Bijlage VII – III.2. Wetenschappelijk onderzoek naar
georganiseerde criminaliteitJanuary 1, 1999
III.2. Wetenschappelijk onderzoek naar georganiseerde
criminaliteit
Het werk van twee commissies van de Amerikaanse Senaat heeft
lange tijd het beeld van de georganiseerde misdaad bepaald. In 1950
hield de Kefauver-commissie een openbaar onderzoek waarin de
conclusie werd getrokken dat de georganiseerde criminaliteit een
nation wide Italian syndicate was. De tweede commissie (1963),
genoemd naar haar voorzitter McLellan, leunde sterk op de
verklaringen van een spijtoptant, Joseph Valachi, die deel
uitmaakte van de Genovese mafiafamilie. Deze commissie bevestigde
het beeld van Kefauver van de georganiseerde misdaad. Het ging hier
in de kern om Italiaans-Amerikaanse syndicaten bestaande uit
divisies, geleid door luitenanten en bemand met soldaten. In 1967
werd in Amerika voor het eerst een wetenschappelijk onderzoeker, de
criminoloog Donald Cressey, ingeschakeld, en wel door de Federal
Task Force on Organized Crime. Hij kreeg voor zijn rapport, het
latere boek Theft of the Nation (1969), de beschikking over
de dossiers van de federale politie over wat de cosa nostra werd
genoemd. Ook Cressey kwam toen tot de conclusie dat de
georganiseerde criminaliteit in wezen werd gevormd door 24
Italiaans-Amerikaanse misdaadsyndicaten die door heel het land hun
activiteiten onderling afstemmen.
Het werk van Cressey heeft tot veel controverses binnen de
criminologie geleid. Sommigen verweten hem dat hij zich door de
politie een bril had laten aanmeten, anderen namen het voor hem op
(Rogovin en Martens, 1992; Albini, 1993; Martens en Roosa, 1994).
Belangrijker dan dit was dat een aantal onderzoekers de daad bij
het woord voegden en onafhankelijk van politiebronnen informatie
gingen verzamelen. Ianni en Reuss-Ianni (1972) bestudeerden zeer
gedetailleerd de opkomst en organisatie een Italiaanse mafiafamilie
in een buurt in New York. Zij maakten van uitvoerige observaties en
van informanten gebruik om de personen en hun onderlinge
verbindingen in kaart te brengen. Een militair georganiseerd
syndicaat troffen zij niet aan. Nadien hebben zij een sociale
netwerkbenadering in het onderzoek naar georganiseerde
criminaliteit gepropageerd waarbij informanten uit de wereld van de
georganiseerde criminaliteit als veldonderzoekers worden gebruikt
(Ianni en Reuss-Ianni, 1990). Chambliss (1978) voerde als
deelnemend observant veldstudies uit in Seattle om de complexe
relaties tussen politici, ambtenaren, ondernemers en misdadigers te
beschrijven. Hoewel veldwerk onmiskenbaar voordelen heeft (zie
Potter, 1994, p. 40-41) is het zeer de vraag of onderzoekers langs
deze weg een goed zicht krijgen op de belangrijke criminele groepen
of een landelijk beeld van georganiseerde criminaliteit kunnen
schetsen. De wetenschappelijke studies naar deze vorm van
criminaliteit, waarvan hier slechts enkele voorbeelden zijn
gepresenteerd, maken duidelijk dat onderzoekers beter niet kunnen
vertrouwen op n methode of afgaan op n gegevensbron. Block (1994)
maakte daarom voor zijn studies uitgebreid gebruik van
politiedossiers en krantenberichten. Reuter (1983) beschreef de
illegale markten in New York met behulp van gegevens uit
politiedossiers, observaties, informanten n openbare bronnen. De
mixture van bronnen en methoden zal worden bepaald door de vraag of
het accent meer op een algemene inventarisatie van de problemen dan
wel op de beantwoording van specifieke theoretische of empirische
vragen ligt. Een recent voorbeeld van een inventariserende studie
met een grote mixture aan bronnen en methoden is de studie van
Arlacchi naar criminele groepen en hun rol in de illegale markten
en witwasactiviteiten in Itali (Ministero dell’Interno, 1994). Maar
de belangrijkste bron van Arlacchi waren echter toch ook weer
politiedossiers. In de jaarlijkse inventariserende studies van het
BKA (Bundeskriminalamt) worden zowel statistische gegevens en
politie-dossiers betreffende lopende onderzoeken gebruikt als
politile informatie die centraal is verzameld. Deze analyses zijn
sterk op personen gericht en minder op groepen. In de Nederlandse
CBO-enqute ligt het accent juist wel op het inventariseren van
actieve criminele groepen. In de meest recente telling (1995)
werden 450 groepen getraceerd waarvan er 100 hooggeorganiseerd
zouden zijn.
lees meer
Bijlage VII – III.1. InleidingJanuary 1, 1999
III. MOGELIJKHEDEN EN BEPERKINGEN VAN ONDERZOEK NAAR
GEORGANISEERDE
III.1. Inleiding
Het doen van wetenschappelijk onderzoek naar georganiseerde
criminaliteit is een hachelijke onderneming. In het voorgaande
hoofdstuk is als een van de drie kenmerken van georganiseerde
criminaliteit genoemd het vermogen om zich op betrekkelijk
effectieve wijze af te schermen. Georganiseerde criminaliteit is
dan ook voor wetenschappelijk onderzoekers een veel minder
toegankelijk onderzoekterrein dan bijvoorbeeld voetbalvandalisme of
druggebruik. Daarenboven zijn de traditionele informatiebronnen van
criminologische wetenschap, zoals de politie en slachtoffers,
doorgaans weinig toeschietelijk bij het verlenen van medewerking
aan onderzoek naar georganiseerde criminaliteit. De politie wil
niet graag haar informatiepositie prijsgeven (Reuter en Rubinstein,
1978) en slachtoffers zijn dikwijls beducht om te spreken. Het is
gemakkelijker om winkeliers over winkeldiefstal te interviewen dan
horeca-ondernemers over gedwongen protectie in hun bedrijfstak.
lees meer
Bijlage VII – II.3. BesluitJanuary 1, 1999
II.3. Besluit
Tot besluit van dit hoofdstuk is het aangewezen om de definitie
van georganiseerde criminaliteit die in de vorige paragraaf werd
ontwikkeld, te situeren in de discussie die in Nederland is gevoerd
over deze kwestie. De ene hoofdlijn in deze discussie betreft de
vraag of georganiseerde criminaliteit primair moet worden
gedefinieerd in termen van de maatschappelijke functies en belangen
die zij vervult respectievelijk dient, dan wel in termen van de
groepen die dergelijke criminaliteit plegen. Hiervoor is niet
alleen duidelijk gemaakt dat in dit onderzoek is gekozen voor de
tweede optie, maar ook waarom deze keuze is gemaakt. De andere
hoofdlijn in die discussie draait om de kwestie of georganiseerde
criminaliteit het best op een algemene, open manier wordt
gedefinieerd, dan wel op een bijzondere, meer gesloten manier.
Hiervoor is duidelijk
gekozen voor de laatste benadering, omdat anders de term
georganiseerde criminaliteit al te zeer aan betekenis inboet, dus
een betekenisloze term wordt, die al te gemakkelijk op alle
mogelijke soorten criminaliteit wordt geplakt. Zeker met het oog op
empirisch onderzoek is het nodig dat zo specifiek mogelijk wordt
bepaald wat onder georganiseerde criminaliteit wordt verstaan. Maar
ook vanuit een oogpunt van beleid is dit wenselijk. Gezien de
negatieve lading die de term georganiseerde criminaliteit doorgaans
heeft, kan een ongebreidelde toepassing van deze term gemakkelijk
beleidsontwikkelingen teweegbrengen die niet in verhouding staan
tot de werkelijke ernst van het probleem.
lees meer
Bijlage VII – II.2. De definitie van georganiseerde
criminaliteit in dit onderzoekJanuary 1, 1999
II.2. De definitie van georganiseerde criminaliteit in dit
onderzoek
Door georganiseerd te werken zijn mensen in staat grote
prestaties te leveren. Georganiseerd staat voor doelgerichte
samenhandeling en rationele arbeidsdeling. Het is niet overdreven
om te stellen dat het huidige peil van welvaart zonder de inbreng
van informele en formele organisaties nooit zou zijn bereikt. Het
begrip georganiseerde criminaliteit drukt treffend de ongerijmdheid
uit dat deze functionele samenwerkingsvorm tegelijkertijd ook
bedreigend kan zijn voor de samenleving. De samenleving
wordt met haar eigen wapens bestreden.
lees meer
Bijlage VII – II.1. De discussie over de definitie in
NederlandJanuary 1, 1999
II.1. De discussie over de definitie in Nederland
Ook voor Nederland geldt dat de geschiedenis van de discussie
over de definitie van georganiseerde criminaliteit nog moet worden
geschreven. Links en rechts is er wel een aanzet gegeven, maar het
verhaal is nog verre van volledig (Beetstra et al., 1994).
Zeker wanneer men in een analyse van die geschiedenis een koppeling
wil aanbrengen tussen de definitie van georganiseerde criminaliteit
en het beleid dat in functie van een definitie is gevoerd, valt er
veel voor te zeggen in de onderhavige geschiedenis een cesuur aan
te brengen in het najaar van 1990, en meer bepaald in de maand
oktober van dat jaar, toen in Den Haag de Dutch American
Conference on Organized Crime plaatsvond. Onder invloed van
deze conferentie werd weliswaar niet direct de officile definitie
van georganiseerde criminaliteit bijgesteld, maar werd wel het
beleid ingrijpend aangepast. Terwijl voordien de bestrijding van
georganiseerde criminaliteit vanuit een repressief,
strafrechtelijk, perspectief was opgebouwd, werd vanaf dat moment
erkend dat er ook behoefte was aan preventief – bestuurlijke
maatregelen om het probleem te beheersen. De bijdragen van de leden
van New York State Organized Crime Task Force aan de genoemde
conferentie lieten immers zien dat een eenzijdig repressieve aanpak
op den duur niet voldoende effect kan sorteren (Fijnaut en Jacobs,
1991).
lees meer
Bijlage VII – II. DE DEFINITIE VAN GEORGANISEERDE
CRIMINALITEITJanuary 1, 1999
II. DE DEFINITIE VAN GEORGANISEERDE
CRIMINALITEIT
Er is in de voorbije jaren veel geschreven over de geschiedenis
van de georganiseerde criminaliteit, en ook over de geschiedenis
van haar bestrijding. Veel en veel minder aandacht is daarentegen
geschonken aan de geschiedenis van de maatschappelijke discussie
over deze vorm van criminaliteit, in het bijzonder de discussie
over de definitie van dit fenomeen. Toch is ook dit geen
onbelangrijke kwestie, zoals de werkgroep-Van Traa terecht heeft
vastgesteld. Want de manier waarop georganiseerde criminaliteit
wordt gedefinieerd, bepaalt niet alleen in hoge mate het uitzicht
dat dit verschijnsel heeft, maar heeft ook verstrekkende gevolgen
voor het beleid dat ertegen wordt of moet worden gevoerd. Tegen de
achtergrond van de discussie die in Nederland over de definitie van
georganiseerde criminaliteit heeft gespeeld, wordt in II.2 de
definitie verantwoord en gepreciseerd die in dit onderzoek is
gehanteerd.
lees meer
Bijlage VII – I.3. De inhoud van de volgende
hoofdstukkenJanuary 1, 1999
I.3. De inhoud van de volgende hoofdstukken
In de loop van het onderzoek is niet of nauwelijks afgeweken van
de opzet die hiervoor is uitgetekend. Dit betekent dat er
uiteindelijk inderdaad zeven deelrapporten zijn vervaardigd. Het
gaat met name om:
lees meer
Bijlage VII – I.2. De opzet van het onderzoekJanuary 1, 1999
I.2. De opzet van het onderzoek
Reeds in januari 1995 besliste de Enqutecommissie – mede in het
licht van het parlementaire debat – om een externe onderzoeksgroep
de aard, omvang en ernst van de zware, georganiseerde criminaliteit
in kaart te laten brengen. Meer bepaald werd aan de auteurs van dit
rapport – prof. dr. C. Fijnaut (onderzoeksleider), prof. dr. F.
Bovenkerk, prof. dr. G. Bruinsma en prof. dr. H. van de Bunt –
gevraagd onderzoek te doen naar drie zaken:
lees meer
Bijlage VII – I.1. De achtergrond van dit rapportJanuary 1, 1999
I. ALGEMENE INLEIDING
I.1. De achtergrond van dit rapport
In het begin van de jaren tachtig begon zowel in de politieke
kringen als in kringen van politie en justitie de gedachte post te
vatten dat ook in Nederland de georganiseerde criminaliteit een
onrustbarend verschijnsel aan het worden was. De regering nam deze
gedachte over in haar beleidsplan Samenleving en
criminaliteit (1985). In dit plan werd – met het oog op de
bestrijding van dat probleem – onder meer gepleit voor versterking
van de bovenlokale, regionale recherchesamenwerking. Gaandeweg
gingen er bij politie en justitie echter stemmen op dat het nodig
was om ook interregionaal werkende rechercheteams op te richten. De
noodzaak hiervan werd het scherpst gevoeld in Amsterdam. En dus was
het niet zo verwonderlijk dat in november 1987 – naar aanleiding
van een analyse van de situatie in de stad en haar omgeving – werd
beslist om het Interregionale Recherche Team Noord-Holland/Utrecht
(IRT) op te richten. De opheffing van dit team in 1993 leidde tot
de instelling van de Bijzondere Onderzoekscommissie IRT. In het
rapport van deze commissie wordt het probleem van de georganiseerde
criminaliteit in Nederland begrijpelijk niet aan een nader
onderzoek onderworpen. Tijdens de politieke discussie die volgde op
de publikatie van dit rapport in maart 1994, werd door alle
politieke partijen wel bij herhaling gewezen op het probleem van de
georganiseerde criminaliteit maar ging de meeste aandacht ook nog
uit naar de opsporingsmethoden die door politie en justitie in de
sfeer van deze criminaliteit worden gebruikt. Tegen de achtergrond
hiervan is het niet vreemd dat in het rumoerige Kamerdebat over de
opheffing van het IRT op 7 april 1994 door de meerderheid een motie
werd aangenomen waarin wordt gevraagd om een parlementair onderzoek
naar de bedoelde opsporingsmethoden, het kader waarbinnen hun
toepassing wordt gecontroleerd en getoetst, en de daadwerkelijke
hantering van deze methoden. Ter uitvoering van deze motie stelde
de vaste commissie voor Justitie op 1 juni 1994 een werkgroep onder
leiding van M. van Traa in om een vooronderzoek te verrichten naar
de toedracht van de zoven genoemde kwesties – de Werkgroep
vooronderzoek opsporingsmethoden.
lees meer
Bijlage VII – VOORWOORDJanuary 1, 1999
VOORWOORD
In de voorbije decennia is er in Nederland niet alleen veel
gediscussieerd over het probleem van de georganiseerde
criminaliteit, maar is er ook heel wat beleid ontwikkeld om dit
probleem te beheersen. Niettemin stak telkens weer de vraag naar de
werkelijke proporties van die criminaliteit de kop op. Een van de
redenen hiervan was het gebrek aan wetenschappelijk onderzoek om
deze vraag afdoende te beantwoorden. Hierom is het niet
verwonderlijk dat de Parlementaire Enqutecommissie
Opsporingsmethoden onder andere de opdracht kreeg om een oordeel
uit te spreken over aard, omvang en ernst van de georganiseerde
criminaliteit in Nederland. Om zich van dit deel van haar opdracht
te kwijten heeft de Enqutecommissie in het begin van 1995 prof. dr.
C.J.C.F. Fijnaut (Instituut voor Strafrecht, Katholieke
Universiteit Leuven, en Vakgroep Strafrecht en Criminologie,
Erasmus Universiteit Rotterdam) verzocht om een kleine
onderzoeksgroep samen te stellen. Het overleg omtrent dit verzoek
resulteerde in februari van dit jaar in de vorming van een
onderzoeksgroep waarvan – naast genoemde – ook deel hebben
uitgemaakt: prof. dr. F. Bovenkerk (Willem Pompe Instituut voor
Strafrechtswetenschappen, Universiteit Utrecht), prof. dr. G.J.N.
Bruinsma (Internationaal Politie Instituut Twente, Universiteit
Twente) en prof. dr. H.G. van de Bunt (Vakgroep Criminologie, Vrije
Universiteit Amsterdam en directeur van het Wetenschappelijk
Onderzoek- en Documentatiecentrum, Ministerie van Justitie). Zij
zijn op 1 maart 1995 begonnen aan de uitvoering van hun taak: een
onderzoek naar aard, omvang en ernst van de georganiseerde
criminaliteit in Nederland. Bij de uitvoering van sommige
deelonderzoeken werd prof. dr. H.G. van de Bunt geassisteerd door
drs. H. Nelen en dr. H. Werdmlder (Wetenschappelijk Onderzoek- en
Documentatiecentrum), prof.dr. F. Bovenkerk door drs. A. Lempens
(Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen) en drs. N.
van de Ven (Divisie Centrale Recherche Informatie, Korps Landelijke
Politiediensten), en Prof. dr. G.J.N. Bruinsma door drs. E.R.
Kleemans (Internationaal Politie Instituut Twente).
lees meer
Inhoud Bijlage VIIJanuary 1, 1999
Bijlage VII – Eindrapport georganiseerde criminaliteit in
Nederland
VOORWOORD
lees meer
Bijlage VI – 9.6 ConclusiesJanuary 1, 1999
9.6 Conclusies
1. Bij de criminaliteitbestrijding is het OM sterk
arrondissementsgewijs georinteerd. Dit leidt ertoe dat van
eenvormig beleid geen sprake is. Voor het takenpakket en de
organisatorische plaats van de CID-officieren, de
kernteam-officieren en de ZwaCri-officieren ontbreekt een
landelijke standaard. Dat verklaart mede het verschil in invulling
van deze taak.
lees meer
9.5.1 De minister van JustitieJanuary 1, 1999
9.5.1 De minister van Justitie Noot
De traditionele rolverdeling waarbij het OM is belast met
concrete strafrechtelijke onderzoeken en de minister van Justitie
met beleidsaangelegenheden heeft in de loop der jaren veranderingen
ondergaan. Het OM voert ook zelf beleid en dat vergt afstemming met
het ministerie.
lees meer
Bijlage VI – 9.5 Sturing en controle van het OMJanuary 1, 1999
9.5 Sturing en controle van het OM
9.5.1 De minister van Justitie Noot
De traditionele rolverdeling waarbij het OM is belast met
concrete strafrechtelijke onderzoeken en de minister van Justitie
met beleidsaangelegenheden heeft in de loop der jaren veranderingen
ondergaan. Het OM voert ook zelf beleid en dat vergt afstemming met
het ministerie.
lees meer
Bijlage VI – 9.4 Samenwerking en cordinatieJanuary 1, 1999
9.4 Samenwerking en cordinatie
9.4.1 Ressortelijke adviescommissies, LOCO en Raad van advies
voor de CID
Binnen het openbaar ministerie functioneerden landelijk en op
ressortsniveau tal van adviescommissies. Met de reorganisatie van
het OM is ook de overlegstructuur veranderd. Op landelijk niveau
functioneert het adviescollege wetgeving, bestaande uit leden van
het OM, onder voorzitterschap van een hoofdofficier. Het college
adviseert de vergadering van procureurs-generaal over juridische
vraagstukken, met name over voorgenomen weten regelgeving,
inclusief richtlijnen.
In de ressorten was sprake van een vrij fijnmazig en
onoverzichtelijk stelsel van adviescolleges. Er waren commissies
voor verkeer (Revecom), voor Economie (Recom), het ressortelijk
executie overleg (REO) en het overleg in kinderzaken
(Rekicom).
lees meer
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>