• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • Bijlage V – Peilzender in fiets

    Peilzender in fiets

    Rechtbank Rotterdam 12 augustus 1993, parketnummers
    10/060.209-93 en 10/069.797-92 en hof ‘s-Gravenhage 16 februari
    1994
    (Artt. 8 EVRM, 17 IVBP, 10 Grondwet, 28 Politiewet (oud) en 1
    Sv)

    Omdat vanaf begin 1992 in Hellevoetsluis diverse brandstichtingen
    hadden plaatsgevonden werd een rechercheteam opgericht. De
    observaties van onder meer verdachte leverden echter niet het
    gewenste resultaat op omdat verdachte scherp op politie was.
    Besloten werd met toestemming van de officier van justitie een
    peilzender in de fiets van verdachte te plaatsen. Hiertoe werd de
    eigenaar van de rijwielhandel, waar verdachte zijn fiets had
    gekocht, door de politie benaderd. Hem werd verzocht verdachte dan
    wel diens ouders te berichten dat er een fabricagefout in zijn
    fiets geslopen was en dat de fiets voor herstel van die fout
    afgegeven kon worden. Na afgifte plaatste de politie vervolgens een
    peilzender in de fiets. De peilzender is twee nachten actief is
    geweest.

    lees meer

    Bijlage V – Plea-bargain

    Plea-bargain

    HR 28 maart 1995, nr. 99.127
    Verdachte meende dat er beslist een deal was gemaakt over de eis
    van twee jaar als schoon schip gemaakt zou worden door verdachte.
    De rechercheurs zouden daartoe carte blanche hebben gekregen van de
    officier van justitie. Vervolgens heeft verdachte niet alleen met
    autodiefstallen, maar ook – geheel onverwacht – een overval op

    Albert Heijn te Delft toegegeven.

    lees meer

    Bijlage V – 2.4 Conclusies

    2.4 Conclusies

    1. De onderzochte opsporingsmethoden hebben – behoudens enkele
    vormen van de in hoofdstuk 3 behandelde observatie – geen
    uitdrukkelijke wettelijke basis. Redenen om in een dergelijke basis
    te voorzien kunnen worden ontleend aan 1) artikel 1 Sv, 2) het
    bepaalde in de mensenrechtenverdragen, in het bijzonder met het oog
    op het recht op een eerlijk proces en met het oog op het recht op
    privacy, 3) het feit dat sommige opsporingsmethoden gepaard gaan
    met strafbare feiten gepleegd door opsporingsambtenaren, en 4) het
    belang van de integriteit van de strafrechtspleging.

    lees meer

    Bijlage V – 5.1 INLEIDING

    5 INFILTRATIE

    5.1 INLEIDING

    Vanaf eind jaren zestig wordt in Nederland met infiltranten
    gewerkt en aangenomen mag worden dat politile undercover-operaties
    nog veel ouder zijn. Noot Aanvankelijk worden met enige
    regelmaat pseudokopen uitgevoerd door de Amerikaanse Drugs
    Enforcement Administration (DEA), en pas geleidelijk gaat ook de
    Nederlandse politie zich daar georganiseerd op toeleggen. Omstreeks
    1978 is door de Amsterdamse hoofd-inspecteur Sietsma naar Canadees
    model begonnen met pseudokoopteams die zich gaandeweg ook met
    verdergaande vormen van infiltratie hebben beziggehouden. Welbewust
    is toen eind jaren zeventig door middel van de Tallon-zaak een
    uitspraak van de Hoge Raad met betrekking tot infiltratie
    uitgelokt. Het experimentele karakter van infiltratie leidde tot
    problemen rond 1980; ook op het optreden in de direct daarop
    aansluitende periode wordt tegenwoordig teruggezien alsof het er
    toen nogal amateuristisch aan toeging.

    lees meer

    Bijlage V – 7.12 Kennis en verantwoordelijkheid

    7.12 Kennis en verantwoordelijkheid

    In het onderzoek heeft de commissie getracht te achterhalen wat
    verantwoordelijke politiefunctionarissen, bestuurders en officier
    van justitie wisten. Wat wisten de betrokkenen en hoe hebben zij
    hun verantwoordelijkheden uitgeoefend? De commissie gaat daarbij
    ervan uit dat, voor het kunnen uitoefenen van het gezag over de
    politie, het OM op de hoogte dient te zijn van de gebruikte
    methoden en het functioneren van de CID en haar medewerkers. Ook de
    korpsleiding dient naar het oordeel van de commissie weet te hebben
    van de activiteiten van de CID om tot een verantwoorde sturing van
    de CID te kunnen komen. Korpsleiding en OM hebben naar het oordeel
    van de commssie de verantwoordelijkheid zich op de hoogte te
    stellen van de activiteiten van de CID. Dat neemt niet weg dat de
    commissie tevens van oordeel is dat het de verantwoordelijkheid van
    betrokken CID-functionarissen is om de korpsleiding en het OM op de
    hoogte te stellen van hun activiteiten. Noot

    lees meer

    Bijlage V – 9.2 Informanten

    9.2 Informanten

    9.2.1 Casus

    Persoonlijke relatie runner-informant

    lees meer

    Bijlage VI – 12.2 Het ministerie van Justitie

    12.2 Het ministerie van Justitie

    De minister van Justitie draagt op centraal niveau de primaire
    verantwoordelijkheid voor de beleidsvorming en de formele en lagere
    wetgeving met betrekking tot het strafrechtelijk beleid. Daaronder
    valt ook de primaire verantwoordelijkheid voor de bestrijding van
    de georganiseerde criminaliteit en voor de methoden die daartoe
    gebruikt worden. In het verlengde hiervan draagt de minister van
    Justitie de politieke verantwoordelijkheid voor het functioneren
    van het openbaar ministerie (OM), voor de organisatie van de
    zittende magistratuur, voor het functioneren van het
    gevangeniswezen en voor het functioneren van de politie, voorzover
    het de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betreft. Sinds
    de reorganisatie van het politiebestel is het ministerie van
    Justitie ook verantwoordelijk voor het beheer van het Korps
    landelijke politiediensten (KLPD), waaronder de Divisie centrale
    recherche informatie (DCRI) en het Landelijk rechercheteam (LRT)
    ressorteren. De Rijksrecherche valt vanouds onder de
    verantwoordelijkheid van de minister van Justitie en is
    organisatorisch verdeeld onder de vijf procureurs-generaal van het
    OM.

    lees meer

    Bijlage VI – 4.1 Inleiding

    4 TACTISCHE RECHERCHE

    4.1 Inleiding

    4.1.1 Algemene introductie

    Als afzonderlijke eenheid binnen de politie verwerft de
    recherche voor het eerst rond 1900 een eigen positie. De opkomst en
    de institutionalisering van de recherche volgen in feite de
    ontwikkelingen van het bestaande politiebestel. In het begin van de
    20ste eeuw wordt in gemeentepolitiekorpsen een organisatorische
    scheiding aangebracht tussen de algemene politiedienst en de
    justitile dienst. In de kiem ligt hierin de latere tweedeling
    tussen surveillancedienst en recherche. Bij de rijkspolitie
    voltrekt de vorming van centraal georganiseerde, specialistische
    recherche-onderdelen zich pas in de periode 1965-1980. Er komen
    recherchegroepen naast de reeds bestaande, lokaal georinteerde
    landgroepen. Noot De functie van de tactische recherche
    laat zich het best omschrijven wanneer daarbij het proces van
    specialisatie binnen de recherche wordt betrokken. Zo is de
    criminele inlichtingendienst (CID) als afzonderlijke eenheid binnen
    de politie ontstaan door taken van de klassieke, algemene
    recherche-eenheden af te splitsen. Andere specialismen binnen de
    politie zijn bijvoorbeeld de observatieteams (OT), arrestatieteams
    (AT), de technische recherche en de sectie technische ondersteuning
    (STO). In dit hoofdstuk gaat het om de tactische recherche. De term
    tactisch wordt vaak gebruikt ter onderscheiding van de technische
    recherche (TR). De technische recherche is de specialistische
    afdeling die al sinds het begin van deze eeuw het technische bewijs
    levert in onderzoeken. De technische recherche stelt sporen, zoals
    vingerafdrukken, deuken en bloedsporen, veilig op de plaats van het
    delict, identificeert deze en verricht natuurkundig en scheikundig
    onderzoek op materiaal dat op de plaats van het delict is
    aangetroffen. Noot De technische recherche werkt ten
    behoeve van het tactisch recherche-onderzoek.

    lees meer

    Bijlage VI – 6.3 Organisatie kernteams

    6.3 Organisatie kernteams

    6.3.1 Een aparte structuur

    Volgens het rapport Structuur van de aanpak van
    georganiseerde misdaad
    (1994) hebben de ervaringen met de
    kernteams duidelijk geleerd dat het minder gemakkelijk is
    daadwerkelijk los te komen van het regionale belang. De kernteams
    zijn feitelijk – zowel qua organisatie als qua onderzoekskeuze – in
    staat zodanig te opereren dat landelijk dekking ontstaat en dat
    voldoende oog bestaat voor de internationale dimensie. Er bestaat
    variatie in de structuur en organisatie van de zes kernteams. Zij
    worden geacht te functioneren als identificeerbare aparte
    organisatie. Dat is het geval bij het kernteam Randstad Noord en
    Midden, het kernteam Noord-Oost-Nederland en het kernteam Zuid. Wat
    het kernteam Noord-Oost-Nederland betreft moet dit in zoverre
    worden gerelativeerd dat het team is verspreid over vier locaties.
    Aan genoemde kernteams nemen respectievelijk vier, negen en vijf
    regiokorpsen deel.

    lees meer

    Bijlage VI – 8.3 De BVD en criminaliteitsbestrijding

    8.3 De BVD en criminaliteitsbestrijding

    8.3.1 Het gebruik van BVD-informatie in een
    strafproces

    Het gebruik van BVD-informatie ten behoeve van strafvordering
    doet zich in de praktijk voor, bijvoorbeeld na de aanhouding van
    actievoerders bij de ontruiming van het Wolters-Noordhoff-complex
    te Groningen op 27 mei 1990. De BVD zou met name informatie hebben
    verschaft ten behoeve van de identificatie van de aangehouden
    personen.

    lees meer

    Bijlage VII – II. DE DEFINITIE VAN GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT

    II. DE DEFINITIE VAN GEORGANISEERDE
    CRIMINALITEIT

    Er is in de voorbije jaren veel geschreven over de geschiedenis
    van de georganiseerde criminaliteit, en ook over de geschiedenis
    van haar bestrijding. Veel en veel minder aandacht is daarentegen
    geschonken aan de geschiedenis van de maatschappelijke discussie
    over deze vorm van criminaliteit, in het bijzonder de discussie
    over de definitie van dit fenomeen. Toch is ook dit geen
    onbelangrijke kwestie, zoals de werkgroep-Van Traa terecht heeft
    vastgesteld. Want de manier waarop georganiseerde criminaliteit
    wordt gedefinieerd, bepaalt niet alleen in hoge mate het uitzicht
    dat dit verschijnsel heeft, maar heeft ook verstrekkende gevolgen
    voor het beleid dat ertegen wordt of moet worden gevoerd. Tegen de
    achtergrond van de discussie die in Nederland over de definitie van
    georganiseerde criminaliteit heeft gespeeld, wordt in II.2 de
    definitie verantwoord en gepreciseerd die in dit onderzoek is
    gehanteerd.

    lees meer

    Bijlage VII – IV.7. Besluit

    IV.7. Besluit

    Hiervoor kon om redenen die in de inleiding zijn genoemd, geen
    compleet beeld worden geschetst van de aard en omvang van de
    traditionele georganiseerde criminaliteit in Nederland. Bezien naar
    haar aard ontbreekt een kenschets van het illegale gokwezen. En wat
    haar omvang betreft ontbreken zelfs voor de drughandel maatgevende
    cijfers. In de voorgaande paragrafen is dus hoofdzakelijk
    uiteengezet hoe bepaalde vormen van traditionele georganiseerde
    criminaliteit er op een aantal wezenlijke punten uitzien: wat voor
    groepen zijn betrokken bij de criminele activiteiten in kwestie,
    hoe organiseren zij die en welke is de bestemming van de aldus
    gegenereerde inkomsten. Dat in deze uiteenzetting de drugshandel
    een prominente plaats inneemt, is niet alleen een gevolg van het
    feit dat de opsporingscapaciteit van politie en justitie voor een
    groot deel op de bestrijding van deze handel is gericht. Deze
    enorme inzet van de schaarse middelen correspondeert tot op zekere
    hoogte met de vooraanstaande rol die de drugshandel in de
    georganiseerde criminaliteit in Nederland speelt.

    lees meer

    Bijlage VII – VII.3. Besluit

    VII.3. Besluit

    Vorenstaande beschrijvingen maken duidelijk dat ook in Nederland
    de democratische rechtsstaat, vooral in de vorm van de
    strafrechtspleging, tegenwoordig op uiteenlopende manieren onder
    druk wordt gezet door criminele groepen. Hoe hoog deze druk is valt
    in het algemeen niet te beantwoorden. Wel is duidelijk dat hij in
    Amsterdam de laatste jaren veel hoger is geweest dan in steden als
    Arnhem, Nijmegen en Enschede. Er kan dus eigenlijk alleen in
    relatieve termen iets over worden gezegd. Maar dit neemt niet weg
    dat kan worden gesteld dat ook in Arnhem de spanning in welbepaalde
    gevallen hoog is opgelopen. Bij het vorenstaande moet worden
    aangetekend dat de toepassing van contrastrategien tot op dit
    moment kennelijk goeddeels beperkt is gebleven tot ambtenaren in
    uitvoerende functies bij overheidsorganen die het meest direct zijn
    betrokken bij de repressieve bestrijding van georganiseerde
    criminaliteit, in het bijzonder de (algemene en reguliere)
    politiediensten, de koninklijke marechaussee en de douane. En dit
    ligt natuurlijk ook voor de hand: zij belichamen het meest tastbaar
    het risico dat de democratische rechtsstaat die zich teweerstelt,
    betekent voor criminele groepen. Er is dus geen sprake van dat
    zulke groepen langs de weg van corruptie en/of intimidatie
    belangrijke overheidsdiensten, laat staan gewichtige bestuurlijke
    organen of autoriteiten, onder controle zouden hebben. Niettemin
    geven enkele voorvallen uit de genoemde steden aan dat in elk geval
    op plaatselijk niveau de grens tussen openbaar bestuur (lees:
    (deel)gemeenteraad) en criminele groepen niet absoluut is en dus
    zorgvuldig moet worden bewaakt.

    lees meer

    Bijlage VIII – 4.1. Diagonaal door Nederland

    4.1. Diagonaal door Nederland: van Maastricht tot
    Amsterdam

    De man wiens schaarse centrale politiegegevens de insteek vormen
    in het algemene criminele netwerk dat hier in vogelvlucht wordt
    blootgelegd, is zo ongeveer halverwege de diagonaal
    Maastricht-Amsterdam genesteld. In het nabije verleden heeft hij
    zich bij de politie in de streek vooral doen kennen als een wat
    patserig type, betrokken bij gewapende overvallen, met companen
    bezig over de ontvoering van gefortuneerde mensen, thuis in de
    illegale wapenhandel, in staat om allerhande duurdere gestolen
    spullen (horloges, auto’s) te leveren, en actief in de handel in
    verdovende middelen. Verder was hij kind aan huis bij diverse
    roemruchte woonwagenfamilies. Deze laatste opmerking is relevant,
    omdat die connectie wellicht verklaart waarom hij op het einde van
    de jaren tachtig opdook in de schaduw van enkele kampers in de
    Randstad die op dat moment bezig waren hun drugsgroothandelsgroepen
    op te bouwen. Hoe nauw hun relatie toen is geweest, is niet zo
    duidelijk. De betrokkene heeft in zijn lokale kennissenkring
    kennelijk nogal hoog opgegeven over zijn rol als strong arm
    van de bedoelde internationale dealers. Zelf meen ik dat zijn
    betekenis voor hen niet zo groot is geweest: in de gedetailleerde
    analyses van de betrokken groepen ben ik zijn naam niet eenmaal
    tegengekomen. Hoogstwaarschijnlijk had hij in die tijd ook contact
    met de Bruinsma-clan in Amsterdam. Enkele van zijn toenmalige
    Nederlandse en Belgische kameraden, waaronder de houder van een
    sportschool, betrokken van deze groep in elk geval redelijk grote
    porties hash, bedoeld voor distributie in de regio. Maar het is ook
    niet uitgesloten dat hij met hen voor die clan een tijdlang
    hashtransporten heeft verzorgd. Deze voor-geschiedenis werpt reeds
    enig licht op het latere netwerk van betrokkene en zijn positie
    daarin. Het lijkt vast te staan dat hij aan zijn activiteiten in
    Holland een aantal goede bekenden heeft overgehouden die tot op de
    dag van vandaag tot de subtop van de Randstedelijke drugshandel
    moeten worden gerekend. Met name onderhoudt hij kennelijk nauwe
    relaties met een tweespan dat zowel in de hashhandel bedrijvig is
    als ook grondstoffen kan leveren voor de aanmaak van synthetische
    drugs. In het kader van deze laatste activiteit werken de
    handelaren in kwestie vermoedelijk nauw samen met vrij bekende
    pep-fabrikanten in Brabant. Wat
    het contact met deze Hollandse subtoppers inhoudelijk voorstelt,
    valt op grond van de beschikbare informatie in het geheel niet te
    zeggen. Dat is een aanwijzing temeer dat hij met de betrokkenen
    niet zoiets als een hoog-georganiseerde groep vormt, zoals een van
    de CRI-inventarisaties wil doen geloven. In zijn natuurlijke
    omgeving schijnt de man in kwestie ondertussen dezelfde weg te
    hebben afgelegd als andere belangrijke figuren in de internationale
    Nederlandse drugshandel. Gestart als geweldenaar, ontpoppen zij
    zich vervolgens tot rechterhand van een geduchte drugssmokkelaar,
    en nemen tenslotte – wanneer de baas het loodje legt of anderszins
    uitvalt – diens positie over. Zover is zijn loopbaan nu nog niet
    gevorderd. Maar hij is wel op weg naar een dergelijke positie. Op
    dit moment fungeert hij nog maar als tweede man van een
    drugshandelsclique die op zichzelf genomen niet erg omvangrijk is,
    en die door haar stille manier van werken in Nederland zelf ook
    geen grote bekendheid geniet, maar die, internationaal gesproken,
    in het nabije verleden heeft bewezen mee te tellen in de kring van
    de echte drugsgroothandelaren. Wanneer het moment gekomen is dat
    hij de leiding van deze clique overneemt of, als het hem te
    lang duurt, een eigen groep formeert, valt niet te voorspellen.
    Zeker is alleen dat hij in het diepe zuiden van het land ruim
    voldoende geharde beroepsmisdadigers kent om een serieuze criminele
    groep mee op te bouwen. Hier onderhoudt hij, om te beginnen, de
    nauwste contacten met twee criminele figuren die de harde kern
    vormen van een clique van vier vijf personen. De criminele
    staat van dienst van dit duo is indrukwekkend. Evenals onze man
    staan ze van oudsher te boek als gewelddadige figuren: altijd
    bewapend, bereid om hun wapens zonodig tegen iedereen,
    politiemensen incluis, te gebruiken, zeker in het verleden
    betrokken bij (het bedenken van) overvallen en ontvoeringen, als
    zodanig goed bekend met overvallers en autodieven aan de andere
    kant van de grens, thuis in zowel de grensoverschrijdende
    wapenhandel als de wapenhandel van Amsterdam, niet vies van het
    gebruik van vals geld en hierom bekend met de kring van
    valsemunters, ook die in de Randstad, etcetera. Geen wonder dat van
    hen – althans n van hen – wordt gezegd dat hij al eens iemand heeft
    geliquideerd, en dat hij serieus heeft overwogen om een goede
    bekende, door middel van iemands gijzeling, te bevrijden uit een
    buitenlandse gevangenis. De berichten dat zij bij tijd en wijle
    rechtstreeks en indirect, via Waalse kameraden, in contact staan
    met de Italiaanse (Siciliaanse) mafia, zijn – gelet op het
    vorenstaande – niet ongeloofwaardig, temeer niet omdat een van deze
    beide kompanen van Italiaanse origine is en altijd nauwe contacten
    heeft onderhouden met dubieuze Italiaanse kringen van over de
    Belgische grens. Hier staat tegenover dat zij ook jarenlang hebben
    gefungeerd als helers, niet alleen van gestolen auto’s, maar ook
    van kunstvoorwerpen, als het zo uitkwam, en van grotere partijen
    gestolen textiel en meubilair, met name afkomstig uit Belgi.
    Hierbij kwam het erop aan steeds weer voldoende geschikte
    bergplaatsen te arrangeren en de spullen na een tijdje zo ongemerkt
    mogelijk door te stoten naar genteresseerde bekenden,
    ogenschijnlijk volkomen oirbaar werkzaam in de desbetreffende
    branches. Dat misdadigers als zij op een gegeven moment zich ook in
    de drugshandel, en vooral de handel in synthetische drugs, zouden
    storten, lag voor de hand. Zij doen hier, volgens de berichten, met
    enkele intimi alles dat op hun niveau maar denkbaar is: kopen van
    grondstoffen in Oost-Europa, opstarten van laboratoria in binnen-
    en buitenland, verkoop van partijen pillen. Deze clique leeft in
    een soort haat-liefde verhouding met een persoon die als n van de
    zwaarste jongens in het zuiden wordt aangezien. Deze is ook wel
    actief in de grotere wapenhandel, maar het zwaartepunt van zijn
    activiteiten ligt toch in de drugshandel. Anders dan onze man liep
    hij rondom 1990 niet in de schaduw van de grote drugshandelaren in
    het westen van het land, maar deed hij zelf zaken met hen. Dit
    blijkt ook uit de analyses die van hun groepen zijn gemaakt. Niet
    alleen participeerde hij minstens n keer in een groot
    internationaal drugstransport, maar hij nam ook geregeld grote
    partijen af. Ook dealde hij niet alleen rechtstreeks met de
    Hollandse drugsgroothandelaren, maar ook wel met Marokkaanse
    drugsimporteurs. Een eigen criminele groep bouwde hij evenwel,
    voorzover bekend, niet op. Hij houdt het liever bij n of enkele
    getrouwen waarop hij blindelings kan rekenen. Op bepaalde momenten
    was hij kennelijk wl bereid om met de zoven genoemde clique samen
    te werken, maar even zovele keren ging het waarschijnlijk mis. In
    het bijzonder werd hij er keer op keer van verdacht
    gemeenschappelijke partijen drugs stilletjes te hebben laten
    verdwijnen of ze te hebben laten rippen, met de bekende
    gevolgen vandien: bedreigingen met liquidaties tot regelrechte
    bomaanslagen op zijn huis. En keer, dat wordt althans verteld,
    hebben twee van de grootste Randstedelijke drugshandelaren die zelf
    een schrikbarende reputatie te verliezen hadden, zich verwaardigd
    om hem gezamenlijk de wacht aan te zeggen. Tot nu toe heeft hij ze
    echter allemaal overleefd – letterlijk en figuurlijk.

    lees meer

    Bijlage VIII – 2.2. De schone schijn van de negentiende eeuw

    2.2. De schone schijn van de negentiende eeuw

    Op grond van de literatuur over de ontwikkeling van de
    criminaliteit in de negentiende eeuw zou men kunnen denken dat het
    na de ondergang van de grote roversbendes rond 1800 afgelopen was
    met zulke vormen van georganiseerde criminaliteit. Immers, voor wat
    betreft de negentiende eeuw is er nog nooit een serieuze studie
    gemaakt van onderwerelden in de grote steden, noch van bendes die
    al dan niet vanuit de steden op het platteland opereerden. Maar de
    schone schijn die de bestaande literatuur op dit punt opwekt, moet
    ook in dit geval bedrieglijk zijn. Indirect kan dit worden
    opgemaakt uit het feit dat in de loop van de negentiende eeuw
    eveneens in Nederland de strafrechtspleging steeds verder werd
    uitgebouwd om bepaalde misdaadproblemen beter te kunnen beheersen.
    Natuurlijk heeft haar toenmalige versterking ook haar wortels in de
    politieke en economische veranderingen welke in die tijd
    plaatsgrepen, maar zij stoelde vooral op de gedachte – en voor veel
    tijdgenoten op het feit – dat zeker in de steden de misdaad een
    steeds groter gevaar voor de gevestigde orde begon te vormen
    (Fijnaut, 1985). Direct blijkt de realiteit van de voortzetting van
    zoiets als stedelijke onderwerelden uit de schaarse studies die de
    laatste jaren zijn gemaakt over de problematiek van orde en
    veiligheid in de negentiende eeuw (Manneke, 1993).

    lees meer

    << oudere artikelen