies. De vijfde directie (operationele
informatievergaring) geeft ondersteuning aan het primaire proces.
In deze directie zijn de vaardigheid en deskundigheid aanwezig die
de inzet van bijzondere middelen ter informatievergaring, zoals de
telefoontap en de observatie van personen vereisen. Directie zes
houdt zich bezig met managementadvies en de centrale faciliteiten
(personeelszaken, financin e.d.). Bij de BVD zijn ongeveer 560
personen werkzaam.
lees meer
Bijlage VII – II. DE DEFINITIE VAN GEORGANISEERDE
CRIMINALITEITJanuary 1, 1999
II. DE DEFINITIE VAN GEORGANISEERDE
CRIMINALITEIT
Er is in de voorbije jaren veel geschreven over de geschiedenis
van de georganiseerde criminaliteit, en ook over de geschiedenis
van haar bestrijding. Veel en veel minder aandacht is daarentegen
geschonken aan de geschiedenis van de maatschappelijke discussie
over deze vorm van criminaliteit, in het bijzonder de discussie
over de definitie van dit fenomeen. Toch is ook dit geen
onbelangrijke kwestie, zoals de werkgroep-Van Traa terecht heeft
vastgesteld. Want de manier waarop georganiseerde criminaliteit
wordt gedefinieerd, bepaalt niet alleen in hoge mate het uitzicht
dat dit verschijnsel heeft, maar heeft ook verstrekkende gevolgen
voor het beleid dat ertegen wordt of moet worden gevoerd. Tegen de
achtergrond van de discussie die in Nederland over de definitie van
georganiseerde criminaliteit heeft gespeeld, wordt in II.2 de
definitie verantwoord en gepreciseerd die in dit onderzoek is
gehanteerd.
lees meer
Bijlage VII – IV.7. BesluitJanuary 1, 1999
IV.7. Besluit
Hiervoor kon om redenen die in de inleiding zijn genoemd, geen
compleet beeld worden geschetst van de aard en omvang van de
traditionele georganiseerde criminaliteit in Nederland. Bezien naar
haar aard ontbreekt een kenschets van het illegale gokwezen. En wat
haar omvang betreft ontbreken zelfs voor de drughandel maatgevende
cijfers. In de voorgaande paragrafen is dus hoofdzakelijk
uiteengezet hoe bepaalde vormen van traditionele georganiseerde
criminaliteit er op een aantal wezenlijke punten uitzien: wat voor
groepen zijn betrokken bij de criminele activiteiten in kwestie,
hoe organiseren zij die en welke is de bestemming van de aldus
gegenereerde inkomsten. Dat in deze uiteenzetting de drugshandel
een prominente plaats inneemt, is niet alleen een gevolg van het
feit dat de opsporingscapaciteit van politie en justitie voor een
groot deel op de bestrijding van deze handel is gericht. Deze
enorme inzet van de schaarse middelen correspondeert tot op zekere
hoogte met de vooraanstaande rol die de drugshandel in de
georganiseerde criminaliteit in Nederland speelt.
lees meer
Bijlage VII – VII.3. BesluitJanuary 1, 1999
VII.3. Besluit
Vorenstaande beschrijvingen maken duidelijk dat ook in Nederland
de democratische rechtsstaat, vooral in de vorm van de
strafrechtspleging, tegenwoordig op uiteenlopende manieren onder
druk wordt gezet door criminele groepen. Hoe hoog deze druk is valt
in het algemeen niet te beantwoorden. Wel is duidelijk dat hij in
Amsterdam de laatste jaren veel hoger is geweest dan in steden als
Arnhem, Nijmegen en Enschede. Er kan dus eigenlijk alleen in
relatieve termen iets over worden gezegd. Maar dit neemt niet weg
dat kan worden gesteld dat ook in Arnhem de spanning in welbepaalde
gevallen hoog is opgelopen. Bij het vorenstaande moet worden
aangetekend dat de toepassing van contrastrategien tot op dit
moment kennelijk goeddeels beperkt is gebleven tot ambtenaren in
uitvoerende functies bij overheidsorganen die het meest direct zijn
betrokken bij de repressieve bestrijding van georganiseerde
criminaliteit, in het bijzonder de (algemene en reguliere)
politiediensten, de koninklijke marechaussee en de douane. En dit
ligt natuurlijk ook voor de hand: zij belichamen het meest tastbaar
het risico dat de democratische rechtsstaat die zich teweerstelt,
betekent voor criminele groepen. Er is dus geen sprake van dat
zulke groepen langs de weg van corruptie en/of intimidatie
belangrijke overheidsdiensten, laat staan gewichtige bestuurlijke
organen of autoriteiten, onder controle zouden hebben. Niettemin
geven enkele voorvallen uit de genoemde steden aan dat in elk geval
op plaatselijk niveau de grens tussen openbaar bestuur (lees:
(deel)gemeenteraad) en criminele groepen niet absoluut is en dus
zorgvuldig moet worden bewaakt.
lees meer
Bijlage VIII – 4.1. Diagonaal door NederlandJanuary 1, 1999
4.1. Diagonaal door Nederland: van Maastricht tot
Amsterdam
De man wiens schaarse centrale politiegegevens de insteek vormen
in het algemene criminele netwerk dat hier in vogelvlucht wordt
blootgelegd, is zo ongeveer halverwege de diagonaal
Maastricht-Amsterdam genesteld. In het nabije verleden heeft hij
zich bij de politie in de streek vooral doen kennen als een wat
patserig type, betrokken bij gewapende overvallen, met companen
bezig over de ontvoering van gefortuneerde mensen, thuis in de
illegale wapenhandel, in staat om allerhande duurdere gestolen
spullen (horloges, auto’s) te leveren, en actief in de handel in
verdovende middelen. Verder was hij kind aan huis bij diverse
roemruchte woonwagenfamilies. Deze laatste opmerking is relevant,
omdat die connectie wellicht verklaart waarom hij op het einde van
de jaren tachtig opdook in de schaduw van enkele kampers in de
Randstad die op dat moment bezig waren hun drugsgroothandelsgroepen
op te bouwen. Hoe nauw hun relatie toen is geweest, is niet zo
duidelijk. De betrokkene heeft in zijn lokale kennissenkring
kennelijk nogal hoog opgegeven over zijn rol als strong arm
van de bedoelde internationale dealers. Zelf meen ik dat zijn
betekenis voor hen niet zo groot is geweest: in de gedetailleerde
analyses van de betrokken groepen ben ik zijn naam niet eenmaal
tegengekomen. Hoogstwaarschijnlijk had hij in die tijd ook contact
met de Bruinsma-clan in Amsterdam. Enkele van zijn toenmalige
Nederlandse en Belgische kameraden, waaronder de houder van een
sportschool, betrokken van deze groep in elk geval redelijk grote
porties hash, bedoeld voor distributie in de regio. Maar het is ook
niet uitgesloten dat hij met hen voor die clan een tijdlang
hashtransporten heeft verzorgd. Deze voor-geschiedenis werpt reeds
enig licht op het latere netwerk van betrokkene en zijn positie
daarin. Het lijkt vast te staan dat hij aan zijn activiteiten in
Holland een aantal goede bekenden heeft overgehouden die tot op de
dag van vandaag tot de subtop van de Randstedelijke drugshandel
moeten worden gerekend. Met name onderhoudt hij kennelijk nauwe
relaties met een tweespan dat zowel in de hashhandel bedrijvig is
als ook grondstoffen kan leveren voor de aanmaak van synthetische
drugs. In het kader van deze laatste activiteit werken de
handelaren in kwestie vermoedelijk nauw samen met vrij bekende
pep-fabrikanten in Brabant. Wat
het contact met deze Hollandse subtoppers inhoudelijk voorstelt,
valt op grond van de beschikbare informatie in het geheel niet te
zeggen. Dat is een aanwijzing temeer dat hij met de betrokkenen
niet zoiets als een hoog-georganiseerde groep vormt, zoals een van
de CRI-inventarisaties wil doen geloven. In zijn natuurlijke
omgeving schijnt de man in kwestie ondertussen dezelfde weg te
hebben afgelegd als andere belangrijke figuren in de internationale
Nederlandse drugshandel. Gestart als geweldenaar, ontpoppen zij
zich vervolgens tot rechterhand van een geduchte drugssmokkelaar,
en nemen tenslotte – wanneer de baas het loodje legt of anderszins
uitvalt – diens positie over. Zover is zijn loopbaan nu nog niet
gevorderd. Maar hij is wel op weg naar een dergelijke positie. Op
dit moment fungeert hij nog maar als tweede man van een
drugshandelsclique die op zichzelf genomen niet erg omvangrijk is,
en die door haar stille manier van werken in Nederland zelf ook
geen grote bekendheid geniet, maar die, internationaal gesproken,
in het nabije verleden heeft bewezen mee te tellen in de kring van
de echte drugsgroothandelaren. Wanneer het moment gekomen is dat
hij de leiding van deze clique overneemt of, als het hem te
lang duurt, een eigen groep formeert, valt niet te voorspellen.
Zeker is alleen dat hij in het diepe zuiden van het land ruim
voldoende geharde beroepsmisdadigers kent om een serieuze criminele
groep mee op te bouwen. Hier onderhoudt hij, om te beginnen, de
nauwste contacten met twee criminele figuren die de harde kern
vormen van een clique van vier vijf personen. De criminele
staat van dienst van dit duo is indrukwekkend. Evenals onze man
staan ze van oudsher te boek als gewelddadige figuren: altijd
bewapend, bereid om hun wapens zonodig tegen iedereen,
politiemensen incluis, te gebruiken, zeker in het verleden
betrokken bij (het bedenken van) overvallen en ontvoeringen, als
zodanig goed bekend met overvallers en autodieven aan de andere
kant van de grens, thuis in zowel de grensoverschrijdende
wapenhandel als de wapenhandel van Amsterdam, niet vies van het
gebruik van vals geld en hierom bekend met de kring van
valsemunters, ook die in de Randstad, etcetera. Geen wonder dat van
hen – althans n van hen – wordt gezegd dat hij al eens iemand heeft
geliquideerd, en dat hij serieus heeft overwogen om een goede
bekende, door middel van iemands gijzeling, te bevrijden uit een
buitenlandse gevangenis. De berichten dat zij bij tijd en wijle
rechtstreeks en indirect, via Waalse kameraden, in contact staan
met de Italiaanse (Siciliaanse) mafia, zijn – gelet op het
vorenstaande – niet ongeloofwaardig, temeer niet omdat een van deze
beide kompanen van Italiaanse origine is en altijd nauwe contacten
heeft onderhouden met dubieuze Italiaanse kringen van over de
Belgische grens. Hier staat tegenover dat zij ook jarenlang hebben
gefungeerd als helers, niet alleen van gestolen auto’s, maar ook
van kunstvoorwerpen, als het zo uitkwam, en van grotere partijen
gestolen textiel en meubilair, met name afkomstig uit Belgi.
Hierbij kwam het erop aan steeds weer voldoende geschikte
bergplaatsen te arrangeren en de spullen na een tijdje zo ongemerkt
mogelijk door te stoten naar genteresseerde bekenden,
ogenschijnlijk volkomen oirbaar werkzaam in de desbetreffende
branches. Dat misdadigers als zij op een gegeven moment zich ook in
de drugshandel, en vooral de handel in synthetische drugs, zouden
storten, lag voor de hand. Zij doen hier, volgens de berichten, met
enkele intimi alles dat op hun niveau maar denkbaar is: kopen van
grondstoffen in Oost-Europa, opstarten van laboratoria in binnen-
en buitenland, verkoop van partijen pillen. Deze clique leeft in
een soort haat-liefde verhouding met een persoon die als n van de
zwaarste jongens in het zuiden wordt aangezien. Deze is ook wel
actief in de grotere wapenhandel, maar het zwaartepunt van zijn
activiteiten ligt toch in de drugshandel. Anders dan onze man liep
hij rondom 1990 niet in de schaduw van de grote drugshandelaren in
het westen van het land, maar deed hij zelf zaken met hen. Dit
blijkt ook uit de analyses die van hun groepen zijn gemaakt. Niet
alleen participeerde hij minstens n keer in een groot
internationaal drugstransport, maar hij nam ook geregeld grote
partijen af. Ook dealde hij niet alleen rechtstreeks met de
Hollandse drugsgroothandelaren, maar ook wel met Marokkaanse
drugsimporteurs. Een eigen criminele groep bouwde hij evenwel,
voorzover bekend, niet op. Hij houdt het liever bij n of enkele
getrouwen waarop hij blindelings kan rekenen. Op bepaalde momenten
was hij kennelijk wl bereid om met de zoven genoemde clique samen
te werken, maar even zovele keren ging het waarschijnlijk mis. In
het bijzonder werd hij er keer op keer van verdacht
gemeenschappelijke partijen drugs stilletjes te hebben laten
verdwijnen of ze te hebben laten rippen, met de bekende
gevolgen vandien: bedreigingen met liquidaties tot regelrechte
bomaanslagen op zijn huis. En keer, dat wordt althans verteld,
hebben twee van de grootste Randstedelijke drugshandelaren die zelf
een schrikbarende reputatie te verliezen hadden, zich verwaardigd
om hem gezamenlijk de wacht aan te zeggen. Tot nu toe heeft hij ze
echter allemaal overleefd – letterlijk en figuurlijk.
lees meer
Bijlage VIII – 2.2. De schone schijn van de negentiende
eeuwJanuary 1, 1999
2.2. De schone schijn van de negentiende eeuw
Op grond van de literatuur over de ontwikkeling van de
criminaliteit in de negentiende eeuw zou men kunnen denken dat het
na de ondergang van de grote roversbendes rond 1800 afgelopen was
met zulke vormen van georganiseerde criminaliteit. Immers, voor wat
betreft de negentiende eeuw is er nog nooit een serieuze studie
gemaakt van onderwerelden in de grote steden, noch van bendes die
al dan niet vanuit de steden op het platteland opereerden. Maar de
schone schijn die de bestaande literatuur op dit punt opwekt, moet
ook in dit geval bedrieglijk zijn. Indirect kan dit worden
opgemaakt uit het feit dat in de loop van de negentiende eeuw
eveneens in Nederland de strafrechtspleging steeds verder werd
uitgebouwd om bepaalde misdaadproblemen beter te kunnen beheersen.
Natuurlijk heeft haar toenmalige versterking ook haar wortels in de
politieke en economische veranderingen welke in die tijd
plaatsgrepen, maar zij stoelde vooral op de gedachte – en voor veel
tijdgenoten op het feit – dat zeker in de steden de misdaad een
steeds groter gevaar voor de gevestigde orde begon te vormen
(Fijnaut, 1985). Direct blijkt de realiteit van de voortzetting van
zoiets als stedelijke onderwerelden uit de schaarse studies die de
laatste jaren zijn gemaakt over de problematiek van orde en
veiligheid in de negentiende eeuw (Manneke, 1993).
lees meer
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>