• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • fort3_48

    236 olifant in beeld te brengen”. Om op deze beeldspraak voort te bouwen: het 060-team trok hard aan de achterpoten, Snijders c.s. hingen aan de voorpoten, terwijl Teeven een ruk gaf aan de slurf. Deze   metafoor   laat   zich   als   volgt   verstaan.   Het   060-onderzoek   was,   zoals   uiteengezet   is   in hoofdstuk   9,   gericht   op   het   inzichtelijk   maken   en   versterken   van   de   bewijsvoering   terzake   van mogelijke   actuele   strafbare   feiten,   zoals   gepleegd   door   respectievelijk   de   verdachte   J.   en   de “Taartman”.   De   verwachting   bestond   dat   de   verdachten   met   het   vooruitzicht   van   een   langdurige vrijheidsstraf bereid zouden zijn een boekje open te doen over de gang van zaken in het IRT-tijdperk en de betrokkenheid van anderen – in het bijzonder overheidsfunctionarissen – daarbij. Waar    het    LRT    dus    van    achteren    naar    voren    rechercheerde    en    bij    het    vergaren    van bewijsmateriaal    nauwelijks    gericht    was    op    het    IRT-tijdperk    zelf,    probeerden    Snijders    c.s.    via getuigenverklaringen, het parallel-proces-verbaal, maar ook bijvoorbeeld via het nieuw leven inblazen van het onderzoek naar het XTC-traject naar Engeland, strafrechtelijke bouwstenen aan te dragen die juist  wel  rechtstreeks  betrekking  hadden  op  de  bewuste  periode.  Hoewel  de  parallel-importen  vanuit Zuid-Amerika en de XTC-handel op het oog niets met elkaar van doen hadden, waren er volgens het team  van  Snijders  wel  degelijk  enkele  treffende  gelijkenissen:  in  beide  trajecten  zou  mogelijk  een informant   hebben   geopereerd,   die   met   medeweten   van,   ja   zelfs   misschien   wel   op   instigatie   van personen  uit  het  criminele  milieu,  dubbelspel  had  gespeeld.  De  verdachtengroep  in  beide  trajecten vertoonde bovendien een zekere overlap. Teeven  ten  slotte  koos  voor  de  meest  directe  weg:  nadat  het  onderzoek  naar  de  moord  op Swennen  onvoldoende  aanknopingspunten  had  opgeleverd  en  de  onderzoeken  naar  de  grondstoffen dumping in het XTC-traject en naar de moord op van der Heiden als gevolg van (een door Amsterdam gepercipieerd)  gebrek  aan  medewerking  vanuit  de  parketten  Alkmaar  en  Haarlem  niet  van  de  grond gekomen was, verkende hij de mogelijkheden van een deal met K. De keuze van Amsterdam om de XTC-zaak en het onderzoek naar de moord op Van der Heiden niet   op   te   pakken   legt   een   ander   belangrijk   probleempunt   bloot.   Het   betreft   de   neiging   van   de betrokken  partijen  om  gemaakte  afspraken  bijzonder  eng  te  interpreteren.  In  het  onderhavige  geval ging  het  om  de  verstrekking  van  informatie  uit  het  besmette  “IRT-dossier”  door   CID-officier  Snijders aan  zaaksofficier  Teeven.  Laatstgenoemde,  die  in  1997  naar  aanleiding  van  de  bedreiging  van  een officier van justitie samen met Snijders dit materiaal had verkend en dus heel goed wist wat er in het IRT-dossier aan informatie zat, rekende op verstrekking uit eigen beweging door Haarlem. Tegenover deze  “pro-actieve”  interpretatie  van  Amsterdam  stond  de  reactieve  opstelling  van  Haarlem.  Snijders beriep zich op de clausule in de in augustus 1997 gemaakte afspraken dat verstrekking van informatie alleen plaats zou vinden op basis van aanvullende vragen van de leider van het onderzoek. De  controverse  tussen  Haarlem  en  Amsterdam  omtrent  de  voorwaarden  waaronder  informatie wordt  verstrekt,  respectievelijk  kan  worden  opgevraagd,  staat  niet  op  zichzelf.  De  overeenkomsten met  het  in  hoofdstuk  9  beschreven  conflict  omtrent  de  verstrekking  van  CID-informatie  door  Haarlem aan    het    LRT    zijn    treffend.    In    beide    gevallen    bleven    partijen,    onder    verwijzing    naar    formele argumenten, als een kloek op de eigen informatie zitten. Het  feit  dat  de  verhoudingen   tussen   Teeven   en   Snijders   in   de   loop   van   1998   aantoonbaar verslechterden,  had  mede  tot  gevolg  dat  Teeven  de  banden  opnieuw  aanhaalde  met  Noordhoek.  De in  hoofdstuk  9  beschreven  externe  impuls  van  Teeven  aan  het  060-onderzoek  in  de  vorm  van  de verstrekking   medio   1998   van   een   CID-bericht   van   de   regio   Amsterdam-Amstelland,   alsmede   de woede   van   Snijders   daaromtrent,   berustten   dan   ook   allesbehalve   op   toeval.   Deze   voorvallen onderstrepen  het  feit  dat  er  lopende  het  post-Fort-traject  geen  sprake  was  van  duurzame  coalities tussen partijen, maar veeleer van combines die bij tijd en wijlen van samenstelling wisselden. De pre- deal  die  Teeven  sloot  met  K.  was  het  sluitstuk  van  een  proces  van  afkalvend  vertrouwen  tussen Haarlem en Amsterdam. In het jaar dat nog zou volgen, zou die breuk onherstelbaar blijken te zijn. De  vraag  of  en  hoe  van  hogerhand  getracht  is  om  een  bemiddelende  rol  te  spelen  in  deze conflictueuze situatie en hoe de hoofdofficieren en het college van procureurs-generaal het post-Fort- proces in de bewuste periode hebben gestuurd, komt in het volgende hoofdstuk aan bod.

    fort3_62

    250 Gezien de harde opstelling van Snijders wekt het geen verbazing dat het overleg tussen de twee procureurs-generaal  en  de  drie  hoofdofficieren  ook  nu  weinig  effect  sorteerde.  Dit  tot  grote  frustratie van de betrokken officieren van justitie. Noordhoek verwoordde zijn ergernis als volgt576: “Het    is    mij    opgevallen    dat    de    gesprekken    die    Ficq    heeft    gehouden    met    de    drie hoofdofficieren niets hebben geholpen. Waar Holthuis terugkoppelde dat alles nu weer goed was,  hoorde  ik  van  Teeven  dat  Vrakking  had  gezegd  dat  het  helemaal  niets  meer  zou worden.” Hoofdofficier  van  Brummen  gaf  de  volgende  verklaring  voor  het  gebrek  aan  daadkracht  in  het  beraad met zijn collega’s en de procureurs-generaal577: “Wellicht heeft het ons parten gespeeld dat Hans Holthuis en ik goede vrienden zijn. Ik heb bij  Hans  Holthuis  alles  neergelegd  wat  op  mijn  hart  lag.  Dat  laat  onverlet  dat  bepaalde problemen in zekere zin gemaskeerd werden. Je brengt dit – gegeven de sterke horizontale relaties   –   niet   gemakkelijk   “boven-over”.   Holthuis   ging   natuurlijk   achter   Rick   Noordhoek staan en ik stond achter Peter Snijders. Tijdens besprekingen over belangrijke onderwerpen beperkten  we  ons  vaak  tot  de  juridische  voetangels  en  klemmen.  Een  aantal  zaken,  zeker die  in  de  personele  sfeer,  kwam  niet  op  tafel.  Ook  niet  in  de  periodieke  overleggen  met Ficq.” Verderop  in  het  interview  lichtte  Van  Brummen  toe  wat  hij  precies  met  de  kracht  van  horizontale relaties binnen het openbaar ministerie bedoelde578: “Dat is een specifiek kenmerk van de OM-cultuur. Wij zijn er binnen het openbaar ministerie goed  in  om  de  dingen  niet  op  scherp  te  stellen.  Wanneer  wij  er  in  de  horizontale  collegiale relatie niet uitkomen, deinzen we er voor terug om het hogerop te spelen. Dat doen wij niet, daarvoor kennen wij elkaar allemaal te goed. En als het er dan om gaat om knopen door te hakken, dan is zo’n cultuur natuurlijk niet gunstig.” Hoe     moeizaam     de     samenwerking     eind     1998     verliep,     blijkt     ook     uit     de     notulen     van     de collegevergadering van 23 december 1998. Tijdens deze vergadering maakte Van Daalen gewag van een  bericht  dat  hij  vanuit  het  landelijk  parket  had  ontvangen  inzake  het  achterhouden  van  relevante informatie ten behoeve van het 060 onderzoek door het parket Haarlem. Dit bericht sloeg terug op de (weer  opgelaaide)  discussie  onder  welke  omstandigheden  het  LRT  de  beschikking  kon  krijgen  over CID-informatie   uit   Kennemerland.   In   het   volgende   hoofdstuk   zal   de   essentie   van   de   gerezen meningsverschillen  nader  uit  de  doeken  worden  gedaan.  Hier  volstaan  we  met  de  constatering  dat Van  Daalen  tijdens  de  collegevergadering  van  23  december  1998  de  toezegging  deed  hierover  met Holthuis en Van Brummen te gaan praten.579 12.6 Conclusie Dit hoofdstuk stond geheel in het teken van de informatievoorziening aan het college en de sturing op en toezicht van het post-Fort-traject in de periode november 1997 tot en met oktober 1998.                                                 576 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001. 577 Interview H. van Brummen d.d. 2 februari 2001. 578 Interview H. van Brummen d.d. 2 februari 2001. 579 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 23-12-1998 (B1).

    fort3_77

    265 14.2 Het plan van aanpak en advies Onder druk van het college van procureurs-generaal stelde Van der Burg op 13 januari 1999 een plan van aanpak ter beschikking van de hoofdofficier van het landelijk parket.606 Van der Burg stelde daarin een  gefaseerde  aanpak  voor.  Het  stuk  had  uitsluitend  betrekking  op  de  eerste  fase,  waarvan  de looptijd  werd  ingeschat  op  maximaal  twee  maanden.  Deze  periode  achtte  Van  der  Burg  noodzakelijk om  de  strafvorderlijke  haalbaarheid  van  de  vervolging  van  een  aantal  als  verdachten  aangemerkte personen – onder wie P. – te beoordelen. Fase  1  richtte  zich  met  andere  woorden  op  het  in  kaart  brengen  van  de  risicofactoren.  Van  der Burg wees in dit verband op drie cruciale elementen: 1.     De  verklaringen  van  Van  T.,  afgelegd  in  1998.  Deze  vormden  de  start  van  het  onderzoek  en waren zeer belastend voor de verdachten. Nader onderzoek naar risicofactoren in de sfeer van de ontvankelijkheid  van  het  openbaar  ministerie  en/of  de  rechtmatigheid  van  bewijs  werd  van  groot belang geacht. Daarbij moest gedacht worden aan onderzoek naar de eventuele aanwezigheid en aard  en  inhoud  van  afspraken  met  Van  T.,  de  aanleiding  tot  het  afleggen  van  de  verklaringen, eventuele eerdere soortgelijke verklaringen en de veiligheidsrisico’s voor Van T. 2.     De “status” van de verdachten ten tijde van het plegen van de strafbare feiten in 1993. Een eerste bestudering  van  een  gedeelte  van  het  dossier  liet  volgens  Van  der  Burg  een  groot  aantal  vragen open.   Een   nader   onderzoek   naar   de   positie   van   de   verdachten   achtte   hij   van   groot   belang, aangezien duidelijkheid geschapen moest worden in hoeverre zij bij de uitvoering van de strafbare feiten   “onder   regie”   van   de   politie   en/of   het   openbaar   ministerie   opereerden,   dan   wel   dat   er toezeggingen waren gedaan omtrent niet-vervolging. 3.     De overeenkomst die in 1994 was gesloten door de Staat met P. Vast moest komen te staan dat een  vorm  van  “strafrechtelijke  immuniteit”  terzake  van  de  door  de  informant  eventueel  gepleegde strafbare feiten geen deel uitmaakte van die overeenkomst. Op 26 januari 1999 liet Van Daalen telefonisch weten akkoord te zijn met de voorgestelde fasering in het   plan   van   aanpak.   Bovendien   maande   hij   Van   der   Burg   nogmaals   aan   tot   een   voortvarende aanpak.  Van  der  Burg  van  zijn  kant  gaf  tijdens  dit  telefoongesprek  aan  reeds  bezig  te  zijn  met  het derde onderdeel. Conform het voorstel in het plan van aanpak zou Snijders het eerste onderdeel voor zijn  rekening  nemen  in  de  vorm  van  het  concipiëren  van  een  zogenaamd  “startverbaal”.  Over  het tweede onderdeel maakte Van der Burg zich de meeste zorgen. Hij deed de toezegging de door hem gesignaleerde problemen systematisch op een rij te zetten. Op  17  februari  1999  kreeg  het  063-traject  een  vervolg  in  de  vorm  van  een  advies  van  Van  der Burg  aan  het  college  van  procureurs-generaal.607  Dit  advies  had  in  het  bijzonder  betrekking  op  het tweede,  als  meest  problematische  gekenschetste,  onderdeel.  Van  der  Burg  kwam  tot  de  slotsom  dat de   overheid   er   het   beste   aan   zou   doen   om   af   te   zien   van   vervolging   van   de   verdachten.   De toenmalige  CID-officier  Van  der  Veen  bleek  namelijk  in  tenminste  vier  van  de  zes  XTC-transporten toestemming    voor    gecontroleerde    doorlevering    te    hebben    gegeven.    Politie    en    justitie    wisten daarenboven, dan wel hadden kunnen weten, dat P. deel uitmaakte van de criminele organisatie. Men wist  ook  van  de  betrokkenheid  van  andere  verdachten,  maar  had  destijds  bewust  nagelaten  hen  te vervolgen.  Daarmee  was  volgens  Van  der  Burg  het  recht  op  vervolging  verspeeld.  De  kans  op  niet- ontvankelijkheid van het openbaar ministerie achtte hij groot. Van der Burg’s negatieve advies was echter niet absoluut, integendeel. In een begeleidend schrijven beklemtoonde   hij   dat   het   advies   uitsluitend   betrekking   had   op   de   verdachten   die   Van   T.   in   zijn verklaringen had genoemd. Anders gezegd, Van der Burg verzette zich tegen het vooruitzicht van een te  beperkt  opgezet  063-onderzoek.  Verbreding  van  de  kring  van  verdachten  tot  de  bij  het  XTC-traject                                                 606 Plan van aanpak 063, G. van de Burg d.d. 13 januari 1999 (D18). 607 Advies onderzoek 063 van G. van de Burg d.d. 17 februari 1999 aan het college van procureurs-generaal (B1).

    fort3_91

    279 hebben  we  reeds  vastgesteld  dat  het  departement  van  Justitie  in  de  jaren  1996-1997  onvoldoende was  toegerust  om  de  verwikkelingen  van  complexe  onderzoeken  als  de  onderhavige  goed  te  kunnen volgen en plaatsen. De situatie in 1999 bleek in dit opzicht nog nauwelijks ten goede gekeerd. Binnen het   departement   bestond   onvoldoende   inzicht   in   de   actuele   stand   van   zaken   en   de   politieke gevoeligheid daarvan. Ook het college van procureurs-generaal kampte in het voorjaar van 1999 met een kennisachterstand. In  het  licht  van  de  presentaties  die  op  6  oktober  1998  waren  gehouden  ten  overstaan  van  de minister   van   Justitie   en   het   college   van   procureurs-generaal   doet   de   bovenstaande   constatering vreemd aan. Noch het college noch de minister kon zich immers verschuilen achter het argument niet op   hoofdlijnen   te   zijn   geïnformeerd.   De   kritiek   die   na   het   verschijnen   van   het   rapport   van   de Commissie-Kalsbeek op de hoofden van Snijders c.s. neerdaalde, was dan ook te sterk aangezet. De gebrekkige informatiepositie van het college en de minister houdt zeker ook verband de vorm waarin de overdracht van informatie plaatsvond. In alle overlegorganen waarin over de voortgang van de  post-Fort-onderzoeken  werd  gesproken  vond  de  kennisoverdracht  namelijk  veelal  plaats  aan  de hand  van  “presentaties”,  die  visueel  werden  ondersteund  door  veel  en  op  het  oog  indrukwekkend beeldmateriaal. Voortgangsrapportages speelden in dit geheel een bescheiden rol. Het “bombardement” aan dia’s, overheadsheets et cetera, waarop overigens in de regel niet de status van de  geprojecteerde  gegevens  –  hypothesen  of  bewijsbaar  geachte  feiten?  –  werd  vermeld,  leidde  er toe  dat  de  informatieoverdracht  niet  het  karakter  had  van  kritische,  professionele  reflectie  of  van informed consent van de hiërarchieke toezichthouders maar van éénrichtingsverkeer. De   visies   van   de   drie   betrokken   hoofdofficieren   over   het   verloop   van   het   post-Fort-traject vertonen  enige  belangrijke  overeenkomsten.  Deze  hebben  betrekking  op  het  feit  dat  in  complexe onderzoeken  als  de  onderhavige,  waaraan  veel  personen  en  instanties  met  uiteenlopende  belangen deelnemen,   een   heldere   doelstelling,   een   goede   structuur   en   voldoende   managementaandacht belangrijke  randvoorwaarden  zijn.  Naast  overeenkomsten  manifesteren  zich  ook  accentverschillen. Gezien de – in hoofdstuk 2 beknopt beschreven – sporen die de IRT-affaire in de Randstad, en in het bijzonder    in    Amsterdam,    heeft    nagelaten    wekt    het    nauwelijks    verbazing    dat    Vrakking    in    zijn ambtsbericht  de  nasleep  van  deze  affaire  en  het  institutionele  wantrouwen  dat  die  affaire  tot  gevolg heeft gehad benadrukte. Zijn pleidooi voor een – niet strafrechtelijk georiënteerde – “waarheidscommissie”    moet    ook    in    die    context    worden    bezien.    Strafrechtelijke    vervolging    en veroordeling van de hoofdrolspelers waren in het Amsterdamse perspectief ondergeschikt geraakt aan de drive om de “onderste steen boven te krijgen”. Het   contrast   met   de   visie   van   Holthuis   is   in   dit   opzicht   groot.   Gegeven   de   opdracht   tot   het instellen  van  een  strafrechtelijk  onderzoek  die  in  1996  aan  het  LBOM  en  het  LRT  was  verstrekt,  was Holthuis    begrijpelijkerwijs    gepreoccupeerd    met    vragen    die    primair    betrekking    hadden    op    de bewijsgaring.  Deze  insteek  wordt  weerspiegeld  in  zijn  ambtsbericht  van  mei  1999,  waarin  hij  behalve voor  de  hierboven  reeds  genoemde  aspecten  van  managementtechnische  en  organisatorische  aard vooral  aandacht  vroeg  voor  het  probleem  van  het  niet  kunnen  ontsluiten  van  relevante  informatie.  In dat  kader  stond  hij  uitgebreid  stil  bij  de  status  van  het  Fort-onderzoek.  Het  feit  dat  de  rijksrecherche een  feitenonderzoek  had  verricht  en  dat  aan  de  geïnterviewden  de  toezegging  was  gedaan  dat  zij strafrechtelijk gevrijwaard waren voor hetgeen zij hadden verklaard, vormde een ernstige belemmering voor de start van het 060-onderzoek. De aanstelling van Haverkate als coördinerend officier van justitie met een rechtstreekse lijn naar het college indiceert dat het college van procureurs-generaal reeds in het voorjaar van 1999 lering trok uit de gebeurtenissen van de jaren daarvoor en opteerde voor een versterkte regierol. Of deze nieuwe organisatievorm  inderdaad  de  effecten  sorteerde  waarop  was  gehoopt,  valt  buiten  het  bestek  van deze    evaluatie.    Pas    in    een    eventueel    vervolgonderzoek    kan    deze    vraag    afdoende    worden beantwoord.

    Overige methoden

    2.5 Overige methoden

    De parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden heeft
    in beperkte mate aandacht besteed aan verschillende aspecten van
    het omgaan met informatie in het algemeen. De commissie heeft op
    basis daarvan besloten in haar evaluatie- onderzoek beperkt
    aandacht te besteden aan het verkennend onderzoek, bestuurlijke
    rechtshandhaving en financieel rechercheren. Tevens heeft de
    commissie besloten aandacht te besteden aan de door
    opsporingsinstanties noodzakelijk geachte informatie-uitwisseling.
    Daarbij waren de volgende onderzoeksvragen leidend:
    a.Hoe krijgt bestuurlijke rechtshandhaving vorm in de praktijk van
    de
    opsporing?
    b.Wat zijn de resultaten van financieel rechercheren?
    c.Hoe krijgt financieel rechercheren in de praktijk van de
    opsporing
    vorm?
    d.In hoeverre vindt er nog informele informatie-uitwisseling plaats
    via
    zogenoemde «U-bochten»?

    lees meer

    Rechters-commissarissen

    4.4 Rechters-commissarissen

    4.4.1 Vragen naar aanleiding van de beslispunten

    lees meer

    Verhoren – mr. R.A. Gonsalves

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 4

    6 september 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    woensdag 6 september 1995
    in de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    mr. R.A. Gonsalves
    Aanvang 16.30 uur

    lees meer

    Verhoren – de heren B.N. Barendregt en H.C.J.M. Theeuwes

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 20

    14 september 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    donderdag 14 september
    1995 in de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den
    Haag

    Verhoord worden de heren B.N. Barendregt en H.C.J.M. Theeuwes
    Aanvang 15.30 uur

    lees meer

    Verhoren – mevrouw mr. A. Rutten-Roos

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 36

    29 september 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    vrijdag 29 september 1995 in
    de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    mevrouw mr. A. Rutten-Roos
    Aanvang 16.30 uur

    lees meer

    Verhoren – mr. R.J.C. Graaf van Randwijck

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 52

    12 oktober 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    donderdag 12 oktober 1995 in
    de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    mr. R.J.C. Graaf van Randwijck
    Aanvang 12.00 uur

    lees meer

    Verhoren – mr. J.H.M. Willems

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 68

    23 oktober 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    maandag 23 oktober 1995 in
    de vergaderzaal van de Eerste
    Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt mr.
    J.H.M. Willems
    Aanvang 11.30 uur

    lees meer

    Verhoren – mr. A.H. Korthals

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 84

    6 november 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    maandag 6 november 1995 in
    de vergaderzaal van de Eerste
    Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt mr.
    A.H. Korthals
    Aanvang 15.40 uur

    lees meer

    Bijlage X – 4.1. Kerngegevens

    4. ACCOUNTANCY

    4.1. Kerngegevens

    4.1.1. De accountant als vertrouwenspersoon van onderneming en
    publiek

    De accountant stelt de betrouwbaarheid van financile gegevens
    vast. Deze controlerende taak kan hij uitoefenen in dienst van een
    bedrijf ten behoeve van dit bedrijf (interne accountant), als
    accountant-administratieconsulent of als openbaar accountant,
    veelal in dienst van een van de accountantskantoren. In deze
    laatste functie heeft hij de exclusieve bevoegdheid de jaarrekening
    van een onderneming van een verklaring te voorzien, die gebruikt
    mag worden in het maatschappelijke verkeer. Dit houdt in dat derden
    op de betrouwbaarheid van deze verklaring af moeten kunnen gaan en
    dat derhalve hoge eisen worden gesteld aan de onafhankelijkheid van
    de openbaar accountant.

    lees meer

    Bijlage X – Voorwoord

    Henk van de Bunt (VU/WODC)
    Hans Nelen (WODC)

    Voorwoord

    Tal van personen zijn van onschatbare betekenis geweest bij de
    gegevensverzameling ten behoeve van deze studie. Wij zijn veel dank
    verschuldigd aan de personen en diensten die in bijlage 1 staan
    vermeld. Onze speciale dank gaat uit naar Frank Erkens van de
    afdeling forensische accountancy van de CRI die vele waardevolle
    suggesties voor het derde deel van het rapport heeft gedaan.

    lees meer

    Bijlage X – 6.5. Recapitulatie

    6.5. Recapitulatie

    Het schatten van de omvang van de schade die frauduleuze
    praktijken teweegbrengen, is om uiteenlopende redenen een
    moeilijke, en ten aanzien van een aantal fraudevormen zelfs een
    onmogelijke opgave. Niettemin kan op basis van de beschikbare
    gegevens worden geconcludeerd dat georganiseerde fraude diep
    ingrijpt in het economische verkeer, waarbij in het geval van
    fraudes met een symbiotische component niet alleen gedacht moet
    worden aan de materile schade die teweeg wordt gebracht, maar ook
    aan de verstoorde concurrentieverhoudingen die door toedoen van de
    fraudeurs ontstaan. Hoewel dit op basis van het empirische
    materiaal moeilijk in harde cijfers is uit te drukken, staat ook de
    winstgevendheid van frauduleuze praktijken buiten kijf. In
    combinatie met de relatief geringe pakkans in dit type van zaken –
    aan fraudebestrijding wordt, zoals is uiteengezet in hoofdstuk 2,
    geen hoge prioriteit toegekend – mag worden verondersteld dat het
    (brede) fraudeterrein onverminderd aantrekkingskracht op criminele
    groepen – en op legale bedrijven in het kader van
    organisatiecriminaliteit – zal blijven uitoefenen.

    lees meer

    << oudere artikelen