Eindrapport – 7.3 InformatiehuishoudingJanuary 1, 1999
7.3 Informatiehuishouding
7.3.1 Omschrijving
Onder informatiehuishouding verstaat de commissie het aanleggen van
persoonsregisters en de opslag van gegevens in deze registers, het
beheer daarvan en de verstrekking van gegevens aan derden. De in
het register opgenomen personen en organisaties hoeven niet per se
veroordeelden of verdachten te zijn. In (tactische) onderzoeken
worden veelal tijdelijke registers aangelegd, waarin alle in het
onderzoek op enigerlei wijze betrokken personen worden opgenomen.
Een CID-subject is een natuurlijke of rechtspersoon die als
verdachte betrokken is, of naar redelijkerwijs kan worden vermoed
als verdachte betrokken kan worden bij enig misdrijf dat gezien de
ernst of frequentie dan wel het georganiseerd verband waarin het
wordt gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.
Noot Een CID-subject is niet per definitie verdachte in
de zin van artikel 27, eerste lid Wetboek van Strafvordering. Een
CID- subject kan immers ook zijn een persoon of organisatie ten
aanzien van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij of zij
als verdachte betrokken zal worden bij enig misdrijf met het oog
waarop een CID-register is aangelegd (artikel 1 sub c CID-regeling
1995). Hetzelfde geldt haast per definitie voor een
grijze-veld-subject.
lees meer
Eindrapport – 7.2 BevindingenJanuary 1, 1999
7.2 Bevindingen
7.2.1 Informatie-inwinning bij derden
De politie wint allerlei informatie in bij andere organisaties voor
en tijdens een opsporingsonderzoek. Het gaat daarbij deels om
openbare informatie zoals gegevens van de Kamers van koophandel.
Daarnaast vraagt de politie aan derden informatie die valt onder de
bescherming van de privacy, zoals bepaald in de Grondwet (artikel
10) en de daaruit voortvloeiende Wet persoonsregistraties (WPR), of
die anderszins (meer) vertrouwelijk is, zoals bijvoorbeeld gegevens
van banken. De commissie heeft geconstateerd dat daarbij veelal
niet de formele weg wordt bewandeld. Formele strafvorderlijke wegen
om informatie van derden te krijgen zijn onder meer het oproepen
van de derde als getuige in het kader van een gerechtelijk
vooronderzoek en, wanneer het gaat om op gegevensdragers
vastgelegde informatie, is er de huiszoeking, onderzoek in
computers of het bevel tot uitlevering van stukken. Daarnaast
vraagt de politie informatie, die valt onder de bescherming van de
WPR, aan derden. In overeenstemming met artikel 11 WPR beoordeelt
de houder van een register in de private sector het verzoek
gegevens te verstrekken. Een probleem hierbij is dat het voor de
houder van een register feitelijk vrijwel onmogelijk is om bij de
beslissing tot verstrekking van gegevens de wettelijk
voorgeschreven afweging (artikel 11, lid 2 WPR) te maken tussen de
dwingende en gewichtige reden (van opsporing) en de mate waarin de
persoonlijke levenssfeer van de geregistreerde door verstrekking
wordt geschaad. Voor verstrekking uit registers van de
(semi)publieke sector aan een persoon of instantie met een
publiekrechtelijke taak (zoals de politie) geldt niet de eis van
een dringende en gewichtige reden, de vrager moet deze gegevens
nodig hebben voor de uitvoering van zijn taak en de persoonlijke
levenssfeer van de geregistreerde mag door verstrekking niet
onevenredig worden geschaad. In de praktijk hanteert de politie bij
de meeste vormen van informatie-inwinning het uitgangspunt dat als
derden (al dan niet) op een (informele) vraag van de politie
beslissen vrijwillig informatie te verstrekken, zij die informatie
mag gebruiken. Deze vrijwillige verstrekking aan politie-ambtenaren
en het gebruik van de verkregen gegevens is gezien de hiervoor
genoemde formele weg en op zijn minst omstreden.
-
- De voorzitter:
- Als ik opbel naar een bank en vraag wat op de rekening van
de heer Willems staat, dan wordt gezegd: ga fietsen, je hebt er
niets mee te maken.
- De heer Willems:
- Ik vind dat ze dat ook tegen een politieman moeten zeggen.
Ik vind dat daar een beschermd recht ligt.
- De voorzitter:
- H?
- De heer Willems:
- Ik vind dat de burger er aanspraak op heeft om niet zo maar
zijn bankgegevens meegedeeld te krijgen aan iemand die daarom
vraagt.
- De voorzitter:
- Het is misschien wel rechtens als wij kijken naar de Wet
persoonsregistratie.
- De heer Willems:
- In die fase en met het oog op de mogelijke verdenking die je
gaat koesteren, vraag ik mij af of dat inderdaad de positie
is.
- De voorzitter:
- Dat zou nieuw licht werpen op de vraag of in de proactieve
fase de politie dit soort dingen kan doen.
- De heer Willems:
- Ik heb daar wel vraagtekens bij. Ik heb begrepen dat er vrij
intensief onderzoek is gedaan bij banken. Ik meen dat dit niet
zonder meer vrij kan staan. Je kunt beginnen met de formulering,
dat de politie mag wat een burger mag. U zegt terecht dat de
politie toch niet de gewone burger is. Als de politie het doet,
gebeurt dat op een manier en een schaal, waaraan je nooit toekomt
in de gedachte van wat de burger mag. U moet mij niet vragen hoe ik
dat precies moet definiren. Noot
In de praktijk komt het bijvoorbeeld voor dat
politiefunctionarissen bij bankmedewerkers informeel vragen of een
bepaald persoon een rekening heeft bij die bank en welk bedrag
hierop staat of welke financile handelingen recent zijn verricht.
Indien daar een voor de politie positief antwoord op volgt en de
informatie noodzakelijk lijkt voor het bewijs, wordt alsnog de
formele procedure gevolgd. Zo ook in het financile traject in de
zaak Charles Z.: In 1991 heeft het team die de zaak Charles Z.
onderzocht contact gelegd met de toenmalige ABN bank om te vragen
naar een hypotheek die verstrekt was voor het woonverblijf van
Charles Z. Later is, aan de NMB bank dit keer, gevraagd naar een
rekening van een bedrijf Investment cars B.V. die in relatie stond
met Charles Z. Tevens is gevraagd of het onderzoekssubject aldaar
een rekening hield. Dit was het geval. Bovendien meldde de bank dat
zij nog een oninbare vordering had van ruim acht ton op betrokkene.
Van de kant van de politie is vervolgens aan de veiligheidsdienst
van de NMB aangegeven dat een beruchte wisselaar van criminele
gelden in dienst was bij een van de vestigingen. De
veiligheidsdienst ontdekte daarop een aantal verdachte
wisseltransacties op het betreffende kantoor welke zijn gemeld aan
het onderzoeksteam. Deze informeel verkregen informatie tijden de
diverse bankbezoeken is later formeel opgevraagd met machtigingen
van de rechter-commissaris. Zo is het team in oktober 1993 op
bezoek geweest bij de ING bank waar een afschrift van het
klantendossier van het bedrijf Investment Cars B.V. is opgevraagd.
Noot In het openbaar verhoor van Van Gemert is het
volgende gezegd over deze zaak:
-
- De voorzitter:
- In de zaak-Z is het toch wel gebeurd?
- De heer Van Gemert:
- In de zaak-Z is er inderdaad contact met een bank geweest en
is informatie opgevraagd, maar de manier waarop het gebeurd is, is
een andere geweest dan u net schetste.
- De voorzitter:
- Hoe dan?
- De heer Van Gemert:
- (…) Een derde mogelijkheid is dat in een groot onderzoek –
ik praat dan over een opsporingsonderzoek, zoals in de zaak-Z – in
een contact met de bank wordt aangegeven dat een
opsporingsonderzoek gaande is en dat de vraag wordt gesteld of er
van politiezijde behoefte is aan informatie. In bedoeld geval is
dat gebeurd en heeft de bank een afweging gemaakt en heeft zij
besloten, informatie aan de politie te verstrekken.
- De voorzitter:
- Zij gaf u dus die informatie vrijwillig.
- De heer Van Gemert:
- Ja. (…)
- De heer Van Gemert:
- Er was nog geen GVO.
- De voorzitter:
- Was er al een verdachte?
- De heer Van Gemert:
- In mijn beleving was er al een verdachte. (…)
- De voorzitter:
- Ik wil helder hebben of u in de manier waarop u informatie
verzamelt onderscheid maakt tussen gevallen waarin er een verdachte
is en gevallen waarin die er niet is.
- De heer Van Gemert:
- Daar maken wij onderscheid tussen. Ik zal u proberen uit te
leggen waarom ik zo’n moeite heb met het antwoord op de vraag: ja
of nee? Er was een situatie waarin besloten was een onderzoek te
verrichten naar bepaald activiteiten van de heer Zwolsman. Er waren
allerlei aanleidingen om dat te doen. Wij waren bezig met het
verzamelen van informatie, er was sprake van een opsporingsfase,
waarin ook open bronnen werden benaderd en er waren contacten met
de belastingdienst. Op enig moment is er contact met een bank
geweest. Toen hebben wij om informatie gevraagd en hebben wij die
verkregen.
- De voorzitter:
- Dus in het opsporingsonderzoek?
- De heer Van Gemert:
- Ja.
- De voorzitter:
- Moet er voor een opsporingsonderzoek sprake zijn van een
verdachte of kan er ook sprake zijn van zo’n onderzoek zonder dat
er een verdachte of een verdenking is?
- De heer Van Gemert:
- Als u denkt aan het benoemen van een verdachte, zoals
weergegeven in artikel 27 Strafvordering, moet ik zeggen dat er
sprake kan zijn van een fase waarin je dat wellicht nog niet exact
kan. Maar dan is er wel sprake van een opsporingsfase. Dat
probeerde ik aan te geven toen ik het had over het arrest in de
zaak-Zwolsman. Noot
In deze zaak is bovendien niet alleen sprake van
informatie-inwinning bij verschillende banken, maar ook van
informatie-verstrekking aan een bank.
Inmiddels zijn met banken nadere afspraken gemaakt over de wijze
waarop
politiefunctionarissen informatie kunnen verkrijgen.
Noot Men streeft naar het vinden van een minder
omslachtige weg om informatie op te vragen en te verstrekken.
-
- De heer Koekkoek:
- Maakt u in uw huidige onderzoeken ook gebruik van het vragen
van informatie bij banken?
- De heer Dros:
- Wij hebben dat tot voor kort gedaan. Toen ik begonnen ben
als teamleider op 1 april 1994 hebben wij hier uitputtend over
gesproken met het openbaar ministerie en wij zijn met elkaar tot de
conclusie gekomen dat het juridisch verantwoord kan, mits de
resultaten van de vrijwillige medewerking van een bank niet leiden
tot bewijzen in het dossier. Daarmee zou je namelijk mensen in de
problemen kunnen brengen die hieraan meewerken. Wij hebben dit
gedaan uit de optiek dat het bijzonder moeilijk is om zicht te
krijgen op geldstromen. Het is, meen ik, hier verschillende malen
aan de orde geweest dat het verstandig is om de financile
deskundigheid bij de politie te vergroten. In mijn optiek is dat
niet het grootste probleem, want die deskundigheid begint zo
langzamerhand wel op orde te komen. Het grootste probleem is om de
losse uiteinden te vinden van geldstromen en
witwas-constructies. Noot
Dezelfde wijze van informatie-inwinning heeft de commissie
aangetroffen bij creditcardmaatschappijen en andere financile
instellingen dan banken. Politiefunctionarissen benadrukken dat het
hier gaat om een volkomen geaccepteerde vorm van informatie-
inwinning. Vragen staat vrij.
7.2.2 Misdaadanalyse
Onder misdaadanalyse verstaat de commissie het opsporen en
inzichtelijk maken van verbanden tussen criminaliteitsgegevens
onderling en andere mogelijk relevante gegevens met het oog op de
praktijk van politie en justitie. Noot Misdaadanalyse
kan enerzijds gericht zijn op direct toepasbare resultaten voor de
opsporings- en vervolgingspraktijk, dit is operationele
misdaadanalyse. Dit kan onder meer resulteren in relatie-, familie-
of handelsactiviteitenschema’s. Anderzijds kan de analyse een rol
spelen in de bepaling van beleid, dit is strategische
misdaadanalyse. Niet altijd is er een duidelijke scheiding tussen
deze twee vormen. Bij operationele misdaadanalyse wordt met name
gewerkt met reeds beschikbare gegevens uit opsporingsonderzoeken.
Incidenteel wordt ter complementering informatie bij derden, ook
van buitenlandse instanties, ingewonnen. Deze vorm van
misdaadanalyse, en dan met name de relatieschema’s, wordt
veelvuldig gebruikt in het kader van de bestrijding van de
georganiseerde criminaliteit.
lees meer
Eindrapport – 7.1 InleidingJanuary 1, 1999
HOOFDSTUK 7 OMGAAN MET INFORMATIE EN INTERNATIONALE
OPSPORING
7.1 Inleiding
Naast observatie, het gebruik van informanten en infiltratie
onderscheidt de commissie enkele andere opsporingsmethoden die door
politie en justitie gehanteerd worden bij de opsporing en
vervolging van de georganiseerde criminaliteit. Het gaat dan om
informatie-inwinning bij derden, misdaadanalyse, fenomeenonderzoek
en financieel rechercheren. De commissie besloot aandacht aan deze
methoden te besteden aangezien in de praktijk van opsporing
frequent melding werd gemaakt van deze relatief nieuwe methoden van
onderzoek. Het gaat daarbij niet zo zeer om afzonderlijke methoden
van opsporing als wel om methoden ter structurering of verzameling
van informatie.
lees meer
Eindrapport – 6.6 BeoordelingJanuary 1, 1999
6.6 Beoordeling
Infiltratie vindt zijn juridische grondslag in de Richtlijn
infiltratie en de jurisprudentie. De commissie constateert dat een
expliciete wettelijke basis voor de verschillende vormen van
infiltratie niet bestaat. Dat neemt niet weg dat infiltratie
inmiddels veelvuldig gebruikt wordt door politie en justitie. De
commissie is van oordeel dat voor infiltratie een wettelijke basis
noodzakelijk is. Infiltratie maakt inbreuk op grondrechten van
burgers. Door een fictieve voorstelling van zaken worden burgers
geconfronteerd met een infiltrant die stelt bepaalde activiteiten
te kunnen verrichten. Het rechtmatig en effectief kunnen uitvoeren
van infiltratie-acties maakt het noodzakelijk infiltratie wettelijk
te normeren. De bevoegdheden en verantwoordelijkheden bij politile
infiltratie en pseudo-koop-acties zijn inmiddels redelijk
uitgekristalliseerd. Pseudo-koop en -verkoop spelen samen met
andere infiltratiemethoden nog steeds een rol bij de opsporing van
de georganiseerde criminaliteit. Pseudo-verkoop betekent dat de
overheid welbewust illegale goederen op de markt brengt zonder die
in beslag te nemen. Daartegen bestaan dezelfde bezwaren als tegen
doorlating.
lees meer
Eindrapport – 6.5 Combinatie van methodenJanuary 1, 1999
6.5 Combinatie van methoden
Methoden worden in combinatie ingezet. Het gesoleerd gebruiken
van een van de beschreven methoden komt nauwelijks voor. De
opsporing en vervolging van criminele organisaties doet politie en
justitie verschillende methoden tegelijkertijd inzetten.
lees meer
Eindrapport – 6.3 BevindingenJanuary 1, 1999
6.3 Bevindingen
6.3.1 Pseudo-koop en pseudo-verkoop
In het midden van de jaren zeventig werd in Nederland
pseudo-koop ingezet bij de bestrijding van de drughandel. Inmiddels
vindt het middel pseudo-koop nog slechts incidenteel toepassing. De
effectiviteit is in de loop der tijd geringer geworden aangezien de
criminelen goed op de hoogte zijn van het gebruik van dit middel.
Dat neemt niet weg dat in combinatie met andere vormen van
infiltratie pseudo-koop is aangetroffen. Met enige regelmaat worden
vertrouwensaankopen of proefaankopen gedaan door infiltranten om te
kunnen beslissen of overgegaan moet worden tot een gecontroleerde
aflevering of doorlating. Hiermee zijn nog aanzienlijke bedragen
gemoeid:
lees meer
Eindrapport – 6.2 Juridische grondslag, toetsing en
omvangJanuary 1, 1999
6.2 Juridische grondslag, toetsing en omvang
Het Wetboek van Strafvordering noch enige andere Nederlandse wet
in formele zin kent de opsporingsmethode infiltratie. In enkele
internationale verdragen waaraan Nederland zich heeft gebonden,
komt n van de vooromschreven varianten van infiltratie, te weten
gecontroleerde aflevering, wel voor. Noot In de
jurisprudentie is infiltratie sedert het Tallonarrest als
opsporingsmethode erkend. Noot In de Richtlijn
infiltratie, vastgesteld door de Vergadering van
procureurs-generaal van 20 februari 1991, worden voorwaarden,
werkmethoden, de rechtspositie van de infiltrant, het centraal
voorwaardenscheppend orgaan, de gecontroleerde aflevering en de
internationale samenwerking geregeld. De richtlijn noemt vier
voorwaarden: a. De infiltrant mag door zijn optreden de verdachte
niet brengen tot ander handelen dan waarop zijn opzet
tevoren reeds gericht was. Noot
b. Het optreden van de infiltrant dient plaats te vinden na
goedkeuring door het openbaar ministerie, onder regie van de
recherchechef en in nauw overleg met de betrokken officier van
justitie. c. De toepassing van infiltratie moet voldoen aan de
eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en zorgvuldigheid. De
aard van de op te sporen feiten moet de toepassing rechtvaardigen
en andere meer gebruikelijke opsporingstechnieken moeten
onvoldoende effectief geacht kunnen worden. De Hoge Raad oordeelde
dat bij beoordeling of voldaan is aan de eisen van
proportionaliteit (..) niet alleen de ernst van de feiten van
belang is maar ook de wijze waarop en de mate waarin ten behoeve
van opsporing en vervolging van die feiten wordt opgetreden in het
criminele milieu. Noot d. Als infiltrant dient bij
voorkeur alleen een speciaal daarvoor opgeleide politiefunctionaris
te worden ingezet. Noot
lees meer
Eindrapport – 6.1 OmschrijvingJanuary 1, 1999
HOOFDSTUK 6 INFILTRATIE
6.1 Omschrijving
Infiltratie is het met het oog op opsporing en vervolging onder
gezag en regie van politie en openbaar ministerie binnendringen in
een criminele organisatie of groep, het ervan deel uitmaken, het
gebruik maken van personen die er reeds deel van uitmaken of het
(desgevraagd) ondersteunen ervan, indien dit optreden gepaard gaat
met het I) aannemen van een valse identiteit en/of II) plegen van
strafbare feiten en/of III) aanbieden van goederen en/of diensten
aan de criminele organisatie of groep. Infiltratie doet zich in
verschillende vormen voor. De commissie is de volgende vormen van
infiltratie tegengekomen:
lees meer
Eindrapport – 5.5 BeoordelingJanuary 1, 1999
5.5 Beoordeling
Het runnen van informanten heeft geen afzonderlijke (formele)
wettelijke basis. De CID regeling 1995 spreekt niet van
informanten. Politie, justitie en rechterlijke macht hebben het
runnen van informanten en het geven van informatie door informanten
volledig geaccepteerd. Informatie van informanten vormt een
wezenlijk onderdeel van de meeste opsporingsonderzoeken bij de
georganiseerde criminaliteit. De commissie is van oordeel dat voor
het runnen van informanten door de politie een wettelijke basis
noodzakelijk is. Het verwerven van informatie door informanten kan
een beperking van de persoonlijke levenssfeer van burgers inhouden.
Daarnaast blijkt het runnen van informanten dermate complex te zijn
dat een duidelijke wettelijke regeling zowel vanuit het perspectief
van politie en justitie als vanuit de optiek van informanten,
CID-subjecten en verdachten wenselijk is.
lees meer
Eindrapport – 5.4 Casusonderzoek LaundryJanuary 1, 1999
5.4 Casusonderzoek Laundry
Een casus ter illustratie van een verdovende middelenzaak
waarin een kroongetuigeregeling
lees meer
Eindrapport – 5.3 BevindingenJanuary 1, 1999
5.3 Bevindingen
5.3.1 Werving en registratie
Informanten worden vaak geworven als zij als verdachten met de
politie in aanraking zijn geweest. In andere gevallen melden zij
zich spontaan aan. Ook zijn er informanten die benaderd worden door
de CID. Het komt voor dat er ook buitenlandse informanten worden
gerund. Deze worden meestal geworven door Nederlandse liaison
officers in het buitenland en indien zij interessant zijn
Nederlandse zaken worden zij bij een RCID gentroduceerd .
lees meer
Eindrapport – 5.2 Juridische basis en omvangJanuary 1, 1999
5.2 Juridische basis en omvang
Een eigen, afzonderlijke wettelijke basis voor het runnen van
informanten ontbreekt. Het gebruik van informanten is echter een
cruciaal onderdeel van het strafrechtelijk onderzoek geworden.
Politie, staande en zittende magistratuur hebben dat volledig
aanvaard.
lees meer
Eindrapport – 5.1 OmschrijvingJanuary 1, 1999
HOOFDSTUK 5 INFORMANTEN
5.1 Omschrijving
Zolang er politie bestaat wordt er gewerkt met informanten,
personen die op basis van vertrouwelijkheid informatie aan de
politie verstrekken. Zij zijn de belangrijkste bron van informatie
voor de criminele inlichtingendiensten (CID-en).
Noot
lees meer
Eindrapport – 4.6 BeoordelingJanuary 1, 1999
4.6 Beoordeling
De commissie heeft geconstateerd dat verschillende
observatiemethoden geen uitdrukkelijke wettelijke basis hebben.
Dwangmiddelen als het tappen van gegevensverkeer, het onderzoek in
geautomatiseerde werken en de postvang zijn wel in de wet geregeld.
Gelet op de nauwkeurige wettelijke normering van bepaalde
dwangmiddelen en het ontbreken van normering van andere
opsporingsmethoden is het beeld onevenwichtig. Voor het gebruik van
bepaalde niet wettelijk geregelde opsporingsmethoden is in de
rechtspraak een aanzet tot nadere normering gegeven. De
jurisprudentie heeft voorwaarden gesteld aan het gebruik van de
verschillende observatiemethoden. Noot In een enkel
geval, zoals het inkijken, bestaat een interne richtlijn die als
juridische basis wordt gehanteerd voor de inzet van de
observatiemethode.
lees meer