• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • Bijlage VII – VIII. ALGEMEEN BESLUIT

    VIII. ALGEMEEN BESLUIT

    In Nederland is al een aantal jaren een publieke discussie
    gaande over de aard, de omvang en de schade – kortom de ernst – van
    de georganiseerde criminaliteit. Sommigen menen dat de situatie
    heel ernstig is en poneren zelfs dat een ontwrichting van het
    maatschappelijk leven door toedoen van deze criminaliteit tot de
    rele mogelijkheden behoort, zo zij niet reeds aan de gang is.
    Anderen schatten de situatie weer heel wat minder ernstig in en
    gaan er van uit dat het traditionele bendewezen slechts een nieuwe
    gedaante heeft aangenomen. Zulke verschillen van opvatting zijn ten
    dele mogelijk omdat er tot nu toe weinig systematisch en grondig
    empirisch onderzoek is gedaan naar het probleem van de
    georganiseerde criminaliteit in ons land. Hierdoor is het immers
    mogelijk dat allerlei dingen kunnen worden beweerd zonder dat ze
    direct of indirect kunnen worden gelogenstraft met feiten. Ten dele
    hangen dergelijke verschillen van opvatting echter ook samen met
    het feit dat georganiseerde criminaliteit niet door iedereen op
    dezelfde manier wordt gedefinieerd. Wanneer immers wordt gekozen
    voor een ruime definitie – zeggende bijvoorbeeld dat georganiseerde
    criminaliteit evengoed betrekking kan hebben op hirarchisch
    georganiseerde groepen die zich met geweld en corruptie een weg
    banen naar duurzame machtsposities in bepaalde legale economische
    sectoren als op groepjes gewiekste flessentrekkers en overvallers –
    dan is het probleem dat deze criminaliteit stelt, ook in de
    verbeelding, al vlug vele malen ernstiger, toch zeker in omvang,
    dan wanneer een enge definitie wordt aangehouden, bijvoorbeeld dat
    er slechts sprake is van georganiseerde criminaliteit als criminele
    groepen inderdaad controle hebben weten te krijgen over een of meer
    legale branches in de economie. In het licht van deze
    verwarringstichtende discussie is het geen wonder dat ook in de
    politiek, in het parlement, bij herhaling de vraag is opgeworpen
    hoe ernstig het probleem van de georganiseerde criminaliteit nu
    eigenlijk is. Deze vraag bleef echter lange jaren onbeantwoord. Ja,
    er werd wel een antwoord gegeven – door middel van de opeenvolgende
    inventarisaties van de CRI/het CBO maar dit antwoord maakte de
    verwarring alleen maar groter omdat de bedoelde inventarisaties, om
    allerhande redenen, keer op keer hl verschillende kwantitatieve
    beelden van de werkelijkheid produceerden. Een meer evenwichtige
    beantwoording van de betrokken vraag drong zich echter op toen zij
    in de schoot van de parlementaire Werkgroep vooronderzoek
    opsporingsmethoden werd gekoppeld aan de vraag naar de normering
    van deze methoden. Toen dan ook nog de Tweede Kamer, in haar
    discussie over het rapport van die werkgroep Opsporing
    gezocht
    , de juistheid van deze koppeling onderschreef, lag het
    voor de hand dat de Parlementaire Enqutecommissie
    Opsporingsmethoden die vervolgens werd ingesteld, een empirisch
    onderzoek gelastte naar het probleem van de georganiseerde
    criminaliteit in Nederland. Meer bepaald vroeg zij de onderzoekers
    drie dingen te bezien:

    lees meer

    Bijlage VIII – 4.2. De produktie en distributie van synthetische drugs

    4.2. De produktie en distributie van synthetische
    drugs

    In de voorbije jaren zijn er tientallen onderzoeken ingesteld
    naar de produktie en distributie van synthetische drugs. Uit een
    rapport over een belangrijk deel van deze onderzoeken is gebleken
    dat in elk geval de zogenaamde laboratoria die bij de vervaardiging
    van deze drugs werden gebruikt, overwegend waren gesitueerd in
    Amsterdam, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg. Deze laboratoria
    waren ingericht op zeer uiteenlopende lokaties: woonschepen,
    flatwoningen, loodsen, kelders, silo’s, enzovoort. Uit het feit dat
    er in deze laboratoria maar liefst 145 verschillende chemicalin
    werden aangetroffen, mag worden afgeleid dat er bij de productie
    van synthetische drugs nog heel wat wordt gexperimenteerd. Waarbij
    wel moet worden aangetekend dat een groot deel van deze chemicalin
    gewoon waren gekocht bij bekende firma’s in Nederland, Belgi en
    Duitsland. De meeste produktiemiddelen (glaswerk,
    tabletteermachines, pompen) waren afkomstig van Nederlandse en
    Belgische bedrijven en fabrieken. De vervaardiging van synthetische
    drugs is – economisch gezien – dus een meer normale activiteit dan
    men op het eerste gezicht wellicht zou denken. De XTC-zaak die
    bijna vijf jaar geleden door het vroegere IRT Noord-Holland-Utrecht
    onder de naam Extase werd gedraaid, heeft laten zien dat de
    produktie en distributie van synthetische drugs somtijds in handen
    is van een vrij goed-georganiseerde criminele groep en dat er
    enorme sommen geld mee kunnen worden verdiend (Cortebeeck, 1994).
    Deze groep was van gemengde, Belgisch-Nederlandse, origine. Zij
    telde zo’n twintig personen die – alleen of met anderen – betrokken
    waren bij alles wat er zoal komt kijken bij een illegale
    onderneming als deze: de aanschaf van panden, de inrichting van
    laboratoria, de aankoop van grondstoffen, het produceren van de
    drugs, de distributie van de pillen, de beveiliging van de
    lokaties, de investering van de winsten en andere. Volgens experts
    van de CRI had de organisatie in totaal de beschikking gehad over
    een bedrag van maximaal 264 miljoen en minimaal 72 miljoen ten
    behoeve van de aanwending in diverse activa. Hiervan kon, in
    relatie tot de kasadministratie, evenwel slechts 15 miljoen worden
    getraceerd. Tegenover een groep als deze die indertijd zonder
    twijfel tot de top van de georganiseerde criminaliteit had kunnen
    worden gerekend, staan tal van groepen die qua organisatie noch qua
    omzet kunnen tippen aan de bende waarom het in het Extase-onderzoek
    ging. Uit het rapport waarnaar hiervoor reeds werd verwezen, kan
    immers worden opgemaakt dat men in heel wat onderzoeken slechts is
    gestoten op enkele mensen die van A tot Z het hele productieproces,
    met alles wat hierbij hoort, gaande moesten houden. Hoe
    kleinschalig veel van deze groepjes wel niet werkten, blijkt met
    name uit het feit dat er nauwelijks sprake was van
    arbeidsverdeling. De organisator (financier, leverancier) werkte
    gewoon met de laborant mee om er het beste van te maken. Daarnaast
    is er ook een tussencategorie van groepen. Dat zijn de groepen, of
    beter gezegd, de netwerken die, op zichzelf genomen, wel enige
    organisatiegraad vertonen, maar die daarenboven hetzij voor de
    leverantie van grondstoffen, hetzij voor de afzet van hun
    producten, hetzij voor de gewelddadige inning van schulden, in meer
    of mindere mate afhankelijk zijn van figuren in de top van de
    georganiseerde criminaliteit. Om te achterhalen hoe deze netwerken
    er uitzien, zijn in Noord-Brabant twee recente onderzoeken naar de
    produktie en distributie van synthetische drugs onder de loupe
    genomen.
    Onderzoek A bracht aan het licht dat in een bedrijfspandje in een
    middelgrote stad amphetamine werd vervaardigd. Niet het hele
    produktieproces werd hier afgewikkeld. Enkele keren werden bepaalde
    bewerkingen uitgevoerd in woonhuizen in de Randstad. En het draaien
    van de pillen gebeurde uiteindelijk weer op een andere plaats in
    het land. Deze geografische spreiding van het produktieproces
    (branden, kristalliseren en tabletteren) had zeker tot doel om het
    risico van ontdekking te verkleinen. Te zelfder tijd vormde zij
    echter ook een weerspiegeling van het netwerk dat hier bezig
    was.

    lees meer

    Bijlage VIII – 2.3. De vroegere onderwerelden in Holland

    2.3. De vroegere onderwerelden in Holland

    Over de ontwikkelingen in de eerste helft van de twintigste eeuw
    zijn we niet zoveel beter genformeerd dan over die in de
    negentiende eeuw. Weliswaar begon in die tijd de opbloei van de
    criminologie haar eerste vruchten af te werpen, maar de dominante
    orintatie van deze criminologie op de individuele dader bracht als
    vanzelf met zich mee dat sociologische studies van criminele
    groepen en hun leefwereld uitzonderingen bleven. En voorzover ze
    dan toch werden vervaardigd, konden hun auteurs zich nog niet
    altijd onttrekken aan de sterke invloed van de zogenaamde criminele
    anthropologie (Van Schreven, 1957; Jens, 1939). Maar er is op
    enkele punten toch wat meer empirisch houvast voor bepaalde
    uitspraken. De beschikbare literatuur kan worden onderverdeeld in
    twee categorien: enerzijds politile mmoires over de onderwereld in
    de Hollandse grootsteden, anderzijds wetenschappelijke en
    journalistieke studies over Brabantse bendes. Deze tweedeling sluit
    natuurlijk aan op wat hiervoor is geschreven over de Grote
    Nederlandse Bende, maar anticipeert tevens op wat nog te berde zal
    worden gebracht over de opkomst en samenstelling van de
    tegenwoordige drugsgroothandelsgroepen. In deze paragraaf zal de
    bedoelde mmoire-literatuur kort worden besproken. De studies over
    de criminaliteit in Brabant komen in de volgende paragraaf aan bod.
    Lezend in al die mmoires krijgt men de indruk dat zeker in een stad
    als Amsterdam het centrum van de onderwereld, de penose, in
    die tijd al gauw enkele honderden personen moet hebben geteld. In
    steden als Den Haag, Rotterdam en Utrecht was zij waarschijnlijk
    wel wat minder omvangrijk (Fremery Kalff, 1961; Groen, 1952 en
    1962; Kallenborn, 1953; Van Exel, 1951; Van Nie, 1964; Van Slobbe,
    1937; Voordewind, 1949 en 1950). Deze stedelijke onderwereld werd
    door allerhande figuren bevolkt: inbrekers, oplichters, dieven
    allerhande, helers, pandjesbazen, opkopers, souteneurs,
    drugssmokkelaars, enzovoort. En zij kende ook rangen en standen.
    Een pakjesdief of kwartjesvinder kon zich niet meten met een
    hoteldief of een oplichter. De meeste achting genoten jarenlang de
    brandkastkrakers. Maar in de jaren dertig werd hun positie in het
    gedrang gebracht door gangsters, mannen die naar Amerikaans
    voorbeeld gewapenderhand overvallen uitvoerden op postkantoren en
    bankinstellingen.

    lees meer

    Bijlage VIII – III.7. De PKK en het probleem van de afpersing

    III.7. De PKK en het probleem van de afpersing

    Dan is er tenslotte het grote en angstwekkende probleem van de
    afpersing van landgenoten. Er zijn ook andere groepen die zich daar
    waarschijnlijk mee bezig houden, maar afpersing door de PKK in het
    Koerdische milieu is het bekendste. De PKK heeft haar wortels in de
    jaren zeventig in het linkse studentenmilieu van Ankara, waar men
    het idee van gewapend verzet ontwikkelde om de positie van de
    Koerden te verbeteren (Soeterik, 1993). De PKK zelf stamt uit 1978.
    Nadat in Turkije in 1980 voor de derde maal na de oorlog een
    staatsgreep is uitgevoerd, worden PKK-activisten gearresteerd en om
    het leven gebracht of het land uitgewezen. De meeste Koerdische
    organisaties hebben de repressie van de overheid niet overleefd,
    maar de PKK heeft zich sedert het begin van de jaren negentig juist
    een massa-aanhang onder de Koerden verworven. Dat geldt ook de
    Koerden in het buitenland. In Nederland is ongeveer 30% van degenen
    met een (oorspronkelijk) Turkse nationaliteit Koerdisch. De
    grootste concentratie is te vinden in Den Haag (Van Loon, 1992) en
    verder in Deventer en Arnhem, maar Koerden zijn eigenlijk overal
    waar ook Turken zijn. Het is buitengewoon moeilijk voor de
    Nederlandse autoriteiten om uit te maken of door Koerden een
    vrijwillige bijdrage aan de PKK wordt geschonken of dat zulks
    berust op intimidatie en dwang. Er zijn voldoende berichten van
    intimiderend optreden in koffiehuizen waarbij gasten 25 of 100
    gulden afstaan, berichten over folders in huisdeuren en over
    regelrechte afpersing van geslaagde Koerdische ondernemers
    (waaronder drugshandelaren!). Maar zouden zij vrijwillig niet ook
    contributie hebben betaald? De grote moeilijkheid bij het delict
    afpersing is altijd dat de slachtoffers geen aangifte doen. Twee
    gerichte pogingen van de politie (in Amsterdam en in Arnhem) om
    door middel van een aanschrijving aan alle Turkse en Koerdische
    adressen in de stad slachtoffers tot aangifte te bewegen, leverden
    in Amsterdam helemaal niets op en in Arnhem niet meer dan enkele
    aangiften.

    lees meer

    Bijlage VIII – V.4. De Chinese georganiseerde criminaliteit in Nederland

    V.4. De Chinese georganiseerde criminaliteit in
    Nederland

    V.4.1. Een blik op het nabije verleden

    Hiervoor werd aangegeven dat in de (inter)nationale literatuur
    de Chinese gemeenschap in Nederland wordt aangemerkt als een
    brandhaard van Chinese georganiseerde criminaliteit in Europa, zo
    niet in het Westen, in elk geval op het terrein van de
    heronehandel. Men moet er zich echter rekenschap van geven dat de
    berichten hieromtrent vooral slaan op de gebeurtenissen die in de
    jaren zestig en zeventig plaatsgrepen in Amsterdam. De betreffende
    auteurs gaan enerzijds voorbij aan de (ondergeschikte) rol die
    Nederlandse Chinezen voor de oorlog beslist hebben gespeeld in de
    smokkel van (Turkse) opium naar Nederland en naar Nederlands-Indi;
    de groothandel was toen veeleer in handen van Joden en Grieken
    (Kallenborn, 1953; Block, 1994). Anderzijds wordt in elk geval in
    de internationale literatuur niet of nauwelijks acht geslagen op de
    actuele ontwikkeling van de Chinese georganiseerde criminaliteit in
    Nederland. Terwijl er helemaal geen reden is om deze ontwikkeling
    te bagatelliseren, zoals verderop zal worden aangetoond. De
    gebeurtenissen die zich in Amsterdam in de jaren zestig-zeventig
    voordeden, vormen de achtergrond van wat er tegenwoordig aan de
    hand is.

    lees meer

    Bijlage VIII – VII.7. Conclusie

    VII.7. Conclusie

    Uit dit relaas is duidelijk geworden dat de Colombiaanse
    kartelorganisaties in Nederland zeer actief zijn. Het gaat hier om
    organisaties die in zeer korte tijd een reusachtige economische en
    politieke macht hebben opgebouwd en die in staat zijn niet enkel te
    onderhandelen met hun eigen regering over de eventuele condities
    waarop zij zich zouden willen overgeven, maar die met hun houding
    ook de Amerikaanse regering bruskeren. Nederland is voor de kartels
    van logistiek belang, omdat zij hun handelswaar in belangrijke mate
    per zeevracht en in containers Europa binnenvaren via Nederlandse
    havens. Het is opvallend te constateren dat zij daarbij eigenlijk
    niet goed kans hebben gezien hetzelfde spel te spelen als in
    Zuid-Amerika door de overheid of althans een aantal van haar
    dienaren te corrumperen. Het niveau waarop vertegenwoordigers van
    de Colombiaanse kartels contact hebben gemaakt met de Nederlandse
    drugshandelaren is evenmin indrukwekkend. Het kan ermee te maken
    hebben dat de handelaren in soft drugs, waar Nederlanders immers
    het sterkst in zijn, de risicovolle cocane liever mijden. De
    Colombiaanse leden van de kartels zijn hier wel verantwoordelijk
    voor kwalitatief nieuwe acties op de weg naar de georganiseerde
    misdaad door moorden te laten uitvoeren volgens de stijl van
    sicario’s en door de eerste succesvolle gecombineerde
    ontsnappingsactie met hulp van het bewakend personeel te
    organiseren. Ofschoon we het betrekkelijke succes van de
    Colombiaanse organisaties niet op het conto kunnen schrijven van de
    Colombiaanse gemeenschap hier te lande, is het toch wel
    waarschijnlijk dat een groot deel van de weinige Colombianen op
    enigerlei wijze bij deze drugshandel is betrokken. Hun criminele
    activiteiten gaan voor een groot deel over de hoofden van de
    Nederlandse bevolking heen doordat de wereld van de cocanehandel
    uitzonderlijk internationaal is samengesteld.

    lees meer

    Bijlage VIII – XI. SLOTBESCHOUWING

    XI. SLOTBESCHOUWING

    In de negen hoofdstukken die volgden op de algemene introductie
    tot het onderwerp van deze studie, hebben wij een bonte stoet van
    tien nationaliteiten in Nederland de revue laten passeren en we
    hebben ze, soms tot in kleine details, onderzocht op de vraag of er
    in hun kring sprake is van betrokkenheid bij georganiseerde
    misdaad. We hebben dit met opzet zo gedetailleerd opgeschreven om
    aan de lezer zelf zoveel als mogelijk is mee te laten kijken in het
    materiaal dat wij onder ogen hebben gehad. De gepresenteerde
    informatie is verre van compleet en vaak hebben we de verzuchting
    geslaakt dat bepaalde zaken veel beter uitgezocht hadden moeten
    worden. Onze kennis is ook ongelijk voor de verschillende groepen
    en omdat onze hoofdbron van informatie steeds bestaat uit gegevens
    van de politie, weerspiegelt ons relaas tot op zekere hoogte eerder
    haar prioriteitsstelling (en de kwaliteit van de per korps aan ons
    gezonden documentatie!) dan de ernst van het probleem per
    groep.

    lees meer

    IX – De branche van het wegtransport – 1. ACHTERGRONDEN EN OPZET VAN HET DEELRAPPORT

    Frank Bovenkerk en Ankie Lempens Universiteit Utrecht

    1. ACHTERGRONDEN EN OPZET VAN HET DEELRAPPORT

    Op 18 juli 1994 knippen we uit De Volkskrant een annonce:
    T.o. gevr. internationaal transportbedrijf.
    Financile problemen geen bezwaar.
    Tel.
    Het kost weinig verbeeldingskracht om hierachter criminele
    intenties te vermoeden. Wil iemand het transportbedrijf overnemen
    om smokkelwaar te vervoeren? Ligt het in de bedoeling het bedrijf
    te gebruiken om geld wit te wassen? We zullen het nooit weten.
    Want, als we het nummer bellen dat in de advertentie wordt genoemd,
    wordt de hoorn na onze openingszin schielijk op de haak gegooid. In
    de vijf of tien jaren die achter ons liggen, zijn bij voortduring
    transportondernemingen en ook wel expediteurs in het nieuws geweest
    omdat zij diensten hadden verricht voor verschillende takken van
    georganiseerde misdaad. Meestal ging het om het internationale
    vervoer van drugs. Er zijn chauffeurs in de gevangenis beland en
    (minder) ondernemers; er zijn vrachtwagencombinaties, ladingen en
    bedrijfspanden geconfisceerd; er zijn vergunningen ingetrokken. Zo
    openlijk als in de Volkskrant-advertentie zal het gewoonlijk
    meestal niet gaan, maar er is voldoende bekend geworden in het
    strafrechtelijk onderzoek van politie en justitie om speciaal
    onderzoek naar betrokkenheid in deze branche te rechtvaardigen. In
    de internationale literatuur over de georganiseerde misdaad wordt
    die betrokkenheid vaak genoemd. Misschien heeft het te maken met
    het imago van truckers als vrije jongens, de wetenschap dat in deze
    branche grote en kleine overtredingen tot op zekere hoogte gewoon
    zijn en worden aanvaard als middel om het hoofd boven water te
    houden. De infiltratie van de georganiseerde misdaad in de
    vakbonden van vrachtwagenchauffeurs in de Verenigde Staten
    (vergelijk de roemruchte carrire van Jimmy Hoffa) is algemeen
    bekend. De transportbranche vormt voor de georganiseerde misdaad
    een strategisch steunpunt omdat zij met het beheersen van aan- en
    afvoer van materiaal ondernemers onder druk kan zetten om
    afpersingsgelden te betalen. Dit vormt een van de manieren om
    bijvoorbeeld (via het beheersen van de aanvoerlijn van
    bouwmateriaal) de bouwnijverheid te controleren. Dit laatste
    verschijnsel doet zich in Nederland niet voor omdat labour
    racketeering
    hier onbekend is.

    lees meer

    IX – De branche van het wegtransport – 11. EUROFRAUDE IN DE VERVOERSBRANCHE

    11. EUROFRAUDE IN DE VERVOERSBRANCHE

    Het wegvallen van de Europese binnengrenzen maakt de controle op
    het transport moeilijker en daarmee het gesjoemel met heffingen,
    subsidies en belastingen gemakkelijker. Voorheen werden aan de
    Nederlandse grens documenten aangemaakt die bewezen dat een lading
    goederen het land was binnengekomen of had verlaten, en daarmee was
    de kous af. Invoerrechten, accijnzen of subsidies werden hier (bij
    wijze van spreken) afgerekend. Maar tegenwoordig passeren de
    vrachtauto’s doorgaans zonder controle de Nederlandse grenzen. Voor
    goederen waarover belastingen dienen te worden betaald of subsidies
    kunnen worden ontvangen, moet achteraf worden bewezen dat de
    goederen inderdaad op de plaats van bestemming zijn aangekomen en
    dus recht hebben op belastingrestitutie of subsidiegeld. Het geheel
    van alle fraude-vormen waarbij er sprake is van misbruik van
    Europese regels, subsidies en belastingen noemen we Eurofraude. In
    het rapport van H. van de Bunt over illegaal optreden in legale
    bedrijfstakken en sectoren – ook in deze serie – wordt er eveneens
    aandacht aan deze vorm van criminaliteit geschonken.

    lees meer

    IX – De branche van het wegtransport – 12.7 Rippen

    12.7 Rippen

    Een staaltje criminaliteit binnen de criminaliteit is het rippen
    van drugstransporten. Vaak zitten er dan verklikkers in de
    organisatie of uitvoering van het smokkeltransport; zij tippen
    derden die de wagen onderweg beroven. Een gesprekspartner uit de
    smokkelwereld vertelt dat een personeelslid uit zijn losploeg
    dergelijke contacten buiten de smokkelbende had: iedere keer als er
    een hashtransport over de grens ging, werden de chauffeurs onderweg
    met een pistool tot stoppen gedwongen. Eenmaal verloor deze bende
    zo vijf ton hash, ter waarde van vijftien miljoen gulden. Deze
    drugsbaas stuurde altijd gewapende begeleiders met de vrachtauto’s
    mee, in de truck zelf, maar ook in een meerijdende
    personenauto.

    lees meer

    IX – De zeehaven Rotterdam en de luchthaven Schiphol – 4.2. De Rotterdamse Haven

    4.2. De Rotterdamse Haven

    Zoals in de vorige paragraaf al is aangegeven krijgt een
    internationale zeehaven te maken met smokkel van allerhande
    goederen. Door de pre-occupatie van de Nederlandse
    opsporingsdiensten met drugs gaat de aandacht voornamelijk uit naar
    drugssmokkel. Daarover zijn ook de meeste gegevens aanwezig. In de
    Rotterdamse haven is door de opheffing van de centrale afdeling
    verdovende middelen van de politie de opsporing en bestrijding van
    drugssmokkel een taak geworden van de douane, waarbij de politie
    indien nodig assistentie levert.

    lees meer

    IX – De autobranche en de (vracht)autocriminaliteit – 4.3. Terugvindpercentages gestolen auto’s

    4.3. Terugvindpercentages gestolen auto’s

    Niet elke auto die in Nederland wordt gestolen, verdwijnt uit
    het zicht. Veel gestolen auto’s worden vroeger of later
    teruggevonden. Eijken en De Waard (1994) rapporteren een percentage
    van 60, en Van der Heijden (1995) stelt dat voor 1993 op 64%.
    Hoewel het percentage vanaf 1990 is toegenomen (vanaf 58% in 1990
    tot 64% in 1993) is het absolute aantal personenauto’s dat niet
    meer terechtkomt, wel toegenomen.

    lees meer

    IX – De autobranche en de (vracht)autocriminaliteit – 2.2. De organisatie en structuur van de autobranche in Nederland

    2.2. De organisatie en structuur van de autobranche in
    Nederland

    De autobranche is een georganiseerde branche waar een en ander
    op vrijwillige basis is verenigd en wordt geregeld. Er zijn
    verschillende organisaties actief die de belangen van de
    afzonderlijke leden behartigen op zowel economisch als politiek
    niveau. De lobby van de auto heeft, ondanks alle milieurapportages,
    in politiek Den Haag nog altijd een grote invloed. (Die politieke
    invloed is niet zo wonderlijk wanneer wordt bedacht hoe groot de
    financile belangen van de autobranche voor ‘s Rijks schatkist zijn
    en dat in de toekomst ook zullen blijven. De centrale overheid inde
    in 1994 ruim f.19 miljard aan belastingen als gevolg van de
    economische activiteiten in deze bedrijfstak. Daarvan komt bijna
    vier miljard gulden binnen aan BPM, bijna f.8 miljard aan benzine-
    en dieselaccijnzen en aan motorrijtuigenbelastingen f.2.7
    miljard.)

    lees meer

    IX – De branches horeca en gokautomaten – 4.4. Witwassen

    4.4. Witwassen

    Het opkopen van horecagelegenheden door organisaties kan worden
    gedaan om via het caf zwart geld wit te wassen. Uit de
    geraadpleegde politiegegevens blijkt dat dit gebeurt, al is er over
    de omvang van dit verschijnsel niets bekend. Ook kan er zwart geld
    worden gegenereerd met de exploitatie van een horecagelegenheid,
    waarmee illegale aankopen (van onder andere drugs) kunnen worden
    gefinancierd. Volgens een FIOD-opsporingsambtenaar gaan het
    witwassen van vermogens en het creren van zwart geld vaak samen,
    hoewel er volgens deze vele malen meer zwart geld wordt
    gegenereerd, dan er wordt wit gewassen. Een groot deel van de
    zwarte winsten verdwijnt naar het buitenland, wordt direct
    geconsumeerd of dient ter dekking van criminele verliezen, zo meent
    deze opsporingsambtenaar. Witwassen van illegaal verkregen
    vermogens kan gebeuren via een fictieve verhoging van de omzet.
    Hiervoor is de horecabranche geschikt omdat de precieze omzet nooit
    helemaal te controleren valt; het aantal verkochte pilsjes en
    gehaktballen is op papier gemakkelijk op te voeren. De wit
    ingekochte drank wordt voor eigen gebruik gehouden of weer
    doorverkocht. Volgens een enqute onder horeca-ondernemers (Lenting
    en Partners, 1990) maakt slecht tien procent van hen gebruik van
    een specifiek voorraad-controle-systeem. In de helft van alle cafs
    staat niet eens een kassa; veel cafbazen schrijven de rekening dus
    nog steeds op de achterkant van een bierviltje en beheren de
    voorraad uit het hoofd. De ondernemers kunnen een hogere omzet aan
    de fiscus doorgeven, dan er werkelijk in het bedrijf omgaat. Ook
    speelautomaten in de zaak lenen zich hier goed voor. Vergelijk het
    hoofdstuk speelautomatenbranche. Deze wijze van witwassen is echter
    kostbaar: volgens onze gesprekspartner van de FIOD gaat een groot
    deel van het vermogen – soms tot driekwart van de totale som – naar
    de fiscus in de vorm van omzet-, vennootschaps-, dividentsen
    inkomstenbelasting. Een minder kostbare witwasmethode kan
    geschieden via de aankoop, exploitatie en latere verkoop van een
    horecagelegenheid. Uit bronnen van horecakenners vernemen we dat
    bij aankoop van een pand niet zelden een deel van de koopsom of –
    bij verhuur – een deel van de stichtingkosten onder de tafel gaat.
    Vervolgens kan er voor een deel zwart geld worden aangewend om de
    kwaliteit van de zaak op te vijzelen: er wordt fors genvesteerd in
    verbouwingen, personeel, inkopen van voedsel en drank en
    muziekvoorziening. Het is bij de belastingdienst bekend dat er
    dergelijke zwarte circuits bestaan. Door de zwarte betalingen
    kunnen de prijzen voor de horecabezoekers relatief laag blijven.
    Binnen korte tijd kan een horecagelegenheid op deze wijze tot bloei
    worden gebracht en levert de ondernemer veel – legaal – geld op. De
    ondernemer kan de goedlopende zaak in bedrijf houden of weer van de
    hand doen, voor een aanzienlijk hoger (wit) bedrag dan de
    gelegenheid bij aankoop – op papier – heeft gekost.

    lees meer

    IX – De branches horeca en gokautomaten – 7.3. Verpachting en leningverstrekking die verworden tot wurgconstructies

    7.3. Verpachting en leningverstrekking die verworden tot
    wurgconstructies

    Automatenhandelaren begeven zich in toenemende mate op de markt
    van leningen voor startende horeca-ondernemers. Zij lijken hierin
    de rol van brouwerijen en banken steeds meer te hebben overgenomen.
    Doordat de lening altijd wordt gekoppeld aan de automatenplaatsing
    is het risico voor de leningverstrekker relatief klein. Een normale
    lening ligt, volgens genterviewden van de VAN, tussen de tien- en
    twintigduizend gulden en staat netjes op papier.

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>