Kroongetuige St. Maarten
HR 15 februari 1994, NJ 1994, 322 m.nt. AHJS
HR 15 februari 1994, NJ 1994, 322 m.nt. AHJS
EHRM 16 december 1992, NJCM Bulletin 1993, p. 449-453 met
commentaar Myer (Art. 6 EVRM)
De veroordeling van Edwards was hoofdzakelijk gebaseerd op door de
politie verzameld bewijsmateriaal. Edwards bestreed dat hij het
plegen van de tenlastegelegde delicten (one count of robbery and
two counts of burglary) zou hebben bekend. Vervolgens kwam aan het
licht dat bepaalde feiten niet door de politie aan de verdediging
bekend waren gemaakt, zodat het voor de verdediging niet mogelijk
was de geloofwaardigheid en juistheid van de politieverklaringen
aan te vechten.
HR 25 september 1984, NJ 1985, 426 m.nt ThWvV en EHRM 20
november 1989, NJ 1990, 245 m.nt EAA (en A.H.J. Swart in Ars Aequi
39 (1990) 5, p. 315-327)
(Artt. 186 lid 3, 288, 338 Sv, 6 lid 3 EVRM en 14 lid 3 onder e
IVBP) Drie personen zijn ‘s nachts een bank binnengedrongen en
wachtten met bivakmutsen getooid op de komst van het bankpersoneel
om hen de kluizen te laten openen. Na de overval bleef alleen een
gevonden schroevedraaier achter. Later meldden zich twee personen
die de namen van de daders noemden (Stanley H., Paul M. en
Kostovski). Deze twee getuigen vreesden voor represailles en
wensten anoniem te blijven. Een van hen trok zijn getuigenis in, de
ander werd twee maal door de rechter-commissaris – buiten
aanwezigheid van de verdediging – gehoord, maar weigerde op de
zitting te verschijnen. Vervolgens wees een speurhondenproef uit
dat de schroevedraaier door een van de drie verdachten was
gebruikt. Het hof had deze verdachte veroordeeld, waarbij de
schroevedraaier doorslaggevend was geweest. De rechter-commissaris
verscheen ter terechtzitting als getuige. Dit arrest betreft
Kostovski’s medeverdachte Stanley H., maar is vrijwel identiek aan
het arrest dat met betrekking tot Kostovski is gewezen. (zie voor
een uitgebreid feitenrelaas NJ 1990, 245). De Hoge Raad:
Gerechthof Amsterdam, 10 januari 1995, NJ 1995, 254
(Artt. 47, 56, 57, 140 Sr, 3 en 11 Opiumwet)
De beschrijving van deze zaak zal als volgt plaatsvinden: Per
aangevoerd verweer (1 t/m 9) zal een korte inhoud van dat verweer
gegeven worden, waarna gelijk (veelal door middel van een
samenvatting) de overweging en beslissing op dit punt door het hof
zal volgen. Bij het eerste verweer worden de inleidende opmerkingen
van het hof, gemaakt voor de behandeling van de verweren, vermeld.
1. Verweer onvolledig proces-verbaal: Het proces-verbaal van de
hoofdinspecteur van politie, Woelders, voldoet niet aan opdracht
van het hof aan de procureur-generaal een volledige rapportgage met
betrekking tot de gehanteerde opsporingsmethoden te
verstrekken.
Gerechtshof Amsterdam 1 december 1994, NJ 1995, 159
(Artt. 140 Sr en Opiumwetdelicten, art. 9 lid 1 aanhef onder b
Opiumwet (zoals deze tot 1 oktober 1994 gold), 125f en g
Sv)
Naar aanleiding van het opsporingsonderzoek in de zaak R. worden
bij het hof door de verdediging twee verweren gevoerd die, zo zij
slagen, tot niet ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie
in haar vervolging zouden moeten leiden.
HR 31 mei 1994, NJ 1995, 29 m.nt. Kn
(Artt. 120, 152 Sv, 9 Opiumwet)
In eerste aanleg is door de rechtbank geconstateerd dat er tijdens
het politie-onderzoek van het Sinis-team, voorafgaand aan de
huiszoekingen en de aanhoudingen op 9 april 1991 een inkijkoperatie
is uitgevoerd in een loods. De officier van justitie was hiervan
niet op de hoogte, evenmin is de rechter-commissaris in het
onderzoek betrokken, zoals bij een formele huiszoeking. Bij deze
kijkoperatie is geen bewijs aan het licht gekomen voor de
tenlastegelegde feiten: in plaats van de verwachte handelsvoorraad
drugs (hashish) werd een speedboot aangetroffen.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens 16 december 1992, NJ
1993, 400 m.nt. EJD (Artikel 8 EVRM)
Tegen Klaus Wegener werd in januari 1986 in Mnchen een procedure
gestart wegens belediging. In een brief aan de rechtbank van
Freising, ondertekend door ene Klaus W., werd namelijk de
handelwijze van een rechter, tijdens een proces tegen een werkgever
die uit overtuiging had geweigerd voor zijn werknemers
kerkbelasting af te dragen, ondemocratisch en terroristisch
genoemd. In het kader van dit onderzoek was een huiszoekingsbevel
uitgevaardigd dat betrekking had op het kantoor van de advocaat
Niemietz. Niemietz was een aantal jaren voorzitter geweest van de
Antiklerikaler Arbeitskreis, een werkgroep van de Freiburgse partij
Bunte Liste, waaraan Klaus Wegener verbonden was geweest (de
voornoemde brief was blijkens het onderschrift geschreven in naam
van Antiklerikale Arbeitskreis geschreven). Tot eind 1985 werd de
post voor de Bunte Liste, naar het kantoor van Niemietz (klager in
dit geding) gestuurd. Door middel van deze huiszoeking hoopten de
autoriteiten meer over Wegener te weten te komen.
Rechtbank ‘s-Hertogenbosch 12 juni 1992, park.nr. 037.044/92 en
Hof ‘s-Hertogenbosch 19 december 1992, park. nr 20.001178.92
(Artt. 311 lid 1 aanhef onder 4 j 310, 219 aanhef onder 1 j 45
Sr en 150 j 148 lid 3 Sv) Op 20 december 1992 deelde de
politie, de officier van justitie telefonisch mede, dat uit CID
informatie was gebleken, dat in een bepaalde schuur gestolen auto’s
waren ondergebracht om omgekat te worden (dat is het voorzien van
een ander chassisnummer en dergelijke om weer verkocht te kunnen
worden). De officier besloot op grond van de bepaling van de schouw
(art. 150 Sv juncto 148 lid 3 Sv) in die schuur te gaan kijken,
teneinde de juistheid van die informatie vast te stellen. De
rechthebbende op die schuur werd hiervan niet op de hoogte
gesteld.
HR 28 mei 1985, NJ Sv, 1985, 822 m.nt ThWvV
(Artt. 97 lid 1 sub 1SV, 2 lid 1 sub C en 9 Opiumwet
(oud))
Rechtsvraag:
Was het tegen de wil van de bewoners binnen treden, waarna cocane
werd aangetroffen bij het onderzoek in de keukenkastjes (een naast
de geiser hangend kastje), welk onderzoek zonder toestemming en
zonder te hebben voldaan aan de (oude) voorwaarden voor een
huiszoeking, onbevoegd geschied? Mag de gevonden cocane (49,6 gram)
voor het bewijs van het tenlastegelegde meewerken?
Hof Amsterdam, 9 juni 1994, NJ 1994, 709 en HR 27 juni 1995, NJ
1995, 751 (DD 25 (1995) 10 (dec) nr. 95.428) (zie ook NJ 1994, 710
(XTC II))
(Artt. 36e Sr en 125f Sv)
Samenvatting van de gevoerde verweren voor het hof:
Overkoepelend wordt gesteld dat openbaar ministerie niet
ontvankelijk dient te worden verklaard, onderscheidelijk dat het
bewijs onrechtmatig is verkregen, op gronden dat de officier van
justitie misbruik van het procesrecht heeft gemaakt (3:13 en 3:15
BW), door:
HR 6 juni 1995, nr. 99.663
(Artt. 26 Wet wapens en munitie en art. 416-417bis Sr.)
Bij een bepaalde garagebox werden video-opnamen gemaakt en is door
rechercheurs geobserveerd. Deze wijze van observatie (door middel
van een video-camera) bleek niet uit de processen-verbaal.
Rechtsvraag:
Rechtbank Rotterdam 12 augustus 1993, parketnummers
10/060.209-93 en 10/069.797-92 en hof ‘s-Gravenhage 16 februari
1994
(Artt. 8 EVRM, 17 IVBP, 10 Grondwet, 28 Politiewet (oud) en 1
Sv)
Omdat vanaf begin 1992 in Hellevoetsluis diverse brandstichtingen
hadden plaatsgevonden werd een rechercheteam opgericht. De
observaties van onder meer verdachte leverden echter niet het
gewenste resultaat op omdat verdachte scherp op politie was.
Besloten werd met toestemming van de officier van justitie een
peilzender in de fiets van verdachte te plaatsen. Hiertoe werd de
eigenaar van de rijwielhandel, waar verdachte zijn fiets had
gekocht, door de politie benaderd. Hem werd verzocht verdachte dan
wel diens ouders te berichten dat er een fabricagefout in zijn
fiets geslopen was en dat de fiets voor herstel van die fout
afgegeven kon worden. Na afgifte plaatste de politie vervolgens een
peilzender in de fiets. De peilzender is twee nachten actief is
geweest.
HR (civiele kamer) 11 november 1994, NJ 1995, 400 m.nt HJS en
RvdW 1994, 241C m.nt EAA (Artt. 8 lid 2 EVRM, 19 IVBP, 10
Grondwet, 25a en 25b,3 Wet Inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
(IOAZ))
HR 19 februari 1991, NJ 1992, 50 m.nt. C
(Artt. 94, 552a Sv, 10 Grondwet, 8 en 10 EVRM)
Procedure: Beschikking in de raadkamer op beroep in cassatie tegen
een beschikking van rechtbank op een beklag als bedoeld in art.
552a Sv, ingediend door vennootschap CLT en vennootschap
RTL-Veronique (aangaande inbeslagname van filmbanden).