Bijlage VII – VIII. ALGEMEEN BESLUITJanuary 1, 1999
VIII. ALGEMEEN BESLUIT
In Nederland is al een aantal jaren een publieke discussie
gaande over de aard, de omvang en de schade – kortom de ernst – van
de georganiseerde criminaliteit. Sommigen menen dat de situatie
heel ernstig is en poneren zelfs dat een ontwrichting van het
maatschappelijk leven door toedoen van deze criminaliteit tot de
rele mogelijkheden behoort, zo zij niet reeds aan de gang is.
Anderen schatten de situatie weer heel wat minder ernstig in en
gaan er van uit dat het traditionele bendewezen slechts een nieuwe
gedaante heeft aangenomen. Zulke verschillen van opvatting zijn ten
dele mogelijk omdat er tot nu toe weinig systematisch en grondig
empirisch onderzoek is gedaan naar het probleem van de
georganiseerde criminaliteit in ons land. Hierdoor is het immers
mogelijk dat allerlei dingen kunnen worden beweerd zonder dat ze
direct of indirect kunnen worden gelogenstraft met feiten. Ten dele
hangen dergelijke verschillen van opvatting echter ook samen met
het feit dat georganiseerde criminaliteit niet door iedereen op
dezelfde manier wordt gedefinieerd. Wanneer immers wordt gekozen
voor een ruime definitie – zeggende bijvoorbeeld dat georganiseerde
criminaliteit evengoed betrekking kan hebben op hirarchisch
georganiseerde groepen die zich met geweld en corruptie een weg
banen naar duurzame machtsposities in bepaalde legale economische
sectoren als op groepjes gewiekste flessentrekkers en overvallers –
dan is het probleem dat deze criminaliteit stelt, ook in de
verbeelding, al vlug vele malen ernstiger, toch zeker in omvang,
dan wanneer een enge definitie wordt aangehouden, bijvoorbeeld dat
er slechts sprake is van georganiseerde criminaliteit als criminele
groepen inderdaad controle hebben weten te krijgen over een of meer
legale branches in de economie. In het licht van deze
verwarringstichtende discussie is het geen wonder dat ook in de
politiek, in het parlement, bij herhaling de vraag is opgeworpen
hoe ernstig het probleem van de georganiseerde criminaliteit nu
eigenlijk is. Deze vraag bleef echter lange jaren onbeantwoord. Ja,
er werd wel een antwoord gegeven – door middel van de opeenvolgende
inventarisaties van de CRI/het CBO maar dit antwoord maakte de
verwarring alleen maar groter omdat de bedoelde inventarisaties, om
allerhande redenen, keer op keer hl verschillende kwantitatieve
beelden van de werkelijkheid produceerden. Een meer evenwichtige
beantwoording van de betrokken vraag drong zich echter op toen zij
in de schoot van de parlementaire Werkgroep vooronderzoek
opsporingsmethoden werd gekoppeld aan de vraag naar de normering
van deze methoden. Toen dan ook nog de Tweede Kamer, in haar
discussie over het rapport van die werkgroep Opsporing
gezocht, de juistheid van deze koppeling onderschreef, lag het
voor de hand dat de Parlementaire Enqutecommissie
Opsporingsmethoden die vervolgens werd ingesteld, een empirisch
onderzoek gelastte naar het probleem van de georganiseerde
criminaliteit in Nederland. Meer bepaald vroeg zij de onderzoekers
drie dingen te bezien:
lees meer
Bijlage VIII – 4.2. De produktie en distributie van
synthetische drugsJanuary 1, 1999
4.2. De produktie en distributie van synthetische
drugs
In de voorbije jaren zijn er tientallen onderzoeken ingesteld
naar de produktie en distributie van synthetische drugs. Uit een
rapport over een belangrijk deel van deze onderzoeken is gebleken
dat in elk geval de zogenaamde laboratoria die bij de vervaardiging
van deze drugs werden gebruikt, overwegend waren gesitueerd in
Amsterdam, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg. Deze laboratoria
waren ingericht op zeer uiteenlopende lokaties: woonschepen,
flatwoningen, loodsen, kelders, silo’s, enzovoort. Uit het feit dat
er in deze laboratoria maar liefst 145 verschillende chemicalin
werden aangetroffen, mag worden afgeleid dat er bij de productie
van synthetische drugs nog heel wat wordt gexperimenteerd. Waarbij
wel moet worden aangetekend dat een groot deel van deze chemicalin
gewoon waren gekocht bij bekende firma’s in Nederland, Belgi en
Duitsland. De meeste produktiemiddelen (glaswerk,
tabletteermachines, pompen) waren afkomstig van Nederlandse en
Belgische bedrijven en fabrieken. De vervaardiging van synthetische
drugs is – economisch gezien – dus een meer normale activiteit dan
men op het eerste gezicht wellicht zou denken. De XTC-zaak die
bijna vijf jaar geleden door het vroegere IRT Noord-Holland-Utrecht
onder de naam Extase werd gedraaid, heeft laten zien dat de
produktie en distributie van synthetische drugs somtijds in handen
is van een vrij goed-georganiseerde criminele groep en dat er
enorme sommen geld mee kunnen worden verdiend (Cortebeeck, 1994).
Deze groep was van gemengde, Belgisch-Nederlandse, origine. Zij
telde zo’n twintig personen die – alleen of met anderen – betrokken
waren bij alles wat er zoal komt kijken bij een illegale
onderneming als deze: de aanschaf van panden, de inrichting van
laboratoria, de aankoop van grondstoffen, het produceren van de
drugs, de distributie van de pillen, de beveiliging van de
lokaties, de investering van de winsten en andere. Volgens experts
van de CRI had de organisatie in totaal de beschikking gehad over
een bedrag van maximaal 264 miljoen en minimaal 72 miljoen ten
behoeve van de aanwending in diverse activa. Hiervan kon, in
relatie tot de kasadministratie, evenwel slechts 15 miljoen worden
getraceerd. Tegenover een groep als deze die indertijd zonder
twijfel tot de top van de georganiseerde criminaliteit had kunnen
worden gerekend, staan tal van groepen die qua organisatie noch qua
omzet kunnen tippen aan de bende waarom het in het Extase-onderzoek
ging. Uit het rapport waarnaar hiervoor reeds werd verwezen, kan
immers worden opgemaakt dat men in heel wat onderzoeken slechts is
gestoten op enkele mensen die van A tot Z het hele productieproces,
met alles wat hierbij hoort, gaande moesten houden. Hoe
kleinschalig veel van deze groepjes wel niet werkten, blijkt met
name uit het feit dat er nauwelijks sprake was van
arbeidsverdeling. De organisator (financier, leverancier) werkte
gewoon met de laborant mee om er het beste van te maken. Daarnaast
is er ook een tussencategorie van groepen. Dat zijn de groepen, of
beter gezegd, de netwerken die, op zichzelf genomen, wel enige
organisatiegraad vertonen, maar die daarenboven hetzij voor de
leverantie van grondstoffen, hetzij voor de afzet van hun
producten, hetzij voor de gewelddadige inning van schulden, in meer
of mindere mate afhankelijk zijn van figuren in de top van de
georganiseerde criminaliteit. Om te achterhalen hoe deze netwerken
er uitzien, zijn in Noord-Brabant twee recente onderzoeken naar de
produktie en distributie van synthetische drugs onder de loupe
genomen.
Onderzoek A bracht aan het licht dat in een bedrijfspandje in een
middelgrote stad amphetamine werd vervaardigd. Niet het hele
produktieproces werd hier afgewikkeld. Enkele keren werden bepaalde
bewerkingen uitgevoerd in woonhuizen in de Randstad. En het draaien
van de pillen gebeurde uiteindelijk weer op een andere plaats in
het land. Deze geografische spreiding van het produktieproces
(branden, kristalliseren en tabletteren) had zeker tot doel om het
risico van ontdekking te verkleinen. Te zelfder tijd vormde zij
echter ook een weerspiegeling van het netwerk dat hier bezig
was.
lees meer
Bijlage VIII – 2.3. De vroegere onderwerelden in
HollandJanuary 1, 1999
2.3. De vroegere onderwerelden in Holland
Over de ontwikkelingen in de eerste helft van de twintigste eeuw
zijn we niet zoveel beter genformeerd dan over die in de
negentiende eeuw. Weliswaar begon in die tijd de opbloei van de
criminologie haar eerste vruchten af te werpen, maar de dominante
orintatie van deze criminologie op de individuele dader bracht als
vanzelf met zich mee dat sociologische studies van criminele
groepen en hun leefwereld uitzonderingen bleven. En voorzover ze
dan toch werden vervaardigd, konden hun auteurs zich nog niet
altijd onttrekken aan de sterke invloed van de zogenaamde criminele
anthropologie (Van Schreven, 1957; Jens, 1939). Maar er is op
enkele punten toch wat meer empirisch houvast voor bepaalde
uitspraken. De beschikbare literatuur kan worden onderverdeeld in
twee categorien: enerzijds politile mmoires over de onderwereld in
de Hollandse grootsteden, anderzijds wetenschappelijke en
journalistieke studies over Brabantse bendes. Deze tweedeling sluit
natuurlijk aan op wat hiervoor is geschreven over de Grote
Nederlandse Bende, maar anticipeert tevens op wat nog te berde zal
worden gebracht over de opkomst en samenstelling van de
tegenwoordige drugsgroothandelsgroepen. In deze paragraaf zal de
bedoelde mmoire-literatuur kort worden besproken. De studies over
de criminaliteit in Brabant komen in de volgende paragraaf aan bod.
Lezend in al die mmoires krijgt men de indruk dat zeker in een stad
als Amsterdam het centrum van de onderwereld, de penose, in
die tijd al gauw enkele honderden personen moet hebben geteld. In
steden als Den Haag, Rotterdam en Utrecht was zij waarschijnlijk
wel wat minder omvangrijk (Fremery Kalff, 1961; Groen, 1952 en
1962; Kallenborn, 1953; Van Exel, 1951; Van Nie, 1964; Van Slobbe,
1937; Voordewind, 1949 en 1950). Deze stedelijke onderwereld werd
door allerhande figuren bevolkt: inbrekers, oplichters, dieven
allerhande, helers, pandjesbazen, opkopers, souteneurs,
drugssmokkelaars, enzovoort. En zij kende ook rangen en standen.
Een pakjesdief of kwartjesvinder kon zich niet meten met een
hoteldief of een oplichter. De meeste achting genoten jarenlang de
brandkastkrakers. Maar in de jaren dertig werd hun positie in het
gedrang gebracht door gangsters, mannen die naar Amerikaans
voorbeeld gewapenderhand overvallen uitvoerden op postkantoren en
bankinstellingen.
lees meer
Bijlage VIII – III.7. De PKK en het probleem van de
afpersingJanuary 1, 1999
III.7. De PKK en het probleem van de afpersing
Dan is er tenslotte het grote en angstwekkende probleem van de
afpersing van landgenoten. Er zijn ook andere groepen die zich daar
waarschijnlijk mee bezig houden, maar afpersing door de PKK in het
Koerdische milieu is het bekendste. De PKK heeft haar wortels in de
jaren zeventig in het linkse studentenmilieu van Ankara, waar men
het idee van gewapend verzet ontwikkelde om de positie van de
Koerden te verbeteren (Soeterik, 1993). De PKK zelf stamt uit 1978.
Nadat in Turkije in 1980 voor de derde maal na de oorlog een
staatsgreep is uitgevoerd, worden PKK-activisten gearresteerd en om
het leven gebracht of het land uitgewezen. De meeste Koerdische
organisaties hebben de repressie van de overheid niet overleefd,
maar de PKK heeft zich sedert het begin van de jaren negentig juist
een massa-aanhang onder de Koerden verworven. Dat geldt ook de
Koerden in het buitenland. In Nederland is ongeveer 30% van degenen
met een (oorspronkelijk) Turkse nationaliteit Koerdisch. De
grootste concentratie is te vinden in Den Haag (Van Loon, 1992) en
verder in Deventer en Arnhem, maar Koerden zijn eigenlijk overal
waar ook Turken zijn. Het is buitengewoon moeilijk voor de
Nederlandse autoriteiten om uit te maken of door Koerden een
vrijwillige bijdrage aan de PKK wordt geschonken of dat zulks
berust op intimidatie en dwang. Er zijn voldoende berichten van
intimiderend optreden in koffiehuizen waarbij gasten 25 of 100
gulden afstaan, berichten over folders in huisdeuren en over
regelrechte afpersing van geslaagde Koerdische ondernemers
(waaronder drugshandelaren!). Maar zouden zij vrijwillig niet ook
contributie hebben betaald? De grote moeilijkheid bij het delict
afpersing is altijd dat de slachtoffers geen aangifte doen. Twee
gerichte pogingen van de politie (in Amsterdam en in Arnhem) om
door middel van een aanschrijving aan alle Turkse en Koerdische
adressen in de stad slachtoffers tot aangifte te bewegen, leverden
in Amsterdam helemaal niets op en in Arnhem niet meer dan enkele
aangiften.
lees meer
Bijlage VIII – V.4. De Chinese georganiseerde criminaliteit
in NederlandJanuary 1, 1999
V.4. De Chinese georganiseerde criminaliteit in
Nederland
V.4.1. Een blik op het nabije verleden
Hiervoor werd aangegeven dat in de (inter)nationale literatuur
de Chinese gemeenschap in Nederland wordt aangemerkt als een
brandhaard van Chinese georganiseerde criminaliteit in Europa, zo
niet in het Westen, in elk geval op het terrein van de
heronehandel. Men moet er zich echter rekenschap van geven dat de
berichten hieromtrent vooral slaan op de gebeurtenissen die in de
jaren zestig en zeventig plaatsgrepen in Amsterdam. De betreffende
auteurs gaan enerzijds voorbij aan de (ondergeschikte) rol die
Nederlandse Chinezen voor de oorlog beslist hebben gespeeld in de
smokkel van (Turkse) opium naar Nederland en naar Nederlands-Indi;
de groothandel was toen veeleer in handen van Joden en Grieken
(Kallenborn, 1953; Block, 1994). Anderzijds wordt in elk geval in
de internationale literatuur niet of nauwelijks acht geslagen op de
actuele ontwikkeling van de Chinese georganiseerde criminaliteit in
Nederland. Terwijl er helemaal geen reden is om deze ontwikkeling
te bagatelliseren, zoals verderop zal worden aangetoond. De
gebeurtenissen die zich in Amsterdam in de jaren zestig-zeventig
voordeden, vormen de achtergrond van wat er tegenwoordig aan de
hand is.
lees meer
Bijlage VIII – VII.7. ConclusieJanuary 1, 1999
VII.7. Conclusie
Uit dit relaas is duidelijk geworden dat de Colombiaanse
kartelorganisaties in Nederland zeer actief zijn. Het gaat hier om
organisaties die in zeer korte tijd een reusachtige economische en
politieke macht hebben opgebouwd en die in staat zijn niet enkel te
onderhandelen met hun eigen regering over de eventuele condities
waarop zij zich zouden willen overgeven, maar die met hun houding
ook de Amerikaanse regering bruskeren. Nederland is voor de kartels
van logistiek belang, omdat zij hun handelswaar in belangrijke mate
per zeevracht en in containers Europa binnenvaren via Nederlandse
havens. Het is opvallend te constateren dat zij daarbij eigenlijk
niet goed kans hebben gezien hetzelfde spel te spelen als in
Zuid-Amerika door de overheid of althans een aantal van haar
dienaren te corrumperen. Het niveau waarop vertegenwoordigers van
de Colombiaanse kartels contact hebben gemaakt met de Nederlandse
drugshandelaren is evenmin indrukwekkend. Het kan ermee te maken
hebben dat de handelaren in soft drugs, waar Nederlanders immers
het sterkst in zijn, de risicovolle cocane liever mijden. De
Colombiaanse leden van de kartels zijn hier wel verantwoordelijk
voor kwalitatief nieuwe acties op de weg naar de georganiseerde
misdaad door moorden te laten uitvoeren volgens de stijl van
sicario’s en door de eerste succesvolle gecombineerde
ontsnappingsactie met hulp van het bewakend personeel te
organiseren. Ofschoon we het betrekkelijke succes van de
Colombiaanse organisaties niet op het conto kunnen schrijven van de
Colombiaanse gemeenschap hier te lande, is het toch wel
waarschijnlijk dat een groot deel van de weinige Colombianen op
enigerlei wijze bij deze drugshandel is betrokken. Hun criminele
activiteiten gaan voor een groot deel over de hoofden van de
Nederlandse bevolking heen doordat de wereld van de cocanehandel
uitzonderlijk internationaal is samengesteld.
lees meer
Bijlage VIII – XI. SLOTBESCHOUWINGJanuary 1, 1999
XI. SLOTBESCHOUWING
In de negen hoofdstukken die volgden op de algemene introductie
tot het onderwerp van deze studie, hebben wij een bonte stoet van
tien nationaliteiten in Nederland de revue laten passeren en we
hebben ze, soms tot in kleine details, onderzocht op de vraag of er
in hun kring sprake is van betrokkenheid bij georganiseerde
misdaad. We hebben dit met opzet zo gedetailleerd opgeschreven om
aan de lezer zelf zoveel als mogelijk is mee te laten kijken in het
materiaal dat wij onder ogen hebben gehad. De gepresenteerde
informatie is verre van compleet en vaak hebben we de verzuchting
geslaakt dat bepaalde zaken veel beter uitgezocht hadden moeten
worden. Onze kennis is ook ongelijk voor de verschillende groepen
en omdat onze hoofdbron van informatie steeds bestaat uit gegevens
van de politie, weerspiegelt ons relaas tot op zekere hoogte eerder
haar prioriteitsstelling (en de kwaliteit van de per korps aan ons
gezonden documentatie!) dan de ernst van het probleem per
groep.
lees meer
IX – De branche van het wegtransport – 1. ACHTERGRONDEN EN
OPZET VAN HET DEELRAPPORTJanuary 1, 1999
Frank Bovenkerk en Ankie Lempens Universiteit Utrecht
1. ACHTERGRONDEN EN OPZET VAN HET DEELRAPPORT
Op 18 juli 1994 knippen we uit De Volkskrant een annonce:
T.o. gevr. internationaal transportbedrijf.
Financile problemen geen bezwaar.
Tel.
Het kost weinig verbeeldingskracht om hierachter criminele
intenties te vermoeden. Wil iemand het transportbedrijf overnemen
om smokkelwaar te vervoeren? Ligt het in de bedoeling het bedrijf
te gebruiken om geld wit te wassen? We zullen het nooit weten.
Want, als we het nummer bellen dat in de advertentie wordt genoemd,
wordt de hoorn na onze openingszin schielijk op de haak gegooid. In
de vijf of tien jaren die achter ons liggen, zijn bij voortduring
transportondernemingen en ook wel expediteurs in het nieuws geweest
omdat zij diensten hadden verricht voor verschillende takken van
georganiseerde misdaad. Meestal ging het om het internationale
vervoer van drugs. Er zijn chauffeurs in de gevangenis beland en
(minder) ondernemers; er zijn vrachtwagencombinaties, ladingen en
bedrijfspanden geconfisceerd; er zijn vergunningen ingetrokken. Zo
openlijk als in de Volkskrant-advertentie zal het gewoonlijk
meestal niet gaan, maar er is voldoende bekend geworden in het
strafrechtelijk onderzoek van politie en justitie om speciaal
onderzoek naar betrokkenheid in deze branche te rechtvaardigen. In
de internationale literatuur over de georganiseerde misdaad wordt
die betrokkenheid vaak genoemd. Misschien heeft het te maken met
het imago van truckers als vrije jongens, de wetenschap dat in deze
branche grote en kleine overtredingen tot op zekere hoogte gewoon
zijn en worden aanvaard als middel om het hoofd boven water te
houden. De infiltratie van de georganiseerde misdaad in de
vakbonden van vrachtwagenchauffeurs in de Verenigde Staten
(vergelijk de roemruchte carrire van Jimmy Hoffa) is algemeen
bekend. De transportbranche vormt voor de georganiseerde misdaad
een strategisch steunpunt omdat zij met het beheersen van aan- en
afvoer van materiaal ondernemers onder druk kan zetten om
afpersingsgelden te betalen. Dit vormt een van de manieren om
bijvoorbeeld (via het beheersen van de aanvoerlijn van
bouwmateriaal) de bouwnijverheid te controleren. Dit laatste
verschijnsel doet zich in Nederland niet voor omdat labour
racketeering hier onbekend is.
lees meer
IX – De branche van het wegtransport – 11. EUROFRAUDE IN DE
VERVOERSBRANCHEJanuary 1, 1999
11. EUROFRAUDE IN DE VERVOERSBRANCHE
Het wegvallen van de Europese binnengrenzen maakt de controle op
het transport moeilijker en daarmee het gesjoemel met heffingen,
subsidies en belastingen gemakkelijker. Voorheen werden aan de
Nederlandse grens documenten aangemaakt die bewezen dat een lading
goederen het land was binnengekomen of had verlaten, en daarmee was
de kous af. Invoerrechten, accijnzen of subsidies werden hier (bij
wijze van spreken) afgerekend. Maar tegenwoordig passeren de
vrachtauto’s doorgaans zonder controle de Nederlandse grenzen. Voor
goederen waarover belastingen dienen te worden betaald of subsidies
kunnen worden ontvangen, moet achteraf worden bewezen dat de
goederen inderdaad op de plaats van bestemming zijn aangekomen en
dus recht hebben op belastingrestitutie of subsidiegeld. Het geheel
van alle fraude-vormen waarbij er sprake is van misbruik van
Europese regels, subsidies en belastingen noemen we Eurofraude. In
het rapport van H. van de Bunt over illegaal optreden in legale
bedrijfstakken en sectoren – ook in deze serie – wordt er eveneens
aandacht aan deze vorm van criminaliteit geschonken.
lees meer
IX – De branche van het wegtransport – 12.7 RippenJanuary 1, 1999
12.7 Rippen
Een staaltje criminaliteit binnen de criminaliteit is het rippen
van drugstransporten. Vaak zitten er dan verklikkers in de
organisatie of uitvoering van het smokkeltransport; zij tippen
derden die de wagen onderweg beroven. Een gesprekspartner uit de
smokkelwereld vertelt dat een personeelslid uit zijn losploeg
dergelijke contacten buiten de smokkelbende had: iedere keer als er
een hashtransport over de grens ging, werden de chauffeurs onderweg
met een pistool tot stoppen gedwongen. Eenmaal verloor deze bende
zo vijf ton hash, ter waarde van vijftien miljoen gulden. Deze
drugsbaas stuurde altijd gewapende begeleiders met de vrachtauto’s
mee, in de truck zelf, maar ook in een meerijdende
personenauto.
lees meer
IX – De zeehaven Rotterdam en de luchthaven Schiphol – 4.2.
De Rotterdamse HavenJanuary 1, 1999
4.2. De Rotterdamse Haven
Zoals in de vorige paragraaf al is aangegeven krijgt een
internationale zeehaven te maken met smokkel van allerhande
goederen. Door de pre-occupatie van de Nederlandse
opsporingsdiensten met drugs gaat de aandacht voornamelijk uit naar
drugssmokkel. Daarover zijn ook de meeste gegevens aanwezig. In de
Rotterdamse haven is door de opheffing van de centrale afdeling
verdovende middelen van de politie de opsporing en bestrijding van
drugssmokkel een taak geworden van de douane, waarbij de politie
indien nodig assistentie levert.
lees meer
IX – De autobranche en de (vracht)autocriminaliteit – 4.3.
Terugvindpercentages gestolen auto’sJanuary 1, 1999
4.3. Terugvindpercentages gestolen auto’s
Niet elke auto die in Nederland wordt gestolen, verdwijnt uit
het zicht. Veel gestolen auto’s worden vroeger of later
teruggevonden. Eijken en De Waard (1994) rapporteren een percentage
van 60, en Van der Heijden (1995) stelt dat voor 1993 op 64%.
Hoewel het percentage vanaf 1990 is toegenomen (vanaf 58% in 1990
tot 64% in 1993) is het absolute aantal personenauto’s dat niet
meer terechtkomt, wel toegenomen.
lees meer
IX – De autobranche en de (vracht)autocriminaliteit – 2.2.
De organisatie en structuur van de autobranche in NederlandJanuary 1, 1999
2.2. De organisatie en structuur van de autobranche in
Nederland
De autobranche is een georganiseerde branche waar een en ander
op vrijwillige basis is verenigd en wordt geregeld. Er zijn
verschillende organisaties actief die de belangen van de
afzonderlijke leden behartigen op zowel economisch als politiek
niveau. De lobby van de auto heeft, ondanks alle milieurapportages,
in politiek Den Haag nog altijd een grote invloed. (Die politieke
invloed is niet zo wonderlijk wanneer wordt bedacht hoe groot de
financile belangen van de autobranche voor ‘s Rijks schatkist zijn
en dat in de toekomst ook zullen blijven. De centrale overheid inde
in 1994 ruim f.19 miljard aan belastingen als gevolg van de
economische activiteiten in deze bedrijfstak. Daarvan komt bijna
vier miljard gulden binnen aan BPM, bijna f.8 miljard aan benzine-
en dieselaccijnzen en aan motorrijtuigenbelastingen f.2.7
miljard.)
lees meer
IX – De branches horeca en gokautomaten – 4.4.
WitwassenJanuary 1, 1999
4.4. Witwassen
Het opkopen van horecagelegenheden door organisaties kan worden
gedaan om via het caf zwart geld wit te wassen. Uit de
geraadpleegde politiegegevens blijkt dat dit gebeurt, al is er over
de omvang van dit verschijnsel niets bekend. Ook kan er zwart geld
worden gegenereerd met de exploitatie van een horecagelegenheid,
waarmee illegale aankopen (van onder andere drugs) kunnen worden
gefinancierd. Volgens een FIOD-opsporingsambtenaar gaan het
witwassen van vermogens en het creren van zwart geld vaak samen,
hoewel er volgens deze vele malen meer zwart geld wordt
gegenereerd, dan er wordt wit gewassen. Een groot deel van de
zwarte winsten verdwijnt naar het buitenland, wordt direct
geconsumeerd of dient ter dekking van criminele verliezen, zo meent
deze opsporingsambtenaar. Witwassen van illegaal verkregen
vermogens kan gebeuren via een fictieve verhoging van de omzet.
Hiervoor is de horecabranche geschikt omdat de precieze omzet nooit
helemaal te controleren valt; het aantal verkochte pilsjes en
gehaktballen is op papier gemakkelijk op te voeren. De wit
ingekochte drank wordt voor eigen gebruik gehouden of weer
doorverkocht. Volgens een enqute onder horeca-ondernemers (Lenting
en Partners, 1990) maakt slecht tien procent van hen gebruik van
een specifiek voorraad-controle-systeem. In de helft van alle cafs
staat niet eens een kassa; veel cafbazen schrijven de rekening dus
nog steeds op de achterkant van een bierviltje en beheren de
voorraad uit het hoofd. De ondernemers kunnen een hogere omzet aan
de fiscus doorgeven, dan er werkelijk in het bedrijf omgaat. Ook
speelautomaten in de zaak lenen zich hier goed voor. Vergelijk het
hoofdstuk speelautomatenbranche. Deze wijze van witwassen is echter
kostbaar: volgens onze gesprekspartner van de FIOD gaat een groot
deel van het vermogen – soms tot driekwart van de totale som – naar
de fiscus in de vorm van omzet-, vennootschaps-, dividentsen
inkomstenbelasting. Een minder kostbare witwasmethode kan
geschieden via de aankoop, exploitatie en latere verkoop van een
horecagelegenheid. Uit bronnen van horecakenners vernemen we dat
bij aankoop van een pand niet zelden een deel van de koopsom of –
bij verhuur – een deel van de stichtingkosten onder de tafel gaat.
Vervolgens kan er voor een deel zwart geld worden aangewend om de
kwaliteit van de zaak op te vijzelen: er wordt fors genvesteerd in
verbouwingen, personeel, inkopen van voedsel en drank en
muziekvoorziening. Het is bij de belastingdienst bekend dat er
dergelijke zwarte circuits bestaan. Door de zwarte betalingen
kunnen de prijzen voor de horecabezoekers relatief laag blijven.
Binnen korte tijd kan een horecagelegenheid op deze wijze tot bloei
worden gebracht en levert de ondernemer veel – legaal – geld op. De
ondernemer kan de goedlopende zaak in bedrijf houden of weer van de
hand doen, voor een aanzienlijk hoger (wit) bedrag dan de
gelegenheid bij aankoop – op papier – heeft gekost.
lees meer
IX – De branches horeca en gokautomaten – 7.3. Verpachting
en leningverstrekking die verworden tot wurgconstructiesJanuary 1, 1999
7.3. Verpachting en leningverstrekking die verworden tot
wurgconstructies
Automatenhandelaren begeven zich in toenemende mate op de markt
van leningen voor startende horeca-ondernemers. Zij lijken hierin
de rol van brouwerijen en banken steeds meer te hebben overgenomen.
Doordat de lening altijd wordt gekoppeld aan de automatenplaatsing
is het risico voor de leningverstrekker relatief klein. Een normale
lening ligt, volgens genterviewden van de VAN, tussen de tien- en
twintigduizend gulden en staat netjes op papier.
lees meer
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>