Bijlage VI – 9.6 ConclusiesJanuary 1, 1999
9.6 Conclusies
1. Bij de criminaliteitbestrijding is het OM sterk
arrondissementsgewijs georinteerd. Dit leidt ertoe dat van
eenvormig beleid geen sprake is. Voor het takenpakket en de
organisatorische plaats van de CID-officieren, de
kernteam-officieren en de ZwaCri-officieren ontbreekt een
landelijke standaard. Dat verklaart mede het verschil in invulling
van deze taak.
lees meer
9.5.1 De minister van JustitieJanuary 1, 1999
9.5.1 De minister van Justitie Noot
De traditionele rolverdeling waarbij het OM is belast met
concrete strafrechtelijke onderzoeken en de minister van Justitie
met beleidsaangelegenheden heeft in de loop der jaren veranderingen
ondergaan. Het OM voert ook zelf beleid en dat vergt afstemming met
het ministerie.
lees meer
Bijlage VI – 9.5 Sturing en controle van het OMJanuary 1, 1999
9.5 Sturing en controle van het OM
9.5.1 De minister van Justitie Noot
De traditionele rolverdeling waarbij het OM is belast met
concrete strafrechtelijke onderzoeken en de minister van Justitie
met beleidsaangelegenheden heeft in de loop der jaren veranderingen
ondergaan. Het OM voert ook zelf beleid en dat vergt afstemming met
het ministerie.
lees meer
Bijlage VI – 9.4 Samenwerking en cordinatieJanuary 1, 1999
9.4 Samenwerking en cordinatie
9.4.1 Ressortelijke adviescommissies, LOCO en Raad van advies
voor de CID
Binnen het openbaar ministerie functioneerden landelijk en op
ressortsniveau tal van adviescommissies. Met de reorganisatie van
het OM is ook de overlegstructuur veranderd. Op landelijk niveau
functioneert het adviescollege wetgeving, bestaande uit leden van
het OM, onder voorzitterschap van een hoofdofficier. Het college
adviseert de vergadering van procureurs-generaal over juridische
vraagstukken, met name over voorgenomen weten regelgeving,
inclusief richtlijnen.
In de ressorten was sprake van een vrij fijnmazig en
onoverzichtelijk stelsel van adviescolleges. Er waren commissies
voor verkeer (Revecom), voor Economie (Recom), het ressortelijk
executie overleg (REO) en het overleg in kinderzaken
(Rekicom).
lees meer
Bijlage VI – 9.3 Zaken en werkwijzeJanuary 1, 1999
9.3 Zaken en werkwijze
9.3.1 Sturing en controle van de politie
Artikel 13, eerste lid Politiewet 1993 bepaalt dat de politie
onder het gezag van de officier van justitie staat, indien zij
optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel
diensten verricht ten dienste van justitie (onder andere
vreemdelingentoezicht en uitvoering van de wet-Mulder). Onder
strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde wordt verstaan:
lees meer
Bijlage VI – 9.2 Organisatie van het OMJanuary 1, 1999
9.2 Organisatie van het OM
De officieren van justitie staan in het hirarchische verband van
het openbaar ministerie onder het gezag van de hoofdofficier van
justitie, die aan het hoofd staat van n van de negentien
arrondissementsparketten. Ieder arrondissementsparket valt onder n
van de vijf ressortsparketten die alle worden geleid door een
procureur-generaal. Samen vormen de vijf procureurs-generaal het
College van procureurs-generaal dat als de centrale leiding van het
OM fungeert. Daarenboven is de minister van Justitie zoals vermeld
bevoegd bevelen te geven aan de individuele leden van het openbaar
ministerie.
lees meer
Bijlage VI – 9.1 InleidingJanuary 1, 1999
9 OPENBAAR MINISTERIE
9.1 Inleiding
9.1.1 Algemene introductie
Het openbaar ministerie (OM) is belast met de strafrechtelijke
handhaving der rechtsorde. Daartoe beschikt het OM over het
vervolgingsmonopolie en draagt de officier van justitie het gezag
over de opsporing. Verder heeft het OM verschillende andere taken,
zoals de tenuitvoerlegging van rechterlijke vonnissen en, sinds de
inwerktreding van de Politiewet 1993, taken die voortvloeien uit
het medebeheer van de politie. In dit hoofdstuk staat de rol van
(de leden van) het OM bij de opsporing centraal. Met name in het
kader van die taak komt het openbaar ministerie in aanraking met de
georganiseerde criminaliteit en worden door het OM
opsporingsmethoden ingezet.
lees meer
Bijlage VI – 8.6 ConclusiesJanuary 1, 1999
8.6 Conclusies
1 De BVD verricht niet op eigen initiatief onderzoek naar
strafbare feiten. 2 De BVD beschikt niet over een inventarisatie
van gevallen waarin de georganiseerde criminaliteit de integriteit
van de overheid bedreigt.
lees meer
Bijlage VI – 8.5 Informatievergaring, -opslag en
-verstrekkingJanuary 1, 1999
8.5 Informatievergaring, -opslag en -verstrekking
8.5.1 Wettelijk kader
Artikel 13, eerste lid, WIV schrijft voor dat de diensten
elkaar, mede door het verschaffen van gegevens, zoveel mogelijk
medewerking verlenen. De mogelijkheid tot informatieuitwisseling
tussen de Binnenlandse veiligheidsdienst en de Militaire
Inlichtingendienst is daarmee onbegrensd. In artikel 14 WIV is de
zorg voor geheimhouding van gegevens en bronnen alsmede voor de
veiligheid van personen met wier medewerking gegevens worden
verzameld, opgedragen aan de cordinator van de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten en de hoofden van deze diensten. De bepaling
biedt daarmee onder meer bescherming aan informanten en
agenten.
lees meer
Bijlage VI – 8.4 Bijzondere methodenJanuary 1, 1999
8.4 Bijzondere methoden
8.4.1 Algemeen
Artikel 20, eerste lid WIV bepaalt dat de ambtenaren van de BVD
geen bevoegdheid tot het opsporen van strafbare feiten hebben. De
ambtenaren als bedoeld in artikel 18 WIV (onder wie de
RID-rechercheurs) beschikken doorgaans uit hoofde van hun functie
over opsporingsbevoegdheden. In geval zij werkzaamheden verrichten
in het kader van de BVD-taak oefenen zij geen bevoegdheden tot het
opsporen van strafbare feiten uit (artikel 20 lid 2 WIV).
lees meer
Bijlage VI – 8.3 De BVD en criminaliteitsbestrijdingJanuary 1, 1999
8.3 De BVD en criminaliteitsbestrijding
8.3.1 Het gebruik van BVD-informatie in een
strafproces
Het gebruik van BVD-informatie ten behoeve van strafvordering
doet zich in de praktijk voor, bijvoorbeeld na de aanhouding van
actievoerders bij de ontruiming van het Wolters-Noordhoff-complex
te Groningen op 27 mei 1990. De BVD zou met name informatie hebben
verschaft ten behoeve van de identificatie van de aangehouden
personen.
lees meer
Bijlage VI – 8.2 De Binnenlandse veiligheidsdienstJanuary 1, 1999
8.2 De Binnenlandse veiligheidsdienst
8.2.1 Organisatie
De BVD bestaat uit zes directies die hirarchisch ressorteren
onder het hoofd van de BVD. In de eerste directie zijn
ondergebracht strategie, planning en controle alsmede juridische
zaken en communicatie. Deze directie kan worden beschouwd als een
stafafdeling. Directie twee (D2) heeft als aandachtsgebied de
democratische rechtsorde, directie drie (D3) de veiligheid van de
staat, en directie vier (D4) het maatschappelijk en
economisch leven. Elk van deze drie directies heeft vijf
afdelingen: teamleiders, onderzoek, documentatie, studie en
bewerking, en beveiligingsadvies. De vijfde directie (operationele
informatievergaring) geeft ondersteuning aan het primaire proces.
In deze directie zijn de vaardigheid en deskundigheid aanwezig die
de inzet van bijzondere middelen ter informatievergaring, zoals de
telefoontap en de observatie van personen vereisen. Directie zes
houdt zich bezig met managementadvies en de centrale faciliteiten
(personeelszaken, financin e.d.). Bij de BVD zijn ongeveer 560
personen werkzaam.
lees meer
Bijlage VI – 8.1 InleidingJanuary 1, 1999
8 INLICHTINGENDIENSTEN
8.1 Inleiding
8.1.1 Wettelijk kader
De taak van de Binnenlandse veiligheidsdienst (BVD) is geregeld
in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (verder af te
korten tot WIV). Artikel 8, tweede lid formuleert haar als volgt:
a het verzamelen van gegevens omtrent organisaties en personen
welke door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun
activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij
een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische
rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige
belangen van de Staat;
lees meer
Bijlage VI – 7.8 ConclusiesJanuary 1, 1999
7.8 Conclusies
1. De door de commissie onderzochte bijzondere
opsporingsdiensten hebben een landelijke taak, worden beheerd door
een ministerie en hebben een duidelijke gezagslijn met het OM. De
FIOD, het MBT, de DRZ en in praktijk ook de ECD zijn primair
opsporingsdiensten; bij de AID is toezicht en opsporing formeel
verweven maar organisatorisch onderscheiden. De diensten ontlenen
hun taak aan bijzondere wetten voor de handhaving waarvan hun
departement verantwoordelijk is. Dit bepaalt hun
prioriteitenstelling in hoge mate. 2. Strafrechtelijke handhaving
van bijzondere wetten betreft zaken waarbij grote schadebedragen
aan de orde kunnen zijn; in verhouding daarmee is de beschikbare
capaciteit van het OM om vervolg te geven aan het
opsporingsonderzoek opmerkelijk gering.
lees meer
Bijlage VI – 7.7 Dienst recherchezaken VROMJanuary 1, 1999
7.7 Dienst recherchezaken VROM
7.7.1 De organisatie
De Dienst recherchezaken van het ministerie van VROM is een
bijzondere opsporingsdienst die rechtstreeks ressorteert onder de
secretaris-generaal. Het landelijk werkterrein is verdeeld in drie
regio’s – West, Noord-Oost en Zuid. Op dit moment zijn er 74
personen werkzaam, vrijwel allen met tien tot vijftien jaar
politie-ervaring, een VROM-opleiding en een SPD-diploma
boekhouden.
lees meer
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>